Chapter 29
In dat boek, waarin zij en haar eenvoudige oude vriend zooveel te zamen gelezen hadden, had zij het beeld gevonden van Een, die de kinderkens liefhad; en terwijl zij staarde en peinsde, had dat beeld opgehouden een schilderij uit het lang verleden te zijn, en was eene levende, alomtegenwoordige werkelijkheid geworden. Zijne liefde omving het kinderlijke hart met meer dan sterfelijke teederheid; en het was naar Hem en naar Zijn huis, zeide zij, dat zij heenging.
Maar haar hart bleef toch met treurige teederheid gehecht aan allen die zij zou achterlaten--het meest aan haren vader; want hoewel zij dit nooit duidelijk dacht, voelde Eva er toch eene onwillekeurige zekerheid van, dat zij meer in zijn hart woonde dan in eenig ander. Zij had hare moeder lief, omdat zij zoo vol liefde was; en al de zelfzucht, welke zij in deze zag, bedroefde en verbijsterde haar slechts, want zij koesterde het blinde vertrouwen van een kind, dat hare moeder geen kwaad kan doen. Er was iets in de moeder, waarvan Eva geen begrip kon krijgen, en zij bewimpelde dit voor zich zelve door te denken dat deze toch hare mama was, en had haar toch waarlijk en innig lief.
Zij was ook gehecht aan die trouwe bedienden, voor wie zij als daglicht en zonneschijn was. Kinderen bekommeren zich doorgaans niet om algemeene belangen; maar Eva was een ongewoon vroeg ontwikkeld kind, en wat zij gezien had van het kwaad, dat het stelsel waaronder zij leefde medebracht, was al dieper en dieper in haar peinzend hartje gedaald. Zij had een onbestemd verlangen om iets voor hen te doen, om hen niet alleen, maar allen in hunnen staat, te redden en gelukkig te maken--een verlangen, dat een droevig contrast vormde met de zwakheid harer krachten.
"Och Tom," zeide zij eens, toen zij voor haren vriend las, "nu kan ik begrijpen waarom Jezus voor ons wilde sterven."
"Waarom, Miss Eva?"
"Omdat ik dat ook gevoeld heb."
"Wat is dat, Miss Eva?--Dat begrijp ik niet."
"Ik kan het u niet zeggen. Maar toen ik die arme schepsels op de boot zag, weet ge, toen wij hiernaar toe kwamen, sommigen die hunne moeder, en sommigen die hare mannen hadden verloren, en sommige moeders die om hare kinderen schreiden; en toen ik dat van de arme Prue hoorde--was dat niet schrikkelijk?--en nog heel dikwijls op andere tijden, heb ik gevoeld, dat ik gaarne zou willen sterven, als mijn sterven een einde aan al die ellende kon maken. Ik zou voor hen willen sterven, Tom, als ik kon," zeide het kind ernstig, haar uitgeteerde handje op zijne hand leggende.
Tom zag haar nu met zekere eerbiedige ontzetting aan; en toen zij, de stem van haren vader hoorende, heentrippelde, veegde hij terwijl hij haar nazag verscheidene malen zijne oogen af.
"Het baat niet of wij Miss Eva hier willen houden," zeide hij tegen Mammy, die hij een oogenblik later ontmoette. "Zij heeft het teeken des Heeren op haar voorhoofd."
"Och, ja, ja," antwoordde Mammy hare handen opheffende. "Dat heb ik altijd gezegd. Zij geleek nooit naar een kind dat moest blijven leven--er was altijd iets dieps in hare oogen. Ik heb het mevrouw zoo dikwijls gezegd--en nu komt het uit--dat zien wij nu--allen--dat lieve, kleine, gezegende lam!"
Eva kwam de stoep op naar haren vader toe. Het was laat in den namiddag, en de zonnestralen vormden eene soort van glorie achter haar, toen zij aankwam in haar wit kleedje, met haar goudblonde lokken, gloeiende wangen en onnatuurlijk heldere oogen, schitterende door de koorts, die in hare aderen brandde.
