Chapter 37
"Wel, Lucy was zoo lui en onwillig als zij maar kon; zij wilde niets doen--Tom, die nam het voor haar op."
"Zoo, deed hij dat? Wel, dan zal Tom het pleizier hebben van haar te geeselen. Dat zal eene goede oefening voor hem zijn, en hij zal de meid ook zoo hard niet slaan, als gij, duivels."
"Ho, ho, ho! ha, ha, ha!" lachten de twee ellendelingen; en die helsche klanken schenen inderdaad geene ongepaste uitdrukking te zijn van den duivelachtigen aard, dien Legree hun toeschreef.
"Maar, meester, Tom en Miss Cassy hebben met hun beiden Lucy's mand gevuld. Ik geloof wel dat het gewicht er haast zijn zal."
"_Ik weeg_," zeide Legree met nadruk.
Beide drijvers lieten wederom hun duivelachtig gelach hooren.
"En dus heeft Miss Cassy haar dagwerk gedaan?" zeide Legree.
"Zij plukt als de duivel en al zijne engelen."
"Zij heeft ze allen in het lijf geloof ik," zeide Legree; en een woesten vloek uitbrakende, ging hij naar de weegkamer.
Langzaam kwamen de afgematte slaven en slavinnen de kamer in, en kruipende, maar met blijkbaren tegenzin, brachten zij hunne manden om gewogen te worden.
Legree teekende het gewicht aan op eene lei, waarop aan den kant eene lijst der namen was geplakt.
De mand van Tom werd gewogen en goedgekeurd, en hij bleef angstig staan kijken, hoe het zou gaan met de vrouw die hij geholpen had.
Waggelende van zwakheid kwam zij aan en zette haar mand neer. Deze had het volle gewicht, gelijk Legree nu wel zag; maar zich vergramd veinzende, zeide hij:
"Wat, gij lui beest, alweer te kort? Ga daar op zijde, gij zult spoedig wat krijgen."
De vrouw zette zich kermende van wanhoop op den grond neer.
Zij, die Miss Cassy genoemd was, kwam nu voorwaarts en gaf met trotsche achteloosheid haar mand over. Toen zij dit deed, zag Legree haar met een hoonenden, maar toch onrustig uitvorschenden blik in de oogen.
Zij zag hem met hare zwarte oogen strak aan, bewoog even hare lippen en zeide iets in het Fransch. Wat het was verstond niemand; maar Legree's gezicht nam terstond eene duivelachtige uitdrukking aan, en hij hief de hand half op, als om haar een slag te geven--een gebaar dat zij met een blik van fiere minachting beantwoordde, waarna zij zich omkeerde en heenging.
"En nu, gij Tom, kom hier," zeide Legree. "Ik heb u al gezegd, dat ik een kerel als gij niet voor het gewone werk had gekocht. Ik heb plan u te bevorderen en een drijver van u te maken, en van avond moogt gij wel eens beginnen om er den slag van te krijgen. Neem die meid mede en geesel haar, gij hebt het dikwijls genoeg gezien, om te weten hoe."
"Ik verzoek meester verschooning," antwoordde Tom, "Ik hoop dat meester mij daar niet aan zal zetten. Dat is iets waaraan ik niet gewoon ben--ik heb het nog nooit gedaan--en ik kan het ook niet doen, het is mij onmogelijk."
"Gij hebt kans om nog een aantal dingen te moeten leeren, waarvan gij nog nooit geweten hebt, eer ik met u gedaan heb," zei Legree, en een lederen zweep opnemende, gaf hij Tom een fellen striem over de wang, gevolgd door een hagelbui van slagen, waar hij maar kon raken.
"Daar," zeide hij, ophoudende om te rusten, "zult ge mij nu nog zeggen dat gij het niet doen kunt?"
