De Negerhut

Chapter 34

Chapter 343,990 wordsPublic domain

"O, dat is alles maar gekheid!" zeide Marie. "Het gebeurt niet eens in de honderd maal dat een goed kerel een slecht meester krijgt. De meeste meesters zijn goed, hoeveel er ook mag gepraat worden. Ik ben hier in het Zuiden groot geworden, en heb nog nooit een meester gekend, die zijne bedienden niet goed behandelde, zoo goed als het maar behoeft. In dat opzicht ben ik volstrekt niet bang."

"Welnu," zeide Ophelia met nadruk, "ik weet dat het een der laatste wenschen van uwen man was, dat Tom zijne vrijheid zou hebben; het was eene van de beloften, die hij de kleine Eva op haar sterfbed gaf, en ik zou niet denken dat gij over zoo iets zoudt willen heenstappen."

Onder deze toespraak bedekte Marie haar gezicht met hare zakdoek en begon zij met heftigheid te snikken en haar flacon te gebruiken.

"Iedereen maakt het mij moeilijk," zeide zij nu. "Iedereen is even ongevoelig! Ik zou niet verwacht hebben, dat gij mij mijne rampen weder in het geheugen zoudt brengen. Maar niemand denkt ooit om mijn gevoel--en dat bij mijne buitengemeene bezoekingen! Het valt mij zoo hard, nu ik maar eene eenige dochter had, dat zij mij moest ontnomen worden--en daar ik een man had die mij juist beviel--en het is zoo zelden dat mij iets bevalt--dat hij mij ook moest ontnomen worden! Gij schijnt zoo weinig gevoel voor mij te hebben, en brengt het mij zoo onbedacht voor den geest--terwijl gij weet hoe het mij overstelpt. Ik wil gelooven dat gij het wèl meent; maar het is zoo onbedacht!"

En Marie snikte en hijgde naar adem, en riep Mammy om het venster open te zetten en haar het kamferfleschje te geven, om haar hoofd daarmede te bevochtigen, en haar kleed los te maken, en in de algemeene opschudding die daarop volgde, nam Ophelia de wijk naar hare kamer.

Zij begreep terstond dat het niet baten kon iets meer te zeggen, want Marie had altijd zenuwtoevallen bij de hand; en wanneer vervolgens iemand een woord over de laatste wenschen van haren echtgenoot of van Eva ten opzichte der bedienden begon te spreken, achtte zij het beste er terstond een te laten aanrukken. Ophelia deed derhalve het beste, dat zij in deze omstandigheden voor Tom doen kon; zij schreef voor hem een brief aan Mevrouw Shelby, waarin zij zijn ongeval vermeldde en aandrong om hem te hulp te komen.

Den volgenden dag werden Tom en Adolf, met nog een half dozijn anderen, naar het slavenmagazijn gebracht, om daar te wachten tot de handelaar, die eene publieke verkooping zoude houden, een troep bijeen had.

DERTIGSTE HOOFDSTUK

HET SLAVENMAGAZIJN

Een slavenmagazijn! Misschien maken sommigen mijner lezers zich eene allerakeligste voorstelling van zulk eene plaats. Zij verbeelden zich een vuil donker hol, een schrikkelijken Tartarus, "_informis ingens, cui lumen adeptus_." Maar neen, onnoozele vriend, in deze dagen heeft men de kunst geleerd om met overleg en fatsoen te zondigen, zoodat men de oogen en het gevoel eener beschaafde maatschappij niet beleedigt. De menschelijke koopwaar is hoog in prijs aan de markt, en wordt daarom wel gevoed en wel schoongehouden, opgepast en verzorgd, opdat zij vet, krachtig en in goeden staat ten verkoop kome. Een slavenmagazijn te Nieuw-Orleans is een huis, voor het uiterlijke niet veel verschillende van andere huizen, dat net onderhouden wordt, en waar gij dagelijks buiten de deur onder een soort van afdak, eene rij mannen en vrouwen kunt zien staan, als stalen van de waar die binnen te koop is.

