Chapter 25
"Wel, hij was een sterke reusachtige kerel, een geboren Afrikaan, en hij scheen in een buitengemeenen trap het ruwe instinct van vrijheid in zich te hebben. Hij was een echte Afrikaansche leeuw. Men noemde hem Scipio. Niemand kon iets met hem uitrichten; hij werd van den een aan den ander overgedaan, tot eindelijk Alfred hem kocht, daar hij dacht hem wel te kunnen regeeren. Maar eens gaf Scipio een opzichter een slag zoodat deze neerviel, en liep toen naar de moerassen. Ik was juist op Alfreds plantage te logeeren, want het was nadat wij de compagnieschap ontbonden hadden. Alfred was geweldig verbolgen, maar ik zeide hem dat het zijn eigen schuld was; ik wilde met hem wedden, voor zooveel hij verkoos, dat ik den neger kon temmen; en eindelijk werd er afgesproken, dat als ik hem ving, ik hem zou hebben om de proef te nemen. Zij verzamelden zich dus in een troep van zes of zeven, met honden en geweren voor de jacht. Men kan, zooals gij weet, evenveel liefhebberij krijgen in het menschenjagen als in het hertenjagen, als men er zich maar aan gewent; om de waarheid te zeggen, ik kwam zelfs een weinig in vuur, hoewel ik slechts was medegegaan om eenigermate tot onderhandelaar te dienen, ingeval hij gevangen werd.
"Nu, de honden blaften en huilden en wij reden door dik en dun: eindelijk joegen wij hem op. Hij liep en sprong als een reebok en liet ons eerst ver achter, maar eindelijk raakte hij beklemd in een ondoordringbaar rietbosch; toen keerde hij zich om en hield stand, en ik kan u zeggen dat hij als een held tegen de honden vocht. Hij smeet ze rechts en links van zich af en hielp er werkelijk drie van kant, alleen met zijne bloote vuisten, tot een geweerschot hem weerloos maakte en hij bloedend bijna voor mijne voeten neerviel. De arme kerel zag naar mij op, met mannenmoed en wanhoop in zijne oogen. Ik hield de honden en de troep van hem af, toen de anderen aankwamen, en eischte hem op als mijn gevangene. Ik had moeite genoeg, om te beletten, dat zij hem in het eerste gevoel van triomf doodschoten; maar ik bleef op mijn recht staan en Alfred verkocht hem aan mij. Welnu, toen nam ik hem onderhanden, en in veertien dagen had ik hem zoo tam en gedwee gemaakt als men maar verlangen kon."
"Wat in de wereld hebt gij dan met hem gedaan?" zeide Marie.
"Wel, het was eene zeer eenvoudige manier van doen. Ik nam hem in mijne eigene kamer, liet een goed bed voor hem maken, verbond zijne wonden en paste hem zelf op tot hij weder op de been kwam. En na verloop van tijd liet ik een vrijbrief voor hem opmaken en zeide hem dat hij gaan kon waar hij wilde."
"En ging hij?" vroeg Ophelia.
"Neen. De malle kerel scheurde het papier in tweeën en weigerde ronduit mij te verlaten. Ik heb nooit een braver en beter knecht gehad--zoo handelbaar als staal. Hij omhelsde naderhand het christendom en werd zoo zachtzinnig als een kind. Hij placht het opzicht te houden over mijne plaats en hij deed dat uitmuntend. Ik verloor hem in den eersten choleratijd of eigenlijk offerde hij zijn leven voor mij op; want ik werd ziek, bijna doodziek, en toen de blinde angst iedereen de vlucht deed nemen, werkte Scipio voor mij met reuzenkrachten en hield hij mij inderdaad in het leven. Maar, arme kerel! hij werd terstond daarop aangetast en hij was niet te redden. Ik heb nooit iemands verlies zwaarder gevoeld."
Eva was langzamerhand al dichter en dichter bij haren vader gekomen, terwijl hij dit verhaalde, en staarde hem met geopende lippen en strakke ernstige oogen aan.
