Chapter 35
En de verkooping begon.
Adolf werd voor eene aanzienlijke som toegeslagen aan den jongen heer, die te voren zijn voornemen had te kennen gegeven om hem te koopen. De andere bedienden vielen verschillende bieders ten deel.
"Kom op nu, jongen, hoort ge niet?" zeide de verkooper tegen Tom.
Tom stapte op het blok en zag angstig om zich heen. Alles scheen ondereengemengd tot een verward, onduidelijk rumoer; het gekakel van den verkooper, die in het Engelsch en Fransch zijne hoedanigheden opvijzelde, en het snelle kruisvuur der bieders, insgelijks in het Fransch en Engelsch, en bijna in een oogenblik, naar het hem voorkwam, viel de hamerslag bij de laatste lettergreep van het woord dollars, toen de verkooper zijn prijs noemde. Tom was toegeslagen. Hij had een meester.
Hij werd van het blok geduwd. De korte man met het ronde hoofd greep hem ruw bij den schouder, duwde hem aan een kant en zeide met een grove, gebiedende stem: "Blijf daar staan."
Tom hoorde en zag bijna niets meer; doch het bieden ging maar voort--ratelende en klaterende, nu in het Fransch dan in het Engelsch. Wederom valt de hamer. Suze is verkocht. Zij stapt van het blok, blijft staan, ziet angstig verlangend om; hare dochter strekt de handen naar haar uit. Zij ziet vol zielsangst den man aan die haar gekocht heeft--een fatsoenlijk man van middelbare jaren, met een goedaardig gezicht.
"O meester, wees toch zoo goed en koop mijne dochter ook."
"Ik zou wel willen, maar ik vrees dat zij te hoog zal gaan," antwoordde hij met een blik van smartelijke belangstelling naar het jeugdige meisje, dat nu op het blok staat en verschrikt en angstig om zich heenziet.
Het bloed stijgt gloeiend in hare anders bleeke wangen, hare oogen hebben een koortsigen glans, en hare moeder slaakt een kermenden zucht, daar zij ziet dat zij schooner is, dan zij haar nog ooit gezien heeft. De verkooper neemt zijn voordeel waar, houdt eene woordenrijke lofrede in het Fransch en Engelsch, en het bieden begint nu met buitengemeene drift.
"Ik wil alles doen wat maar redelijk is," zegt de heer met het goedaardige gezicht en biedt mede; maar weldra loopt de prijs te hoog voor zijne beurs. Hij zwijgt; de verkooper wordt warmer; maar het bieden verflauwt toch langzamerhand. Het blijft nu nog maar aan den gang tusschen een oud aristocratisch burger en onzen kennis met het ronde hoofd. De burger biedt nog eenige malen en ziet zijn mededinger daarbij verachtelijk aan; maar de man met het ronde hoofd wint het van hem in hardnekkigheid en geheime zwaarte van beurs; en de strijd duurt nog maar een oogenblik; de hamer valt--hij heeft het meisje met lichaam en ziel, als God haar niet bijstaat.
Haar meester is Mr. Legree, eigenaar eener katoenplantage aan de Roode rivier. Zij wordt naar de plek geduwd, waar Tom en nog twee andere mannen staan, en wordt schreiende weggebracht.
De goedaardige heer vindt het erg, maar het is iets dat alle dagen gebeurt. Men ziet meisjes en moeders bij die verkoopingen altijd schreien. Er is niets aan te doen, enz., en hij gaat met zijn nieuw-koopje naar een anderen kant heen.
Twee dagen later zond de procureur der christelijke firma B. en Comp. te New-York deze het geld over. Op den rug van den wissel, dien deze heeren ontvingen, mochten zij wel deze woorden schrijven van den grooten Betaalmeester, met wien zij eens hunne rekening zullen moeten sluiten: "_Hij vergeet het geroep der ellendigen niet._"
EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
DE OVERTOCHT
Gij zijt te rein van oogen dan dat Gij het kwaad zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouweloos handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen als de goddelooze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij? Hab. 1:13
Op het benedendek van eene kleine, slechte stoomboot op de Roode rivier zat Tom--met ketenen aan de handen, ketenen aan de voeten, en eene grootere zwaarte dan van ketenen op het hart. Alles was uit den hemel verdwenen, de maan en de sterren; alles was hem voorbij gevlogen, gelijk de oevers en het geboomte hem nu voorbijvlogen, om nooit weder terug te komen. Zijn tehuis in Kentucky, met vrouw en kinderen, en de menschlievende eigenaars; zijn tehuis bij St. Clare, met al de weelde en pracht daarvan; Eva met haar gouden lokken en haar oogen als die eener heilige; de trotsche vroolijke, innemende, schijnbaar onverschillige en toch altijd goede en vriendelijke St. Clare; zijne uren van gemak en vrijen tijd--alles weg!--en wat schoot hem in plaats daarvan over?
