Chapter 31
Zoo stonden zij haar aan te staren, zoo stil, dat zelfs het tikken van het horloge te hard scheen te zijn. Weldra kwam Tom terug met den dokter. Deze trad binnen, wierp een enkelen blik op het kind en bleef toen even stilstaan als de anderen.
"Wanneer heeft die verandering plaats gehad?" vroeg hij Ophelia fluisterend.
"Tegen middernacht," was het antwoord.
Marie, door de komst van den dokter opmerkzaam geworden, kwam haastig de kamer binnen.
"Augustine!--Nicht!--O!--Wat!" begon zij.
"St!" zeide St. Clare met een heesche stem. "Zij is stervende."
Mammy hoorde deze woorden en vloog heen om de bedienden te wekken. Weldra was het geheele huis in beweging--men zag lichten, hoorde voetstappen, angstige en betraande gezichten keken uit de veranda door de glasdeur in de kamer; maar St. Clare zag en hoorde niets--hij zag alleen die uitdrukking op het gezicht der kleine slaapster.
"O, als zij nog maar eens ontwaakte, nog maar eens sprak!" zeide hij, en over haar heen bukkende, sprak hij in haar oor: "Eva, liefje."
De groote, blauwe oogen openden zich--een glimlach vloog over haar gezichtje; zij poogde haar hoofd op te beuren en te spreken.
"Kent gij mij, Eva?"
"Lieve Papa," zeide het kind en sloeg met een laatste inspanning hare armpjes om zijnen hals.
Een oogenblik later zonken zij weder neer; en toen St. Clare zijn hoofd ophief, zag hij een doodsstuip over het gezichtje trekken--zij snakte naar adem en stak de handjes uit.
"O God, dat is schrikkelijk!" zeide hij zich omkeerende, en in zijne zielesmart nauwelijks wetende wat hij deed, klemde hij de hand van Tom in de zijne. "O, Tom, mijn jongen, het doet mij den dood!"
Tom hield de hand van zijnen meester vast, en terwijl de tranen over zijne zwarte wangen rolden, zag hij om hulp waarheen hij steeds gewoon was op te zien.
"Bid dat dit kort mag duren!" zeide St. Clare. "Het is eene marteling voor mijn hart."
"O, gezegend zij de Heere! Het is over--het is over, lieve meester," zeide Tom. "Zie haar maar aan."
Het kind lag hijgende op het kussen geheel afgemat, maar met de groote heldere oogen strak omhooggeslagen. En wat las men in die oogen, waarin altijd zooveel van dien hemel te zien was? De aarde was voorbij en alle aardsche smart; maar zoo plechtig, zoo geheimzinnig was de zegevierende blijdschap, die op dat gezichtje lag verspreid, dat zelfs de zuchten der droefheid daardoor bedwongen werden. De aanwezigen bleven stil voor zich uit staren.
"Eva," zeide St. Clare zacht.
Zij hoorde niet.
"O, Eva, zeg ons wat gij ziet! wat is het?" zeide haar vader.
Een heldere, heerlijke glimlach zweefde over haar gezichtje en zij antwoordde afgebroken: "O, liefde--blijdschap--vrede!" slaakte een enkelen zucht en ging uit den dood in in het leven over.
Vaarwel, dierbaar kind! De eeuwige poort is achter u gesloten; wij zullen uw lief gezichtje niet meer zien. Ach, wee hunner, die uw ingaan in den hemel hebben aanschouwd, als zij ontwaken en alleen de koude grauwe lucht van het dagelijksche leven vinden, en gij voor altijd heen zijt!
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK
"DIT IS HET LAATSTE VAN DE AARDE", JOHN Q. ADAMS
De beeldjes en schilderijen in Eva's kamer waren met witte doeken bedekt; men hoorde daar slechts gesmoord ademhalen en met zachte voorzichtige schreden gaan, en het licht, door de neergelaten valgordijnen schijnende, verspreidde eene plechtige schemering.
