Chapter 24
"Nu heeft een aristocraat, gelijk gij weet, de geheele wereld over, geen menschelijk gevoel voor iets dat buiten zekere maatschappelijke grenslijn ligt. In Engeland is die grenslijn op zekere plaats getrokken, in Birma op eene andere en in Amerika weder op eene andere; maar de aristocraat van al die landen stapt nooit daarover heen. Wat in zijne eigene klasse eene hardheid, een onrecht of een ongeluk zou zijn geweest, was in eene andere slechts iets onverschilligs, dat vanzelf sprak. Mijn vaders grenslijn was die der kleur; _onder zijns gelijken_ was nooit iemand billijker en edelmoediger; maar hij beschouwde den neger door alle kleurschakeeringen heen als een schakel tusschen den mensch en de dieren, en mat al zijne denkbeelden van recht en billijkheid naar deze onderstelling af. Ik denk wel, als iemand hem ruiterlijk had gevraagd of zij menschelijke, onsterfelijke zielen hadden, dat hij dan wel, na wat kuchen en keelschrapen, "ja" zou gezegd hebben. Maar mijn vader was geen man, die veel last van nadenken had, en godsdienstig gevoel had hij in het geheel niet, behalve zekeren eerbied voor God, daar deze toch stellig aan het hoofd der hoogere klassen stond.
"Welnu, mijn vader had ongeveer vijfhonderd negers aan het werk; hij was een onbuigzaam, voortvarend, scherp oplettend man van zaken; alles moest naar een vasten regel gaan, die met onfeilbare stiptheid in acht genomen moest worden. Als gij nu in aanmerking neemt, dat er naar zulk een regel gewerkt moest worden door een troep luie, babbelzieke, onhandige arbeiders, die hun leven lang geen lust, en ook geene reden hadden gehad om iets anders te leeren dan "dagdieven," dan zult gij begrijpen dat er op zijne plantage vele dingen moesten gebeuren, die een gevoelig kind, zooals ik, droevig en akelig moesten voorkomen. Buitendien had hij een opzichter, een lange, grove kerel, met zware, forsche vuisten, die eene regelmatige leerschool van hardheid en ruwheid had doorgegaan en meester in dat vak was geworden. Mijne moeder kon hem nooit uitstaan, en ik ook niet; maar mijn vader had hij geheel voor zich ingenomen, en deze man heerschte dus op het goed als absoluut despoot.
"Ik was toen een kleine jongen, maar ik had reeds dezelfde liefhebberij voor alle soorten van menschelijke wezens, die ik nu heb--eene soort van hartstocht om met de menschheid, welke gedaante zij ook dragen mocht, kennis te maken. Ik was veel in de hutten en onder de arbeiders op het veld, en was dus natuurlijk een groot gunsteling. Allerlei grieven en klachten werden mij in het oor gefluisterd en ik vertelde ze mijne moeder, en wij met ons beiden vormden een soort van commissie tot herstel van grieven. Wij voorkwamen en verhinderden veel wreedheid, en streelden ons met de gedachte dat wij veel goeds deden, totdat ik, gelijk dikwijls gebeurde, in mijnen ijver te veel deed. Stubbs klaagde aan mijnen vader dat hij het volk niet meer regeeren kon en zijne betrekking moest neerleggen. Mijn vader was een teeder, inschikkelijk echtgenoot; maar hij was ook iemand die nooit terugdeinsde voor iets dat hij noodig achtte; en aldus zette hij zijn voet als een rots tusschen ons en de veldarbeiders. Hij zeide mijne moeder in bewoordingen, die zeer minzaam en verschoonend, maar tevens zeer beslissend waren, dat zij volkomen meesteres over de huisbedienden zou zijn, maar dat hij geene bemoeiing met de veldarbeiders kon veroorloven. Hij achtte en beminde haar boven alle levende wezens; maar hij zou hetzelfde tegen de Maagd Maria hebben gezegd, als zij zijn regel in den weg gekomen was.