Dan zult gij beleefd verzocht worden, om binnen te komen en te examineeren, en dit doende zult gij een overvloed vinden van echtgenooten en vrouwen, broeders en zusters, vaders, moeders en kleine kinderen, "te koop afzonderlijk of bij partijen, gelijk gegadigden zullen verlangen," en die onsterfelijke zielen, eens door den Zoon Gods met bloed en angst gekocht, toen de aarde beefde en de rotsen scheurden en de graven geopend werden, kunnen verkocht, verpand en voor specerijen of droge waren verruild worden, naarmate het zoo in den handel te pas, of den kooper gelegen komt.

Het was een paar dagen na het gesprek tusschen Marie en Ophelia, dat Tom, Adolf en nog een half dozijn anderen uit de nalatenschap van St. Clare aan de zorgen van Mr. Skeggs, houder van het depôt in de straat, werden overgegeven, om de verkooping van den volgenden dag daar af te wachten.

Tom had een vrij grooten koffer vol kleeren bij zich, gelijk de meeste anderen insgelijks hadden. Zij werden voor den nacht in een lang vertrek gebracht, waar nog vele andere mannen van allerlei ouderdom, grootte en tinten van kleur verzameld waren en waar men het schaterende gelach eener gedachtenlooze vroolijkheid hoorde.

"Ha, ha, ha, dat is goed! Toe maar, jongens, toe maar," zeide Mr. Skeggs, de magazijnhouder. "Mijn volk is altijd zoo vroolijk! Sambo is aan den gang, zie ik," voegde hij er bij, goedkeurend het woord richtende tot een zwaarlijvigen neger, die de ruwe potsen maakte, welke het gelach veroorzaakten dat Tom gehoord had.

Tom was, gelijk men wel denken kan, niet gestemd om in het vermaak te deelen. Hij zette dus zijn koffer zoover mogelijk van de luidruchtige groep, ging er op zitten en liet zijn hoofd tegen den muur leunen. De handelaren in menschelijke koopwaar maken er opzettelijk hun werk van om eene luidruchtige vroolijkheid onder hunne negers te bevorderen, als een middel om het nadenken te smoren en hen voor hunnen toestand ongevoelig te maken. De geheele behandeling welke den neger ten deel valt, van dat hij op de markt in het Noorden wordt verkocht totdat hij in het Zuiden komt, wordt er stelselmatig op aangelegd om hem te verharden, gedachteloos te doen worden en te verdierlijken. De slavenhandelaar verzamelt zijn troep in Virginia of Kentucky, en brengt dien dan naar eene geschikte, gezonde plaats, om zijne negers te mesten. Hier worden zij dagelijks volop gevoed; en daar sommigen wel tot kniezen geneigd zijn, wordt er gewoonlijk eene viool op na gehouden, en laat men hen alle dagen dansen; en hij die niet vroolijk wil zijn--in wiens ziel de gedachten aan vrouw of kinderen te sterk zijn om hem te doen lachen en springen--wordt voor een kwaardaardigen en gevaarlijken kerel gehouden, en is blootgesteld aan al het kwaad, dat het ongenoegen van een gevoelloos mensch, die aan niemand verantwoordelijk is, hem kan aandoen. Levendigheid, vlugheid en vroolijkheid van uitzicht, vooral in het bijzijn van toeschouwers, worden hun gedurig opgedrongen, zoowel door de hoop om daardoor een goed meester te krijgen, als door de vrees voor alles wat de handelaar hun kan aandoen, wanneer zij onverkoopbaar blijken te zijn.

"Wat voert die neger daar uit?" zeide Sambo, naar Tom toekomende, nadat Mr. Skeggs was heengegaan. Sambo was een echte zwarte, van reusachtige grootte, zeer levendig en vlug van tong, en vol streken en kuren.

