Chapter 23
"Welnu, is wol niet evengoed als haar in de oogen des Heeren?" zeide Dina. "Ik zou van mevrouw wel eens willen hooren wie het meeste waard is--een paar zooals gij, of ééne zooals ik. Maakt nu maar dat gij wegkomt; ik wil u niet om mij heen hebben."
Hier werd het gesprek van twee kanten gestoord. Men hoorde boven aan de trap de stem van St. Clare, die Adolf vroeg of hij den geheelen avond met het water dacht uit te blijven; en tegelijk kwam Ophelia er weder aan en zeide:
"Jane en Rosa, waarom staat gij daar uw tijd te verbeuzelen? Gaat aan uw naaiwerk."
Onze vriend Tom, die onder het gesprek met de oude Prue in de keuken was geweest, was haar de straat op gevolgd. Hij zag haar langzaam voortstrompelen, en hoorde haar telkens bij zich zelve brommen en zuchten. Eindelijk zette zij hare mand op eene stoep neer en begon den ouden verschoten doek, die over hare schouders hing, te verschikken.
"Ik zal uwe mand wel een eind ver dragen," zeide Tom medelijdend.
"Waarom zoudt ge?" zeide de oude vrouw. "Ik heb geene hulp noodig."
"Gij schijnt ziek, of droevig, of zoo iets te wezen," zeide Tom.
"Ik ben niet ziek," antwoordde de vrouw kortaf.
"Ik wenschte," zeide Tom, haar ernstig aanziende, "ik wenschte dat ik u kon overhalen om het drinken te laten. Weet gij niet dat het uw verderf zal zijn, naar ziel en lichaam?"
"Ik weet wel dat ik naar de hel ga," zeide de oude vrouw norsch. "Gij behoeft mij dat niet te zeggen. Ik ben slecht, ik ben goddeloos--ik ga recht naar de hel. Och, ik wou dat ik er al was."
Tom huiverde bij die schrikkelijke woorden, die met stroeven, onverschilligen ernst werden uitgesproken.
"O, de Heere zij u genadig, arm schepsel! Hebt gij nooit van Jezus Christus gehoord?"
"Jezus Christus, wie is dat?"
"Wel hij is _de Heere_," zeide Tom.
"Ik heb wel gehoord van den Heere en het oordeel en de hel. Daar heb ik wel van gehoord."
"Maar heeft niemand u ooit van den Heere Jezus gesproken, en gezegd dat Hij onze arme zondaren liefhad en voor ons gestorven is?"
"Daar weet ik niets van," antwoordde zij. "Niemand heeft mij ooit liefgehad sedert mijn oude man dood is."
"Waar zijt gij opgebracht?" vroeg Tom.
"Daar hooger op in Kentucky. Een man hield mij om kinderen voor de markt van mij te krijgen, en verkocht ze zoo gauw ze groot genoeg waren. Eindelijk verkocht hij mij aan een handelaar, en mijn meester kreeg mij van hem."
"Maar wat heeft u aan die slechte gewoonte van drinken gebracht?"
"Om maar uit mijne ellende te komen. Ik kreeg nog een kind nadat ik hier kwam, en toen dacht ik dat ik er een hebben zou om groot te brengen, omdat mijn meester geen koopman was; en mijne meesteres scheen er eerst veel werk van te maken; het schreeuwde nooit en was gezond en vet. Maar mijne meesteres werd ziek en ik paste haar op; toen kreeg ik ook de koorts en ging al mijn zog weg; mijn kind teerde uit tot vel en been en mijne meesteres wilde er geene melk voor koopen. Zij wilde niet naar mij luisteren, als ik zeide dat ik geen zog had. Zij zeide dat ik het wel voeden kon met hetzelfde dat andere lieden aten; en het kind verkwijnde, schreeuwde nacht en dag, en was niets meer dan vel en been; en mijne meesteres kreeg er een hekel aan en zeide dat het niets anders dan stoutigheid was. Zij wenschte dat het dood was, zeide zij, en zij wilde het des nachts niet bij mij laten, omdat het mij wakker hield, zeide zij, en maakte dat ik over dag nergens toe deugde. Ik moest bij haar in de kamer slapen; en ik moest het kind wegzetten op een soort van zoldertje, en eens op een nacht schreeuwde het zich dood. Dat deed het, en toen ging ik aan het drinken om zijn schreeuwen uit mijne ooren te houden. Dat deed ik, en ik wil drinken. Ik wil, en ik wil, al ga ik er naar de hel voor. Meester zegt dat ik naar de hel zal gaan en gepijnigd worden; maar ik zeg dat ik nu toch al gepijnigd word."