"Ja, meester," antwoordde Tom, het bloed afvegende, dat langs zijn gezicht droop. "Ik ben gewillig om te werken, nacht en dag en zoolang er leven en adem in mij is; maar dit kan ik niet denken dat goed is om te doen; en, meester, ik zal het nooit doen--_nooit_."
Tom had eene bijzonder zachte stem en eerbiedige manieren, waardoor Legree het denkbeeld had opgevat, dat hij lafhartig en gemakkelijk te dwingen zou zijn. Toen hij deze woorden sprak, liep er een schok van verbazing in het rond; de arme vrouw sloeg hare handen samen en zeide: "O Heere!" en allen zagen onwillekeurig elkander aan en hielden den adem in, als om zich schrap te zetten tegen den storm die nu moest uitbarsten.
Legree keek eerst verbijsterd en versuft, maar daarop barstte hij los.
"Wat, gij vervloekt zwart beest, zegt gij mij dat gij het niet _goed_ acht, te doen wat ik zeg? Wat behoeft gij, vervloekt vee, er over te denken wat goed is? Daar zal ik een eind aan maken. Wat denkt ge wel dat gij zijt? Misschien houdt gij u zelven voor een _gentleman_, meester Tom, om uwen meester te zeggen wat goed is en wat niet. Gij wilt dus zeggen dat het verkeerd is die meid te geeselen?"
"Zoo denk ik, meester," antwoordde Tom. "Het arme schepsel is ziek en zwak; het zou ronduit wreedheid zijn; en dat is iets dat ik nooit doen zal of aan beginnen wil. Meester, als gij mij wilt doodslaan, doe het; maar mijne hand op te heffen tegen iemand hier, dat zal ik nooit; ik wil liever sterven."
Tom sprak met eene zachte stem; maar met eene vastberadenheid, waarin men zich niet vergissen kon. Legree beefde van woede; zijne groenachtige oogen fonkelden, en zelfs zijne bakkebaarden schenen van woede te krullen; maar gelijk een tijger, die een poos met zijn slachtoffer speelt eer hij het verscheurt, bedwong hij zijne neiging tot dadelijk geweld, en overlaadde hij zijn weerspannigen slaaf met bitteren spot.
"Wel zoo, hier is een vrome hond onder ons zondaren afgedaald! een heilige, een _gentleman_ en niets minder, om ons zondaren over onze zonden te onderhouden! Een machtig heilig schepsel moet hij zijn! Hier, gij schavuit, die u zoo vroom wilt houden--hebt gij dan nooit uit uwen Bijbel gehoord: "Dienstknechten, zijt uwen heeren gehoorzaam"? Ben ik uw meester niet? Heb ik niet twaalfhonderd dollars klinkende munt betaald voor alles wat er in uw oud vervloekt zwart vel steekt? Zijt gij de mijne niet met lichaam en ziel? Zeg mij dat!" zoo besloot hij, Tom een geweldigen schop met zijne zware laars gevende.
Zelfs in de diepte van zijn lichamelijk lijden, door woest dierlijk geweld onderdrukt, wekte deze vraag een gevoel van zegevierende blijdschap in het gemoed van Tom. Hij richtte zich eensklaps op, en ernstig naar den hemel ziende, terwijl tranen en bloed ondereengemengd over zijn gezicht vloeiden, riep hij uit:
"Neen, neen, mijne ziel is uw eigendom niet, meester. Die hebt gij niet gekocht--die kunt gij niet koopen. Die is gekocht en ook betaald, door Eenen--Eenen--die in staat is om haar te bewaren. Doe dus wat gij wilt, gij kunt mij niet schaden."
"Niet?" zeide Legree smalende. "Dat zullen wij eens zien. Hier, gij Sambo en Quimbo, geef dien hond zulk een pak, dat hij in geene maand te boven is."
De twee reusachtige negers grepen, met eene valsche duivelachtige blijdschap in hun gezicht, den armen Tom aan. De arme vrouw gilde van angst, en allen stonden onwillekeurig op, toen hij, zonder zelfs eenigen tegenstand te bieden, werd weggesleept.
VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
GESCHIEDENIS DER QUADRONE
En ziet, er waren de tranen der verdrukten, en dergenen, die geenen trooster hadden; en aan de zijde hunner verdrukkers was macht. Dies prees ik de dooden die alreeds gestorven waren, boven de levenden die tot nog toe levend zijn. Pred. 4:1 en 2
Het was laat in den nacht, en Tom lag kermende en bloedende alleen in eene verlaten kamer van het machinehuis, tusschen gebroken stukken machinerie, hoopen bedorven katoen en andere onbruikbare dingen die daar verzameld waren.
De nacht was koel en vochtig, en de dompige lucht wemelde van muskieten, die de rustelooze marteling zijner wonden nog vergrootten, terwijl een brandende dorst--eene kwelling boven al het andere--de maat van zijn lichaamslijden ten uiterste toe vulde.
"O goede Heere, zie toch neder! Geef mij de overwinning--geef mij de overwinning over alles!" bad de arme Tom in zijne ellende.
Een voetstap trad achter hem binnen en het licht eener lantaren scheen hem in de oogen.
"Wie is daar! O, om 's Heeren wil en uit barmhartigheid, geef mij toch wat water!"
Cassy--want zij was het--zette de lantaren neer, schonk water uit eene flesch, beurde zijn hoofd op en gaf hem te drinken. Nog een beker en nog een ledigde hij met koortsige gretigheid.
"Drink zooveel gij lust," zeide zij. "Ik wist wel hoe het wezen zou. Het is de eerste maal niet, dat ik des nachts uit ben, om zulken als gij water te brengen."
"Dank, _Missis_," zeide Tom, toen hij genoeg gedronken had.
"Noem mij niet _Missis_. Ik ben eene ellendige slavin, evenals gij--nog lager dan gij ooit worden kunt," zeide zij met bitterheid. "Maar nu," vervolgde zij, naar de deur gaande en eene kleine stroomatras binnensleepende, waarover zij linnen doeken, met koud water bevochtigd, had gelegd, "beproef nu om u hierop te rollen, arme man."
Stijf van wonden en kneuzingen, had Tom lang werk om deze beweging ten uitvoer te brengen; maar toen hij dit gedaan had, voelde hij eene groote verlichting, door het koele linnen tegen zijne wonden.
De vrouw, die door langen omgang met de slachtoffers van woeste wreedheid met velerlei middelen tot verzachting en genezing bekend was geworden, leide vervolgens op de wonden nog andere toebereidselen, waardoor de pijn weldra nog meer werd verminderd.
"En dat is nu het beste wat ik voor u doen kan," zeide de vrouw, toen zij zijn hoofd op eene rol bedorven katoen had gelegd, om hem tot kussen te dienen.
Tom dankte haar nogmaals. En de vrouw zette zich vóór hem op den grond, trok hare knieën op, sloeg hare armen daar om heen, en bleef hem zoo met een gezicht vol bitter verdriet zitten aanzien. Haar hoed was achterovergeschoven en hare lange, golvende lokken zwierden om haar vreemd en treurig gelaat.
"Het baat niet, arme man!" barstte zij eindelijk uit, "het baat tot niets, wat gij hebt willen doen. Gij zijt braaf en dapper geweest--gij hadt het recht op uwe zijde, maar het is alles nutteloos; gij kunt er niet tegen worstelen. Gij zijt in des duivels handen; hij is de sterkste en gij moet het opgeven."
"Opgeven!" Hadden menschelijke zwakheid en lichaamspijn hem dit niet reeds vroeger toegefluisterd? Tom maakte eene beweging van schrik; want die verbitterde vrouw, met hare wilde oogen en treurige stem, kwam hem voor als de vreeselijke verzoeking, waartegen hij geworsteld had.
"O Heere, Heere!" kermde hij. "Hoe kan ik het opgeven?"