St. Clare had haar geroepen om haar een beeldje te laten zien, dat hij voor haar gekocht had; maar haar voorkomen, toen zij naderde, maakte een plotselingen en pijnlijken indruk op hem. Er is eene soort van schoonheid, zoo bekoorlijk, en tevens zoo broos, dat wij die niet kunnen aanzien. Haar vader sloot haar in zijne armen en vergat bijna wat hij haar wilde zeggen.
"Eva, liefje, ge zijt toch beter tegenwoordig, zijt ge niet?"
"Papa," antwoordde Eva met eene ongewone vastheid van toon, "er zijn al lang dingen geweest, die ik u zeggen wilde, en ik wil ze u nu zeggen, eer ik zwakker word."
St. Clare beefde, terwijl Eva zich op zijne knie plaatste.
Zij leide haar hoofdje tegen zijne borst en vervolgde:
"Het baat niet, Papa, of ik het langer voor mij zelve wil houden. De tijd komt dat ik u verlaten zal. Ik ga heen en kom dan nooit terug." En Eva snikte.
"O kom, mijne lieve kleine Eva," zeide St. Clare, bevende terwijl hij sprak, maar zich tot een opgeruimden toon dwingende: "gij zijt zenuwachtig en droefgeestig geworden. Gij moet niet aan zulke zwaarmoedige gedachten toegeven. Zie eens hier, ik heb een beeldje voor u gekocht."
"Neen, Papa," zeide Eva, het zacht wegduwende: "bedrieg u zelven niet. Ik ben niet beter--dat weet ik heel wel; en ik ga heen binnenkort. Ik ben niet zenuwachtig--ik ben niet zwaarmoedig. Als het niet om u en mijne vrienden was, Papa, zou ik blijde zijn. Ik wil gaarne gaan--ik verlang om te gaan."
"Maar, lief kind, wat heeft uw hartje zoo treurig gemaakt? Gij hebt alles gehad wat u maar gegeven kon worden om u gelukkig te maken."
"Ik zou toch liever in den hemel willen zijn--alleen om mijne vrienden zou ik nog gaarne blijven leven. Er zijn vele dingen hier, die mij droevig maken, die mij schrikkelijk voorkomen. Ik zou liever daar willen zijn--maar ik zou u toch niet willen verlaten--het breekt mij het hart bijna."
"Wat maakt u zoo droevig, wat komt u zoo schrikkelijk voor, Eva?"
"Ach, dingen die er gedaan zijn en nog gedurig gedaan worden. Ik ben bedroefd over onze arme slaven; zij hebben mij lief en zijn goed en vriendelijk voor mij. Ik wenschte, Papa, dat zij allen vrij waren."
"Maar, Eva, kind, denkt gij dan niet dat zij het tegenwoordig goed genoeg hebben?"
"Maar o, Papa, als u iets gebeuren mocht, wat zou er dan van hen worden? Er zijn heel weinig menschen, die u gelijken, Papa. Oom Alfred gelijkt niet naar u, en mama ook niet; en denk dan eens aan de eigenaars van die arme oude Prue! Welke schrikkelijke dingen doet men en kan men doen?" En Eva huiverde.
"Lief kind, gij zijt al te gevoelig. Het spijt mij dat ik u ooit zulke histories heb laten hooren."
"Ach, Papa, dat is het wat mij ontrust. Gij wilt dat ik gelukkig zal zijn, en nooit eenige pijn hebben, en nooit iets lijden, zelfs niets akeligs hooren, terwijl andere arme menschen hun leven lang niets dan pijn en droefheid hebben; dat schijnt zoo eigenlievend. Ik behoor zulke dingen te weten--ik behoor er gevoel voor te hebben. Zulke dingen zinken mij altijd in het hart, diep in het hart. Ik heb er over gedacht en weder gedacht. Papa, is er geen middel om alle slaven vrij te maken?"
"Dat is eene moeielijke vraag, liefje. Er is geen twijfel aan of deze staat van zaken is zeer slecht, en vele menschen denken er zoo over, ik zelf insgelijks. Ik zou hartelijk wenschen, dat er geen slaaf in het land was, maar ik weet toch niet wat er aan te doen."
