Chapter 28
"Ik zou hun leeren hun eigen Bijbel te lezen en hunne eigen brieven te schrijven, en de brieven te lezen die aan hen geschreven werden," antwoordde Eva zeer bedaard. "Ik weet, Mama, dat het hun zeer hard valt, dat zij dit niet kunnen doen. Tom voelt het, en Mammy en vele anderen; en ik houd het voor verkeerd."
"Kom, kom, Eva, ge zijt nog maar een kind. Gij weet nog lang niets van al die dingen," zeide Marie; "en bovendien, uw praten doet mij hoofdpijn krijgen."
Marie had altijd hoofdpijn bijdehand voor een gesprek, dat haar niet zeer beviel. Eva sloop heen, maar van dien tijd af gaf zij Mammy geregeld les in het lezen.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HENRIQUE.
Tegen dezen tijd kwam St. Clare's broeder Alfred, met zijnen oudsten zoon, een knaap van twaalf jaren, eenige dagen bij de familie aan het meer doorbrengen.
Niets kon vreemder en schooner zijn dan het gezicht dezer tweelingbroeders. De natuur had in plaats van een volkomen gelijkenis tusschen hen te bedoelen, hen in bijna alle opzichten contrasten gemaakt, en toch scheen een geheimzinnige band hen in nauwere vriendschap dan gewoonlijk te verbinden.
Zij plachten arm in arm de paden en lanen van den tuin op en neer te wandelen.--Augustine met zijne blauwe oogen en goudblonde lokken, zijne tengere, buigzame gestalte en levendige trekken; Alfred, met zijn donker uitzicht, zijn trotschen Romeinschen gelaatsvorm, zijne forsch gebouwde leden en deftige houding. Zij hekelden altijd elkanders gevoelens en gedrag, en toch waren zij daarom niet minder op elkanders gezelschap gesteld; juist hunne tegenstrijdigheid scheen hen te vereenigen.
Henrique, de oudste zoon van Alfred, was een frissche, gezonde knaap, vol geest en leven, die van het eerste oogenblik der kennismaking af geheel door de teedere aanvalligheid van zijn nichtje Evangeline betooverd scheen.
Eva had een spierwit hitje, haar lieveling, zoo gemakkelijk van beweging als eene wieg, en zoo zachtaardig als zijne jonge meesteres, en dit hitje werd nu door Tom voor de achter-veranda gebracht, terwijl een kleine mulat van ongeveer dertien jaren met een Arabisch paardje aankwam, dat kort geleden zeer duur voor Henrique was gekocht.
Henrique was op dit nieuwe eigendom zoo trotsch als een knaap maar wezen kan; en toen hij zijnen kleinen rijknecht de teugels uit de hand had genomen, bezichtigde hij zijn paardje nog eens zorgvuldig en daarbij betrok zijn gezicht.
"Wat is dat, Dodo, gij luie rekel? Gij hebt mijn paard van morgen niet gepoetst."
"Ja wel, meester," antwoordde Dodo onderdanig. "Hij heeft dat stof zoo pas gekregen."
"Houd den bek, rekel," zeide Henrique, driftig zijne karwats opheffende. "Hoe durft ge nog een woord spreken?"
De knaap was een fraaie mulat, van dezelfde grootte als Henrique, met heldere oogen en krullend haar, dat om een hoog en trotsch voorhoofd zwierde. Hij had blank bloed in de aderen, gelijk men zien kon aan den snel opkomenden blos, waarmede hij haastig het woord wilde nemen.
"Meester Henrique," begon hij.
Henrique gaf hem met de karwats een slag in het gezicht, greep hem bij een arm, duwde hem zoo op de knieën en sloeg hem, tot hij zelf buiten adem was.
"Daar onbeschaamde rekel. Nu zult gij wel leeren niet tegen te spreken als ik iets zeg. Breng het paard terug en maak het schoon. Ik zal u wel manieren leeren."