"Het baat niet of gij den Heere aanroept--Hij hoort nooit," zeide de vrouw koud en stroef. "Er is geen God, geloof ik, of als er een is, is Hij tegen ons. Alles is tegen ons, hemel en aarde. Alles drijft ons naar de hel. Waarom zouden wij niet gaan!"
Tom sloot zijne oogen en beefde van die verschrikkelijke woorden.
"Gij ziet wel," hervatte de vrouw, "_gij_ weet er niets van--_ik_ weet het. Ik ben hier vijf jaren geweest, met lichaam en ziel onder den voet van dien man, en ik haat hem, gelijk ik den duivel haat. Hier zijt gij op eene eenzame plantage, tien mijlen van elke andere, in de moerassen; geen blanke is hier die het zou kunnen getuigen, als gij levend verbrand werd, of gevild, of bij duimen in stukken gekapt, of voor de honden geworpen, of opgehangen of dood gegeeseld. Er is geene wet hier van God of menschen, die u of iemand van ons het minste goed kan doen; en die man, er is niets op de wereld, waartoe hij te goed is. Ik zou iemand de haren te berge kunnen doen rijzen en de tanden klapperen, als ik maar vertelde wat ik hier gezien en geweten heb; en tegenstand baat niet. Was het mijn zin om met hem te leven? Was ik geene beschaafd opgevoede vrouw? En hij--God in den hemel! wat was hij en is hij? En toch heb ik deze vijf jaren met hem geleefd, en elk oogenblik van mijn leven vervloekt--nacht en dag! En nu heeft hij een nieuwe gekregen--een jong ding, nog maar vijftien jaren; en zij is vroom opgebracht, zegt zij. Hare goede meesteres heeft haar in den Bijbel leeren lezen, en zij heeft haar Bijbel meegebracht--hier naar de hel!" En de vrouw lachte met een woesten, akeligen lach, die vreemd en bovennatuurlijk door het vervallen gebouw klonk.
Tom vouwde zijne handen; alles was duisternis en afgrijzen.
"O, Jezus, Heere Jezus, hebt Gij ons arme schepselen geheel vergeten?" barstte hij eindelijk uit. "Help Heere, ik verga!"
De vrouw vervolgde op stroeven toon:
"En wat zijn die ellendige, gemeene honden met wie gij werkt, dat gij om hunnentwil lijden zoudt? Een voor een zullen zij zich tegen u keeren, zoodra zij maar gelegenheid hebben. Zij zijn allen zoo slecht en wreed voor elkander, als zij maar zijn kunnen; en het baat niet dat gij nog meer lijdt, omdat gij hen niet wilt aanraken."
"Arme schepsels!" zeide Tom. "Wat heeft hen zoo wreed gemaakt? en als ik toegeef, zal ik er aan gewend raken en langzamerhand eveneens worden als zij. Neen, neen, _Missis_, ik heb alles verloren, vrouw en kinderen en mijn tehuis en een goeden meester, die mij zou vrijgelaten hebben, als hij nog maar eene week langer geleefd had. Ik heb alles in deze wereld verloren, en het is weg voor altijd en nu kan ik den hemel er niet nog bij verliezen. Neen, ik kan nu niet goddeloos gaan worden boven dat alles."
"Maar het kan niet wezen, dat de Heere ons de zonde zal toerekenen," zeide de vrouw. "Hij zal er ons niet mede bezwaren, als wij er toe gedwongen worden; Hij zal er hen mede bezwaren, die er ons toe gedreven hebben."
"Ja," antwoordde Tom, "maar dat zal ons niet beletten goddeloos te worden; als ik even hard van hart wordt als die Sambo en even goddeloos, zal het niet veel verschil maken hoe ik zoo word. Het is _zoo_ te _wezen_--dat is het--waar ik angstig voor ben."