"Papa, gij zijt zulk een goed man, zoo edeldenkend en menschlievend, en gij weet alles op zulk eene innemende manier te zeggen; zoudt gij niet kunnen rondgaan en beproeven de menschen te overreden om hierin te doen wat recht is? Als ik dood ben, Papa, dan zult gij aan mij denken en het om mijnentwil doen. Ik zou het doen als ik kon."
"Als gij dood zijt, Eva?" zeide St. Clare met aandoening. "O, kind, spreek toch zoo niet. Gij zijt al wat ik op de wereld heb."
"Het kind van die arme oude Prue was ook al wat zij had, en toch moest zij het hooren schreeuwen en kon het niet helpen. Papa, die arme schepsels hebben hunne kinderen even lief, als gij mij hebt. O, doe toch iets voor hen. Daar is de arme Mammy, die hare kinderen zoo liefheeft; ik heb haar zien schreien als zij er van sprak. En Tom heeft zijne kinderen ook zoo lief. O, het is schrikkelijk, Papa, dat zulke dingen gedurig gebeuren."
"Kom, kom, lieveling," zeide St. Clare troostend; "maak u maar niet bedroefd en spreek maar niet van sterven, en ik wil alles doen wat gij maar verlangt."
"Beloof mij dan, lieve vader, dat Tom zijne vrijheid zal hebben zoodra...." zij bleef hier steken en voegde er aarzelend bij: "zoodra ik hier vandaan ben."
"Ja, liefje, ik wil alles doen--al wat gij maar vragen kunt."
"Lieve Papa," zeide Eva, hare gloeiende wangen tegen de zijne leggende, "hoe wenschte ik dat wij te zamen konden gaan!"
"Waarheen liefje?"
"Naar het Huis van onzen Zaligmaker. Het is daar zoo zoet en vreedzaam--allen hebben elkander daar zoo lief." Het kind sprak onwillekeurig als van eene plaats waar zij dikwijls geweest was. "Verlangt gij ook niet te gaan, Papa?" zeide zij.
St. Clare drukte haar vaster aan zijne borst, maar zweeg.
"Gij zult eens bij mij komen," zeide het kind op den toon van geruste zekerheid sprekende, dien zij dikwijls onwillekeurig aannam.
"Ik zal u nakomen. Ik zal u niet vergeten," zeide haar vader.
De plechtige avondschemering werd al donkerder en donkerder, terwijl St. Clare daar nog zat met zijne lieveling in de armen. Hij zag de zielvolle oogen niet meer, maar de stem klonk hem als eene geestenstem in de ooren: en als in een visioen rees in een oogenblik geheel zijn leven voor hem op--de gebeden en gezangen zijner moeder--zijne eigene kinderlijke zucht en streven naar het goede--en tusschen die dagen en dit uur jaren van aardschgezindheid en twijfelzucht, en wat men een onberispelijk leven noemt. Men kan in een oogenblik veel, zeer veel denken. St. Clare zag en gevoelde veel, maar hij sprak niet; en toen het donkerder werd, bracht hij zijn kind naar haar slaapkamertje; en toen zij te bed was geholpen, zond hij de bedienden weg, en hield haar in zijnen arm en zong voor haar tot zij sliep.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE KLEINE EVANGELIST.
Het was Zondag-namiddag; St. Clare lag op eene van riet gevlochten bank onder de veranda en rookte eene sigaar. Marie lag op eene sofa, tegenover het venster dat onder de veranda uitkwam, door eene gordijn van doorzichtig gaas tegen den overlast der muskieten beschermd, en met een fraai gebonden gebedenboekje lusteloos in de hand. Zij had dit bij zich omdat het Zondag was, en verbeeldde zich dat zij er in gelezen had, hoewel zij slechts met het boekje in de hand eene reeks van dutjes had gedaan.
Ophelia, die na eenig zoeken een kleine _meeting_ van methodisten in de nabijheid had ontdekt, was met Tom als koetsier en met Eva tot gezelschap daarheen gereden.