"Jongeheer," zeide Tom nu, "ik geloof dat hij voornemens was te zeggen dat het paard met geweld wilde gaan rollen, toen hij het uit den stal haalde; het is zoo vol vuur--en zoo heeft het dat vuil gekregen. Ik heb gezien dat het schoongemaakt werd."
"Houd den mond tot men u vraagt om te spreken," antwoordde Henrique, zich omkeerende en de stoep opgaande naar Eva, die in haar rijkleedje stond te wachten.
"Lieve Nicht, het spijt mij dat die domme jongen u noodzaakt om te wachten," zeide hij. "Laten wij hier op deze bank gaan zitten tot mijn paard komt. Wat scheelt u, Nichtje? Ge ziet zoo ernstig."
"Hoe kondt ge zoo wreed en slecht wezen voor dien armen Dodo?" zeide Eva.
"Wreed en slecht?" herhaalde de knaap met ongeveinsde verwondering. "Wat meent gij toch, lieve Eva?"
"Ik wil niet dat ge mij lieve Eva noemt, als gij zoo doet," zeide Eva.
"Lieve Nicht, gij kent Dodo nog niet. Dat is de eenige manier om met hem te recht te komen, zoo vol leugens en uitvluchten is hij. De eenige manier is: hem terstond te stuiten--hem geen mond te laten opendoen; en dat is ook de manier van papa."
"Maar Oom Tom zeide dat het een ongeluk was, en hij zegt nooit iets dat niet waar is."
"Hij is dan wel een ongewone neger," antwoordde Henrique. "Dodo liegt zoo hard als hij maar spreken kan."
"Gij dwingt hem door angst om u te bedriegen, als gij hem zoo behandelt."
"Maar, Eva gij hebt waarlijk zooveel zin in Dodo, dat ik jaloersch zal worden."
"Gij hebt hem geslagen, en dat verdiende hij niet."
"Welnu, dan kan dat doorgaan voor een keer dat hij slaag verdient en niet krijgt. Eenige meppen zijn op Dodo nooit verloren. Hij verdient altijd wat, dat kan ik u zeggen. Maar ik zal hem niet weder slaan waar gij bij zijt, als u dat onaangenaam is."
Eva was niet tevreden, maar achtte het vruchteloos haren neef haar gevoel te willen doen begrijpen.
Dodo kwam spoedig met het paard terug.
"Zoo, Dodo, nu hebt gij het tamelijk wel gemaakt," zeide zijn jonge meester, met wat meer vriendelijkheid dan gewoonlijk. "Kom, houd nu het paard van Miss Eva, terwijl ik haar in den zadel help."
Dodo plaatste zich nu bij Eva's hitje. Zijn gezicht was betrokken en zijne oogen zagen er uit alsof hij geschreid had.
Henrique, die reeds grootsch was op zijne bedrevenheid in alle punten van galanterie, hielp zijn nichtje vlug in den zadel, nam de teugels over en gaf ze haar in de hand. Eva echter boog zich naar den anderen kant van het paard, waar Dodo stond, en toen hij de teugels losliet, zeide zij: "Zoo, Dodo, goede jongen, nu bedank ik u."
Dodo keek met verbazing op naar het lieve jeugdige gezichtje; het bloed steeg hem naar de wangen en de tranen kwamen hem in de oogen.
"Hier, Dodo!" zeide Henrique gebiedend.
Dodo sprong toe en hield het paard, terwijl zijn meester opsteeg.
"Daar hebt gij wat om klontjes voor te koopen, Dodo," zeide Henrique. "Ga nu maar heen."
Henrique reed naast Eva de laan af en Dodo bleef de twee kinderen staan nazien. Een had hem geld gegeven, en een had hem gegeven wat hij veel liever had--een vriendelijk woord, vriendelijk gesproken. Dodo was nog maar eenige maanden van zijne moeder geweest. Zijn meester had hem in een slavenmagazijn gekocht, om met zijn mooi gezicht bij het mooie paardje te passen: en hij werd nu door zijnen jongen meester getemd en afgericht.
Dit geheele tooneel was door de broeders St. Clare uit een ander gedeelte van den tuin aangezien.