"Wat doet gij daar?" zeide Sambo, Tom schertsend een stoot in de zijde gevende. "Aan het mediteeren, he?"

"Ik moet morgen op de verkooping verkocht worden," gaf Tom zeer bedaard ten antwoord.

"Op de verkooping verkocht? Ha, ha! Jongens, is dat geen pret? Ik wou dat ik ook dien weg op moest! Zegt, zou ik ze niet laten lachen? Maar hoe is dat? Moet die heele troep morgen gaan?" zeide Sambo, en leide zijne hand vrijpostig op Adolfs schouder.

"Wees zoo goed om van me af te blijven," zeide Adolf barsch en richtte zich met groote minachting rechtop.

"Kijkt, jongens, dat is een van die blanke negers, eene soort van roomkleurtje, en geparfumeerd!" zeide Sambo, nog dichter bij Adolf komende en zijn neus ophalende. "Hij zou goed voor een tabakswinkel zijn. Men kon hem gebruiken om de snuif te parfumeeren. Hij zou den winkel aan eene goede klandizie helpen--zou hij niet?"

"Blijf van mij af, zeg ik!" riep Adolf woedend uit.

"Och, wat zijn wij kleinzeerig, wij blanke negers! Kijkt ons nu eens aan." En Sambo bootste op eene koddige manier Adolfs houding en manieren na. "Wat een air en gratie! Wij zijn in goede familie geweest, zou ik denken."

"Ja," antwoordde Adolf, "ik had een meester, die u allen had kunnen koopen voor oude lorren."

"Denk eens aan," zeide Sambo. "Zulke _gentlemen_ als wij zijn!"

"Ik behoorde aan de familie St. Clare," zeide Adolf trotsch.

"Wel, wel, deedt ge dat? Ik laat mij hangen, als zij niet gelukkig zijn dat zij u eens te zien krijgen. Ik denk dat zij u met een partijtje gebarsten trekpotten en zulke dingen zullen verkoopen," zeide Sambo, met een tergende grijns.

Adolf, woedend over dien schimp, vloog als razend op zijnen vijand aan, en sloeg vloekende naar alle kanten om zich heen, terwijl de anderen lachten en joelden, en het rumoer deed daardoor den oppasser binnenkomen.

"Wat nu, jongens! Orde, orde!" riep hij en zwaaide met een lange zweep. Allen namen naar verschillende kanten de vlucht, behalve Sambo, die op de gunst, welke Mr. Skeggs hem als bevoorrecht grappenmaker bewees, vertrouwende, staan bleef, en slechts met een koddige grijns dook, als de meester een slag naar hem deed.

"O, meester, wij zijn het niet.--Wij zijn altijd ordentelijk.--Het zijn de nieuwelingen.--Zij maken het lastig; het is alsof zij gedurig ruzie met ons zoeken."

Daarop keerde Mr. Skeggs zich naar Tom en Adolf, deelde, zonder veel te vragen, eenige schoppen en trappen uit; gaf een algemeen bevel om goede jongens te zijn en te gaan slapen, en ging weder heen.

Terwijl dit in de slaapzaal der mannen plaats had, is de lezer misschien wel nieuwsgierig geweest, om eens in het aangrenzende vertrek te kijken, dat voor de vrouwen was bestemd.

In allerlei houdingen op de vloer uitgestrekt, kon hij daar eene menigte gedaanten zien, van alle tinten van kleur, van het zuiverste zwart af tot geheel blank, en van alle jaren, van de kindsheid tot den grijzen ouderdom, die nu liggen te slapen. Hier is een bevallig meisje van tien jaren, wier moeder gisteren werd verkocht en dat zich nu in slaap heeft geschreid, zonder dat iemand er op lette. Daar eene oude afgewerkte negerin, wier magere armen en vereelte vingers van harden arbeid spreken, wachtende om morgen, als afgekeurde waar, verkocht te worden voor wat zij nog gelden kan. Veertig of vijftig anderen, met het hoofd op allerlei manieren in dekens of kleederen gewikkeld, liggen om deze heen. Maar in een hoek, van de anderen afgezonderd, zitten twee vrouwen, wier voorkomen meer dan gewoonlijk de aandacht trekt.