"Ik hoorde mijne moeder wel eens over sommige gevallen met hem redeneeren en haar best doen om zijn mededoogen op te wekken. Hij luisterde met de ootmoedigste beleefdheid en kalmte naar de aandoenlijkste toespraak en antwoordde dan: "Het komt alles daarop neer: moet ik Stubbs laten gaan of hem houden? Stubbs is de nauwkeurigheid, de eerlijkheid en de bekwaamheid in eigen persoon, een man door en door met mijne zaak bekend en zoo menschelijk als de menschen over het algemeen zijn. Volmaaktheid kan men niet bekomen; en als ik hem behoud, moet ik zijne administratie als een _geheel_ goedkeuren, al gebeurt er nu en dan iets waarop aanmerking zou kunnen gemaakt worden. Alle regeering brengt eenige noodzakelijke hardheid mede. Algemeene regels moeten wel in sommige bijzondere gevallen hard zijn." Dezen laatsten stelregel scheen mijn vader bij de meeste omstandigheden, waarin over wreedheid werd geklaagd, voor alles afdoende te houden. Als hij dit gezegd had, trok hij meestal zijne voeten op de sofa, gelijk iemand die met zijn werk gedaan heeft, en schikte zich tot een dutje of tot het lezen van de courant, naar het te pas kwam.
"De waarheid is dat mijn vader juist die soort van talent bezat, die een staatsman noodig heeft. Hij had Polen kunnen verdeelen, even gemakkelijk als men een sinaasappel doorsnijdt; of Ierland kunnen vertrappen, even bedaard en stelselmatig als iemand op de wereld. Eindelijk zag mijne moeder wanhopig van alle tusschenkomst af. Men zal het nooit weten, voordat de laatste verantwoording wordt afgelegd, wat vele edele en teedere harten gelijk het hare gevoeld hebben, zoo geheel weerloos geworpen in hetgeen zij een afgrond van onrecht en wreedheid achten, en wat niemand anders om hen heen daarvoor houdt. Het leven is een tijd van gedurig lijden geweest voor zulke harten, in zulk een duivelachtige wereld als de onze. Wat schoot haar anders over dan hare kinderen in hare eigene begrippen en gevoelens op te voeden? Nu, met al wat men van de opvoeding zegt, groeien kinderen toch zelfstandig op tot hetgeen zij van nature reeds zijn en tot niets anders. Van de wieg af was Alfred een aristocraat; toen hij opgroeide, namen al zijne neigingen en zijne geheele denkwijs die richting, en al de vermaningen mijner moeder waren woorden in den wind. Wat mij betreft, zij maakten een diepen indruk op mij. Zij sprak nooit uitdrukkelijk iets tegen dat mijn vader zeide, en scheen nooit ernstig van hem te verschillen; maar zij prentte het mij met al de kracht van haar edel en vurig gemoed in, zij brandde het mij in de ziel, dat het laagste menschelijke wezen nog adel en waarde had. Dikwijls heb ik met plechtig ontzag naar haar opgezien, als zij des avonds naar de sterren wees en zeide: "Ziedaar, Auguste, de geringste, verachtste menschelijke ziel op ons goed zal nog leven, wanneer al die sterren vergaan zijn--zal leven, zoolang als God leeft!"
"Zij had eenige fraaie oude schilderijen, inzonderheid eene van Jezus: den blinde genezende. Het waren schoone stukken en zij plachten een diepen indruk op mij te maken. "Ziedaar, Auguste," zeide zij dan wel, "de blinde was een bedelaar, arm en walgelijk, en daarom wilde Hij hem niet _uit de verte_ genezen! Hij riep hem naar zich toe en _legde zijne handen op hem_. Onthoud dit, mijn jongen!" Als ik onder hare zorg was blijven opgroeien, zou zij mij tot ik weet niet welk enthousiasme hebben opgewonden. Ik had misschien een heilige, een hervormer, een martelaar kunnen worden--maar helaas, helaas! Ik moest van haar af toen ik pas dertien jaar oud was, en ik heb haar nooit weder gezien."
St. Clare liet zijn hoofd in zijne handen zinken en zweeg eene poos. Eindelijk zag hij weder op en vervolgde:
"Hoe armoedig, laag en ellendig is toch die geheele menschelijke deugd! Een gevolg grootendeels van geographische lengte, breedte en ligging, in verband met een natuurlijk temperament! Uw vader, bij voorbeeld, vestigt zich in Vermont, in eene stad waar allen inderdaad vrij en gelijk zijn; wordt een deftig lid van de kerk en ouderling; voegt zich in den loop van den tijd bij het genootschap der abolitionisten en houdt ons allen voor weinig beter dan heidenen. En toch is hij duidelijk in karakter en denkwijze een duplicaat van mijnen vader. Ik zie dat op vijftig verschillende manieren doorstralen--duidelijk zie ik denzelfden krachtigen, heerschzuchtigen, aanmatigenden geest. Gij weet wel hoe onmogelijk het is, sommigen der lieden van uw dorp te doen gelooven dat Mr. Sinclair zich niet boven hen verheven acht. De waarheid is: dat hij, schoon hij in een democratischen tijd leeft en eene democratische theorie heeft omhelsd, in zijn hart een aristocraat is, evengoed als mijn vader, die over vijf- of zeshonderd slaven gebood."