"O, gij arm schepsel!" zeide Tom nu. "Heeft dan niemand u ooit gezegd hoe de Heere Jezus u liefhad en dat Hij voor u gestorven is? Hebben zij u niet gezegd dat Hij u ook helpen wil, en dat gij in den hemel kunt komen, en daar eindelijk rust hebben?"
"Ik zie er wel naar uit om in den hemel te komen," antwoordde de vrouw. "Is het daar niet waar de blanken naar toe gaan? Misschien zouden zij mij daar wel willen hebben. Ik ga liever naar de hel, als ik maar van mijnen meester en mijne meesteres afkom--veel liever."
En met haar gewoon brommen en zuchten nam zij hare mand weder op en ging heen.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
GESCHIEDENIS VAN ST.-CLARE.
Tom keerde zich om en ging treurig naar huis terug. Op het binnenplein ontmoette hij de kleine Eva met een bloemenkransje op het hoofd en oogen die van blijdschap straalden.
"O, Tom, zijt gij daar? Ik ben blij dat ik u vind. Papa zegt dat gij de hitjes moogt laten inspannen en mij in een nieuw wagentje laten rijden," zeide zij, hem bij de hand nemende. "Maar wat scheelt u, Tom? Gij ziet zoo ernstig."
"Ik ben geschrikt, Jongejuffrouw Eva," antwoordde Tom droevig.
"Maar zeg mij toch, Tom, wat scheelt er aan? Ik heb u met die brommende oude Prue zien spreken."
Tom verhaalde met ernstige, eenvoudige bewoordingen de geschiedenis dezer vrouw. Eva deed geene uitroeping en schreide ook niet, gelijk andere kinderen zouden gedaan hebben. Hare wangen verbleekten; en haar blik werd donker en strak. Zij legde beide handen op hare borst en slaakte een zwaren zucht.
"Tom, gij behoeft de paarden niet te laten inspannen. Ik wil niet gaan rijden," zeide zij toen.
"Waarom niet, Jongejuffrouw Eva?"
"Die dingen zinken mij in het hart, Tom," antwoordde zij. "Zij zinken mij in het hart," herhaalde zij nog ernstiger. "Ik heb geen lust meer om te gaan rijden." En daarmede keerde zij zich om en ging weder in huis.
Eenige dagen later kwam eene andere vrouw, in plaats van de oude Prue, de beschuitjes brengen. Ophelia was juist in de keuken.
"Wel!" zeide Dina. "Wat scheelt er aan met Prue?"
"Prue komt niet meer," antwoordde de andere vrouw geheimzinnig.
"Waarom niet?" zeide Dina. "Zij is niet dood, is ze?"
"Dat weten wij niet recht. Zij is in den kelder," antwoordde de vrouw met een blik naar Ophelia,
Nadat Ophelia beschuitjes had genomen, ging Dina met de vrouw mede naar de deur.
"Wat is er toch met Prue?" zeide zij.
De vrouw scheen verlangend en toch bevreesd om te spreken en antwoordde op een zachten, geheimzinnigen toon:
"Wel, gij moet het niemand vertellen. Prue is weder dronken geweest--en zij brachten haar in een kelder--en lieten haar daar den geheelen dag; ik hoorde zeggen dat _de vliegen haar hadden beetgekregen_--en nu is zij dood!"
Dina stak hare handen op, en toen zij zich omkeerde, zag zij vlak achter haar de kleine Eva staan, met afgrijzen in hare wijd starende oogen en zonder eenig spoor van kleur op hare wangen.
"De hemel bewaar ons! Jongejuffrouw Eva zal nog flauw vallen. Waarom hebben wij haar zulke dingen laten hooren! Haar papa zal razend wezen!"
"Ik zal niet flauw vallen, Dina," antwoordde het kind op vasten toon. "En waarom zou ik dat niet hooren? Het is voor mij zooveel niet om het te hooren als voor de arme Prue om het te lijden."
"Och, och, zulke teere, zachte juffertjes als gij moesten zulke histories niet hooren. Het is genoeg om ze den dood te doen."
Eva zuchtte wederom en ging langzaam en treurig naar boven.