Eene van deze is een fatsoenlijk gekleede mulattin, van tusschen de veertig en vijftig jaren, met zachte oogen en innemende trekken. Zij heeft een hoogen tulband op het hoofd, van een rooden madrassen doek van de eerste kwaliteit gemaakt en hare kleeding past haar zeer net en is van goede stof, aanduidende dat zij door zorgvuldige handen zoo is uitgerust. Naast haar, dicht tegen haar aangedrongen zit een meisje van vijftien jaren, hare dochter. Zij is eene quadrone, gelijk men aan hare blanke kleur kan zien, hoewel hare gelijkenis met hare moeder toch zeer duidelijk is. Zij heeft dezelfde donkere oogen met lange wimpers, en haar krullend haar is fraai bruin van kleur. Zij is ook zeer net gekleed, en hare witte, fijne handjes verraden weinig gemeenzaamheid met slaafschen arbeid. Deze twee moeten morgen verkocht worden, tegelijk met de bedienden van St. Clare, en de heer, aan wien zij toebehooren en aan wien het geld dat zij opbrengen, moet worden overgezonden, is lid eener Christelijke kerk te New-York, die het geld zal aannemen, en daarna het sacrament van zijnen en haren Heer ontvangen, zonder er meer aan te denken.

Deze twee, die wij Suze en Emmeline zullen noemen, waren lijfbedienden van een zachtaardige en godvruchtige dame te Nieuw-Orleans geweest, door wie zij zorgvuldig onderwezen en godsdienstig opgeleid waren. Zij hadden leeren lezen en schrijven, waren geoefend in de godsdienstige waarheden van het Christendom, en haar lot was zoo gelukkig geweest, als het in haren staat wezen kon. Doch de eenige zoon harer eigenares had het beheer over het vermogen zijner moeder, en door zijne zorgeloosheid en buitensporigheid had hij dit met schulden bezwaard en daarna bankroet gemaakt. Een der voornaamste crediteuren was de zeer geachte B. en Comp. te New-York, B. en Comp. schreven aan hunnen procureur te New-Orleans, die den boedel had aangeslagen, (waarvan deze twee slavinnen en een troepje plantage-arbeiders het kostbaarste gedeelte uitmaakten) en die dit naar New-York had bericht. Daar broeder B., gelijk wij zeiden, een Christelijk man en burger van een vrijen staat was, voelde hij in deze omstandigheden eenige ongerustheid. Hij dreef niet gaarne handel in slaven en menschelijke zielen--natuurlijk niet; maar het was om dertig duizend dollars te doen, en dit was toch wat te veel geld, om voor zijne beginselen op te offeren; na zich dus wel bedacht te hebben, en raad te hebben gevraagd aan lieden, die hij wist dat hem een raad naar zijnen zin zouden geven, schreef broeder B. aan zijnen procureur, dat hij de zaak moest behandelen gelijk hem het beste voorkwam, en hem het bedrag maar overmaken.

Daags nadat die brief te New-Orleans aankwam, werden Suze en Emmeline in beslag genomen en naar het depôt gebracht, om daar de algemeene verkooping af te wachten. Terwijl zij nu in het maanlicht, dat door het getraliede venster sluipt, schemerachtig zichtbaar zijn, kunnen wij naar haar gesprek luisteren. Beiden schreiden, maar stil, opdat de eene het niet van de andere hooren zal.

"Moeder, leg uw hoofd nu in mijnen schoot en zie of gij niet wat slapen kunt," zeide het meisje, haar best doende om kalm te schijnen.

"Ik heb geen lust om te slapen, Em. Ik zou niet kunnen. Het is misschien de laatste nacht, dat wij bij elkander zijn."

"O, moeder, spreek zoo niet. Misschien zullen wij te zamen verkocht worden, wie weet het?"