Toen hij zweeg sloeg zij eensklaps hare armen om zijnen hals en barstte in een hartstochtelijk snikken en schreien uit.
"Eva, kindlief, wat scheelt u?" zeide St. Clare, toen hij de teedere leden van het meisje door hare heftige aandoening voelde schokken en beven. "Zij moest nooit van zoo iets hooren," voegde hij er bij. "Zij is zenuwachtig."
"Neen, Papa, ik ben niet zenuwachtig," zeide Eva, zich plotseling bedwingende met eene kracht van wil, die bij zulk een kind verwonderlijk was. "Ik ben niet zenuwachtig, maar die dingen zinken mij in het hart."
"Wat meent gij daarmede, Eva?"
"Dat kan ik u niet zeggen, Papa. Ik heb veel in mijne gedachten. Misschien zal ik het u wel eens zeggen."
"Wel, denk maar voort, liefje; als gij maar niet schreit en uw papa ongerust maakt," zeide St. Clare. "Kijk eens hier, zie welk een mooie perzik ik voor u heb."
Eva nam de perzik en glimlachte, hoewel zich om haar mondje nog een zenuwachtig trekken vertoonde.
"Kom, laten wij eens naar de goudvischjes gaan zien," zeide St. Clare, haar bij de hand nemende en naar het binnenplein gaande. Eenige oogenblikken nog, en men hoorde een vroolijk gelach door de zijden gordijnen, terwijl Eva en haar vader elkander met rozen gooiden en langs de paden van het binnenplein naliepen.
Er is gevaar, dat onze nederige vriend Tom onder de aangelegenheden van hooger geborenen verwaarloosd zal worden, maar als de lezer ons naar zijn woninkje boven den stal wil vergezellen, zal hij misschien ook wel iets van zijne zaken vernemen. Het is een knappe kamer, met een bed, een stoel en een tafeltje, waarop Toms Bijbel en gezangboek liggen; en daar zit hij nu, met een lei voor zich, bezig met iets dat hem veel inspanning en nadenken schijnt te kosten.
De zaak was, dat Toms verlangen naar zijne achtergelaten betrekkingen zoo sterk was geworden, dat hij Eva om een blad schrijfpapier had gevraagd; en thans den geheelen kleinen voorraad van letterkennis bijeenzamelende, dien hij door het onderwijs van Jongeheer George verworven had, vatte hij het stoute voornemen op, om een brief te gaan schrijven, en was hij nu bezig met op zijne lei het eerste ontwerp daarvan te maken. Tom was in vrij groote verlegenheid, want de fatsoenen van sommige letters had hij geheel vergeten, en van die hij nog onthouden had, wist hij niet recht welke hij gebruiken moest; en terwijl hij zoo werkte en door zijnen ijver zwaar ademhaalde, wipte Eva als een vogeltje achter hem op de leuning van zijnen stoel en bleef over zijnen schouder zitten kijken.
"O, Oom Tom, welke grappige dingetjes maakt ge daar!"
"Ik doe mijn best om aan mijne arme goede vrouw en mijne kleine kindertjes te schrijven, Jongejuffrouw Eva," zeide Tom, met den rug zijner hand zijne oogen afvegende; "maar ik vrees dat het toch niet lukken zal."
"Ik wou dat ik u helpen kon, Tom. Ik heb een beetje leeren schrijven. Verleden jaar kon ik al de letters maken; maar ik vrees dat ik het meest vergeten ben!"
Zoo duwde Eva haar krulkopje dicht naast zijn hoofd en de twee begonnen ernstig te beraadslagen, beiden even ijverig en omtrent even onkundig; doch met veel overleggen en beraden van ieder woord begon het opstel eigenlijk toch wezenlijk naar schrift te gelijken.
"Ja, Oom Tom, nu begint het er waarlijk mooi uit te zien," zeide Eva, er met verrukking naar turende. "Wat zal uwe vrouw blij zijn en uwe arme kleine kinderen! O, het is schande dat gij ooit van hen vandaan moest. Ik denk papa eens te vragen om u weder terug te laten gaan."