"Zeg eens, Augustine," zeide Marie, na nog een dutje: "Ik moet mijn ouden dokter Posey uit de stad laten komen. Ik ben zeker dat ik eene hartkwaal heb."
"Maar wat behoeft gij hem te laten komen? De dokter die over Eva praktizeert, schijnt zeer bekwaam te zijn."
"Ik zou hem in een kritiek geval niet vertrouwen," antwoordde Marie; "en ik meen wel te mogen zeggen dat het mijne dat wordt. Ik heb er al twee nachten over liggen denken. Ik heb zulk eene akelige pijn en zulk een vreemd gevoel."
"Och, Marie, ge zijt hypochondrisch. Ik geloof het niet dat het eene hartkwaal is."
"Dat gij het niet gelooft kan ik wel denken, en had ik ook wel verwacht," antwoordde Marie. "Gij kunt u ongerust genoeg maken als Eva maar kucht of haar het minste scheelt, maar om mij denkt gij nooit."
"Als het u bijzonder pleizier doet eene hartkwaal te hebben, welnu, doe dan uw best maar om te bewijzen dat gij er eene hebt," zeide St. Clare. "Ik had het niet gedacht."
"Wel, ik hoop maar dat het u niet spijten zal als het te laat is," zeide Marie, "maar geloof of geloof het niet, mijne droefheid over Eva en de vermoeienissen, die ik voor dat lieve kind van mij heb gevergd, hebben datgene doen ontwikkelen, wat ik reeds lang vermoed had."
Welke vermoeienissen het waren, die Marie bedoelde, zou niet gemakkelijk te zeggen zijn geweest. St. Clare maakte bij zich zelven die aanmerking en bleef toen gevoelloos liggen rooken, tot er een rijtuig voor de veranda stilhield en Eva en hare tante daaruit stapten.
Miss Ophelia ging altijd naar hare kamer om haar hoed en sjaal te gaan bergen, gelijk hare vaste gewoonte was, eer zij nog een woord over iets sprak; terwijl Eva, door haar vader geroepen, op zijne knie kwam zitten en hem een verslag van de preek gaf.
Weldra hoorde men in de kamer van Ophelia, die insgelijks op de veranda uitkwam, eenige luide uitroepingen en daarop eene scherpe bestraffing, tot den een of ander gericht.
"Welk nieuw kattekwaad zou Topsy weer aangericht hebben?" zeide St. Clare. "Die opschudding is haar bedrijf, daar wil ik op wedden."
Een oogenblik later kwam Ophelia aan, ten hoogste verbolgen en de schuldige met zich medetrekkende.
"Kom hier buiten," zeide zij. "Nu wil ik het uwen meester zeggen."
"Wat is de zaak?" zeide Augustine.
"De zaak is dat ik met dit kind niet langer wil geplaagd wezen. Het is niet te verdragen; vleesch en bloed kunnen het niet uitstaan. Daar had ik haar nu opgesloten en een gezang gegeven om van buiten te leeren; en wat heeft zij nu gedaan;--afgeloerd waar ik mijne sleutels berg, mijn bureau opengedaan, er voering van een hoed uitgehaald en die geheel aan stukjes geknipt, om poppejakjes te maken. Ik heb nooit in mijn leven zoo iets gezien."
"Ik heb u wel gezegd, Nicht," zeide Marie, "dat ge wel ondervinden zoudt dat die schepsels niet zonder strengheid kunnen opgebracht worden. Als ik mijn zin nu deed," vervolgde zij, St. Clare verwijtend aanziende, "zou ik die meid eens goed laten geeselen; ik zou haar laten geeselen, dat ze niet meer staan kon."
"Daar twijfel ik niet aan," zeide St. Clare. "Spreek me maar van de zachte heerschappij der vrouw. Ik heb nooit meer dan een half dozijn vrouwen gekend, die niet in staat zouden zijn, om een paar meiden of een meid dood te laten slaan, als zij haar eigen zin mochten doen."
