Chapter 36
Het gebouw zag er zeer vervallen en verlaten uit; sommige vensters waren met planken dichtgespijkerd, andere hadden gebroken ruiten of luiken, die slechts aan het hengsel hingen--alles kondigde de grootste verwaarloozing aan.
Stukken van planken en hoopen stroo bedekten overal den grond, en drie of vier groote honden, die er zeer kwaadaardig uitzagen, kwamen op het gerucht van den aankomenden wagen uitschieten, en konden door de met vodden bedekte slaven, die hen naliepen, slechts met moeite weerhouden worden van Tom en zijne makkers aan te pakken.
"Gij ziet wat gij krijgen zoudt," zeide Legree, de honden met barsche tevredenheid liefkoozende en zich daarop naar Tom en zijne makkers keerende. "Gij ziet wat gij krijgen zoudt, als ge beproeven mocht om weg te loopen. De honden zijn gedresseerd om negers op te sporen, en zij zouden er even gaarne een opslokken als hun gewoon avondmaal. Past dus op. Wel, Sambo," zeide hij tot een haveloozen kerel, zonder rand aan zijnen hoed, die zich zeer gedienstig toonde: "hoe zijn de zaken gegaan?"
"Opperbest, meester."
"Quimbo," zeide Legree tot een ander, die ijverige pogingen deed om zijne aandacht te trekken, "gij hebt onthouden wat ik u gezegd had?"
"Dat zou ik nog al denken, meester."
Deze twee kleurlingen waren de voornaamste arbeiders op de plantage. Legree had hen even stelselachtig op woestheid en kwaardaardigheid afgericht als zijne bulhonden, en door lange oefening in gevoelloosheid en wreedheid had hij hunne geheele natuur omtrent aan die dezer dieren gelijk gemaakt. Het is eene gewone opmerking en eene die men voor een groot bezwaar tegen den stam houdt, dat de negeropzichter altijd veel heerschzuchtiger en wreeder is dan de blanke. Het is echter in dit opzicht met zijn geslacht niet anders gesteld, dan met ieder verdrukt geslacht op de wereld. De slaaf is altijd een tiran, wanneer hij gelegenheid heeft om dit te zijn.
Sambo en Quimbo haatten elkander hartelijk, al de arbeiders op de plantage haatten hen; en door den een tegen den ander te gebruiken, was Legree tamelijk zeker van eene dezer drie partijen alles te vernemen wat er op zijne plantage omging.
Niemand kan geheel zonder gezelligen omgang leven; en Legree had dus zijne twee zwarte satellieten zekere ruwe gemeenschap met hem veroorloofd--eene gemeenschap evenwel, die telkens dreigde den een of ander in ongelegenheid te brengen; want op den minsten wenk was een van beiden altijd gereed om het werktuig des meesters wraak op den ander te zijn.
Gelijk zij daar bij Legree stonden, schenen zij het bewijs te kunnen leveren van de bewering, dat verdierlijkte menschen lager kunnen zinken dan de dieren zelven. Hunne grove, donkere, logge trekken; hunne groote oogen, die elkander wangunstig begluurden; hunne barbaarsche, gorgelende, half naar dierlijke geluiden zweemende spraak; hunne gescheurde, in den wind fladderende kleeren--alles strookte met het bedorven, ongezonde voorkomen van alles, over de geheele plaats.
"Hier gij, Sambo," zeide Legree, "breng die jongens naar het kwartier. En hier is eene meid, die ik voor u heb gekocht," vervolgde hij, terwijl hij de mulattin van Emmeline afscheidde en naar hem toeduwde, "gij weet wel, ik heb u beloofd u er eene mee te brengen."
De vrouw deinsde van schrik terug, en zeide snel: "O meester, ik heb mijn man te New-Orleans gelaten."
"Wat raakt dat--zult gij er hier geen noodig hebben?--nu geene woorden meer--maakt dat gij voortkomt!" zeide Legree en lichtte zijn zweep op.