"Mevrouw heeft gezegd dat zij het geld voor mij zal zenden, zoodra zij het kan bijeenkrijgen," zeide Tom, "en ik verwacht ook dat zij het doen zal. Jongeheer George heeft mij gezegd dat hij om mij komen zou en hij heeft mij dezen dollar tot een teeken daarvan gegeven."
En Tom vertoonde den kostbaren dollar.
"O, dan zal hij zeker komen," zeide Eva. "Wat ben ik blij."
"En ik wilde een brief zenden, weet ge, om haar te laten weten waar ik ben, en de arme Chloe te zeggen, dat ik het goed heb, omdat zij zoo schrikkelijk angstig was, arme ziel!"
"Zeg eens, Tom," zeide de stem van St. Clare, die op dit oogenblik de deur inkwam.
Tom en Eva zagen beiden nu met zekeren schrik op.
"Wat is dat hier?" zeide St. Clare naderkomende en de lei bekijkende.
"O, dat is Tom zijn brief," zeide Eva. "Ik help hem daaraan schrijven. Is het al niet mooi?"
"Ik wil u geen van beiden den moed benemen," zeide St. Clare, "maar ik geloof toch haast, Tom, het zou beter zijn als ge mij een brief voor u liet schrijven. Ik wil het wel doen als ik van mijn rijtoertje tehuis kom."
"Het is van groot belang dat hij schrijft," zeide Eva, "want zijne meesteres zal geld zenden om hem los te koopen, weet ge, Papa. Hij heeft mij gezegd dat zij hem dit gezegd had."
St. Clare hield dit bij zich zelven voor een van die dingen, welke goedhartige eigenaars hunnen slaven zeggen om hun schrik voor het verkocht worden te verminderen, zonder dat zij voornemens zijn om de aldus opgewekte hoop te verwezenlijken. Hij zeide dit echter niet en beval Tom slechts de paarden te laten voorbrengen om een rijtoertje te doen.
Dien avond werd er een behoorlijke brief voor Tom geschreven en op de post bezorgd.
Ophelia volhardde nog in haren arbeid als huishoudster; en in het geheele huishouden, van Dina af tot den kleinsten jongen toe, stemden allen daarin overeen, dat Juffrouw Ophelia "raar" was, eene uitdrukking, waarmede de dienstboden in het Zuiden gewoon zijn aan te duiden dat hunne meerderen hun niet recht naar den zin zijn.
In den hoogsten huiselijken kring, die uit Adolf, Jane en Rosa bestond, was men het eens dat zij geene _lady_ was--want _ladies_ werkten nooit zooals zij deed--en dat zij volstrekt geen _air_ had, weshalve men zich zeer verwonderde dat zij van de familie der St. Clares zou zijn. Zelfs Marie verklaarde dat het wezenlijk vermoeiend was nicht Ophelia altijd zoo druk bezig te zien, en inderdaad was Ophelia's vlijt zoo groot, dat zij wel eenige reden gaf tot zulk een klacht. Zij naaide en stikte voort, van den dageraad tot aan de avondschemering, met den ijver van iemand die door eene dringende noodzakelijkheid wordt aangespoord, en als dan het licht haar te flauw werd en het naaiwerk opgevouwen was, kwam het altijd gereede breiwerk te voorschijn, en ging zij weder haar gang met zooveel ijver als ooit. Het was werkelijk vermoeiend haar te zien.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
TOPSY.
Op een ochtend, toen Ophelia druk aan hare huiselijke bezigheden was, hoorde zij beneden aan de trap de stem van St. Clare die haar riep:
"Kom eens hier beneden, Nicht! Ik heb u iets te laten zien."
"Wat is het?" zeide Ophelia, met haar werk in de hand afkomende.
"Ik heb iets voor u gekocht--kijk eens," zeide St. Clare, en met deze woorden duwde hij een negermeisje van acht of negen jaren naar voren.