"Ik weet niet hoe gij u nog langer bedenken kunt, St. Clare," hervatte Marie. "Nicht is eene verstandige vrouw en zij ziet het nu evengoed als ik.'
Ophelia was wel in staat om zich zoo boos te maken als eene goede huishoudster behoort te kunnen doen, en zij had zich over de listigheid en baldadigheid van het kind zoo boos gemaakt als zij maar worden kon; maar wat Marie voorsloeg was haar toch al te grof en zij voelde zich dadelijk veel minder warm.
"Ik zou het kind voor de geheele wereld zoo niet willen behandelen," zeide zij; "maar het is toch zoo, Augustine, ik weet niet meer wat te doen. Ik heb haar geleerd en geleerd; ik heb gepraat tot ik er moe van werd, ik heb haar gestraft op alle manieren die ik bedenken kon, en zij is nog juist hetzelfde wat zij in het begin was."
"Kom hier, Topsy, gij kleine meerkat!" zeide St. Clare, het kind roepende.
Topsy kwam. In hare ronde oogen flikkerde een mengeling van vrees en hare gewone koddige dartelheid.
"Waarom gedraagt gij u zoo?" zeide St. Clare, die bijna niet nalaten kon om de uitdrukking van het zwarte gezichtje te lachen.
"Ik geloof dat het aan mijn goddeloos hart ligt," antwoordde Topsy zeer stemmig. "Miss Phelia zegt dit."
"Begrijpt gij dan niet hoeveel Miss Ophelia voor u gedaan heeft? Zij zegt dat zij alles gedaan heeft wat zij bedenken kon."
"Och meester, mijne oude meesteres placht dit ook te zeggen. Zij sloeg mij veel harder, en trok mij bij de haren en beukte mij met mijn hoofd tegen de deur; maar het deed mij toch geen goed. Ik geloof al trokken zij ieder haartje uit mijn hoofd, het zou mij nog geen goed doen.--Zoo goddeloos ben ik. Och! Ik ben niets anders dan een neger--anders niets."
"Nu, ik zal van haar moeten afzien," zeide Ophelia. "Ik kan dien last niet langer hebben."
"Ik zou u toch wel ééne vraag willen doen," zeide St. Clare.
"Welke vraag?"
"Wel, als uw Evangelie geen kracht genoeg heeft om één heidensch kind te redden, dat gij geheel onder uwe macht tehuis bij u hebt, wat baat het dan om daarmede een paar arme zendelingen te zenden onder duizenden van zulke schepselen? Ik meen toch dat dit kind nagenoeg een staaltje zal wezen van wat duizenden heidenen zijn."
Ophelia gaf niet dadelijk antwoord; en Eva, die dit tooneel tot nog toe stil had aangezien, gaf Topsy zwijgend een teeken om haar te volgen. Op den hoek der veranda was een afgeschoten kamertje van glasramen, waarin St. Clare dikwijls zat te lezen, en het was in dit vertrekje dat Eva met Topsy verdween.
"Wat gaat Eva nu beginnen?" zeide St. Clare. "Dat moet ik toch zien."
Hij sloop op de teenen nader en lichtte de gordijnen op, die voor de glazen deur hingen. Een oogenblik later gaf hij, met den vinger op de lippen, Ophelia een wenk om ook te komen zien. Daar zaten de twee kinderen op den grond, zoodat hunne gezichtjes juist op zijde konden gezien worden--Topsy met hare gewone, koddige, halfspottende onverschilligheid; maar tegenover haar Eva, met vurige aandoening in al hare trekken en tranen in de oogen.
"Waarom maakt gij het zoo slecht, Topsy? Waarom wilt gij uw best niet doen om goed te zijn? Is er niemand dien gij liefhebt, niemand van wien gij houdt, Topsy?"
"Van liefhebben weet ik niet af; en ik houd van klontjes en zoo, anders niet," antwoordde Topsy.
"Maar hebt ge dan uw vader en uwe moeder niet lief?"
"Nooit gehad, weet ge wel. Dat heb ik u gezegd, Miss Eva."