Ophelia voelde zich wel eenigszins genegen om bedenkingen hiertegen te maken en legde haar breiwerk neder om te beginnen, maar St. Clare stuitte haar.
"Ik weet alles wat gij zeggen wilt. Ik weet wel dat zij niet werkelijk aan elkander gelijk waren. De een kwam in een toestand waarin alles zijne natuurlijke neigingen tegenwerkte, en de ander in omstandigheden waarin alles die sterker deed ontwikkelen; en zoo werd de eerste een tamelijk eigenzinnige, onverbiddelijke, aanmatigende, oude democraat, de ander een eigenzinnige, onverbiddelijke, oude despoot. Als beiden nu plantages in Louisiana hadden gehad, zouden zij naar elkander geleken hebben als twee kogels, in een en denzelfden vorm gegoten."
"Welk een oneerbiedig kind zijt gij toch!" zeide Ophelia.
"Ik meen het niet beleedigend voor hen," zeide St. Clare; "maar gij weet wel dat eerbiedigheid mijn _fort_ niet is. Maar om weder op mijne geschiedenis te komen:
"Toen mijn vader stierf, liet hij zijn vermogen na aan ons, zijne tweelingzonen, om te verdeelen, gelijk wij zelven met elkander zouden overeenkomen. Er ademt op Gods aarde geen edeler, grootmoediger mensch dan Alfred, wanneer hij met zijne gelijken te doen heeft, en wij schikten die verdeeling van eigendom uitmuntend, zonder een enkel onbroederlijk woord of gewaarwording. Wij namen ons voor, de plantage te zamen te laten bewerken, en Alfred, wiens gestel tweemaal zoo sterk was als het mijne, en die veel meer aanleg voor landbouw en handelszaken bezat, werd met hart en ziel een planter.
"Wat mij betreft, een proeftijd van twee jaren overtuigde mij dat ik in die zaak geen deelgenoot kon blijven. Een troep van zevenhonderd slaven, die ik niet persoonlijk kon kennen en in wie ik geen persoonlijk belang kon stellen, als zoovele ossen te laten opkoopen, voortjagen, stallen, voeden en werken,--terwijl de vraag: hoe weinig van de meest gewone genietingen des levens voldoende waren om hen tot werken in staat te houden, gedurig opnieuw moest overlegd worden; en de noodzakelijkheid van opzichters en drijvers, met hunne eeuwige zweep, de eerste en de laatste, de eenige reden voor alles was--dat geheele ding was mij onuitstaanbaar verdrietig en walgelijk;--en als ik dacht aan de waarde die mijn goede moeder aan eene enkele menschelijke ziel had toegekend, werd het zelfs schrikkelijk voor mij.
"Het is onzin, naar mijn begrip, te willen zeggen dat slaven met dat alles weltevreden zijn. Ik heb nooit de wartaal kunnen uitstaan, die sommigen van uwe Noordlanders, onze vrienden, hebben bijeengelapt om onze zonden te verschoonen. Wij weten het allen wel beter. Zeg mij dat er iemand op de wereld is, die al de dagen van zijn leven, van den dageraad tot den avond, onder het scherpziende oog van een meester verlangt te werken, zonder in eenig opzicht zijn eigen wil te mogen doen, altijd aan denzelfden vervelenden, eentonigen arbeid, en dat alles voor twee broeken en twee paar schoenen in het jaar, met juist genoeg voedsel en huisvesting om hem tot werken in staat te houden; iemand die denkt dat menschelijke wezens op die manier nagenoeg even weltevreden kunnen zijn als op eenige andere--ik wenschte dat hij het eens beproefde! Ik zou den hond koopen en hem met een gerust geweten als slaaf gebruiken."
"Ik heb altijd gemeend," zeide Ophelia, "dat gij allen met die dingen tevreden waart en ze voor recht hieldt--volgens de Schrift."