"Kom, Juffertje," zeide hij tegen Emmeline, "gij gaat met mij hier binnen."
Een donker, wild gezicht vertoonde zich voor een oogenblik voor een der vensters van het huis; en toen Legree de deur opende, zeide eene vrouwenstem iets op een driftigen, gebiedenden toon. Tom, die met angstige belangstelling Emmeline nazag, toen zij binnenging, lette hierop, en hoorde Legree toornig antwoorden: "Gij moogt uw mond houden. Ik zal doen wat ik verkies of het u aanstaat of niet."
Tom hoorde niets meer, want hij moest Sambo naar het kwartier volgen. Dit kwartier was een soort van straatje van ruwe hutten, op een rij geplaatst, in een gedeelte der plantage, dat ver van het huis verwijderd was. Zij zagen er zeer vervallen en verwaarloosd uit. Tom voelde zich het hart beklemd, toen hij ze zag. Hij had zich getroost met de gedachte aan een hutje, wel ruw, maar dat hij knap en net kon maken, waar hij eene plank voor zijnen Bijbel kon hebben, en eene plaats, waar hij buiten zijne werkuren alleen kon zijn. Hij keek in verscheidene binnen; het waren slechts donkere holen, zonder eenig huisraad, behalve een hoop stroo vol vuiligheid, ordeloos op den vloer gesmeten die uit de bloote aarde bestond, welke door ontelbare voetstappen was vastgetrapt.
"Welke van die zal de mijne zijn?" zeide hij onderworpen tot Sambo.
"Weet niet! Kunt hier wel ingaan, denk ik," zeide Sambo. "Daar zal nog wel plaats voor één wezen. Er is al een goede hoop negers in ieder. Ik weet niet wat ik met nog meer moet doen."
Het was laat in den avond, toen de vermoeide bewoners der hutten bij troepen naar huis kwamen--mannen en vrouwen, in vuile gescheurde kleeren, knorrig en wrevelig en in geene stemming om nieuwe medebewoners vriendelijk aan te zien. Het dorpje weergalmde van geene streelende klanken; schorre stemmen twistten bij de handmolens, waar allen hunne portie hard koren nog tot meel moesten malen, eer de koek er van gebakken kon worden, die hun eenig avondmaal uitmaakte. Van den dageraad af waren zij in het veld geweest, gedwongen tot werken door de drijvende zweep der opzichters; want het was nu in het heetste en drukste van het seizoen en geene middelen werden er gespaard om ieder voort te jagen, zooveel hij maar kon uithouden. "Wel zeker," zegt de zorgelooze leeglooper, "het katoenplukken is geen zwaar werk, niet waar?" En het is ook zulk een groot ongemak niet, dat u een droppel water op het hoofd valt, en toch wordt de ergste pijniging der inquisitie voortgebracht, door droppel op droppel, oogenblik op oogenblik, op dezelfde plek te laten vallen; een werk, dat op zich zelf niet zwaar is, wordt dit, wanneer men uren achtereen wordt voortgejaagd, altijd met dezelfde onverbiddelijke gestrengheid en eentonigheid, zonder dat zelfs de bewustheid van vrijwilligheid, het vervelende er van vermindert. Tom zocht onder dezen troep die hem voorbijstroomde, vruchteloos naar een gezicht dat hem tot gezelligheid uitlokte. Hij zag alleen norsche, woeste, verdierlijkte mannen, en zwakke, moedelooze vrouwen, of vrouwen die geene vrouwen meer konden heeten--de sterken de zwakken verdringende--de grove, onbedwongen, dierlijke zelfzucht van menschelijke wezens, van welke niets goeds verwacht of verlangd kon worden, en die in alle opzichten als beesten behandeld, ook zoo nabij den rang van beesten waren gedaald als voor menschelijke wezens slechts mogelijk was. Tot laat in den nacht duurde het geluid van het malen, want de molens waren weinig in getal, met de malers vergeleken, en de vermoeiden en zwakken werden door de sterkeren weggejaagd en kwamen het laatste aan de beurt.