Het is eene der grootste bitterheden van het slavenlot, dat de neger, zoo vatbaar voor streelende indrukken, wanneer hij in eene beschaafde familie den smaak en het gevoel heeft aangenomen, die als ware het de atmosfeer van zulk een verblijf uitmaken, er niet te minder aan blootstaat om de slaaf van den gemeensten, ruwsten meester te worden--evenals eene stoel of tafel, die eens een prachtig salon versierde, eindelijk geschonden en geschaafd in de gelagkamer eener gemeene herberg of in een schuilhoek van schandelijke ontucht komt. Het groote verschil is hierin gelegen, dat de tafel of stoel niet voelen kan, en de _mensch_ wel; want zelfs de wettelijke bepaling--dat hij "als persoonlijk eigendom en roerend goed zal geacht, geoordeeld en toegewezen worden," kan zijne ziel niet uitdelgen, met hare eigen kleine wereld van herinneringen en verlangens, van hoop, vrees en liefde.
Mr. Simon Legree, Toms meester, had op verschillende plaatsen te New-Orleans slaven gekocht, te zamen acht in getal, en hen paar aan paar geboeid naar de stoomboot de Zeeroover gedreven, die aan het hoofd lag, gereed om de rivier op te varen.
"Sta op!"
Tom stond op.
"Doe die das af!" en toen Tom door zijne kluisters belemmerd, dit begon te doen, hielp hij hem, door hem de das met geene zachte hand van den hals te trekken, en stak die vervolgens in zijnen zak.
Nu keerde Legree zich naar Toms kist, die hij te voren reeds had doorzocht, haalde een oude broek en een versleten rok, die Tom gewoon was voor het stalwerk aan te doen, voor den dag en zeide, nadat hij Toms handen van de boeien had ontdaan, naar een hoek tusschen de kisten wijzende:
"Ga daar, en trek die aan."
Tom gehoorzaamde en kwam weldra terug.
"Trek uwe laarzen uit," zeide Legree.
Tom deed dit.
"Daar," vervolgde Legree, hem een paar lompe, sterke schoenen toewerpende, gelijk door slaven gedragen werden, "trek die aan."
Tom had bij zijne verwisseling van kleederen niet vergeten zijn beminden Bijbel in zijnen zak te steken; en het was gelukkig voor hem dat hij dat gedaan had, want toen Legree hem de handboeien weder had aangedaan, begon hij op zijn gemak de zakken der afgelegde kleederen te doorzoeken. Hij haalde er een zijden zakdoek uit en stak dien in zijnen zak. Verscheidene kleinigheden, die Tom had bewaard, voornamelijk omdat hij er Eva eens mede vermaakt had, bekeek hij met een verachtelijk gebrom en smeet ze over zijnen schouder in de rivier.
Daarna vond hij Toms methodistisch gezangboek, dat deze in zijne haast had vergeten, en bladerde het door.
"Hm, vroom, nog al! Dus gij--hoe heet gij ook weer--gij behoort tot de kerk, he?"
"Ja, meester," antwoordde Tom op vasten toon.
"Welnu, dat zal ik u spoedig afleeren; ik wil niet van die galmende, zingende, biddende negers op mijne plaats hebben; onthoud dat. Pas op nu," zeide hij, met zijnen voet stampende en Tom een dreigenden blik toewerpende, "ik ben uwe kerk nu, verstaat ge; gij moet nu wezen wat ik zeg."
Iets in het binnenste van den zwarten man antwoordde: "Neen!" en alsof de stem van een onzichtbaar wezen sprak, hoorde hij de woorden van een ouden profeet, welke Eva hem zoo dikwijls voorgelezen had: "Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uwen naam geroepen, gij zijt de _mijne_."