Toen Henrique den kleinen mulat sloeg, kreeg Augustine eene hoogere kleur, maar hij zeide slechts met zijne gewone, spottende onverschilligheid: "Dit zullen wij zeker eene republikeinsche opvoeding moeten noemen, niet waar, Alfred?"
"Henrique is een duivel van een jongen, als zijn bloed heet wordt," antwoordde Alfred even onverschillig.
"Gij zult dit zeker eene leerrijke oefening voor hem achten?" hervatte Augustine droogjes.
"Al deed ik dat niet, dan kon ik dat toch niet veranderen. Henrique is ontembaar als hij driftig wordt. Zijne moeder en ik hebben er al lang van afgezien om hem hierin tegen te gaan. Maar Dodo kan het wel velen--slagen zullen hem niet deren."
"En dit is zeker de manier om Henrique het begin van den republikeinschen catechismus te leeren: "Alle menschen worden vrij en gelijk geboren?"
"Och," zeide Alfred, "dat is een van Tom Jeffersons staaltjes van Fransche kwakzalverij. Het is belachelijk, dat zulke dingen nog tegenwoordig onder ons rondloopen."
"Dat vind ik ook," zeide Augustine met veel nadruk.
"Omdat," vervolgde Alfred, "iedereen duidelijk genoeg zien kan, dat alle menschen _niet_ vrij en _niet_ gelijk geboren worden. Wat mij betreft, ik houd van dat republikeinsche gezwets de grootste helft voor klinkklaren onzin. Het zijn de kundigen, de beschaafden, de gegoeden, die gelijke rechten behooren te hebben, en niet het _canaille_."
"Als gij het _canaille_ maar in die meening kunt houden," zeide Augustine. "Eens in Frankrijk heeft het zijne beurt genomen."
"Natuurlijk, het moet ten onder gehouden worden, stelselmatig en standvastig zooals ik doen zou," antwoordde Alfred, zijn voet vastplantende, alsof hij op iemand trapte.
"Het is een leelijk geval, als het er eens bovenop komt," zeide Augustine, "zooals op St. Domingo, bij voorbeeld."
"O!" antwoordde Alfred, "daarop zullen wij hier wel passen. Wij moeten maar al dat gepraat over opvoeding en zedenverbetering tegengaan, dat tegenwoordig in zwang komt; de lagere klasse moet geene opvoeding hebben."
"Daar is geen bidden meer tegen," antwoordde Augustine; "opgevoed zullen de negers worden en wij hebben alleen te zeggen hoe. Ons stelsel is hen in barbaarschheid en verdierlijking op te voeden. Wij breken alle banden die hen aan de menschelijkheid hechten en maken hen tot wilde dieren; als zij eens de overhand krijgen, zullen wij dat ondervinden."
"Zij zullen nimmer de overhand krijgen," zeide Alfred.
"Goed zoo," antwoordde Augustine. "Maak maar stoom, schroef de veiligheidsklep dicht, ga er op zitten, en zie waar gij belanden zult."
"Welnu," zeide Alfred, "dat _zullen_ wij zien. Ik ben niet bang om op de veiligheidsklep te zitten, als de ketels maar sterk zijn, en de machinerie goed werkt."
"De adellijke heeren in den tijd van Lodewijk XIV dachten eveneens, en Pius IX denkt tegenwoordig nog zoo, en op een fraaien ochtend zult gij allen in de lucht tegen elkander zien vliegen, als de ketels springen."
"De tijd zal het leeren," zeide Alfred lachende.
"Ik zeg u," hervatte Augustine, "als er iets is dat zich in onzen tijd met de kracht eener goddelijke wet openbaart, dan is het, dat de massa's zich zullen verheffen en de laagste klassen de hoogste worden."
"Dat is weer van uw rood republikeinschen bombast, Augustine! Waarom zijt ge geen reizend volksredenaar geworden? Daar zoudt gij heerlijk voor zijn. Nu, ik hoop dat ik dood zal wezen, eer dat duizendjarige rijk van uwe smerige massa's begint."