"Ho, gij," zeide Sambo, naar de mulattin komende, en een zak met koren voor haar neersmijtende. "Hoe duivel is uw naam?"
"Lucy," antwoordde de vrouw.
"Wel, Lucy, gij mijne vrouw nu. Gij maalt dit koren en bakt mijn avondeten, hoort ge?"
"Ik ben uwe vrouw niet en wil het niet wezen,"--zeide Lucy, met den plotseling ontvlammenden moed der wanhoop. "Loop heen!"
"Dan zal ik je schoppen," zeide Sambo dreigend zijnen voet oplichtende.
"Gij moogt mij doodslaan als gij wilt--hoe eer hoe beter. Ik wenschte dat ik dood was," zeide zij.
"Zeg eens, Sambo, als gij iemand van het volk voor het werk bederft, zal ik het meester zeggen," zeide Quimbo, die aan den molen bezig was, vanwaar hij uit kwaardaardigheid eenige vrouwen had weggejaagd, die nu stonden te wachten.
"En ik zal hem zeggen dat gij de vrouwen niet bij de molens wilt laten komen, gij oude neger," antwoordde Sambo. "Pas maar voor u zelven op."
Tom was vermoeid van den tocht en bijna flauw van gebrek aan voedsel.
"Daar gij," zeide Quimbo, een zak met koren voor hem neerwerpende. "Daar, neger, pak aan, en pas er op; want gij zult voor deze week niets meer krijgen."
Tom wachtte tot zeer laat om eene plaats aan de molens te bekomen, en toen medelijden hebbende met de afmatting van twee vrouwen, die hij zag beproeven om hare portie te malen, maalde hij die voor haar, legde de halfverbrande houten bij elkander van een vuur, waarbij reeds velen hunne koeken hadden gebakken, en ging toen eerst zijn eigen avondmaal bezorgen. Dit was eene geheel nieuwe manier van handelen daar, en dit bewijs van beleefdheid, zoo gering als het was, deed toch eene overeenstemmende snaar in de harten dier vrouwen trillen--eene uitdrukking van vrouwelijke zachtheid kwam op hunne strakke gezichten. Zij besloegen zijn koek voor hem en pasten voor hem
op het bakken; en Tom zette zich bij het vuur neer en haalde zijn Bijbel uit--want hij had troost noodig.
"Wat is dat?" zeide een van de vrouwen.
"Een Bijbel," antwoordde Tom.
"O! ik heb er geen gezien, sedert ik in Kentucky was."
"Zijt ge dan in Kentucky opgebracht?" vroeg Tom met belangstelling.
"Ja, en wèl-opgebracht ook. Ik had nooit gedacht dat ik hiertoe komen zou," antwoordde de vrouw met een zucht.
"Wat is toch dat boek daar," zeide de andere vrouw.
"Wel, de Bijbel."
"Wel, wat is dat?"
"Wat zegt ge--hebt gij daar nooit van gehoord?" zeide de eerste vrouw.
"Ik placht er somtijds mijne meesteres wel in te hooren lezen, daar in Kentucky. Maar, och! hier hooren wij niets dan vloeken en het klappen van de zweep."
"Lees toch eens wat," zeide de andere vrouw nieuwsgierig, daar zij zag hoe aandachtig Tom in het boek tuurde.
Tom las: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven."
"Die woorden zijn goed genoeg," zeide de vrouw. "Wie zegt ze?"
"De Heere," antwoordde Tom.