Het bed was met eene sprei bedekt; en daar, onder de zwevende engelengedaante, lag de kleine slaapster--die sliep om nooit weder te ontwaken.
Daar lag zij, in een van die eenvoudige witte jurkjes gekleed, die zij placht te dragen toen zij leefde; het rozekleurige licht door de gordijnen wierp een warmen gloed over het ijskoude des doods. De zware wimpers lagen zacht op de reine wangen; het hoofd was een weinigje op zijde gekeerd, gelijk in een natuurlijken slaap, maar elke trek van het gezichtje deelde in die hemelsche uitdrukking, die mengeling van verrukking en ernst, welke bewees dat het geen aardsche, kortstondige slaap was, maar de lange, heilige rust, die "Hij aan zijne beminden geeft."
Er is geen dood voor dezulken als gij, lieve Eva! geene duisternis of schaduw des doods; niet anders dan zulk een helder verbleeken, gelijk wanneer de morgenster in den gouden dageraad verdwijnt. Voor hen is het een zege zonder strijd--een kroon zonder kamp.
Zoo dacht St. Clare, terwijl hij daar met de armen over elkander stond te staren. Maar wie zal zeggen wat hij dacht? want van het oogenblik, toen de stemmen in dat sterfvertrek hadden gezegd: "Het is voorbij," was alles om hem heen een dichte nevel geweest, had hij niets gevoeld dan zijne bedwelmende zielesmart. Hij had stemmen gehoord; er waren hem vragen gedaan, en hij had geantwoord; men had hem gevraagd, wanneer de begrafenis moest plaats hebben, en waar zij begraven moest worden, en hij had ongeduldig geantwoord, dat het hem niet schelen kon.
Adolf en Rosa hadden de kamer geschikt. Zoo lichtzinnig, wispelturig en kinderachtig als zij doorgaans waren, hadden zij toch een zacht hart en warm gevoel: en terwijl Ophelia over het geheel het opzicht hield en zorgde dat alles net en ordelijk was, waren het hunne handen, welke die kleine, poëtische versierselen aanbrachten, die het sterfvertrek dat akelige en sombere ontnamen, hetwelk eene begrafenis in Nieuw-Engeland maar al te zeer kenmerkt.
Er waren nog bloemen hier en daar--alle wit, teeder en geurig, met sierlijk hangende bladeren. Op Eva's tafeltje, met een wit kleed bedekt, stond hare geliefde vaas, thans met eene enkele witte mos-roos er in. De plooien van draperiën en gordijnen waren door Adolf en Rosa geschikt en herschikt, met die juistheid van oog, die aan hun geslacht eigen is; en ook nu nog, terwijl St. Clare daar stond te peinzen, kwam Rosa de kamer binnentrippelen met een mandje witte bloemen. Zij trad terug toen zij haar meester zag en bleef eerbiedig staan; maar ziende dat hij haar niet opmerkte, kwam zij nader om ze op het bed te strooien. St. Clare zag haar als in een droom, terwijl zij een Kaapsche jasmijn in de witte handjes plaatste, en de overige bloemen met keurigen smaak hier en daar verdeelde.
De deur werd wederom geopend en Topsy kwam, met oogen gezwollen van het schreien en iets onder haar voorschoot houdende. Rosa wenkte haar snel om terug te blijven, maar zij trad toch binnen.
"Gij moet heengaan," zei Rosa, driftig en gebiedend fluisterende, "gij hebt hier niets te maken."
"O laat mij toch! Ik heb eene bloem gebracht--zoo mooi!" zeide Topsy, eene half ontloken theeroos vertoonende. "Laat ik die toch maar even daar leggen."
"Maak je weg," zeide Rosa nog scherper.
"Laat haar blijven!" zeide St. Clare eensklaps en stampte met zijnen voet. "Zij mag komen."