"Als het iemand anders zaak was, zou ik ook zoo spreken, Em," antwoordde de moeder; "maar ik ben zoo bang om u te verliezen, dat ik niets anders zie dan het gevaar."

"Waarom, moeder? De man zeide, dat wij er beide knap uitzagen." Suze herinnerde zich nu de woorden en de blikken van dien man; en werd bijna flauw van angst, toen zij bedacht hoe hij Emmeline's handen had bekeken en hare krullende lokken opgelicht, en gezegd dat zij "puike waar" was. Suze was christelijk opgebracht, gewoon om dagelijks in den Bijbel te lezen, en gruwde er evenzeer van, dat haar kind tot een leven van schande zou verkocht worden, als eenige andere christelijke moeder had kunnen doen; maar zij had geene hoop, geene bescherming.

"Moeder, ik denk dat het wel goed zou voldoen, als gij eene plaats als keukenmeid kondt krijgen en ik als kamermeid of naaister bij eene familie. Ik geloof dat zeker. Laten wij er beiden maar zoo frisch en vroolijk uitzien als wij kunnen, en alles zeggen wat wij kunnen doen, dan zal dat misschien wel gaan," zeide Emmeline.

"Gij moet morgen al uw haar achterwaarts kammen, gladweg," zeide Suze.

"Waarom moeder? Ik zie er dan lang zoo goed niet uit."

"Ja, maar gij zult dan beter verkocht worden."

"Ik begrijp niet waarom," zeide het meisje.

"Fatsoenlijke familiën zullen u liever willen koopen, als gij eenvoudig en stemmig zijt, dan als gij uw best doet om u mooi te maken. Ik ken de manieren van die menschen beter dan gij," zeide Suze.

"Welnu, moeder, dan zal ik het zoo doen."

"En Emmeline, als wij elkander na den dag van morgen nooit mochten wederzien--als ik ergens op eene plantage word verkocht, en gij dan ergens anders--onthoud dan altijd hoe gij zijt opgebracht en alles wat mevrouw u gezegd heeft. Neem uw Bijbel mede en uw gezangboek, en als gij den Heere getrouw zijt, zal Hij u getrouw zijn."

Zoo spreekt de arme ziel, in angstige bekommering; want zij weet dat morgen ieder man, hoe laag en verdierlijkt, hoe goddeloos en onbarmhartig ook, als hij maar genoeg geld voor haar te betalen heeft, de eigenaar harer dochter kan worden, met lichaam en ziel; en hoe zal het kind dan getrouw blijven? Zij denkt aan dat alles, terwijl zij hare dochter in hare armen sluit, en wenscht dat zij niet zoo welgemaakt en bevallig was. Het schijnt bijna een verzwaring van haar lot, als zij bedenkt hoe rein en godvruchtig, hoe ver boven den gewonen staat zij is opgebracht. Zij heeft geene andere toevlucht dan het gebed; en vele zulke gebeden aan God zijn uit die nette, ordelijke en hoogst fatsoenlijke slavengevangenissen opgegaan--gebeden, die God niet vergeten heeft, gelijk een dag der toekomst toonen zal, want er staat geschreven: "Zoo wie een van deze kleinen ergert, het waar hem beter, dat een molensteen om zijnen hals gehangen en hij in de diepte der zee geworpen ware."

De zachte, ernstige, stille maneschijn ziet strak naar binnen en teekent de bouten der getraliede vensters op de slapende gedaanten. Moeder en dochter zingen te zamen een wild en droevig treurlied, onder de slaven als lijkzang in gebruik:

"O, waar is schreiende Mary? O, waar is schreiende Mary? Gegaan naar 't schoone land, Zij is dood en naar den hemel; Zij is dood en naar den hemel; Gegaan naar 't schoone land."

Deze woorden, door liefelijke en treurige stemmen gezongen, naar eene melodie, welke het zuchten der aardsche wanhoop naar de hemelsche hoop scheen uit te drukken, klonken met aandoenlijke galmen door de gevangenis, terwijl het eene vers het andere volgde.