De vrouw zag Tom aan met een woesten verschrikten blik, alsof eene nieuwe gedachte haar getroffen had. En toen zeide zij met een zwaren, kermenden zucht:
"O God van genade, gij spreekt de waarheid! O--o--o!" En zoo kermende, viel zij op den grond, als verpletterd en krimpend onder eene overmaat van zielesmart.
Er heerschte eene poos stilte, terwijl men de ademhaling van beiden kon hooren. Toen zeide Tom met eene flauwe stem: "Och, _Missis_."
De vrouw rees schielijk op, haar gezicht was weder strak en had de gewone uitdrukking van trotsche treurigheid hernomen.
"Och, _Missis_, ik heb hen mijn rok daar in den hoek zien gooien, en in den zak is mijn Bijbel--als gij dien voor mij krijgen woudt."
Cassy voldeed aan dit verlangen. Tom opende den Bijbel terstond bij eene met zware strepen gemerkte, zeer versleten plaats, in het levenseinde van Hem, door wiens striemen hij genezen was.
"Als _Missis_ nu eens zoo goed wilde zijn om dat daar te lezen, dat is nog beter dan water."
Cassy nam het boek met eene koele, trotsche houding en zag de plaats door. Daarop las zij overluid, met eene zachte stem en eene eigenaardige schoonheid van toon, dat treffende verhaal van lijden en heerlijkheid. Dikwijls haperde hare stem onder het lezen, en somtijds bleef die geheel steken, maar dan hield zij, eene koude bedaardheid veinzende, op, tot zij zich bedwongen had. Toen zij aan de treffende woorden kwam: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen," wierp zij het boek neder; en haar gezicht onder hare zware krullende haarlokken verbergende, begon zij met stuipachtige heftigheid te snikken.
Tom schreide insgelijks, maar sprak tusschenbeiden eenige woorden met eene gesmoorde stem.
"Als wij daar maar bij konden blijven," zeide hij. "Het scheen van Hem zoo natuurlijk te komen, en wij moeten er zoo hard voor strijden. O Heere help ons! O gezegende Heer Jezus, kom ons toch te hulp!"
"_Missis_," zeide Tom na eene poos, "ik kan wel zien, dat gij in alles boven mij zijt; maar er is toch een ding dat gij zelfs van den armen Tom zoudt kunnen leeren. Gij hebt gezegd, dat de Heere tegen ons was, omdat Hij ons liet mishandelen en kwaad doen; maar zie, wat Zijn eigen Zoon overkomen is--den gezegenden Koning der Heerlijkheid. Was Hij niet altijd arm? En zijn wij een van allen nog zoover gekomen? De Heere heeft ons niet vergeten--daarvan ben ik zeker. Als wij met Hem lijden, zullen wij ook met Hem heerschen, zegt de Schrift; maar als wij Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen. Hebben zij niet alles geleden--de Heere en al de zijnen? Daar staat hoe zij gesteenigd en geslagen werden, en rondgingen in schapenvellen en geitenvellen, en gebrek leden, bedroefd waren en gepijnigd werden. Het lijden is geene reden om ons te doen denken dat de Heere tegen ons is; maar juist het tegendeel, als wij ons maar aan Hem vasthouden en ons niet aan de zonde overgeven."
"Maar waarom brengt Hij ons, waar wij niet kunnen nalaten te zondigen?" zeide de vrouw.
"Ik denk dat wij het _wel_ kunnen laten," antwoordde Tom.
"Gij zult zien," zeide Cassy. "Wat zult gij doen? Morgen zullen zij weer met u beginnen. Ik ken hen; ik heb al hun bedrijf gezien. Ik kan er niet aan denken wat zij u zullen doen--en zij zullen u eindelijk dwingen om toe te geven!"
"Heere Jezus," zeide Tom. "Gij kunt mijne ziel behoeden! O Heere, laat mij toch niet toegeven!"
"Och," zeide Cassy, "ik heb al dat roepen en bidden wel meer gehoord, en toch zijn zij ten onder gebracht en bezweken. Daar is Emmeline nu, zij doet haar best om standvastig te blijven, en gij ook--maar wat baat het? Gij moet het opgeven, of gij zult langzaam doodgemarteld worden."