Ophelia vroeg nu met zekere angstige nieuwsgierigheid wat de vrouw gezegd had. Dina gaf haar een zeer woordenrijk verslag van het gebeurde, waarbij Tom de bijzonderheden voegde, welke hij dien ochtend had vernomen.
"Dat is nu toch iets verschrikkelijks--iets verfoeielijks!" riep Ophelia uit, toen zij de kamer binnentrad waar St.-Clare zijne courant zat te lezen.
"Wel, welke verfoeielijkheid weet gij nu weder?" zeide hij.
"Wat ik weet? Wel, dat volk heeft Prue dood gegeeseld," antwoordde Ophelia, en deelde toen met veel ophef het voorgevallene mede, over welks akelige bijzonderheden zij met verontwaardiging uitweidde.
"Ik dacht wel, dat het eens daartoe komen zou," zeide St.-Clare, zijne courant weder inkijkende.
"Dacht gij dat wel? En zult gij er nu niets meer aan doen?" hervatte Ophelia. "Hebt gij hier geene "hoofdlieden", of iemand om zulke dingen te onderzoeken en zich aan te trekken?"
"Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen een voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne eigene bezittingen te vernielen, weet ik niet wat er aan te doen is. Het schijnt dat die arme vrouw eene dievegge en aan den drank was, en dus kan men niet hopen dat men iemand zal kunnen bewegen om zich aan haar te laten gelegen liggen."
"Het is ontzettend--het is afschuwelijk, Augustine! Het zal zeker eens een oordeel over u brengen."
"Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet verhelpen; ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene, ruwe kerels naar hunnen aard willen handelen, wat zal ik er dan aan doen? Zij hebben onbeperkte macht; zij zijn onverantwoordelijke despoten. Het zou niet baten zich met hen te willen bemoeien; er is geene wet, die in zulk een geval van wezenlijke hulp is. Het beste dat wij kunnen doen is: oogen en ooren sluiten en het maar zoo laten. Dat is het eenige wat ons overschiet."
"Hoe kunt gij oogen en ooren sluiten? Hoe kunt gij zulke dingen zoo maar laten?"
"Maar wat zoudt gij dan willen, lieve Nicht? Hier is eene geheele klasse--verdierlijkt, onkundig, traag, koppig, onhandelbaar--zonder eenige beperkingen of bedingen onder de macht gesteld van menschen gelijk de meeste menschen in de wereld zijn, menschen zonder nadenken of zelfbeheersching, die zelfs hun eigen welbegrepen belang niet in het oog houden--want zoo is het met de grootste helft van 't menschdom gesteld. Wat kan nu in zulk eene maatschappij een man van menschelijk gevoel anders doen, dan zooveel hij kan zijne oogen sluiten en zijn hart verharden? Ik kan alle mishandelde ellendelingen niet koopen. Ik kan geen dolend ridder worden en ondernemen om ieder onrecht in zulk eene stad als deze te herstellen. Het eenige dat ik doen kan is: beproeven om er mij zelven vrij van te houden."
St.-Clare's gezicht bleef voor eene poos betrokken; maar eensklaps zijn vroolijken glimlach hernemende, zeide hij:
"Kom, kom, Nicht, blijf daar niet staan als eene dreigende ongeluksprofetes. Gij hebt nog maar even een hoekje der gordijn opgelicht--nog maar even een proefje er van gezien, hoe het op eene of andere manier door de geheele wereld toegaat. Als wij alle akeligheden van het leven willen opzoeken en beloeren, zullen wij nergens lust meer in hebben. Dat zou hetzelfde zijn alsof men al te nauwlettend de details van Dina's keuken wou bekijken." En St.-Clare strekte zich weder op de sofa uit en ging tevens voort met lezen.
Ophelia zette zich neer, haalde haar breiwerk tevoorschijn en bleef met een gezicht vol barsche verontwaardiging zitten breien; maar terwijl zij breide en peinsde, brandde het vuur in haar binnenste voort en eindelijk barstte zij uit:
"Ik zeg u Augustine, ik kan mij niet over zulke dingen heenzetten, indien gij dat al doen kunt. Het is verfoeilijk van u, zulk een stelsel te verdedigen--zoo denk ik er over."
"Wat nu?" zeide St.-Clare opkijkende. "Begint gij er nog eens over?"