"Smerig of niet smerig, zij zullen u overheerschen, als haar tijd komt; en zij zullen juist zulke heerschers zijn als gij ze maakt. De Fransche edelen verkozen het volk _sans culotte_ te hebben, en zij hebben _sans culotte_-heerschers gehad naar hartelust. De bevolking van Haïti..."
"Och kom, Augustine! alsof wij al niet genoeg hadden gehad van dat verachtelijke en verfoeielijke Haïti! De Franschen van Haïti waren geene Anglo-Saksers; waren zij dat geweest, dan zou het anders zijn gegaan. De Anglo-Saksers zijn de heerschende stam op de wereld en zullen dat blijven."
"Welnu, er zit tegenwoordig al vrij wat Anglo-Saksisch bloed in onze slaven," hervatte Augustine. "Er zijn er velen onder, die maar juist genoeg van het Afrikaansche hebben, om zekere tropische warmte en drift aan onze bedachtzame standvastigheid te geven. Als hier ooit het San-Domingo-uur slaat, zal het Anglo-Saksisch bloed voorgaan. Zonen van blanke vaders, wien al ons trotsch gevoel van eigenwaarde in de aderen brandt, zullen zich niet altijd laten verkoopen en verhandelen. Zij zullen oprijzen, en het geslacht hunner moeder met hen doen oprijzen."
"Dwaasheid!--Onzin!"
"Er is een oud boek," hervatte Augustine, "dat zegt: 'Gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzoo zal het ook zijn: zij aten en dronken, zij plantten en bouwden en wisten het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam.'"
"Over het geheel, Augustine, denk ik inderdaad dat gij talenten genoeg hebt voor een volksredenaar," zeide Alfred lachende. "Wees voor ons maar niet bang. Zalig zijn de bezitters. Wij hebben de macht. Dit onderworpen ras," vervolgde hij, met den voet stampende, "is onder en zal onder blijven. Wij zijn wel mans genoeg om met ons eigen buskruit om te gaan."
"Zonen, opgevoed gelijk uwen Henrique, zullen de beste bewaarders van uwe kruitmagazijnen wezen," zeide Augustine, "zoo koel en beraden als zij zijn. Het spreekwoord zegt: 'Die zich zelven niet kan regeeren, kan geene anderen regeeren.'"
"Dat is wel iets bedenkelijks," zeide Alfred peinzende. "Het is niet te ontkennen, dat het onder ons stelsel zeer moeielijk is kinderen op te leiden. Het geeft hunne hartstochten, die in ons klimaat vurig genoeg zijn, veel te veel vrijheid. Ik heb moeite met Henrique. De knaap is goedhartig en edelmoedig; maar als hij driftig wordt, is hij onhandelbaar. Ik geloof dat ik hem voor zijne verdere opvoeding naar het Noorden zal zenden, waar de gehoorzaamheid nog meer in de mode is, en hij meer met gelijken en minder met onderhoorigen zal omgaan."
"Daar de opleiding van kinderen eene hoofdzaak voor het geheele menschdom is," zeide Augustine, "zou ik het wel van eenig gewicht achten, dat ons stelsel in dit opzicht niet deugt."
"In sommige opzichten niet," antwoordde Alfred, "maar in andere wederom wel. Het maakt de jongens manhaftig en dapper; en de ondeugden van het vernederde geslacht strekken juist om hen in de tegenovergestelde deugden te bevestigen. Ik geloof, bij voorbeeld, dat Henrique een fijner gevoel voor het schoone der waarheidsliefde heeft, omdat hij ziet dat logen en bedrog de algemeene kenteekenen der slavernij zijn."
"Zeker een christelijk begrip van de zaak," zeide Augustine.
"Christelijk of niet, het is waar," antwoordde Alfred, "en het is omtrent even christelijk als de meeste andere dingen in de wereld."
"Wel mogelijk," zeide Augustine.
"Och, het praten helpt niet, Augustine. Ik geloof dat wij dat alles wel vijfhonderd malen met elkander zijn rond geweest. Wat zegt ge van een spelletje triktrak?"