Rosa droop spoedig af en Topsy kwam nader en legde haar offer aan den voet van het lijkje. Toen wierp zij zich plotseling, met een woesten en bitteren kreet, bij het bed op den grond en bleef daar luid liggen schreien en kermen.
Ophelia kwam haastig de kamer binnen en poogde haar te doen opstaan en zwijgen, maar vruchteloos.
"O, Miss Eva! O, Miss Eva! Ik wenschte dat ik dood was,--dat doe ik!"
Toen zij dat met woeste droefheid uitriep, kwam er weder een blos op St. Clare's marmerwitte wangen, en sprongen de eerste tranen, die hij sedert Eva's dood had geschreid, uit zijne oogen.
"Sta op, kind," zeide Ophelia met meer zachtheid in hare stem. "Huil zoo niet. Miss Eva is naar den hemel gegaan. Zij is nu een engel!"
"Maar ik kan haar niet meer zien, en ik zal haar nooit meer zien," zeide Topsy en begon weder te snikken.
Allen zwegen een poos.
"Zij zeide dat zij mij liefhad," begon Topsy weder, "dat deed zij! En och! nu is er niemand over--niemand!"
"Dat is maar al te waar," zeide St. Clare. "Maar zie toch of gij dat arme schepsel niet troosten kunt," vervolgde hij tegen Ophelia.
"Ik wenschte dat ik nooit geboren was," zei Topsy. "Ik behoefde geheel niet geboren te worden. Ik zie niet waarvoor het goed is."
Miss Ophelia nam haar nu met zachten dwang van den grond op en bracht haar de kamer uit; maar terwijl zij dit deed, rolden er tranen over hare wangen.
"Topsy, gij arm kind," zeide zij, toen zij het meisje naar hare eigene kamer had gebracht, "verlies nu den moed niet. Ik kan u liefhebben, al ben ik niet gelijk aan dat lieve kleine kind. Ik hoop dat ik toch iets van de liefde van Christus van haar geleerd heb. Ik kan u liefhebben. Dat doe ik al, en ik zal beproeven u te helpen om een goed christelijk meisje te worden."
Ophelia's stem zeide meer dan hare woorden, en nog meer zeiden de oprechte, medelijdende tranen, die over hare wangen rolden. Van dat uur af verkreeg zij een invloed op het gemoed van dat arme kind, dien zij nooit weder verloor.
"O, mijne Eva, wier korte tijd op aarde zooveel goed deed," dacht St. Clare, "welke verantwoording heb ik voor mijne lange jaren te geven!"
Eene poos hoorde men nog gefluister en zachte voetstappen in de kamer, terwijl de een na den ander binnensloop om den doode te zien; en toen kwam de kleine doodkist, en toen volgde de begrafenis, en koetsen hielden voor de deur op, en vreemdelingen gingen daarin zitten; en men zag witte strikken en zwarte strooken krip, en dragers geheel in het zwart; en er werden woorden uit den Bijbel gelezen, en gebeden gedaan; en St. Clare leefde en ging en deed gelijk iemand, die zijne laatste tranen geschreid had. Tot het laatst toe zag hij slechts dat eene--het hoofdje met gouden lokken in de doodkist. Maar toen zag hij den doek daarover leggen en het deksel op de kist doen; en toen hij naast anderen geplaatst was, ging hij voort naar eene plek in den tuin, en daar, bij de met mos begroeide bank, waarop zij en Tom zoo dikwijls hadden zitten praten, zingen en lezen, daar was het grafje. St. Clare stond er bij en zag er verstrooid in neder, hij zag de kleine kist afdalen, hoorde flauw de plechtige woorden: "Ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven al ware hij ook gestorven," en toen de aarde in het grafje werd geworpen, kon hij zich niet voorstellen, dat het zijne Eva was, die men zoo voor zijne oogen verborg.
En het was ook Eva niet--maar alleen de zwakke kiem van die heerlijke, onsterfelijke gedaante, die eens te voorschijn zal treden op den dag van den Heere Jezus!