"Ik zeg dat het verfoeielijk van u is, zulk een stelsel te verdedigen," herhaalde Ophelia met toenemende warmte.
"_Ik_ het verdedigen, lieve Juffrouw? Wie heeft ooit gezegd dat ik het verdedigde?" zeide St.-Clare.
"Wel zeker verdedigt gij het--dat doet gij allen--al gij Zuidlanders. Waarom houdt gij slaven, als gij dat niet doet?"
"Zijt gij dan zoo dood-onnoozel, dat gij nog denkt dat iemand op de wereld ooit iets doet dan wat hij voor recht houdt? Doet gij nooit iets, of hebt gij nooit iets gedaan, dat gij niet voor geheel recht houdt?"
"Als ik dat doe heb ik er berouw van, hoop ik," antwoordde Ophelia en liet vinnig hare breinaalden ratelen.
"Ik ook," zeide St.-Clare, onder het schillen van een sinaasappel. "Ik heb er op den duur berouw van."
"Waarom gaat gij er dan mede voort?"
"Zijt gij nooit voortgegaan met kwaad doen, nadat gij er al berouw van hadt, goede Nicht?"
"Welnu, ja, maar alleen als ik in zware verzoeking was," antwoordde Ophelia.
"Welnu, ik ben in zware verzoeking," hervatte St.-Clare. "Dat is juist de moeielijkheid."
"Maar ik neem mij dan altijd voor om het niet meer te doen en beproef ook het te laten."
"Welnu, ik heb mij al tien jaren lang voorgenomen het niet meer te doen," zeide St.-Clare; "maar ik heb mij er toch, hoe dan ook, niet van af kunnen houden. Zijt gij van al uwe zonden afgekomen, lieve Nicht?"
"Neef Augustine," antwoordde Ophelia en legde haar breiwerk neer. "Ik zal het zeker wel verdienen dat gij mijne tekortkomingen bestraft. Ik weet dat het maar al te waar is wat gij zegt, niemand kan dat dieper gevoelen dan ik; maar het komt mij toch voor dat er eenig verschil is tusschen u en mij. Ik geloof dat ik liever mijne rechterhand zou willen afhouwen, dan dag aan dag voortgaan met te doen wat ik voor kwaad hield. Maar niettemin is mijn gedrag zoo weinig overeenkomstig met mijne belijdenis, dat het mij niet verwondert dat gij mij bestraft."
"Och kom, Nicht," zeide Augustine, zich voor haar op den grond zettende en zijn hoofd in haren schoot leggende, "neem het niet zoo geducht ernstig op! Gij weet wel welk een deugniet van een jongen ik altijd geweest ben. Ik heb er liefhebberij in om u te plagen en uw toorn gaande te maken--anders is het niet. Ik weet wel dat gij wanhopig, ontzettend braaf zijt; ik word er bang van als ik er aan denk."
"Maar dat is een ernstig onderwerp, Auguste, mijn jongen," zeide Ophelia, hare hand op zijn voorhoofd leggende.
"Akelig ernstig," zeide St.-Clare, "en ik--maar ik praat niet gaarne ernstig bij warm weder. Met de muskieten en al die dingen gelukt het iemand toch niet eene heel hooge zedelijke vlucht te nemen; en ik geloof--daar vind ik eene theorie," zeide hij, eensklaps opstaande. "Ik begrijp nu de reden, waarom gij Noordelijke natiën altijd deugdzamer zijt dan wij Zuidelijke, ik begrijp nu de geheele zaak."
"O, Augustine, ge zijt toch een ongelukkig loshoofd."
"Ben ik? Nu ja, het zal wel waar zijn; maar voor eene enkele maal wil ik toch eens ernstig wezen, als ge mij eerst dat mandje met sinaasappelen eens aangeeft; want ik moet mij tusschenbeide eens kunnen verfrisschen, als ik mij zoo zal inspannen. Nu begin ik," vervolgde hij, het mandje naar zich toehalende. "Als het in den loop der wereldsche zaken voor iemand noodig wordt, twee of drie dozijn van zijne mede-aardwormen in gevangenschap te houden, vereischt een voegzaam ontzag voor de gevoelens der maatschappij...."
"Ik zie niet dat gij ernstiger wordt," viel Ophelia hierop in.