Zij behoorde onder de zwartsten van haren stam, en hare ronde oogen, die als glazen kralen glinsterden zwierven met snelle rustelooze blikken over alles in den omtrek rond. Haar mond, half open van verbazing over de wonderen in de woning van haren nieuwen meester, liet twee rijen schitterend witte tanden zien. Haar gekroesd haar was in een aantal korte staartjes gevlochten, die naar alle kanten uitstaken. De uitdrukking van haar gezicht was eene zonderlinge mengeling van schranderheid en loosheid, waarover op eene allervreemdste manier als het ware een sluier van droevigen ernst en ootmoedigheid lag gespreid. Zij had niets anders aan dan eene soort van hemd, van paklinnen gemaakt en zeer vuil en gescheurd, en stond daar stijf en stil, met gevouwen handen. Over het geheel was er iets zoo wonderlijks en kabouterachtigs in haar voorkomen--iets zoo "heidensch" gelijk Ophelia naderhand zeide, dat deze goede juffrouw er van schrikte, en zich naar St. Clare keerende zeide zij:
"Maar, Augustine, waarvoor in de wereld hebt gij dat schepsel toch hier gebracht?"
"Wel voor u, om het op te voeden en wat goeds van haar te maken. Ik vond haar een tamelijk koddig staaltje van het negerras. Hier, Topsy!" vervolgde hij, fluitende alsof hij een hond wilde waarschuwen om op te passen, "laat ons een liedje van u hooren en uw dansen eens zien."
De zwarte oogen glinsterden op eene manier, die tegelijk iets koddigs en iets akeligs had. Het kleine meisje hief met eene heldere, schelle stem een koddig negerliedje aan, bracht op de maat daarvan handen en voeten in beweging, draaide als een tol in het rond, klapte in de handen, liet de knieën tegen elkander slaan, en perste al die wonderlijke keelklanken uit haren gorgel, die de muziek van haar geslacht onderscheiden; eindelijk deed zij een paar luchtsprongen, en met een lang aangehouden slottoon, zoo onnatuurlijk schel als een stoomfluitje, kwam ze met een bons op den vloer neer en bleef staan met gevouwen handen en een gezicht, dat eene schijnheilige ernstigheid en ootmoedigheid vertoonde, gelogenstraft door de looze blikken, die zijwaarts uit hare half dichtgeknepen oogen schoten.
Ophelia stond sprakeloos en verstijfd van verbazing.
St. Clare, ondeugend als hij was, scheen zich met hare verbijstering zeer te vermaken, en het kind wederom aansprekende, zeide hij:
"Topsy, dit is uwe meesteres. Ik geef u nu aan haar over. Pas op, dat gij u nu wel gedraagt."
"Ja, meester," antwoordde Topsy met gehuichelden ernst, terwijl hare ondeugend spotachtige oogen flikkerden.
"Gij moet nu braaf oppassen; verstaat gij wel, Topsy?"
"O ja, meester," antwoordde Topsy wederom met dien flikkerenden blik, terwijl zij hare handen nog ootmoedig gevouwen hield.
"Maar, Augustine, waar op de wereld moet dat nu voor dienen?" zeide Ophelia. "Uw huis is al zoo vol van die kleine plaaggeesten, dat men geen voet kan verzetten zonder op een te trappen. Als ik des morgens opsta, vind ik er een achter de deur, een ander komt met zijn zwart gezicht onder de tafel uitkijken en een derde ligt op de mat. Zij maken kuren en grimassen tusschen de leuning van de trap, en rollen in de keuken over elkander op den vloer; waartoe op de wereld brengt gij er nu nog een mede?"
"Voor u om op te voeden--heb ik u dat niet gezegd? Gij houdt gedurig predikatiën over de opvoeding. Ik dacht u daarom eens een nog geheel onopgevoed negerinnetje te moeten geven, om u uwe kunst te laten beproeven en haar op te brengen gelijk het behoort."