En toen verstrooiden zich allen, en de rouwdragers gingen weder naar de plaats die haar niet meer kennen zou; en de kamer van Marie was donker gemaakt, en zij lag te bed, snikkende en zuchtende in onbedwingbare smart, en telkens om de hulp harer bedienden vragende. Zij hadden natuurlijk geen tijd om te schreien--wat behoefden zij ook? Het leed was _haar_ leed, en zij was ten volle overtuigd, dat niemand het zoo op de wereld kon en zou gevoelen als zij.
"St. Clare schreide geen enkele traan," zeide zij. "Hij had geen het minste medelijden met haar. Het was inderdaad verbazend als men dacht hoe hardvochtig en ongevoelig hij was, daar hij toch wel weten moest wat zij leed."
Zoozeer zijn de menschen de slaven hunner oogen en ooren, dat velen der bedienden inderdaad geloofden, dat hunne meesteres het meest onder het gebeurde leed, vooral toen Marie zenuwtoevallen begon te krijgen, en den dokter liet komen, en eindelijk verklaarde dat zij stervende was; en het loopen en draven, het brengen van warme kruiken, het heet maken van wollen lappen, het wrijven en al het gedoe dat daarop volgde, gaf werkelijk eene afleiding.
Tom evenwel had een gevoel in zijn hart, dat hem naar zijnen meester trok. Hij volgde dezen oplettend en treurig, waar hij ook ging, en toen hij hem zoo bleek en stil in Eva's kamer zag zitten, met haar Bijbeltje open voor zich, schoon hij geen woord of letter zag van hetgeen er in stond, was er voor Tom meer smart in die strakke, tranenlooze oogen, dan in al het kermen en klagen zijner meesteres.
Eenige dagen later ging de familie weder naar de stad terug, daar St. Clare, met de rusteloosheid der smart, naar verandering van plaats verlangde, om den loop zijner gedachten eene andere richting te geven. Zij verlieten dus het huis en den tuin, met zijn grafje, en kwamen te Nieuw-Orleans terug; St. Clare zwierf veel langs de straten, en poogde het ledige in zijn hart met gewoel en drukte te vervullen; en zij die hem op straat of in het koffiehuis zagen, wisten van zijn verlies alleen door den rouwband om zijnen hoed; want daar was hij pratende en lachende, de couranten lezende, en zich met politiek en handelszaken bemoeiende; en wie kon het zien dat die uitwendige vroolijkheid slechts een holle schel was over een hart, dat een stil en donker graf was.
"St. Clare is een zonderling man," zeide Marie eens op een klagenden toon tegen Ophelia. "Ik placht te denken, als er iets op de wereld was dat hij liefhad, dat het dan onze kleine Eva was; maar hij schijnt haar zeer gemakkelijk te vergeten. Ik kan hem er nooit toe krijgen om over haar te spreken. Ik had waarlijk gedacht dat hij meer gevoel zou toonen."
"Stille waters hebben diepe gronden, placht men mij te zeggen," antwoordde Ophelia op den toon van een orakel.
"Och, ik geloof aan zulke dingen niet. Dat zijn maar praatjes. Als iemand gevoel heeft toont hij het ook; dat kan hij niet laten. Maar toch is het een groot ongeluk als men gevoel heeft. Ik zou liever naar St. Clare willen gelijken. Mijn gevoel ondermijnt mij."
"Maar zeker, Mevrouw, Mijnheer St. Clare wordt zoo bleek en mager als een schim, en ik hoor dat hij haast niet meer eet," zeide Mammy. "Ik weet wel, dat hij Miss Eva niet vergeet; en dat zou ook niemand kunnen doen, dat lieve, kleine schaap," voegde zij er bij en veegde hare oogen af.
"Nu, in allen gevalle, hij denkt geheel niet om mij," zeide Marie. "Hij heeft geen woord van troost tegen mij gesproken, en hij moet toch wel weten hoeveel meer eene moeder voelt dan een man ooit doen kan."