"Wacht maar--ik kom er toe--gij zult hooren. Om kort te gaan, Nicht," zeide hij, terwijl zijn gezicht eensklaps strak en ernstig werd, "over de slavernij, in het afgetrokkene beschouwd, kan, naar ik meen, slechts één gevoelen bestaan, planters, die er geld mede moeten winnen--geestelijken, die planters naar den mond moeten praten--staatkundigen, die er gezag door willen voeren--mogen de taal en de zedenleer verdraaien en verwringen, zoodat de wereld verbaasd staat over hunne schranderheid; zij kunnen de natuur en den Bijbel, en wat weet ik al meer, in hunnen dienst pressen; maar na dat alles gelooven zij en de wereld toch geen aasje meer er aan. Het komt van den duivel, kortaf gezegd, en naar mijn begrip is het een goed proefje van hetgeen hij in zijn vak doen kan."
Ophelia hield op met breien en zag hem verwonderd aan; St.-Clare, die zich met hare verbazing zeer scheen te vermaken, vervolgde:
"Gij schijnt u te verwonderen; maar als gij mij wilt laten uitspreken, zal ik ronduit zeggen wat ik denk. Die vervloekte zaak, vervloekt door God en menschen, wat is zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek naar hare kern en haren wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn broeder Quashy onkundig en zwak en ik schrander en sterk ben--omdat ik weet hoe ik dat kan doen en de macht heb--daarom mag ik alles stelen wat hij heeft, het behouden, en hem alleen zooveel geven als mij belieft. Al wat te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij is, mag ik Quashy laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy werken. Omdat de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy zal het geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in een modderpoel leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven op aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben, als mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastebij voor wat de slavernij _is_. Ik tart iedereen uit om ons slavenwetboek te lezen, gelijk het in onze wetten staat, en er iets anders van te maken. Men praat van _misbruiken_ der slavernij. Draaierij! De zaak zelve is een gruwelijk misbruik. En de eenige reden waarom het land er niet onder verzinkt, gelijk Sodom en Gomorra, is omdat zij oneindig beter wordt _gebruikt_ dan zij is. Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren, en geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van ons niet--achten wij ons te goed, om de volle macht te gebruiken die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij die het verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de macht, die de wet hem geeft."
St.-Clare was opgestaan en ging met haastige schreden op en neer. Zijn gelaat gloeide door het vurige van zijn gevoel, zijne blauwe oogen flikkerden, en zonder het zelf te weten maakte hij heftige gebaren. Ophelia had hem nog nooit in zulk eene stemming gezien en bleef roerloos zitten, zonder een woord te spreken.
"Ik verklaar u," vervolgde hij, eensklaps voor zijne nicht staan blijvende--"het baat wel niet wat men over de zaak denkt of zegt, maar ik verklaar u toch, er zijn oogenblikken geweest waarop ik dacht dat als het geheele land maar verzonk, en al dat onrecht en die ellende voor het licht verborg, ik gaarne mede wilde verzinken. Als ik met onze stoombooten of door het land heen en weder reisde, om slaven op te koopen, en bedacht dat elken laaghartigen, verdierlijkten kerel, dien ik zag, door onze wetten werd veroorloofd om de absolute despoot te worden van zoovele mannen, vrouwen en kinderen als hij voor zijn met stelen, bedriegen of spelen gewonnen geld kon koopen--als ik zulke kerels werkelijk eigenaars zag van weerlooze kinderen, van jonge meisjes en vrouwen--dan was ik op het punt om mijn land, om het geheele menschdom te vervloeken."
"Augustine! Augustine!" riep Ophelia uit; "nu hebt gij toch zeker genoeg gezegd. Nog nooit in mijn leven heb ik zoo iets gehoord, zelfs niet in het Noorden."
"In het Noorden?" herhaalde St.-Clare, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat eensklaps veranderde en hij een zweem van zijn gewonen onverschilligen toon hernam. "Ba! Gij Noordlanders zijt koud van bloed; gij zijt koel in alles. Gij kunt niet zoo hartelijk vervloeken als wij, wanneer wij er eens toe komen."
"Nu, maar de vraag is...." begon Ophelia.