"Ik voor mij wil haar niet hebben. Ik heb al veel meer met negers te doen, dan ik zou wenschen."
"Zoo zijt gij, christenen! Gij wilt wel een genootschap oprichten en een armen zendeling huren om zijn geheele leven onder zulke heidenen te slijten; maar laat mij eens iemand van u zien, die er een in zijn huis wil nemen en zelf den last en de moeite hebben van hem te bekeeren. Neen, als het zoover komen zal, zijn zij te morsig en te afzichtelijk; het is te veel zorg en zoo voort."
"Augustine, gij weet wel dat ik het niet van dien kant heb beschouwd," zeide Ophelia, blijkbaar zachter wordende. "Nu ja, het zou wel wezenlijk een zendelingswerk kunnen zijn." En dit zeggende zag zij het kind aan met een blik, die eenigszins gunstiger was.
St. Clare had de rechte snaar geraakt. Ophelia's geweten was altijd terstond wakker. "Maar," vervolgde zij evenwel, "ik begrijp toch waarlijk niet dat het noodig was deze nog te koopen. Er zijn er al genoeg in huis om zooveel tijd en bekwaamheid aan te besteden als ik maar heb."
"Welnu dan, Nicht," antwoordde St. Clare, haar ter zijde nemende, "ik moet u eerst verschooning verzoeken voor mijne ondeugende plagerijen. Gij zijt waarlijk zoo goed en braaf, dat zij volstrekt niet te pas komen. De zaak is dan, dat dit slavinnetje aan een paar dronken schepsels behoorde, die eene gemeene herberg houden, waar ik dagelijks voorbij moet, en dat het mij verveelde haar te hooren gillen als zij haar afrosten. Zij zag er ook schrander en geestig uit, alsof er wel iets van haar gemaakt zou kunnen worden, en zoo kocht ik haar en geef haar nu aan u. Beproef haar nu eens eene goede orthodoxe Nieuw-Engelsche opvoeding te geven en zie wat gij zoo van haar maken zult. Gij weet wel, ik heb voor zoo iets geen talent, maar ik zou het u gaarne eens zien probeeren."
"Welnu, ik zal doen wat ik kan," zeide Ophelia, en daarop naderde zij haar nieuw pleegkind, ongeveer gelijk men zich verbeelden kan dat iemand eens eene zwarte spin zou naderen, waarmede hij een welwillend oogmerk had.
"Zij is schrikkelijk morsig en half naakt," zeide zij.
"Welnu, breng haar naar beneden en laten zij haar daar schoonmaken en aankleeden."
Ophelia bracht haar dus naar de keuken.
"Ik begrijp niet waarom meester nog meer negers noodig heeft," zeide Dina, het nieuwkoopje lang niet vriendelijk aanziende. "Ik wil haar niet in den weg hebben; dat weet ik wel."
"En laat zij mij ook maar uit den weg blijven," zeiden Jane en Rosa met diepe minachting. "Om wat reden in de wereld meester nog meer van die gemeene negers noodig heeft, kan ik niet zien."
"Loopt heen! Niet meer negers dan gij zelven zijt, Miss Rosa," zeide Dina hierop, die in dit laatste gezegde iets beleedigends voor haar zelve vond. "Gij twee schijnt u zelven voor blanken te houden. Gij zijt niemendal, niet zwart en niet blank. Ik ben liever een van beiden."
Ophelia zag wel dat er niemand was die voor het reinigen en kleeden van het nieuwkoopje zou willen zorgen; zij was dus genoodzaakt dit zelve te doen, met eenige zeer onwillige en onvriendelijke hulp van Jane.