Doch Simon Legree hoorde geen stem. Die stem is eene, welke hij nooit zal hooren. Hij gluurde Tom, die met neergeslagen oogen voor hem stond, slechts even aan en ging heen. Hij bracht Tom's koffer, die een overvloedigen en netten voorraad van kleederen bevatte, naar voren, waar hij spoedig door het bootsvolk werd omringd. Met veel gelach over de negers, die _gentlemen_ wilden zijn, werd het goed, stuk voor stuk, aan den een en ander overgedaan, en eindelijk de koffer bij opbod verkocht. Het was een aardige grap, dachten allen, vooral, als men zag hoe Tom zijn goed nakeek, terwijl het hier en daar heenging; en dan de auctie van den koffer, die was nog grappiger en veroorzaakte een overvloed van geestigheden.
Toen dit gedaan was, kwam Simon Legree weder naar zijn eigendom kuieren.
"Nu, Tom, zijt ge van alle bagage bevrijd, ziet ge. Pas goed op die kleeren; het zal lang genoeg duren eer gij andere krijgt. Ik versta de kunst om negers zorgvuldig te maken; een pak moet bij mij een jaar duren."
Legree ging vervolgens naar de plaats waar Emmeline zat, aan eene andere vrouw vastgekluisterd.
"Wel, liefje," zeide hij, haar onder de kin strijkende, "houd maar courage."
De onwillekeurige blik van schrik en afgrijzen, waarmede het meisje hem aanzag, ontsnapte hem niet. Hij fronste dreigend zijne wenkbrauwen.
"Geene kuren, meid. Gij zult een pleizierig gezicht zetten als ik u aanspreek--hoort gij. En gij, oude gele maneschijn," zeide hij, de mulattin aan wie Emmeline was vastgekluisterd een duw gevende, "zet ook zulk een gezicht niet. Ik zal u wel vriendelijker leeren kijken, dat zeg ik u."
"En ik zeg u allen," zeide hij, een paar schreden achterwaarts doende; "ziet mij aan--ziet mij aan--ziet mij vlak in de oogen--vlak in de oogen, zeg ik." En bij elke pauze stampte hij met zijnen voet.
Als door tooverij werden aller oogen op de groenachtige grijze oogen van Legree gericht.
"Nu," zeide hij, zijne groote, zware vuist vertoonende, die aan een smidshamer deed denken. "Ziet ge die vuist? voel eens!" vervolgde hij, en liet haar op Toms hand vallen. "Ziet die knokkels! Welnu, ik zeg u, die vuist is zoo hard als ijzer geworden _van het neerbeuken van negers_. Ik heb nog nooit een neger gezien, dien ik niet met een krak kon neerslaan," en daarmede duwde hij zijne vuist zoo dicht bij Toms gezicht, dat deze met zijne oogen knipte en terugdeinsde. "Ik houd geen van die vervloekte opzichters, ik ben mijn eigen opzichter en ik zeg u dat er naar de dingen gezien wordt. Laat dus iedereen oppassen en klaar staan; schielijk--zoodra ik maar spreek. Dat is de manier om vrede met mij te houden. Gij zult geen zacht plekje aan mij vinden, nergens. Past op dus; want ik bewijs geene genade."
De vrouwen hielden onwillekeurig den adem in, en de geheele troep zette zich met benauwde gezichten neer. Ondertusschen draaide Legree zich op zijn hiel om, en ging naar het buffet van de boot, om een borrel te nemen.
"Dat is de manier, waarop ik met mijne negers begin," zeide hij tegen een man van een fatsoenlijk voorkomen, die naar zijne aanspraak had staan luisteren. "Ik maak er een regel van met kracht te beginnen en hun te laten weten wat zij te wachten hebben."
"Inderdaad!" zeide de vreemdeling, hem aanziende met de nieuwsgierigheid, waarmede een naturalist een zonderling dier beschouwt.
"Ja, inderdaad. Ik ben geen van die heerenplanters met zachte, witte vingers, om maar rond te kuieren en mij door een ouden schavuit van een opzichter te laten bedriegen. Voel mijne knokkels maar eens; zie mijne vuist. Ik zeg u, Mijnheer, het vleesch daarop is als een steen geworden, van het beuken op negers. Voel maar."
De vreemdeling raakte het bedoelde gereedschap met zijnen vinger aan en zeide eenvoudig:
"Het is hard genoeg en ik zou denken, dat uw hart daarmede even hard geworden is."
"Ja, dat moogt ge wel zeggen," antwoordde Legree, met een hartelijken lach. "Ik denk dat er nu zoo weinig zachts in mij is als in iemand die op twee beenen loopt. Ik zeg u, niemand kan mij ooit bedotten. Negers krijgen mij nooit gaar, noch met schreeuwen, noch met zoete broodjes bakken--dat is de waarheid."