De twee broeders gingen de stoep op en zaten weldra aan een tafeltje met het bord tusschen hen in. Terwijl zij de schijven schikten, zeide Alfred: "Ik moet u toch nog zeggen, Augustine, wanneer ik dacht zooals gij, zou ik iets doen."
"Dat geloof ik wel--gij zijt van de soort die iets doet--maar wat?"
"Wel, uw eigen bedienden wat beter opvoeden, tot een proefje," zeide Alfred met een half spottende glimlach.
"Gij zoudt evengoed den berg Etna plat op hen kunnen neerzetten en hun gelasten om daaronder op te staan, als mij zeggen mijne bedienden tot iets beters op te voeden, terwijl de geheele massa der maatschappij hen neerdrukt. Een enkel man kan niets doen tegen den invloed eener maatschappij. De opvoeding, zal zij iets beteekenen, moet de zaak van den staat zijn; of er moeten zich ten minste genoeg vereenigen om ze tot eene gemeenschappelijke zaak te maken."
"Gij speelt het eerst," zeide Alfred, en weldra waren de broeders in hun spel verdiept en spraken over niets anders, totdat men dichtbij weder hoefslagen hoorde.
"Daar komen de kinderen aan," zeide Augustine, opstaande. "Zie eens, Alfred, hebt gij ooit iets schooners gezien?"
En waarlijk, het was een schoon tafereeltje. Henrique met zijn vroolijk gezicht, zijne donkere glanzige krullen en gloeiende wangen, boog zich onder het rijden lachende naar zijn nichtje over. Eva droeg een blauw rijkleedje en een mutsje van dezelfde kleur. De beweging had hare wangen een hoogen blos gegeven, die hare buitengemeen heldere blankheid nog meer deed uitkomen.
"Waarlijk, eene schitterende kleine schoone!" zeide Alfred. "Ik voorzeg u, Augustine, dat zij eens harten zal breken."
"Dat zal zij!--Maar al te waar!--God weet het, ik vrees er voor!" zeide Augustine, met plotseling opwellende bitterheid, en snelde toe om haar van het paard te helpen.
"Eva, mijn liefje, zijt gij niet al te moe geworden?" zeide hij, haar in zijne armen sluitende.
"Neen, Papa," antwoordde het kind; maar hare korte hijgende ademhaling maakte hem toch ongerust.
"Waarom hebt ge zoo hard gereden, liefje? Gij weet toch dat het niet goed voor u is."
"Ik voelde mij zoo wel, Papa, en vond het zóó pleizierig, dat ik dat vergat."
St. Clare droeg haar in zijne armen naar de voorkamer en legde haar op de sofa.
"Henrique, gij moet met Eva zeer voorzichtig zijn," zeide hij: "gij moet niet zoo hard met haar rijden."
"Ik zal op haar passen," antwoordde Henrique, zette zich bij de sofa neer en nam zijn nichtje bij de hand.
Eva bevond zich spoedig veel beter. Haar vader en oom gingen hun spel vervolgen en de twee kinderen bleven alleen.
"Weet gij wel, Eva," zeide Henrique, "het spijt mij zoo, dat papa nog maar twee dagen hier blijft, en ik u dan niet meer zien zal voor ik weet niet hoelang. Als ik bij u bleef, zou ik mijn best doen om goed te zijn en niet hard voor Dodo, en dat alles. Ik wil Dodo niet kwaad behandelen; maar weet ge, ik ben zoo driftig. En toch ben ik eigenlijk niet kwaad voor hem. Ik geef hem dikwijls een fooitje, en gij ziet dat hij goed gekleed is. Ik denk dat Dodo het over het geheel tamelijk wel heeft."
"Zoudt gij denken dat gij het tamelijk wel hadt, als er geen schepsel bij u was om u lief te hebben?"
"Ik! Wel natuurlijk niet!"
"En gij hebt Dodo afgenomen van al de vrienden die hij ooit had, en nu is er geen schepsel om hem lief te hebben. Op die manier kan niemand goed zijn."