O, waar zijn Paul en Silas? O, waar zijn Paul en Silas? Gegaan naar 't schoone land. Dood zijn ze en in den hemel; Dood zijn ze en in den hemel; Gegaan naar 't schoone land.

Zingt maar voort, arme zielen! De nacht is kort en de morgen zal u voor altijd scheiden.

Maar nu is het morgen en iedereen is in beweging; en de brave Mr. Skeggs heeft het zeer druk, want eene partij goederen moet voor de verkooping worden gereedgemaakt. Het toilet wordt oplettend nagezien; er wordt algemeen bevel gegeven, dat iedereen zijn beste gezicht moet voordoen en vlug en vroolijk zijn; en nu staan allen in een kring voor de laatste inspectie, eer zij naar de "Bourse" afmarcheeren.

Mr. Skeggs met zijne hoed van palmbladeren op het hoofd en eene sigaar in den mond, gaat rond, om de laatste hand aan zijne waren te leggen.

"Wat is dat," zeide hij, voor Suze en Emmeline staan blijvende. "Waar zijn uwe krullen, meid?"

Het meisje zag beschroomd hare moeder aan, die met de gevatheid harer klasse antwoordde:

"Ik zeide haar gisteren, dat zij heur haren netjes en glad moest opmaken en ze niet zoo in krullen laten rondzwieren; dat staat fatsoenlijk."

"Larie!" zeide de man kortaf, en zich naar het meisje keerende, vervolgde hij: "Loop terstond heen, en maak uw haar in krullen--maar mooi!" En daarmede zwaaide hij met zijn rotting. "En maak dat ge gauw terug zijt ook. Ga gij haar maar helpen," voegde hij er bij, zich weder naar de moeder keerende. "Die krullen kunnen wel honderd dollars verschil in haren prijs uitmaken."

Onder een prachtigen koepel wandelden mannen van alle natiën heen en weder over den marmeren vloer. In het rond van den ruimen kring waren kleine tribunes, ten gebruike van sprekers en verkoopinghouders. Op twee daarvan, tegenover elkander, stonden thans welsprekende heeren, die in een mengeling van Engelsch en Fransch hunne verschillende waren opvijzelden, om bieders uit te lokken. Een derde tribune, er tusschen-in, was nog onbezet en omringd door eene groep, die stond te wachten tot de verkooping begon. Hier kunnen wij Tom, Adolf en andere bedienden van St. Clare herkennen; en hier wachten ook Suze en Emmeline angstig op hare beurt. Verschillende toeschouwers, met of zonder voornemen om te koopen, verzamelden zich om de groep, bekeken, betastten en bepraatten de verschillende eigenschappen en het voorkomen der tentoongestelden, met dezelfde vrijheid als een troep jockeys over een paard spreekt.

"Holla daar, Alf, hoe komt gij hier," zeide een jong, pronkerig gekleed heertje, een ander van dienzelfden stempel, die Adolf door een lorgnet stond te bekijken, op den schouder kloppende.

"Wel, ik had een lijfknecht noodig. En daar ik hoorde dat de troep van St. Clare verkocht zou worden, dacht ik..."

"Ik ben wel wijzer dan om iets van St. Clare te koopen. Allemaal verwende negers. Zoo onbeschaamd als de duivel," zeide de ander.

"Daar ben ik niet bang voor," hernam de eerste. "Als ik ze maar heb, zal ik ze hunne airs spoedig afleeren; ze zullen gauw ondervinden dat zij met eene andere soort van meester te doen hebben, dan met Monsieur St. Clare. Op mijn woord, ik zal dien kerel koopen. Ik heb zin in zijn voorkomen."

"Gij zult ondervinden dat het u geld zal kosten, hem zoo te houden. Hij is verduiveld extravagant."