"Praatjes! Zoover zijn wij nog niet heen. Alfred, die zulk een onverbiddelijke despoot is als er nog ooit leefde, wil zich niet met zulk eene verdediging behelpen. Neen, hij beroept zich trotsch en stout op dat oude eerwaardige recht, het recht van den sterkste; en hij zegt--en ik geloof met reden--dat de Amerikaansche planter alleen maar datgene in een anderen vorm doet, wat de Engelsche aristocraten en kapitalisten met de lagere klassen doen; en dat is naar ik meen: ze zich toeëigenen met lichaam en ziel, om ze tot hun voordeel en genoegen te gebruiken. Hij verdedigt beiden--en mij dunkt dat hij daarin ten minste consequent is. Hij zegt dat er geen trap van beschaving kan bestaan, zonder dat de massa's, hetzij uitdrukkelijk en in naam, hetzij toch inderdaad, slaven zijn. Er moet, zegt hij, eene lagere klasse wezen, die aan lichamelijken arbeid gebonden is en slechts eene dierlijke natuur heeft: en eene hoogere, die daardoor middelen en tijd bekomt om haar verstand te ontwikkelen en hare talenten te volmaken, waarmede zij tevens de ziel en beheerscheres der lagere wordt. Zoo redeneert hij, omdat hij, gelijk ik zeide, een geboren aristocraat is; en ik geloof het dus niet, omdat ik een democraat geboren ben."
"Hoe in de wereld kunnen die twee dingen met elkander vergeleken worden?" zeide Ophelia. "De Engelsche arbeider wordt immers niet verkocht en verhandeld, niet van zijne familie gescheiden, niet gegeeseld?"
"Hij hangt evenzeer van den wil zijns meesters af, alsof deze hem gekocht had. De slavenhouder kan zijn weerspannigen slaaf laten dood geeselen--de kapitalist kan hem laten dood hongeren. Wat de familie betreft, is het moeielijk te zeggen wat erger is: zijne kinderen te zien verkoopen, of hen tehuis te zien honger lijden."
"Maar het is geene rechtvaardiging der slavernij, te bewijzen dat zij niet erger is dan een ander kwaad."
"Ik heb haar ook niet willen rechtvaardigen; ja ik zeg bovendien dat onze schennis van de rechten der menschheid stouter en openlijker is. Een mensch werkelijk te koopen gelijk een paard--zijne tanden te bekijken, zijne gewrichten te laten knappen, hem te laten toonen hoe hij loopt en zich beweegt, en dan zijn prijs te betalen--speculanten, opfokkers, handelaars en makelaars in menschelijke lichamen en zielen te hebben--dat stelt de zaak in eene meer tastbare gedaante voor de oogen der beschaafde wereld, schoon het andere dat men doet in zijnen aard eigenlijk hetzelfde is, namelijk het toeëigenen en gebruiken van de eene klasse van menschen tot voordeel en genoegen eener andere, zonder op hare eigene belangen acht te geven."
"Ik heb de zaak nog nooit in dat licht bezien," zeide Ophelia.
"Wel, ik heb in Engeland gereisd en heb tamelijk veel over den toestand der lagere klassen aldaar gelezen, en ik denk waarlijk dat men Alfred niet kan tegenspreken, als hij zegt dat zijne slaven er beter aan toe zijn dan een groot gedeelte der bevolking van Engeland. Gij moet echter uit hetgeen ik gezegd heb niet opmaken, dat Alfred is wat men een hard meester noemt; want dat is hij niet. Hij is despotiek en ongenadig in geval van weerspannigheid; hij zou een kerel die hem tegenweer bood, met even weinig gewetensknaging doodschieten als een bok; maar over het geheel stelt hij er eene soort van trots in, dat zijne slaven goed gevoed en verzorgd worden.
"Toen ik bij hem was, drong ik er op aan dat hij iets voor hun onderricht zou doen, en om mij te behagen nam hij een kapelaan aan en liet hem des Zondags catechiseeren, hoewel ik geloof dat hij wel bij zich zelven dacht, dat het omtrent evenveel goed zou doen alsof hij een kapelaan bij zijne paarden en honden zette. En het is ook waar, dat er met iemand, die van zijne geboorte af door allerlei schadelijke omstandigheden verstompt en verdierlijkt is, en die zijne werkdagen geheel moet slijten met een arbeid, welke hem geen tijd tot een oogenblik nadenkens laat, in eenige uren op Zondag niet veel kan gedaan worden. De onderwijzers in de zondagsscholen onder de fabrieksbevolking van Engeland en onder de plantage-arbeiders in Amerika zullen misschien _hier_ en _daar_ hetzelfde kunnen getuigen. Maar onder ons bestaan toch eenige treffende uitzonderingen, daar het blijkt dat de neger van nature meer vatbaarheid heeft voor godsdienstig gevoel dan de blanke."