"O ja, dat weet ik," zeide Eva treurig. "Maar hebt gij dan geen broeder of zuster gehad, of tante, of...."
"Neen, niets van dat--heb nooit iemand of iets gehad."
"Maar, Topsy, als ge maar uw best woudt doen om goed te zijn, dan zoudt ge...."
"Ik zou toch nooit iets anders dan een neger kunnen wezen, al was ik nog zoo goed," zeide Topsy. "Als ik gevild kon worden en blank worden, dan zou ik mijn best doen."
"Maar men kan u toch wel liefhebben, al zijt gij zwart, Topsy. Miss Ophelia zou u liefhebben, als gij maar goed waart."
Topsy liet den korten schamperen lach hooren, waarmede zij gewoon was ongeloof aan te duiden.
"Denkt gij dat niet," zeide Eva.
"Neen, zij kan mij niet uitstaan, omdat ik eene negerin ben! Zij zou even lief hebben dat eene padde haar aanraakte. Niemand kan negers liefhebben, en negers kunnen niets doen. Maar het kan mij niet schelen." En Topsy begon te fluiten.
"O, Topsy, arm kind, ik heb u lief!" zeide Eva met eene plotselinge uitbarsting van aandoening, en haar wit uitgeteerd handje op Topsy's schouder leggende. "Ik heb u lief, omdat gij nooit vader, moeder of vrienden hebt gehad, omdat gij een arm mishandeld kind zijt geweest. Ik heb u zeer lief, en ik wenschte dat gij al goed waart. Ik ben heel ziek, Topsy, en ik denk dat ik niet lang leven zal; en het spijt mij waarlijk u zoo ondeugend te zien. Ik wenschte dat gij om mijnentwil uw best deedt om goed te zijn, Topsy: het is nog maar een korte poos dat ik bij u zal wezen."
De ronde flikkerende oogen van het zwarte kind werden door tranen beneveld; groote, heldere droppels rolden een voor een over hare wangen en vielen op het blanke handje. Ja, op dat oogenblik had een straal van waar geloof, een straal van hemelsche liefde de duisternis harer heidensche ziel doordrongen! Zij liet haar hoofd tusschen hare knieën zinken en schreide en snikte, terwijl het schoone meisje, over haar heengebogen, op het beeld van een heerlijken engel geleek, afdalende om een zondaar te redden.
"Arme Topsy!" zeide Eva, "weet gij niet dat Jezus allen eveneens liefheeft? Hij is even gewillig om u lief te hebben als mij. Hij heeft u even lief als ik, nog meer, omdat Hij beter is. Hij zal u helpen om goed te zijn. En gij kunt eindelijk naar den hemel gaan en voor eeuwig een engel worden, evengoed alsof gij blank waart. Bedenk dat eens, Topsy! Gij kunt een van die zalige geesten worden, waar Oom Tom van zingt."
"O, lieve Miss Eva, lieve Miss Eva," zeide het kind. "Ik wil mijn best doen. Ik wil mijn best doen. Voorheen heeft het mij nooit kunnen schelen."
Op dit oogenblik liet St. Clare de gordijn vallen.
"Dat herinnert mij aan moeder," zeide hij tegen Ophelia. "Het is waar wat zij mij zeide: "Als wij de blinden het gezicht willen geven, moeten wij willen doen wat Christus deed--hen tot ons roepen en _onze handen op hen leggen_."
"Ik heb altijd een vooroordeel tegen negers gehad," zeide Ophelia, "en het is waar, ik heb nooit kunnen velen, dat dat kind mij aanraakte; maar ik dacht dat zij het niet wist."
"Wees er maar zeker van, dat ieder kind zoo iets ontdekt," zeide St. Clare. "Dat is niet voor hen te verbergen. Maar ik geloof dat alle pogingen om een kind wel te doen, en alle wezenlijke gunsten, die men het bewijzen kan, nooit eenige opwelling van dankbaarheid kunnen teweegbrengen, zoolang dat gevoel van tegenzin in het hart blijft; het mag zonderling zijn, maar het is zoo."