"Ik wenschte dat ik wist, waar ik Hem vinden kon," hervatte de vrouw; "dan zou ik naar Hem toegaan, want het schijnt wel dat ik nooit meer rust zal krijgen. Ik heb overal pijn en beef over al mijne leden, elken dag, en Sambo slaat altijd naar mij, omdat ik niet gauwer pluk; en het is meestal middernacht eer ik eten kan, en dan schijnt het dat ik mijne oogen nog niet gesloten heb, of ik hoor den hoorn al weder blazen om op te staan, en moet er des morgens weer aan. Als ik maar wist waar de Heere was, zou ik Hem dat zeggen."
"Hij is hier, Hij is overal," zeide Tom.
"O, dat wilt ge me toch niet wijsmaken? Ik weet dat de Heere hier niet is," zeide de vrouw. "Maar praten helpt ook al niet. Ik ga liever slapen terwijl ik kan."
De vrouwen gingen heen naar hare hutten. Tom bleef alleen bij het smeulende vuur zitten.
De heldere, zilveren maan steeg op in de donkere lucht, en zag kalm en stil van omhoog; gelijk God op een tooneel van ellende en onderdrukking nederziet--zoo bescheen zij den eenzamen zwarten man, terwijl hij daar zat, met de armen over elkander en zijn Bijbel op zijn knie.
"Is God _hier_?" O, hoe is het mogelijk voor het onkundige hart, zijn geloof vast te houden onder het aanzien van grove, tastbare, ongestrafte onrechtvaardigheid! In dat eenvoudige hart werd een zware strijd gevoerd tegen het kwellende gevoel van onrecht, het vooruitzicht op een geheel leven van ellende, de verwoesting van alle vroegere hoop. O, was het _hier_ gemakkelijk te gelooven en vast te houden aan de groote kenspreuk van het christelijk geloof, dat "God is een _belooner_ dergenen die Hem zoeken?"
Tom stond treurig op en strompelde naar de hut, die hem was toegewezen. De grond was reeds met vermoeide slapers bedekt, en de vuile lucht dreef hem bijna terug, maar de zware nachtdauw was kil, zijn leden waren pijnlijk van vermoeienis, en de gescheurde deken over zich heen halende, die al zijn beddegoed uitmaakte, strekte hij zich op het stroo uit en viel in slaap.
In zijne droom klonk hem een zachte stem in de ooren. Hij zat op de bemoste bank in den tuin bij het meer Pontchartrain, en Eva, met hare ernstige oogen omlaaggeslagen, las hem uit den Bijbel voor, en hij hoorde haar lezen:
"Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn; en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de Heere, uw God, De Heilige Israels, uw Heiland."
Langzamerhand schenen die woorden als weg te smelten in eene hemelsche muziek; het kind sloeg hare oogen op en vestigde die liefdevol op hem, en stralen van warmte en troost schenen daaruit in zijn hart te dalen, en als werd zij door die muziek gedragen, scheen zij op blinkende vleugelen op te stijgen, waarvan vlokken en spranken gouds als sterren afvielen, en zoo verdween zij.
Tom ontwaakte. Was het een droom? Laat het voor een droom gehouden worden. Maar wie zal zeggen dat het dien liefderijken jeugdigen geest, die in het aardsche leven zoozeer verlangde om bedroefden te troosten, niet door God werd veroorloofd om na den dood deze dienstbetooning op zich te nemen? Het is een schoon en zeer streelend geloof, dat de geesten der dooden op engelenvleugelen om ons henen zweven.
DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
CASSY
"En ziet, er waren de tranen der verdrukten, en dergenen die geenen trooster hadden, en van de zijde hunner verdrukkers was macht; zij daarentegen hadden geenen trooster.
Pred. 4:1
Tom had slechts weinig tijd noodig om zich bekend te maken met alles wat hij in zijn nieuwen toestand te hopen en te vreezen had. Hij was een bekwaam arbeider, en zoowel uit gewoonte als beginselen ijverig en getrouw in al wat hij deed. Stil en vreedzaam van aard, hoopte hij dat hij door onvermoeide vlijt ten minste een gedeelte der onaangenaamheden van zijn tegenwoordig lot zou kunnen afwenden. Hij zag genoeg mishandeling en ellende, om zijn hart met verontwaardiging en weedom te vervullen; maar hij besloot met godsdienstig geduld voort te zwoegen, zich bevelende aan Hem die rechtvaardig oordeelt; en niet zonder hoop, dat hem nog een weg tot uitkomst zou worden geopend.