"Gij hebt een mooien troep daar."
"Ja," antwoordde Legree. "Daar is die Tom; zij zeiden mij dat hij wat ongemeens was. Ik heb wel wat hoog voor hem betaald, daar ik een drijver en opzichter van hem denk te maken: als ik die denkbeelden maar uit hem krijg, die hij geleerd heeft door zoo behandeld te worden als negers nooit moesten worden, zal hij kostelijk zijn. Met de gele vrouw ben ik gefopt. Ik geloof haast dat zij ziekelijk is; maar ik zal haar wel behandelen naar wat zij waard is; zij zal wel een paar jaren duren. Ik ben niet voor het sparen van negers. Opgebruiken en anderen koopen is mijne manier; dat geeft minder last, en ik ben zeker dat het op het eind goedkooper uitkomt," en Legree nam een teugje uit zijn glas.
"En hoe lang duren zij gewoonlijk?" vroeg de vreemdeling.
"Och, dat weet ik zoo niet; naardat zij een gestel hebben. Sterke kerels duren zes of zeven jaar; lammelingen worden in twee of drie afgewerkt. Ik placht, toen ik pas begon, mij veel moeite te geven om ze wat langer te doen uithouden--met hun medicijnen te geven als ze ziek waren en kleeren en dekens, en wat niet al, om hen zooals men zegt fatsoenlijk en comfortabel te houden: maar, och het baatte niet; ik legde er geld bij toe en had nog een boel moeite bovendien. Nu, ziet ge, zet ik ze maar aan, ziek of gezond. Als de eene neger dood is, koop ik een anderen; en ik vind dat dit in alle opzichten goedkooper en gemakkelijker uitkomt."
De vreemdeling keerde zich om en zette zich naast een jong heer, die met een gesmoord ongenoegen naar dit gesprek had geluisterd.
"Gij moet dien kerel niet voor een staaltje van de zuidelijke planters houden," zeide hij.
"Ik zou hopen van neen," antwoordde de jongeheer met nadruk.
"Hij is een gemeene, laaghartige, verdierlijkte kerel!" zeide de eerste.
"En toch veroorloven uwe wetten hem een aantal menschelijke wezens in eigendom te hebben, onderworpen aan zijne volstrekte willekeur, zonder zelfs een zweem van bescherming; en zoo gemeen als hij is, kunt gij toch wel niet zeggen dat er velen zoo zijn."
"Maar," zeide de ander, "er zijn toch ook vele weldenkende, menschlievende mannen onder de planters."
"Toegestemd," zeide de jonkman; "maar naar mijn gevoelen zijn het uwe weldenkende, menschlievende mannen, die verantwoordelijk zijn voor al de gruwelen, die deze ellendigen plegen; omdat zonder hun invloed het geheele stelsel geen uur langer in stand kon blijven. Als er geene andere planters waren dan zooals hij," vervolgde hij, met zijnen vinger naar Legree wijzende, die met den rug naar hem toestond, "zou het geheele ding zinken als een molensteen. Het zijn uwe fatsoenlijkheid en menschlievendheid, die zijne brutaliteit beschermen."
"Gij hebt zeker hooge gedachten van mijn goed humeur," zeide de planter glimlachende; "maar ik raad u om niet zoo hard te spreken, daar er lieden op de boot zijn, die misschien niet zoo verdraagzaam zouden wezen als ik ben. Wacht liever tot gij op mijn plantage zijt; daar kunt gij dan ons allen op uw gemak over den hekel halen."
De jongeheer bloosde en glimlachte, en de twee zaten spoedig aan een spel triktrak. Ondertusschen had er op het lagere gedeelte der boot een ander gesprek plaats tusschen Emmeline en de mulattin, aan wie zij was vastgekluisterd. Gelijk natuurlijk was, deelden zij elkander eenige omstandigheden van hare geschiedenis mede.
"Aan wien hebt gij toebehoord?" zeide Emmeline.
"Mijn meester was Mr. Ellis, en wij woonden in de Hoofdstraat. Misschien hebt gij het huis wel gezien."
"Was hij goed voor u?"