"Ik weet niet hoe ik het veranderen kan," antwoordde Ophelia. "Zij _zijn_ mij onaangenaam, en dit kind in het bijzonder. Hoe kan ik dat gevoel bedwingen?"
"Eva doet het toch, naar het schijnt."
"Maar zij is ook zoo liefhebbend!" zeide Ophelia. "Evenwel, zij is toch niet meer dan christelijk. Ik wenschte dat ik op haar geleek. Zij zou mij nog wel eene les kunnen geven."
"Het zou de eerste maal niet zijn, dat een klein kind gebruikt was om een ouden discipel te onderwijzen," zeide St.-Clare.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DOOD.
"Ween niet om hen, wie de sluier des grafs In 's levens morgenstond heeft voor ons oog verborgen."
Eva's slaapkamer was een ruim vertrek, dat, gelijk al de andere kamers van het huis, op de breede veranda uitkwam. Aan de eene zijde grensde het aan de kamer van haren vader en moeder, aan de andere aan die, welke Miss Ophelia in gebruik had. St.-Clare had zijn eigen smaak gevolgd in het meubileeren van dit vertrek in een trant, welke volkomen met het karakter van haar voor wie het bestemd was strookte. De vensters waren met gordijnen van rozerood en wit neteldoek behangen; de vloer was bedekt met eene mat, die men van Parijs had laten komen, naar een patroon van zijne eigene teekening, dat in het rond een rand van rozeknoppen en bladeren, en in het midden een perk geheel ontloken rozen had. Het ledikant, de stoelen en de sofa's waren van bamboes in bijzonder sierlijke patronen gevlochten. Aan het hoofdeinde van het ledikant was eene albasten console, waarop een schoon gebeeldhouwde engel, met saamgevouwen vleugelen stond, die een mirtekrans ophield; van dien krans hingen de lichte gordijnen van rooskleurig met zilver gestreept gaas af, welke die beschutting gaven, welke in dat klimaat een onmisbaar vereischte voor elke slaapplaats is. Op de sierlijke sofa's van bamboes lagen kussens van rooskleurig damast, en daaroverheen hingen, door beelden opgehouden, dergelijke gordijnen als die van het ledikant. Eene fraaie, insgelijks van bamboes gevlochten tafel stond midden in het vertrek, en daarop een wit marmeren vaas, in den vorm eener lelie met knoppen, altijd met bloemen gevuld. Op deze tafel lagen Eva's boeken en snuisterijen, en stond ook een sierlijke albasten inktkoker, dien haar vader haar had gegeven, toen hij zag dat zij moeite deed om te leeren schrijven. Er was eene stookplaats in het vertrek, en op den schoorsteenmantel stond eene uitmuntend gebeeldhouwde kleine groep, Jezus de kinderen zegenende, tusschen twee marmeren vazen, welke Tom zorgde elken morgen van versche bloemruikers te voorzien. Eenige uitmuntende schilderijen van kinderen, in verschillende houdingen, verfraaiden de wanden. Kortom, het oog kon zich nergens heenwenden, zonder de beelden van kindsheid, schoonheid en zielevrede te ontmoeten. Die twee oogjes openden zich nooit voor het morgenlicht, zonder iets te zien dat het hartje streelde en het veredelende gedachten moest inboezemen.
De bedriegelijke kracht, welke Eva eene poos had ondersteund, verdween spoedig weder; al zeldzamer en zeldzamer hoorde men haar lichten tred onder de veranda, en als men haar zocht, vond men haar gewoonlijk op eene sofa voor het open venster liggen, met de oogen op de kabbelende golfjes van het meer gevestigd.
Het was eens op een namiddag, terwijl zij zoo lag--met haren Bijbel half open bij haar, en de dunne doorschijnende vingertjes lusteloos tusschen de bladen--dat zij de stem harer moeder, schel en driftig onder de veranda hoorde.
"O, gij ondeugend nest, wat hebt gij nu weer uitgevoerd? Bloemen geplukt, he?" En Eva hoorde den klank van een harden klap.