"Maar hoe zijt gij er eindelijk toe gekomen om van de plantage af te zien?" zeide Ophelia.
"Wel, wij tobden eenigen tijd met elkander voort, tot Alfred duidelijk zag dat ik geen planter was. Hij vond het ongerijmd dat ik nog ontevreden was, nadat hij, om zich naar mijne begrippen te voegen, allerlei veranderingen en verbeteringen gemaakt had. Het was dan ook eigenlijk de zaak zelve die ik haatte--het gebruiken van die mannen en vrouwen als onze werkdieren, het onderhouden van onkunde, ruwheid en ondeugd--alleen om geld voor mij te winnen!
"Bovendien was ik daar wezenlijk in den weg. Daar ik zelf een der luiste stervelingen was, had ik veel te veel sympathie voor luiaards; en als dus arme onhandige rekels steenen in hunne katoenmanden legden, om ze zwaarder te doen wegen; of hunne zakken met vuilnis vulden, met wat katoen bovenop, kwam mij dit zoo volkomen hetzelfde voor als wat ik in hunne plaats zou gedaan hebben, dat ik er hen niet voor kon of wilde laten geeselen. Daardoor was er natuurlijk geen orde of tucht op de plantage te houden, en Alfred en ik kwamen omtrent evenver met elkander, als jaren geleden mijn vader met mij gekomen was. Hij zeide mij dus dat ik een verwijfd sentimentalist was en nooit deugen zou om zaken te doen; raadde mij om de bankactiën en het huis te Nieuw-Orleans te nemen, daar verzen te gaan schrijven en hem de plantage over te laten. Zoo scheidden wij ook en ik kwam hier wonen."
"Maar waarom hebt gij uwe slaven niet vrijgelaten?"
"Zoover had ik het nog niet gebracht. Hen houden als gereedschap om geld te winnen, dat kon ik niet; maar hen te houden om mijn geld te helpen verteren, kwam mij zoo kwaad niet voor. Sommigen van hen waren oude huisbedienden, aan wie ik gehecht was, en de jongeren waren de kinderen van de ouden. Allen waren weltevreden als zij mochten blijven."
Hij zweeg en wandelde peinzend de kamer op en neer.
"Er was een tijd in mijn leven," vervolgde hij, "toen ik plan en hoop had om meer in de wereld te doen, dan zoo met den stroom af te drijven. Ik had een onbestemd, nevelachtig verlangen om een soort van emancipator te worden--om mijn vader van die schandvlek te bevrijden. Alle jongelieden, geloof ik, hebben zulke koortsachtige vlagen--maar dan...."
"Waarom deedt gij dat niet?" zeide Ophelia. "Gij moest uwe hand niet aan den ploeg slaan en dan achterwaarts zien."
"Och, het ging niet met mij zooals ik verwacht had, en toen kreeg ik hetzelfde verdriet in het leven dat Salomo kreeg. Ik denk dat zal voor ons beiden noodzakelijk geweest zijn om wijs te worden. Maar hoe dan ook, in plaats van de maatschappij te verbeteren en te hervormen, werd ik een stuk drijfhout en heb mij sedert dien tijd maar laten rondslingeren. Alfred bekijkt mij telkens als wij elkander zien en heeft iets op mij vooruit, dat moet ik bekennen. Zijn leven is een logisch gevolg van zijne denkwijs, het mijne is eene verachtelijke inconsequentie."
"Lieve Neef, hoe kunt gij tevreden zijn met zulk eene manier om uw proeftijd te besteden?"