"Ja, maar mylord zal ondervinden, dat hij bij mij niet extravagant kan zijn. Laat hij maar eenige malen naar de _calabooze_ zijn geweest, en goed van laken gehad hebben. Ik sta er u voor in, dat hij bij mij wel tot andere gedachten zal komen. Ik zal hem bekeeren, geheel en al, dat zult ge zien. Ik koop hem, daar blijf ik bij."

Tom had onder de menigte personen die hem omringden angstig uitgezien naar een, wien hij zijn meester zou willen noemen; en als gij, Mijnheer, ooit in de noodzakelijkheid mocht komen, om onder tweehonderd mannen er een uit te zoeken, die uw eigenaar en willekeurig beschikker van uw lot moest worden, zoudt gij u misschien kunnen verbeelden, evenals Tom toen deed, hoe weinig er zouden zijn, aan wie gij u maar eenigszins gerust zoudt overgeven. Tom zag een overvloed van mannen:--groote, zwaarlijvige, grove mannen--kleine, pieperige, uitgedroogde mannen; en allerlei soort van botte, alledaagsche mannen, die hun medemensch oprapen, gelijk men papiersnippers opraapt, en even onverschillig in het vuur of in eene mand werpen, naarmate het hun gelegen komt; maar hij zag hier geen enkelen St. Clare.

Kort vóórdat de verkooping begon, zag hij een kort, breed, grof gespierd man, met een geruit hemd, dat op de borst ver openhing, en met eene beslijkte versleten broek, zich met de ellebogen door het gedrang werken, gelijk iemand, die niemand ontziet die hem in den weg is. Zoo kwam hij naar de groep en begon deze systematisch te examineeren. Zoodra Tom dien man zag aankomen, voelde hij een onwillekeurig angstig afgrijzen voor hem, dat nog toenam toen hij dichterbij kwam. Hoewel kort, was hij blijkbaar van reusachtige lichaamskracht. Zijn rond, kogelvormig hoofd, zijne groote, lichtgrijze oogen met hunne ruige, vlaskleurige wenkbrauwen, en geheel zijn stroef, gerimpeld, door de zon verbrand gezicht waren zeker niet innemend; zijn groote, grove mond werd zichtbaar uitgerekt door eene groote pruim tabak, waarvan hij het sap nu en dan met buitengemeene kracht en ongegeneerdheid uitspoot; zijne handen waren onevenredig groot, behaard, bruin gebrand door de zon, zeer morsig en met lange nagels, in een zeer vuilen toestand, voorzien. Deze man examineerde den troep met bijzondere vrijpostigheid. Hij greep Tom bij de kin en trok zijn mond open, om zijne tanden te bezichtigen; liet hem zijne mouw opstroopen, om zijne spieren te toonen; liet hem zich omkeeren, stappen en springen, om te zien of er niets aan zijne beenen scheelde.

"Waar zijt ge opgebracht?" vroeg hij na dit onderzoek kortaf.

"In Kentucky, meester," antwoordde Tom, rondziende als ware het naar verlossing.

"Wat hebt gij daar gedaan?"

"Ik had het opzicht over mijns meesters hoeve," antwoordde Tom.

"Nog al waarschijnlijk," zeide de andere kortaf en ging verder.

Voor Adolf bleef hij slechts een oogenblik staan, spuwde een klad tabakssap over zijne glimmend gepoetste laarzen en keerde zich met een verachtelijk "Hm!" van hem af. Voor Suze en Emmeline bleef hij wederom staan. Hij stak zijne grove vuile hand uit en trok het meisje naar zich toe; streek die hand over haren hals en borst, betastte hare armen, bekeek hare tanden en stiet haar toen weder naar hare moeder, wier geduldig gezicht echter toonde, wat zij bij elke beweging van den afschuwelijken vreemdeling uitstond.

Het meisje was verschrikt en begon te schreien.

"Houd op daarmede, gij heks," zeide de verkooper; "geen gebalk hier; de verkooping zal beginnen."