"O ja, zeker," viel St.-Clare er op in, "de vraag is, en eene lastige vraag is het: Hoe zijt _gij_ in dien staat van zonde en ellende gekomen? Wel, ik zal u antwoorden met de goede oude woorden, die gij mij op Zondagen placht te leeren. Ik ben zoo geworden door de gewone voortplanting des geslachts. Mijne bedienden waren die van mijnen vader, en wat nog meer is, van mijne moeder, en nu zijn zij de mijne, zij en hun nakroost, dat al vrij aanzienlijk is. Mijn vader, gelijk gij weet, kwam uit Nieuw-Engeland; en hij was juist een man als uw vader--een echte oud-Romein, rechtschapen, vurig, edeldenkend en met een ijzeren wil. Uw vader vestigde zich in Nieuw-Engeland, om over rotsen en steenen te heerschen en de natuur zijn onderhoud af te dwingen; de mijne vestigde zich in Louisiana, om over mannen en vrouwen te heerschen en hun zijn onderhoud af te dwingen. Mijne moeder," vervolgde St.-Clare opstaande en naar een portret gaande, waarnaar hij met een blik vol teederheid en eerbied opzag: "Zij was goddelijk. Zie mij maar zoo niet aan: ik weet wel wat gij meent. Waarschijnlijk was zij van sterfelijke geboorte; maar zooveel ik ooit heb kunnen opmerken, had zij geen spoor van menschelijke zwakheid of dwaling; en allen die zich haar nog herinneren, hetzij slaven of vrijen, dienaren, bekenden, en bloedverwanten, allen zeggen hetzelfde. Welnu, Nicht, die moeder is alles geweest, wat jarenlang tusschen mij en een volslagen ongeloof stond. Zij was een aanschouwelijk bewijs van het Nieuwe Testament voor mij, een levend verschijnsel dat verklaard moest worden, en dat op geene andere wijs verklaard kon worden dan door de waarheid dier leer. O moeder, moeder!" riep St.-Clare uit, als in verrukking zijne gevouwen handen opheffende; en toen zich eensklaps bedwingende, kwam hij terug, zette zich op de sofa en vervolgde:
"Mijn broeder en ik waren tweelingen; en men zegt, gelijk gij weet, dat tweelingen op elkander gelijken moeten, maar wij waren in alle opzichten elkanders contrasten. Hij had zwarte vurige oogen, koolzwart haar, sterk sprekende Romeinsche trekken en eene bruinachtige kleur; ik had blauwe oogen, lichtbruin haar, Grieksch profiel en een blanke kleur. Hij was vriendelijk en edelmoedig voor zijne vrienden en gelijken; maar trotsch, heerschzuchtig en hard voor zijne minderen, en geheel onbarmhartig voor alles wat zich tegen hem verzette. Oprecht waren wij beiden, hij uit trotschheid en onversaagdheid, ik uit zekere ideale waarheidsliefde. Wij hielden veel van elkander en hadden toch nu en dan ongenoegen, gelijk het met jongens gewoonlijk gaat; hij was de lieveling van mijnen vader en ik die van moeder.
"Ik had eene ziekelijke gevoeligheid ten aanzien van vele dingen, waarvan hij en mijn vader niets begrepen, zoodat zij daarin onmogelijk met mijn gevoel konden overeenstemmen. Mijne moeder kon dit echter wel, en wanneer ik dus met Alfred twist had of mijn vader mij barsch aankeek, placht ik naar mijne moeders kamer te gaan en bij haar te gaan zitten. Ik herinner mij nog zeer wel hoe zij er altijd uitzag met hare bleeke wangen, hare zachte, ernstige oogen, en haar wit kleed--zij droeg altijd wit--en ik placht altijd aan haar te denken als ik in de Openbaring las van de heiligen, die in fijn linnen, helder wit, gekleed waren. Zij had veel smaak en talent, inzonderheid voor de muziek, en zij was gewoon op het orgel de statige muziek der Katholieke kerk te spelen, en daarbij te zingen met eene stem, welke meer naar die van een engel dan van eene sterfelijke vrouw geleek; en dan legde ik dikwijls mijn hoofd in haren schoot, en schreide en droomde en voelde dingen, waartoe het mij aan woorden ontbrak om ze te zeggen.
"In die dagen had men de zaak der slavernij nog nooit zoo onderzocht als nu, niemand droomde dat er eenig kwaad in stak.
"Mijn vader was een geboren aristocraat. Ik denk dat hij in een vroegeren staat tot de hoogere kringen van geesten moet behoord hebben en al zijn adeltrots had medegebracht; want die zat hem in het bloed, hoewel hij van eene arme en volstrekt niet edele familie was. Mijn broeder was in dit opzicht zijn evenbeeld.