"Tevreden? Heb ik u niet zooeven gezegd dat ik mijn gedrag verachtte? Maar om weder ter zake te komen--wij waren aan het vrijlaten van slaven. Ik geloof dat mijne manier van doen niet ongemeen is. Ik vind vele menschen, die heimelijk eveneens over de slavernij denken als ik. Het land zucht er onder; en zoo erg als zij voor den slaaf is, zij is, zoo mogelijk, nog erger voor den meester. Men heeft geen bril noodig, om te zien dat eene talrijke klasse van zorgelooze, ondeugende, zedelijk verbasterde menschen onder ons een kwaad is, voor ons zoowel als voor hen. De kapitalisten en aristocraten van Engeland kunnen dat zoo niet doen als wij, omdat zij met de klasse die zij verdrukken niet zoo in aanraking komen als wij doen. De slaven zijn in onze huizen; zij zijn het gezelschap van onze kinderen en hebben meer invloed op hun gemoed dan wij, omdat zij tot eene soort van menschen behooren waaraan kinderen zich altijd hechten. Als Eva niet meer een engel was dan gewoonlijk, zou zij geheel bedorven worden. Wij mochten evengoed de kinderpokken onder hen laten heerschen en denken dat onze kinderen niet besmet worden, als hen ondeugend laten en denken dat dit onzen kinderen geen kwaad zal doen. En toch verbieden onze wetten stellig alle krachtige maatregelen van opvoeding, en dat doen zij met reden; want begin maar eens en geef één geslacht van negers eene goede opvoeding, en het geheele ding vliegt in de lucht. Als wij hun hunne vrijheid niet gaven zouden zij ze nemen."
"En wat denkt gij dat hiervan het einde zal zijn?" zeide Ophelia.
"Ik weet het niet. Eén ding is zeker--over de geheele wereld vereenigen zich de massa's en komen in beweging; en vroeger of later komt er een _dies irae_ [7]. Hetzelfde werkt in Engeland, in geheel Europa en in dit land. Mijne moeder placht mij te spreken van een duizendjarig rijk, dat eens komen zou, wanneer Christus zou heerschen en alle menschen vrij en gelukkig zouden zijn. En toen ik een kind was leerde zij mij bidden: "Uw Koninkrijk kome." Somtijds denk ik dat al dat zuchten en kermen, en die beweging onder de dorre beenderen, datgene voorspelt, wat zij mij placht te zeggen dat komen zou. Maar wie zal den dag zijner toekomst zien?"
"Augustine, somtijds denk ik dat gij niet ver van het Koninkrijk zijt," zeide Ophelia, terwijl zij haar breiwerk neerlegde en haar neef oplettend en met zekere bezorgdheid aanzag.
"Ik dank u voor uwe goede meening; maar het gaat op en neer met mij--op tot aan de poort des hemels, in theorie, neer in het stof der aarde, in practijk. Daar hoor ik de schel om thee te drinken. Laten wij gaan, en zeg nu niet dat ik niet voor eene enkele maal in mijn leven ernstig met u gesproken heb."
Aan de theetafel sprak Marie over het voorgevallene met Prue.
"Gij zult nu wel denken, Nicht," zeide zij, "dat wij allen barbaren zijn."
"Ik denk dat dit iets barbaarsch is," antwoordde Ophelia; "maar ik houd u allen nog niet voor barbaren."
"Och," hervatte Marie, "ik weet zelve wel dat het onmogelijk is met sommigen van die schepsels te recht te komen. Zij zijn zoo slecht, dat zij het leven niet waard zijn. Ik voel geen greintje medelijden in zulke gevallen. Als zij zich maar wel gedroegen, zou het niet gebeuren."
"Maar, Mama," zeide Eva, "het arme schepsel was ongelukkig; dat hielp haar aan den drank."
"Och, gekheid! Alsof dat eene verontschuldiging was! Ik ben ook dikwijls ongelukkig. Ik geloof," zeide Marie peinzend, "dat ik grooter verdriet heb gehad dan zij ooit gehad heeft. Het is maar dat zij zoo slecht van aard zijn. Er zijn sommigen die men met de grootste gestrengheid niet dwingen kan. Ik herinner mij dat mijn vader een man had, die zoo lui was dat hij wegliep, alleen maar om van het werken af te komen, en in de moerassen school en stal en allerlei afschuwelijkheden deed. Die man werd gevangen en gegeeseld, nog eens en nog eens, maar nooit hielp het hem; eindelijk kroop hij weder weg, want hij kon haast niet loopen, en stierf in het moeras. Er was geenerlei reden voor, want mijns vaders volk werd altijd goed behandeld."
"Ik heb eens een kerel getemd," zeide St. Clare, "aan wien al de opzichters en meesters vruchteloos hunne krachten beproefd hadden."
"Gij!" zeide Marie. "Nu, ik zou wel willen weten wanneer gij iets van dien aard gedaan hebt."