"Het hart kent zijne eigene bitterheid," zeide Ophelia ernstig.
"Dat is het juist wat ik denk. Ik weet wat ik gevoel--niemand anders schijnt dat te weten. Eva placht dat te doen; maar ze is weg!" En Marie liet zich achterover op de sofa zinken en begon jammerlijk te snikken.
Marie was eene van die ongelukkige stervelingen, in wier oogen al wat zij verloren hebben eene waarde verkrijgt, die het nooit had terwijl zij het bezaten. Wat zij had, scheen zij slechts te beschouwen om er gebreken aan te vinden; maar wanneer zij het eens voorgoed kwijt was, hield zij niet op het te prijzen.
Terwijl dit gesprek in de voorkamer plaats had, werd er een ander in de bibliotheek gevoerd.
Tom, die zijn meester onrustig overal volgde, had hem eenige uren geleden daar zien binnengaan, en na vruchtloos gewacht te hebben dat hij er weder uit zou komen, besloot hij eindelijk er eenige bezigheid te zoeken. Hij trad zacht binnen. St. Clare zat in een leuningstoel aan het einde van het vertrek. Zijn gezicht was in zijne handen verborgen, en Eva's Bijbeltje lag op eenigen afstand open op de tafel.
Tom kwam nader en bleef aarzelend bij hem staan. Eensklaps richtte St. Clare zich op. Toms eerlijk gezicht, zoo vol droefheid en met zulk een smeekende uitdrukking van liefde en medelijden, trof zijn meester. Hij legde zijne hand op die van Tom, en liet zijn voorhoofd daarop zinken.
"O Tom, mijn jongen, de geheele wereld is zoo ledig als een eierschaal."
"Dat weet ik, meester, dat weet ik," antwoordde Tom. "Maar o, als meester kon opzien, waar onze lieve Miss Eva is--naar den lieven Heere Jezus!"
"Och, Tom, ik zie op. Maar het ergste is, ik zie toch niets als ik het doe. Ik wenschte dat ik kon."
Tom slaakte een zwaren zucht.
"Het schijnt aan de kinderen en arme oprechte lieden, zooals gij, gegeven te zijn, om te zien wat wij niet kunnen zien," zeide St. Clare nu. "Hoe komt dat?"
"Gij hebt ze voor de wijzen en verstandigen verborgen, en ze den kinderkens geopenbaard," prevelde Tom. "Ja, Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor U."
"Tom, ik geloof niet--ik kan niet gelooven; ik heb de gewoonte van twijfelen aangenomen," zeide St. Clare. "Ik wil dezen Bijbel gelooven, en ik kan niet."
"Lieve meester, bid tot den goeden Heere: 'Heere, ik geloof, kom mijne ongeloovigheid te hulp.'"
"Wie weet iets van niets?" zeide St. Clare bij zichzelven, terwijl zijne oogen peinzend rondzwierven. "Was al die heerlijke liefde, was al dat schoone geloof slechts een der altijd afwisselende verschijnselen van het menschelijk gevoel, dat niets wezenlijks tot grondslag had en met den laatsten ademtocht werd uitgeblazen? Er is geen Eva meer--geen hemel--geen Christus--niets!"
"O, lieve meester, Hij is er! Dat weet ik; daarvan ben ik zeker," zeide Tom, op zijne knieën vallende. "O, lieve meester, geloof het toch!"
"Hoe weet gij dat er een Christus is, Tom? Gij hebt den Heere nooit gezien."
"Ik heb Hem in mijne ziel gevoeld, meester--ik voel Hem nu! O, meester, toen ik verkocht werd en van mijne vrouw en kinderen af moest, toen was het haast gedaan met mij. Het was mij alsof ik niets meer over had, en toen kwam de goede Heere mij te hulp en zeide: "Wees niet bevreesd, Tom!" en Hij brengt licht en vreugd in de ziel van een armen neger, en maakt alles vrede; en ik ben zoo gelukkig, en heb alle menschen lief, en voel mij gewillig om des Heeren te zijn, en des Heeren wil te laten geschieden, en overal te zijn waar de Heere mij brengen wil. Ik weet dat dit niet van mij kan komen, omdat ik een arm zondig schepsel ben; het komt van den Heere, en ik weet dat Hij gewillig is om dit ook voor meester te doen."