"Meestal, totdat hij ziek werd. Hij is langer dan zes maanden af en toe ziek geweest, en schrikkelijk onrustig. Het scheen, dat hij niemand nacht noch dag rust wilde laten, en hij werd zoo wonderlijk dat niemand iets naar zijnen zin kon doen. Hij werd met elken dag ongemakkelijker; hield mij 's nachts op, tot ik geheel af was en ik niet langer wakker kon blijven; en omdat ik eens op een nacht in slaap viel, o, toen sprak hij zoo schrikkelijk tegen mij. Hij zeide, dat hij mij verkoopen zou aan den hardsten meester, dien hij vinden kon; en hij had mij toch mijne vrijheid beloofd als hij stierf."
"Hadt gij geene betrekkingen?" zeide Emmeline.
"Ja, mijn man--hij is hoefsmid. Meester huurde hem doorgaans uit. Zij brachten mij zoo heel gauw weg, dat ik niet eens tijd had om hem te zien, en ik had vier kinderen gekregen. Och!" zeide de vrouw en bedekte haar gezicht met hare handen.
Het is eene natuurlijke neiging bij iedereen, die een verhaal van jammer hoort, iets tot troost te willen zeggen. Emmeline wilde gaarne iets zeggen, maar zij kon niets bedenken. Wat was hier te zeggen? Als hadden zij het afgesproken, vermeden beiden, met vrees en angst, alle melding van den afschuwelijken man, die nu haar meester was.
Het is waar, er is godsdienstige troost zelfs voor het donkerste uur. De mulattin, die lid der methodistische kerk was, bezat, hoewel haar verstand weinig ontwikkeld was, een echten geest van godsvrucht. Emmeline was veel beter opgevoed--zij had leeren lezen en schrijven, en was door eene vrome meesteres zorgvuldig in den Bijbel onderwezen; maar zou het toch niet het geloof van den standvastigsten christen beproeven, zich zoo, schijnbaar door God verlaten, in de macht van het onmeedoogende geweld te bevinden? Hoeveel meer moest dan het geloof geschokt worden dier arme kleinen van Christus, zwak in kennis en teeder in jaren.
De boot voer voort--met hare lading van jammer bevracht--den modderigen stroom op, door de kronkelende bochten der Roode rivier; en droevige oogen staarden vermoeid op de steile oevers van roode klei, die met akelige eentonigheid voorbijgleden. Eindelijk leide de boot aan bij eene kleine stad, en hier ging Legree met zijn troep van boord.
TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK
DUISTERE PLAATSEN
"De duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld."
Vermoeid, achter een ruwen wagen over een ongebaanden weg aankomende, stapten Tom en zijne makkers voort.
In den wagen zat Simon Legree; en de twee vrouwen, _nog_ aan elkander gekluisterd, waren, met eenige bagage achterin gestopt. De geheele troep was op weg naar de tamelijk verwijderde plantage van Legree.
Het was een wilde, eenzame weg: nu eens door zandige pijnbosschen slingerende, dan over paden van boomstammen door uitgestrekte cypressenmoerassen, waar die sombere boomen, met kransen van zwart mos behangen, uit den modderigen, sponsachtigen grond opstaken, en men nu en dan eene afzichtelijke slang door de afgebroken stompen zag glijden, die in het water lagen te rotten.
Het is akelig genoeg, dit gewest, voor den vreemdeling die het met eene welgevulde beurs en een goed paard moet doortrekken, als zijne zaken hem daarheen voeren; maar nog woester en akeliger is het voor den armen slaaf, wien elke slepende stap verder verwijdert van alles wat de mensch liefheeft en waarom hij bidt.
Zoo had ieder moeten denken, die de neerslachtige uitdrukking dier donkere gezichten zag; de geduldige verveling, waarmede die treurige oogen het eene voorwerp na het andere aanstaarden, dat zij op die treurige reis voorbijkwamen.
Legree reed echter naar het scheen zeer welgemoed voort, en nam nu en dan een slok uit de brandewijnflesch, die hij in zijnen zak had.
"Zegt eens, gij," zeide hij, toen hij omkeek en de neerslachtige gezichten achter zich zag. "Zingt eens een liedje, jongens--komaan!"
Zijne slaven zagen elkander aan, het "komaan!" werd herhaald en tegelijk klapte de zweep, die Legree in de hand had. Tom begon een methodistisch lied:
"Jeruzalem, mijn vaderland, Hoe dierbaar zijt ge mij!"
"Houd op, zwarte kerel," bulderde Legree. "Denkt gij dat ik dit vervloekt methodistisch gegalm wil hooren? Zing wat vroolijks, zeg ik--gauw!"
Een der anderen hief een van die zinlooze liedjes aan, die onder de slaven in zwang zijn.