"Welnu, ik _wil_ sterven," zeide Tom. "Laten zij het rekken, zoolang zij kunnen, zij kunnen toch niet beletten dat ik eens sterf--en daarna kunnen zij niets meer doen; ik ben nu gerust. Ik _weet_ dat de Heere mij helpen zal en er doorbrengen."
De vrouw gaf geen antwoord, en staarde met hare zwarte oogen strak voor zich.
"Misschien is dat de weg," prevelde zij bij zich zelve; "maar voor hen die het _hebben_ opgegeven, voor hen is toch geene hoop! Wij leven in de onreinheid, en worden walgelijk tot wij van ons zelven walgen. Wij verlangen om te sterven en durven toch niet sterven. Geene hoop--geene hoop--geene hoop! Dit meisje nu, juist zoo oud als ik was! Gij ziet mij nu," zeide zij, zich tot Tom richtende en zeer snel sprekende. "Zie wat ik ben. Welnu, ik werd in weelde opgebracht. Het eerste dat ik mij herinner is, dat ik, toen ik een kind was, in een prachtig salon speelde. Toen werd ik opgekleed als eene pop, en het gezelschap placht mij te prijzen. Er was een tuin, waarop de vensters van het salon uitkwamen, en daar placht ik schuilhoekje te spelen onder de oranjeboomen, met mijne broertjes en zusjes. Ik ging naar een klooster, en daar leerde ik Fransch, muziek, borduren en wat al meer; en toen ik veertien jaar oud was, kwam ik er uit voor de begrafenis van mijnen vader. Hij stierf zeer onverwacht, en toen de nalatenschap werd geregeld, bevond men dat er nauwelijks genoeg was om de schulden te dekken; en toen de crediteuren een inventaris van de eigendommen maakten, werd ik daarbij opgeschreven. Mijne moeder was eene slavin, en mijn vader had altijd plan gehad mij vrij te verklaren; maar hij had het niet gedaan, en zoo werd ik op de lijst gezet. Ik had altijd geweten wie ik was, maar er nooit veel om gedacht. Niemand denkt, dat een sterk, gezond man spoedig zal sterven. Mijn vader was nog gezond vier uur voordat hij stierf; hij was een van de eersten, die te New-Orleans aan de cholera stierven. Daags na de begrafenis nam mijn vaders vrouw hare kinderen en ging naar de plantage van haren vader. Ik vond wel dat zij mij vreemd behandelden, maar ik begreep het niet. Er was een jong rechtsgeleerde, dien zij de zaken lieten in orde brengen; hij kwam elken dag, deed alsof hij tehuis was en sprak zeer beleefd met mij. Hij bracht eens een jongmensch mede, dien ik voor den schoonsten man hield, welken ik ooit gezien had. Ik zal dien avond nooit vergeten; ik wandelde met hem in den tuin. Ik gevoelde mij zoo eenzaam en bedroefd, en hij was zoo vriendelijk; en hij zeide mij dat hij mij voorheen gezien had, eer ik naar het klooster ging, en dat hij mij al lang had liefgehad, en mijn vriend en beschermer wilde zijn. Kortom, hoewel hij niet zeide dat hij twee duizend dollars voor mij betaald had en ik zijn eigendom was, werd ik gewillig de zijne; want ik beminde hem. O, hoe heb ik dien man bemind! Hoe bemin ik hem nog en zal hem altijd beminnen, zoolang ik ademhaal! Hij was zoo schoon, zoo goed, zoo edel! Hij bracht mij in een fraai huis, met bedienden, paarden, rijtuigen en meubelen, alles even kostbaar. Al wat maar voor geld te koop was gaf hij mij; maar ik hechtte geene waarde daaraan; ik gaf om niets anders dan om hem. Ik had hem meer lief dan mijn God
en mijne eigene ziel, en al wilde ik, ik kon toch niets anders doen dan hij van mij verlangde.