Tom sprak met eene gesmoorde stem, terwijl de tranen hem over de wangen rolden. St. Clare liet het hoofd op zijnen schouder zinken, en drukte de harde, trouwe zwarte hand.
"Tom, gij hebt mij lief," zeide hij.
"Ik ben gewillig om mijn leven af te leggen, nog dezen gezegenden dag, om meester een christen te zien."
"Arme, dwaze jongen," zeide St. Clare zich half oprichtende. "Ik ben de liefde van een goed, eerlijk hart, zooals het uwe, niet waardig."
"O, meester, er zijn er meer dan ik die u liefhebben--de gezegende Heere Jezus heeft u lief."
"Hoe weet ge dat, Tom?"
"Ik voel het in mijne ziel. O, meester, "de liefde van Christus, die steeds alle verstand te boven gaat!""
"Vreemd!" zeide St. Clare, "dat de geschiedenis van een man, die achttienhonderd jaren geleden geleefd en gestorven is, iemand zoodanig kan aandoen. Maar hij was ook geen mensch," vervolgde hij snel. "Geen mensch heeft ooit zulk een lange en levende macht gehad. O, dat ik gelooven kon wat mijne moeder mij leerde, en bidden kon gelijk ik deed toen ik een kind was!"
"Als het meester belieft," zeide Tom; "Miss Eva placht dat zoo schoon te lezen. Ik wenschte dat meester zoo goed was om het te lezen. Ik hoor haast niet meer lezen, nu Miss Eva weg is."
Het hoofdstuk was het elfde van Johannes--het treffende verhaal der opwekking van Lazarus. St. Clare las het overluid. Dikwijls ophoudende, om de aandoeningen te bekampen, die door het aandoenlijke der geschiedenis werden opgewekt. Tom knielde voor hem met gevouwen handen, en met eene uitdrukking van liefde, vertrouwen en eerbied in zijne kalme trekken.
"Tom, is dat alles waarheid voor u?" zeide zijn meester.
"Ik kan het zoo voor mij zien, meester," antwoordde Tom.
"Ik wenschte dat ik uwe oogen had, Tom."
"Ik wenschte van onzen Lieven Heer dat meester ze had."
"Maar, Tom, gij weet wel, dat ik veel kundiger ben dan gij. Als ik u nu zeide dat ik dien Bijbel niet geloof?"
"O, meester!" zeide Tom, smeekend de handen opheffende.
"Zou dat uw geloof toch niet eenigszins schokken, Tom?"
"Geheel niet," antwoordde Tom.
"Wel, Tom, gij moet toch weten dat ik het meeste weet."
"O, meester, hebt gij niet zoo pas gelezen, dat Hij het voor de wijzen en verstandigen verborgen houdt, en aan de kinderkens openbaart? Maar meester sprak niet in ernst, zeker niet?" zeide Tom angstig.
"Neen, Tom, dat deed ik niet. Ik ben niet ongeloovig, en ik denk dat er reden is om te gelooven; en toch doe ik het niet. Dat is een lastige gewoonte, die ik aangenomen heb, Tom!"
"Als meester maar wilde bidden."
"Hoe weet gij dat ik dat niet doe, Tom?"
"Doet meester het?"
"Ik zou het doen, Tom, als er iemand vóór mij was, wanneer ik bid; maar het is alles in de lucht gesproken, als ik het doe. Maar kom aan, Tom, bidt gij en leer mij het te doen."