Het zou niet voegen, beschaafde ooren de bijzonderheden van het eerste toilet der mishandelde en verwaarloosde kleine te laten hooren. Duizenden van menschelijke wezens moeten in deze wereld leven en sterven in een staat, waarvan de beschrijving alleen de zenuwen hunner medestervelingen te grooten schok zou geven. Miss Ophelia bezat eene goede portie bruikbare zelfverloochening, en verrichtte al het walgelijke harer taak met heldhaftige zorgvuldigheid, hoewel, dit moet men ook zeggen, met geene groote vriendelijkheid--want lijdzame volharding was het uiterste, waartoe haar plichtbesef haar brengen kon. Toen zij echter op den rug van het kind groote striemen en vereelte plekken zag, onuitwischbare teekenen van het stelsel waaronder het tot dusverre was opgegroeid, werd haar hart week in haar binnenste.
"Ziedaar!" zeide Jane, naar die litteekens wijzende. "Ziet men daaraan al niet welk een kataas zij is! Wij zullen wat met haar te stellen hebben, dat begrijp ik al. Ik heb een hekel aan zulke misselijke "negerjongen!" Ik weet niet waarom meester dit gekocht heeft."
Het bedoelde "negerjong" hoorde deze regelen aan met het treurig ootmoedige gezicht, dat haar tot eene gewoonte scheen te zijn geworden, en keek slechts nu en dan tersluiks met hare flikkerende oogen naar de sieraden, die Jane in hare ooren droeg. Toen zij eindelijk voegzaam was gekleed en hare haren kort afgeknipt waren, zeide Ophelia met zekere tevredenheid, dat zij er nu wat christelijker uitzag, en begon terstond te denken over de beste manier om haar te onderrichten.
Zich voor het kind nederzettende, begon zij het te ondervragen.
"Hoe oud zijt ge, Topsy?'
"Weet niet, Juffrouw," antwoordde de kleine, met een grijns die al hare tanden liet zien.
"Weet ge niet hoe oud ge zijt? Heeft niemand u dat ooit gezegd? Wie was uwe moeder?"
"Nooit eene gehad," antwoordde het kind wederom grijnzende.
"Nooit eene moeder gehad! Wat meent ge daarmede? Waar zijt ge dan geboren?"
"Ben nooit geboren," antwoordde Topsy nu met zulk een akeligen, spookachtigen grijns, dat Ophelia, indien zij bijgeloovig en zenuwachtig was geweest, zich wel had kunnen verbeelden dat zij een zwart kabouterkind uit een andere wereld voor zich had; doch Ophelia was noch bijgeloovig, noch zenuwachtig, maar wel voortvarend en tamelijk kort van stof, en zeide dus eenigszins barsch:
"Gij moet mij zoo geen antwoord geven, kind. Ik steek er den gek niet mee. Zeg mij waar gij geboren zijt, en wie uw vader en moeder waren."
"Ben nooit geboren," herhaalde het kind met nadruk, "heb nooit een vader of moeder of iets gehad. Ik ben grootgebracht door een speculant, met een troep anderen. Oude Tante Sue placht op ons te passen."
Het kind sprak blijkbaar oprecht, en Jane zeide nu met een schamperen lach:
"Och Juffrouw, zoo zijn er hoopen. Speculanten koopen ze goedkoop als ze klein zijn, en brengen ze groot voor de markt."
"Hoelang zijt ge bij uwen laatsten meester geweest?"
"Weet niet, Juffrouw."
"Is het een jaar, of langer of korter?"
"Weet niet, Juffrouw."
"Och, Juffrouw, die gemeene negers kunnen dat niet zeggen, zij weten van geen tijd," zeide Jane nu weder. "Zij weten niet wat een jaar is, of hoe oud zij zijn."
"Hebt gij nooit iets van God gehoord, Topsy?"
Het kind keek verbijsterd, maar grijnsde volgens gewoonte.
"Weet gij niet wie uw maker is?"
"Niemand, zooveel ik weet," antwoordde het meisje met een lach.
Zij scheen dien inval tamelijk grappig te vinden, want hare oogen flikkerden, en zij vervolgde:
"Ik denk dat ik gegroeid ben. Ik denk niet dat iemand mij gemaakt heeft."