Legree lette stilzwijgend op Toms bruikbare eigenschappen. Hij hield hem voor een arbeider van den eersten rang, en toch voelde hij een geheimen wrok tegen hem--de natuurlijke antipathie der boozen tegen de goeden. Hij zag duidelijk dat wanneer, gelijk dikwijls gebeurde, zijn geweld en dwingelandij weerlooze onschuldigen troffen, Tom daarop lette; want zoo fijn is de werking der opinie, dat zij zich zonder woorden doet gevoelen, en zelfs de opinie van een slaaf een meester kan hinderen. Tom openbaarde op verschillende wijzen een teederheid van gevoel, een medelijden met zijne lotgenooten, dat voor Legree nieuw en vreemd was, en door dezen met wangunstige oogen werd bespied. Hij had Tom gekocht met het oogmerk om hem tot eene soort van opzichter te maken, wien hij zijne zaken kon toevertrouwen, wanneer hij zelf nu en dan afwezig moest zijn; en naar zijn begrip was hardheid het eerste, tweede en derde vereischte voor zulk een post. Daar Tom hem niet hard genoeg was, nam Legree zich voor om hem spoedig te harden; en eenige weken nadat Tom op de plantage was gekomen, besloot hij daarmede een begin te maken.
Op een ochtend, toen het volk gemonsterd werd om naar het veld te gaan, zag Tom met verwondering een nieuweling onder hen, wier voorkomen zijne aandacht trok. Zij was eene vrouw, rijzig en rank van gestalte, met bijzonder fijne handen en kleine voeten, net en fatsoenlijk gekleed. Naar haar gezicht te oordeelen kon zij tusschen de vijf en dertig en veertig jaren wezen; en zij had een gezicht, dat men, als men het eens gezien had, nooit weder vergeten kon--een van die gezichten, welke ons met eenen enkelen blik een denkbeeld van een wilde, smartelijke en romaneske geschiedenis schijnen te geven. Haar voorhoofd was hoog en hare wenkbrauwen waren met sierlijke scherpheid geteekend. Haar rechte, welgevormde neus, haar fijn besneden mond, de geheele sierlijke omtrek van hoofd en hals toonden dat zij eens zeer schoon moest geweest zijn; maar haar gezicht was diep gegroefd door trekken van bitter zielelijden en van trotsche verharding daartegen. Hare kleur was vaal en ongezond, hare wangen waren hol, hare trekken scherp en geheel hare gestalte was vermagerd. Hare oogen kwamen echter het meest van alles uit--zoo groot, zoo gitzwart, met lange even zwarte wimpers beschaduwd en vol woeste, treurige wanhoop. Wilde, uitdagende trots sprak uit al hare trekken, uit al hare bewegingen; maar in hare oogen zag men eene nachtelijke donkere diepte van zielesmart, eene uitdrukking zoo hopeloos en onveranderlijk, dat zij een akelig contrast vormden met den fieren trots, dien geheel haar voorkomen aanduidde.
Waar zij vandaan kwam of wie zij was, wist Tom niet. Hij zag haar nu voor het eerst, nu zij in de grauwe schemering van den dageraad, trotsch opgericht, naast hem stapte. Aan den troep was zij echter bekend; want er werd veel omgekeken, en eene gesmoorde, maar toch duidelijk blijkbare boosaardige blijdschap heerschte onder de havelooze, half verhongerde ellendelingen, die haar omringden.
"Eindelijk er toe gekomen--blij om," zeide er een.
"Hi, hi, hi!" zeide een ander; "gij zult ondervinden hoe pleizierig het is, Juffrouw."