Toms hart was vol, en hij stortte het nu geheel uit in zijn gebed. Eén ding was duidelijk: Tom dacht wel dat er iemand was om hem te hooren, hetzij er iemand was of niet. St. Clare voelde zich dan ook werkelijk door den stroom van zijne liefde en zijn geloof tot bijna voor de poorten van den hemel gevoerd, dien hij zich zoo levendig scheen voor te stellen. Hij scheen daardoor nader bij Eva gebracht te worden.
"Dank, mijn jongen," zeide St. Clare, toen Tom opstond. "Ik hoor u gaarne, Tom; maar ga nu heen en laat mij alleen. Op een anderen tijd zal ik meer met u spreken."
Tom verliet stilzwijgend het vertrek.
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK
HEREENIGING.
Week op week verliep in de woning van St. Clare, en de golven des levens effenden zich weder tot haar gewonen vloed, waar die kleine bark gezonken was. Want hoe heerschzuchtig, hoe onverschillig voor iemands gevoel, stroomt die koude, gewone loop der dagelijksche zaken voort! Nog moeten wij eten, drinken, slapen en weder ontwaken--nog moeten wij koopen, verkoopen, vragen en antwoorden--kortom duizend schaduwen naloopen, hoewel alle belangstelling daarin voorbij is; de koude werktuigelijke gewoonte des levens blijft nog, wanneer alles wat waarde voor ons geeft is verdwenen.
Alle hoop en uitzicht van St. Clare's leven had zich, zonder dat hij zelf het wist, met zijn kind samengestrengeld. Het was voor Eva, dat hij zijn vermogen bewaarde; het was voor Eva, dat hij het besteden van zijnen tijd overleide; en dit en dat nu en dan voor Eva te doen--iets voor haar te koopen, te veranderen of te beschikken--was zoolang zijne gewoonte geweest, dat er, nu zij er niet meer was, om niets meer scheen gedacht, niets meer scheen gedaan te moeten worden.
Het is waar, er was een ander leven--een leven dat, als men er eens aan gelooft, als een ernstig, veelbeteekenend cijfer vóór de andere waardelooze nullen van den tijd staat, en die in eene reeks van geheimzinnige, onberekenbare waarde doet veranderen. St. Clare wist dit wel; en dikwijls had hij in een moedeloos uur die zachte kinderstem naar boven hooren roepen, dat handje hem den weg van dat ware leven zien aanwijzen; maar de doffe slaperigheid der smart benevelde hem--hij kon niet opstaan. Zijn geest behoorde onder diegenen, die zich, naar hunne eigene aandoeningen en neigingen, een beter en duidelijker begrip van godsdienstige zaken kunnen vormen, dan menig welonderwezen en geoefend christen kan. De gaaf om de fijnste onderscheidingen en betrekkingen van zedelijke dingen te gevoelen en te beoordeelen, schijnt dikwijls eene eigenschap te zijn van hen, wier geheele leven eene onverschillige minachting daarvoor toont. Vandaar dat Moore, Byron en Goethe dikwijls woorden zeggen, waarin het ware godsdienstige gevoel beter beschreven wordt, dan in die van iemand, wiens geheele leven daardoor bestuurd wordt. In zulke gemoederen is minachting voor den godsdienst een des te schrikkelijker verraad--eene te doodelijker zonde.
St. Clare had zich nooit willen laten doorgaan voor iemand, die zich door godsdienstige verplichtingen liet besturen, en zekere fijnheid van zedelijk gevoel gaf hem zulk een verheven denkbeeld van de uitgebreide eischen des christendoms, dat hij reeds bij voorbaat terugdeinsde voor hetgeen hij gevoelde dat zijn geweten van hem vorderen zou, wanneer hij ooit besloot om zich aan die eischen te onderwerpen. Want zulke tegenstrijdigheden bevat het menschelijk gemoed, dat het beter schijnt iets geheel niet te ondernemen, dan het te ondernemen en te kort te schieten.
Evenwel was St. Clare in vele opzichten een ander mensch geworden.