"Kunt gij naaien?" zeide Ophelia nu, meenende dat het best zou zijn hare vragen tot meer tastbare onderwerpen te beperken.
"Neen, Juffrouw."
"Wat kunt gij dan doen? Wat hebt gij voor uwen meester gedaan?"
"Water gehaald, borden gewasschen, messen geslepen en de menschen bediend."
"Waren uw meester en uw meesteres goed voor u?"
"Denk wel van ja," antwoordde het kind, Ophelia wantrouwig aanziende.
Ophelia liet het gesprek steken en stond op. St. Clare was achter haar gekomen.
"Gij zult daar maagdelijken grond vinden, Nicht, om uwe denkbeelden in te planten--gij zult er niet veel vinden die gij behoeft uit te roeien," zeide hij.
Ophelia's denkbeelden over de opvoeding waren, evenals al hare andere denkbeelden, zeer bepaald en stellig. Over het geheel strookten zij met die, welke honderd jaren geleden in Nieuw-Engeland in zwang waren en op sommige afgelegen, onbedorven plekken, waar geene spoorwegen zijn, nog bewaard worden. In zooverre zij onder woorden te brengen waren, kon dit met weinige woorden geschieden: de meisjes te leeren opletten als haar iets gezegd werd; ze den catechismus, naaien en lezen te leeren, en ze de roede te geven als zij jokten; en hoewel men natuurlijk, bij den vloed van licht die tegenwoordig de opvoedkunde beschijnt, thans ver daar bovenuit is, kan men toch niet ontkennen, dat onze grootmoeders onder dit _régime_ eenige tamelijk knappe mannen en vrouwen hebben grootgebracht. Hoe dit ook zij, Miss Ophelia wist van niets anders, en nam dus haar heidinnetje op die manier met allen ijver onderhanden.
Het kind werd in het huishouden als hare meid beschouwd, en daar het in de keuken met geene gunstige oogen werd aangezien, besloot Ophelia haar kring van werkzaamheden en onderricht hoofdzakelijk tot hare eigene kamer te beperken. Met eene zelfopoffering, welke sommigen onzer lezeressen zullen weten te waardeeren, besloot zij, in plaats van gerust haar eigen bed op te maken en hare eigene kamer te stoffen--gelijk zij tot nog toe, met afwijzing van alle aangeboden hulp der kamermeid van het huis, had gedaan--zich zelve tot het martelaarschap te veroordeelen om Topsy in deze werkzaamheden te onderrichten. Ontzettend besluit! Heeft iemand van onze lezeressen ooit hetzelfde gedaan, dan zal zij de mate van Ophelia's zelfverloochening wel kunnen beseffen.
Miss Ophelia begon met Topsy op den eersten morgen naar hare kamer mede te nemen, en deftig eene eerste les in de kunst van het bed-opmaken te geven.
Ziedaar dan Topsy, gewasschen en van al die gevlochten staartjes beroofd, waarop zij zoo grootsch was, in eene schoone jurk gekleed en met een welgesteven schortje voor, eerbiedig voor hare meesteres staande, met een gezicht zoo ernstig alsof zij te begraven zou gaan.
"Nu, Topsy, zal ik u wijzen hoe mijn bed wordt opgemaakt. Ik ben zeer keurig op mijn bed en gij moet precies leeren hoe het gedaan moet worden."
"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy nu, met een zwaren zucht en een jammerlijk doch zeer ernstig gezicht.
"Zie dan, Topsy, dat is de zoom van het laken--dit is de rechte kant van het laken, en dit is de verkeerde. Zult gij dat onthouden?"
"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy met nog een zucht.
"Welnu, het onderlaken moet gij over de peluw leggen--zóó, en glad onder de matras steken--zóó. Ziet ge wel?"
"Ja, Juffrouw!" antwoordde Topsy met ingespannen aandacht.
"Maar het bovenlaken," vervolgde Ophelia, "moet zóó worden gelegd, en glad en vast aan het voeteneinde worden ingestopt--zóó--de smalle zoom aan het voeteneinde."