"Wij zullen haar nu eens zien werken."
"Benieuwd of zij van avond een pak zal krijgen evenals wij."
"Ik zou haar graag eens zien geeselen, dat weet ik," zeide nog een ander.
De vrouw gaf geen acht op deze smaadredenen, maar stapte voort met hetzelfde gezicht vol toornige minachting, alsof zij niets gehoord had. Tom had altijd onder beschaafde, welopgevoede lieden verkeerd, en voelde onwillekeurig dat zij tot die klasse behoorde; maar hoe zij in dien vernederden toestand kon gekomen zijn begreep hij niet. De vrouw sprak niet tegen hem en zag hem niet eens aan, hoewel zij op den geheelen weg naar het veld dicht naast hem bleef.
Tom was spoedig aan zijn werk, maar daar de vrouw niet ver van hem af was, keek hij dikwijls naar haar om, hoe zij het maakte. Hij zag terstond dat eene aangeboren handigheid en vlugheid de taak voor haar veel gemakkelijker maakte, dan zij voor velen bleek te zijn. Zij plukte zeer snel en zeer zindelijk, met een zoo trotsch gezicht, alsof zij zoowel het werk als de vernedering van haren tegenwoordigen toestand verachtte.
In den loop van den dag werkte Tom ook dicht bij de mulattin, die tegelijk met hem gekocht was. Blijkbaar was zij zeer zwak en vol pijn; dikwijls hoorde Tom haar bidden, en scheen zij, wankelende en bevende, op het punt om neer te vallen. Toen Tom bij haar kwam, stak hij stilzwijgend eenige handen vol katoen uit zijn eigen zak in de hare.
"O, doe dat niet, doe dat niet," zeide de vrouw, verwonderd opziende. "Gij zult u zelven maar in moeite brengen."
Juist toen kwam Sambo aan. Hij scheen een bijzonderen wrok tegen deze vrouw te hebben, en eene zweep zwaaiende, zeide hij met zijne grove, schorre stem: "Wat is dat, Lucy--gekheid maken?" en zonder een woord verder gaf hij de vrouw een schop met zijnen zwaren schoen, en Tom een slag met de zweep dwars over het gezicht.
Tom hervatte stilzwijgend zijne taak; maar de vrouw, reeds geheel uitgeput, viel in een flauwte.
"Ik zal haar wel bijhelpen," zeide de drijver met een woesten, grijnzenden lach. "Ik zal haar wat beters geven dan kamfer." En eene speld van zijne mouw nemende, stak hij die tot aan den kop in haar vleesch. De vrouw kermde en richtte zich eenigszins op.
"Sta op, gij beest en werk, of ik zal je nog een kunstje leeren."
De vrouw scheen voor een korte poos tot bovennatuurlijke kracht aangeprikkeld en werkte met wanhopigen ijver voort.
"Pas op dat gij er aan blijft," zeide Sambo, "of gij zult van avond wenschen dat gij maar dood waart, zou ik denken."
"Dat doe ik nu al," hoorde Tom haar zeggen. En kort daarop zeide zij weder: "O Heere, hoelang? O Heere, waarom helpt Gij ons niet?"
Alles tartende waaraan hij zich kon blootstellen, kwam Tom nog eens naar haar toe, en stak al het katoen uit zijnen zak in de hare.
"O, dat moet gij niet doen. Gij weet niet wat zij u doen zullen," zeide de vrouw.
"Ik kan het dragen, beter dan gij," zeide Tom en was terstond weder op zijne plaats.
Plotseling sloeg de vreemde vrouw, die onder het werk dicht bij genoeg gekomen was om Toms laatste woorden te hooren, hare zwarte oogen op en zag hem strak aan. Daarop nam zij een hoop katoen uit haren mand en stak dien in zijnen zak.