"Slechts één ding wenschte ik nog--ik wenschte dat hij mij trouwde. Ik dacht: als hij mij zoo liefhad als hij mij zeide, en ik was waarvoor hij mij scheen te houden, dat hij dan gewillig moest zijn om mij vrij te verklaren en te trouwen. Maar hij overtuigde mij dat dit onmogelijk zou zijn, en hij zeide mij dat het, als wij elkander maar getrouw bleven, een huwelijk voor God was. Als dat waar is, was ik dan niet de vrouw van dien man? Was ik hem niet getrouw? Heb ik niet zeven jaren lang op al zijne blikken en bewegingen gelet, en alleen geleefd en geademd om hem te behagen? Hij kreeg de gele koorts en twintig dagen en nachten waakte ik bij hem--ik alleen, en gaf hem zijne medicijnen en deed alles voor hem; en toen noemde hij mij zijn beschermengel en zeide dat ik zijn leven had gered. Wij hadden twee schoone kinderen. Het eerste was een jongen en wij noemden hem Henry; hij was het beeld van zijnen vader--hij had even zulke fraaie oogen, zulk een voorhoofd, en zijn haar hing in krullen daaromheen--en hij had ook geheel den geest en de talenten van zijnen vader. Kleine Eliza, zeide hij, geleek naar mij. Hij placht mij dikwijls te zeggen dat ik de schoonste vrouw in Louisiana was, zoo trotsch was hij op mij en de kinderen. Hij had gaarne dat ik ze fraai kleedde, en nam hen en mij dikwijls mede in een open rijtuig, om te hooren wat de menschen van ons zeiden, en dan vulde hij mij de ooren gedurig met al het moois dat tot lof van mij en de kinderen gezegd werd. O, dat waren gelukkige dagen! Ik dacht dat ik zoo gelukkig was als iemand wezen kon; maar toen kwamen er booze tijden. Hij had een neef, die naar New-Orleans kwam en zijn bijzondere vriend was. Hij maakte heel veel werk van hem; maar van de eerste maal dat ik hem zag, ik kon niet zeggen waarom, was ik bang voor hem; want ik voelde mij er zeker van dat hij ellende over mij zou brengen. Hij bracht Henry er toe om met hem uit te gaan, en dikwijls kwam hij des nachts niet vóór twee of drie uur tehuis. Ik durfde er geen woord van zeggen; want Henry was zoo opvliegend, dat ik daarvoor schrikte. Hij bracht hem naar speelhuizen, en hij was een van die soort, die als zij eens daaraan zijn, niet meer zijn terug te houden. En toen bracht hij hem in kennis met een dame, en ik zag spoedig dat zijn hart van mij vervreemd werd. Hij zeide het mij nooit; maar ik zag en voelde het dag aan dag. En toen bood die ellendeling aan om mij en mijne kinderen van hem te koopen, om zijne schulden te voldoen, die hem verhinderden om naar zijnen zin te trouwen--en hij verkocht ons. Hij zeide mij eens dat hij om zaken uit moest en twee of drie weken zou uitblijven. Hij sprak vriendelijker dan gewoonlijk; en zeide dat hij zou terugkomen, maar dat bedroog mij niet; ik wist dat de tijd gekomen was. Ik was als in steen veranderd; ik kon niet spreken en ook niet schreien. Hij kuste mij, en hij kuste de kinderen verscheidene malen en ging. Ik zag hem te paard stijgen, en keek hem na tot hij uit mijn oogen was, en toen viel ik flauw.
"Toen kwam hij, die vervloekte ellendeling! toen kwam hij bezit van ons nemen. Hij zeide dat hij mij en de kinderen had gekocht en liet mij de papieren zien. Ik vloekte hem voor God, en zeide dat ik liever wilde sterven dan met hem leven.