"Ja, dat kan ik toch niet helpen of veranderen, zoover ik weet. Ik kan zijne moeder niet koopen, en ik kan hem toch zelf niet gaan liefhebben."
"Waarom kunt gij dat niet?" zeide Eva.
"Dodo liefhebben! Maar, Eva, dat kunt gij toch niet van mij willen. Ik mag van hem houden; maar liefhebben doet men zijne bedienden niet."
"Ik wel--waarlijk."
"Dat is raar."
"Zegt de Bijbel niet dat wij alle menschen moeten liefhebben?"
"O, de Bijbel! Zeker, die zegt veel zulke dingen; maar niemand denkt er toch ooit aan om ze te doen. Gij weet wel, Eva, niemand doet dat."
Eva sprak niet; hare oogen bleven een poos strak en peinzend.
"Hoe dat zij, lieve Neef," zeide zij eindelijk, "heb dien armen Dodo toch lief en wees goed voor hem, om mijnentwil."
"Ik zou om uwentwil alles kunnen liefhebben, lief Nichtje; want ik houd u waarlijk voor het liefste meisje dat ik ooit gezien heb."
Henrique sprak met een ernst, die een blos op zijne wangen bracht; en Eva ontving die betuiging met volmaakte eenvoudigheid, zonder dat haar gezichtje een spoor van eenige aandoening verried, en zeide slechts: "O, ik ben blij, dat gij nu zoo denkt, lieve Henrique. Ik hoop dat gij het altijd onthouden zult."
De schel van het diner maakte een einde aan het gesprek.
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
VOORTEEKENEN.
Twee dagen later namen Alfred en Augustine St. Clare afscheid van elkander; daarna begon Eva, die door het gezelschap van haar neefje tot inspanningen boven hare krachten was aangespoord, snel te vervallen. St. Clare werd eindelijk geneigd om geneeskundigen raad in te roepen, waarvoor hij tot nog toe had gehuiverd, daar dit te doen de bekentenis van een onwelkome waarheid was. Thans was Eva twee dagen lang zoo ongesteld geweest, dat zij geheel in huis moest blijven, en nu werd de dokter geroepen.
Marie St. Clare had volstrekt geen acht gegeven op de langzame vermindering van Eva's gezondheid en krachten, daar zij geheel verdiept was in het bestudeeren van twee of drie nieuwe kwalen, waarvan zij zelve het slachtoffer meende te zijn. Het was bij Marie een voornaam punt van geloof, dat niemand ooit zulk eene groote lijderes was geweest of wezen kon als zij zelve, en dus verwierp zij altijd met zekere verontwaardiging de gedachte, dat iemand van hare onderhoorigen ziek zou zijn. Zij hield zich in zulk een geval altijd verzekerd, dat het niets dan luiheid of gebrek aan geduld was en dat iemand, als hij eens lijden moest wat zij leed, spoedig het verschil zou gewaar worden.
Ophelia poogde verscheidene malen hare moederlijke bekommering over Eva te doen ontwaken, maar vruchteloos.
"Ik zie niet dat het kind iets scheelt," zeide zij dan. "Zij loopt rond en speelt."
"Maar zij heeft een hoest."
"Een hoest! O, gij behoeft niet van een hoest te spreken; ik heb al mijn leven een hoest gehad. Toen ik zoo oud was als Eva, dacht men dat ik de tering had. Nacht op nacht moest Mammy bij mij opzitten. Och, Eva's hoest heeft zeker wel niets te beduiden."
"Maar zij wordt zoo zwak en kortademig."
"O, dat heb ik al jarenlang gehad. Dat is maar zenuwachtigheid."
"En des nachts zweet zij zoo."
"Wel, dat heb ik jarenlang gedaan. Dikwijls zijn des nachts mijne kleeren zoo nat, dat men ze wel kan uitwringen. Dan is er geen droge draad aan mijn nachtgoed, en zijn de lakens zoo nat, dat Mammy ze moet te drogen hangen. Zoo zweet Eva toch niet."