"Gij weet niets van deze plaats," zeide zij, "of gij zoudt dat niet gedaan hebben. Als gij een maand hier geweest zijt, zult gij het wel laten om iemand te helpen; gij zult het moeilijk genoeg vinden op uw eigen huid te passen."
"Dat verhoede de Heere, _Missis_," zeide Tom, onwillekeurig zijne medearbeidster op het veld met dezelfde benaming aansprekende, welke de beschaafde vrouwen, met wie hij vroeger gewoon was te spreken, toekwam.
"De Heere komt nooit hier," zeide de vrouw met bitterheid, en ging vlug weder voort met haar werk, terwijl een hoonende glimlach hare lippen deed krullen.
Het bedrijf der vrouw was echter door den drijver in de verte gezien, en zijne zweep zwaaiende, kwam hij naar haar toe.
"Wat, wat?" zeide hij op een zegepralenden toon: "_gij_ aan het gekheid maken? Ge zijt nu onder mij. Pas op, of ge zult krijgen."
Een bliksemstraal scheen uit die donkere oogen te schieten, en zich met bevende lippen en opgetrokken neusgaten omkeerende, richtte zij zich rechtop, en vestigde een blik, waaruit een gloed van woede en verachting straalde op den drijver.
"Hond," zeide zij, "raak mij eens aan, als ge durft! Ik heb nog macht genoeg, om u door de honden te laten verscheuren of levend te verbranden, of duim voor duim te laten klein snijden. Ik heb het maar te zeggen!"
"Waar duivel zijt gij dan voor hier?" zeide Sambo blijkbaar uit het veld geslagen, en deed met een norsch gezicht een paar stappen achteruit. "Ik meende geen kwaad, Miss Cassy!"
"Blijf dan van mij vandaan," zeide de vrouw. En Sambo scheen het raadzaam te vinden om naar iets aan de andere zijde van het veld te gaan zien, en liep op een draf heen.
De vrouw keerde zich weder om en werkte voort met een spoed, die Tom geheel en al verbaasde. Het scheen wel tooverij te zijn. Vóór het einde van den dag was hare mand gevuld, neergedrukt en opgehoopt, en had zij verscheidene malen nog ruimschoots in den zak van Tom gedaan. Lang na het vallen der duisternis trok de geheele vermoeide trein, met de manden en zakken op het hoofd, naar het gebouw waar de katoen gewogen en opgepakt werd. Legree stond daar en sprak met de twee drijvers.
"Die Tom zal wel een boel moeite geven," zeide Sambo. "Hij bleef maar aldoor in Lucy's mand stoppen. Hij is een van die kerels, die al de negers zal doen denken, dat zij het te kwaad hebben, als meester niet op hem past."
"Zoo, zoo! Die vervloekte zwartkop!" zeide Legree. "Hij zal gedrild moeten worden, he, jongens?"
Beide negers antwoordden met een afschuwelijke grijns.
"Ja, ja," zeide Quimbo, "meester Legree kan wel drillen. Daarin zou de duivel zelf hem niet kunnen verbeteren."
"Wel, jongens, de beste manier is hem het geeselen te laten verrichten, tot die grillen uit zijnen kop zijn. Dat zal hem drillen."
"Meester zal veel moeite hebben om ze uit zijnen kop te brengen."
"Zij zullen er toch uit moeten," zeide Legree, en kauwde op zijne pruim.
"En daar is dan die Lucy, die leelijkste, onwilligste meid van de plaats," zeide Sambo.
"Pas op, Sam, ik zal haast gaan denken wat de reden is, dat gij zulk een pik op Lucy hebt."
"Wel, meester weet zelf dat ze zich tegen meester heeft verzet, en mij niet hebben wilde, toen hij haar dat zeide."
"Ik zou haar wel zoolang gegeeseld hebben tot zij wilde," zeide Legree spuwende; "maar het werk dringt zoo, dat ik haar nu niet gaarne van de hand wilde brengen; zij is teer, maar die teere meiden laten zich halfdood slaan om haar zin te hebben."