"Mas'r reed me cotch a coon, High, boys, high! He laughed to split--d'ye see the moon? Ho! ho! ho! boys, ho! Ho! yo! hi!--e! oh!" [9]
De zanger scheen zijn lied voor de vuist te maken, doorgaans het rijm treffende, zonder veel moeite te doen om er zin aan te geven; en de geheele troep stemde nu en dan in met het refrein:
"Ho! ho! ho! boys, ho! Ho! yo! hi--hi! oh!"
Het gezang was luidruchtig genoeg en toonde een geweldige poging om vroolijk te zijn; maar geen wanhopige jammerkreten, geen vurig smeekgebed had zulk eene diepte van zieleleed kunnen bevatten, als de woeste klanken van dat koor. Het was alsof het arme, bedreigde, tot stomheid veroordeelde hart de toevlucht nam tot die woordelooze vrijplaats der muziek, en daar eene taal vond om zijn gebed tot God uit te zuchten. Het was een gebed in eene taal, die Legree niet kon verstaan. Hij hoorde zijne slaven slechts luidruchtig zingen en was wel in zijnen schik; hij "hield hen vroolijk."
"Wel, mijn liefje," zeide hij, zich naar Emmeline omkeerende en zijne hand op haren schouder leggende, "nu zijn wij haast tehuis."
Wanneer Legree vloekte en schold, was Emmeline verschrikt; maar wanneer hij haar aanraakte en sprak gelijk nu, dacht zij, dat zij liever wilde, dat hij haar geslagen had. De uitdrukking zijner oogen deed haar walgen en huiveren tegelijk. Onwillekeurig drong zij dichter bij de mulattin naast haar, alsof deze hare moeder was.
"Hebt gij nooit oorringen gedragen?" zeide hij, haar fijn oortje tusschen zijne grove vingers pakkende.
"Neen, meester," antwoordde Emmeline bevend voor zich ziende.
"Wel, ik zal u een paar geven als wij tehuis komen, als ge een goed meisje zijt. Ge behoeft zoo bang niet te zijn; ik heb plan u niet heel hard te laten werken. Gij zult een pleizierigen tijd bij mij hebben en als eene dame leven--alleen, wees maar een goed meisje."
Legree had nu zooveel gedronken, dat hij genegen was om bijzonder goedertieren te zijn; en thans kreeg men juist zijne plantage in het gezicht. Het goed had voorheen aan een heer van vermogen en smaak toebehoord, die zich op het verfraaien daarvan had toegelegd. Nadat hij insolvent was gestorven, was het voor een prijsje door Legree gekocht, die het gelijk alle andere dingen, alleen gebruikte als een werktuig om geld te winnen. De plaats had nu dat woeste, havelooze voorkomen, waaruit blijkt, dat de zorg van een vroegeren eigenaar later geheel verwaarloosd is.
Wat eens voor het huis een effen grasperk was, hier en daar met fraaie heesters beplant, was nu eene wildernis van slecht gras, hier en daar met een paal om paarden aan vast te binden, waaromheen de zoden waren weggetrapt, en de grond met gebroken emmers, maïsstengels en ander ontuig was bestrooid. Hier en daar hing eene geknakte jasmijn of kamperfoelie haveloos aan een sierlijk hek of paalwerk, dat op zijde was getrokken, daar men het insgelijks had gebruikt om er paarden aan vast te binden. De plek, die eens een tuin was geweest, was nu geheel met onkruid begroeid, waartusschen hier en daar eene enkele uitheemsche bloemplant eenzaam het hoofd ophief. Het gebouw, dat eens de broeikas was geweest, had geene ramen meer, en op de vermolmde planken stonden eenige verdroogde bloempotten, met stokjes er in, waarvan de dorre bladeren toonden dat zij eens planten geweest waren.
De wagen reed een met onkruid begroeid kiezelpad op, onder eene statige laan van oranjeboomen, welker sierlijke kronen en zich steeds verjongend gebladerte het eenige scheen te zijn, dat door geene verwaarloozing kon bedorven of onderdrukt worden--gelijk edele geesten, zoo diep in het goede geworteld, dat zij onder tegenspoed en minachting des te sterker groeien en bloeien.
Het huis was eens groot en fraai geweest. Het was in den gewonen trant van het Zuiden gebouwd; om alle deelen van het huis heen liep een breede veranda van twee verdiepingen, waarop al de buitendeuren uitkwamen; de benedenste dezer galerijen hadden gemetselde steenen pilaren.