Ophelia zweeg. Maar nu Eva zoo zichtbaar verminderde en er een dokter geroepen werd, sloeg Marie eensklaps een geheel anderen toon aan.
Zij wist het wel, zeide zij, en had het altijd gevoeld, dat zij bestemd was om de rampzaligste aller moeders te zijn. Zij zelve kwijnde weg met eene verwoeste gezondheid, en hare lieveling zou voor hare oogen ten grave dalen; en deze nieuwe jammer verschafte Marie weder eene nieuwe reden om Mammy des nachts telkens wakker te roepen en over dag veel erger dan ooit te bekijven en uit te schelden.
"Maar, lieve Marie, spreek toch zoo niet," zeide St. Clare. "Gij moet niet zoo terstond het ergste denken."
"Gij hebt het gevoel eener moeder niet, St. Clare. Gij hebt mij nooit kunnen verstaan, en dat doet gij nu ook niet."
"Maar spreek toch niet alsof het een wanhopig geval was."
"Gij moogt het zoo onverschillig opnemen als gij kunt, St. Clare. Zoo gij er geen gevoel van hebt, als uw kind in zulk een toestand is, ik wel. Het is een slag die te zwaar voor mij is, met al wat ik te voren al droeg."
"Het is waar," zeide St. Clare, "dat Eva teer van gestel is, _dat_ heb ik altijd geweten, en dat haar snelle groei hare krachten heeft uitgeput, en dat haar toestand bedenkelijk is. Maar nu is zij toch maar zoo verzwakt door de warmte van het weder en de vermoeienis en opgewondenheid, waartoe het bezoek van haren neef aanleiding gaf; de dokter zegt dat er nog reden is om te hopen."
"O, natuurlijk; als gij de zaak van den besten kant kunt bezien, doe het dan. Het is een geluk als iemand in deze wereld zulk een teer gevoel niet heeft. Ik wenschte dat ik het ook maar niet had. Het maakt mij maar geheel rampzalig. Ik wenschte dat ik zoo gerust _kon_ wezen als gij en anderen."
En die "anderen" hadden maar al te veel reden om denzelfden wensch te uiten; want Marie gebruikte haar nieuwen jammer tot een voorwendsel om allen die haar genaakten, te kwellen. Ieder woord, dat door iemand gesproken, al wat er gedaan of niet gedaan werd, was een nieuw bewijs dat zij omringd was door hardvochtige gevoellooze wezens, die zich niet om hare smart bekommerden. De arme Eva hoorde eenige van die gezegden, en schreide van medelijden met hare mama, en van spijt dat zij haar zooveel droefheid veroorzaakte.
In een paar weken werden de verschijnselen veel gunstiger; het was eene dier bedriegelijke tusschenpoozen van schijnbare verbetering, door welke hare onverbiddelijke kwaal zoo dikwijls zelfs nog op den rand van het graf, het angstige hart misleidt. Men zag Eva weder op de balkons en in den tuin; zij speelde en lachte weder, en haar vader zeide met verrukking dat zij spoedig zoo frisch en gezond zou zijn als iemand. Ophelia en de dokter werden door dezen bedriegelijke wapenstilstand niet gerustgesteld. Er was nog een hart, dat dezelfde zekerheid van den eindelijken afloop gevoelde, en dat was het hartje van Eva. Wat is het, dat de ziel somtijds zoo kalm en zoo duidelijk zegt dat haar tijd op aarde kort zal zijn? Is het een geheim instinct der stervende natuur, of eene geheimzinnige bewustheid van den geest, dat de onsterfelijkheid nadert? Wat het wezen moge, het woonde in het hart van Eva, als een kalme, streelende zekerheid, dat de hemel nabij was; en daarmede was haar hartje voldaan, en werd alleen nog ontrust door het leedwezen met hen, die haar zoo hartelijk liefhadden.
Want het kind, hoewel zoo teeder verzorgd, en schoon het leven zich voor haar opende met al de helderheid, welke liefde en overvloed aan het uitzicht konden geven, had voor zich zelve geen tegenzin in het sterven.