Chapter 22
Op den eersten morgen van haar regentschap stond Ophelia te vier uren op, en nadat zij hare eigene kamer had opgeredderd, gelijk zij, tot groote verbazing der kamermeid, sedert hare aankomst altijd gedaan had, ging zij een krachtigen aanval doen op de kasten en bergplaatsen, waarvan zij de sleutels had.
De provisiekamer, de linnenkasten, de porseleinkast, de keuken en de kelder moesten dien dag eene geduchte inspectie doorstaan. Verborgen dingen der duisternis werden voor het licht gebracht met zoo weinig verschooning, dat de gezagvoersters in de keuken en elders er van versteld stonden, en er niet weinig over "die Noordsche dame" werd gepraat en gemompeld.
De oude Dina, de opperkeukenmeid en de eerste in gezag in dat gedeelte van het huis, was niet weinig vergramd over de vermeende schennis harer privilegiën. Geen baron in den tijd der Magna Charta kon meer verbitterd zijn over de aanmatigingen der kroon.
Dina was op hare manier een origineel, en wij zouden hare nagedachtenis onrecht aandoen, als wij den lezer niet eenig denkbeeld van haar gaven. Zij was eene geboren keukenmeid, evenzeer als Tante Chloe, want het koken is een aangeboren talent van den Afrikaanschen stam; maar Chloe was eene geregelde wel-afgerichte keukenmeid, die hare zaken met orde en overleg verrichtte, terwijl Dina een ongeregeld genie en, gelijk genieën in het algemeen, ten uiterste eigenzinnig en onhandelbaar was.
Gelijk zekere klasse van nieuwe philosofen, verachtte Dina alles wat naar rede en regel geleek, en beriep zich steeds op eene ingeschapen kennis. Daarmede gewapend, was zij onaantastbaar; geen gezag, overreding of opheldering kon haar ooit doen gelooven, dat eenige andere manier beter kon zijn dan de hare, of dat de handelwijs, waaraan zij gewoon was, in het geringste kon gewijzigd worden. Dit was iets waaraan hare oude meesteres, de moeder van Marie, en deze zelve na haar huwelijk hadden toegegeven, daar dit veel gemakkelijker was dan het te bekampen, en zoo had Dina altijd haar eigen zin gedaan. Dit was haar des te eer gelukt, daar zij volmaakt meesteres was in die diplomatische kunst, welke de grootste onderdanigheid van manieren met de grootste hardnekkigheid wat de zaak zelve betreft weet te vereenigen.
Dina was meesteres in de geheele kunst van verontschuldigingen maken in al hare takken. Het was bij haar een stelregel dat eene keukenmeid geen kwaad kan doen; en in eene Zuidelijke keuken vindt de oppervoogdes altijd hoofden en schouders genoeg om alle zonden en zwakheden op te laden, zoodat zij hare onfeilbaarheid ongedeerd houdt. Als een of ander gedeelte van een diner mislukte, waren daarvoor altijd vijftig ontegenzeggelijk goede redenen; het was onloochenbaar de schuld van vijftig andere lieden; welke Dina met onbarmhartigen ijver bekeef.
Doch het was zelden dat er iets mislukt kon heeten van hetgeen door Dina naar de tafel werd gezonden. Schoon de manier waarop zij alles deed, bijzonder omslachtig en langdradig was, en tijd of plaats daarbij in geene aanmerking kwam--schoon hare keuken er doorgaans uitzag alsof alles daar gerangschikt was door een orkaan, die er doorheen had gewaaid, en zij voor elk stuk kookgereedschap omtrent zoovele plaatsen had als er dagen in het jaar waren, kwam toch, als men maar geduld had om haar tijd af te wachten, de maaltijd in volmaakte orde op de tafel, zoo keurig toebereid dat geen epicurist er iets op kon aanmerken.
Het was nu de tijd voor de allereerste toebereidselen voor den maaltijd. Dina, die lange tusschenpoozen van rust en nadenken noodig had, en bij alles zooveel mogelijk gemak zocht, zat op den vloer een kort stompje pijp te rooken, waarvan zij veel hield, en dat zij altijd bij wijze van wierookvat liet branden, als zij voor haren arbeid eenige inspiratie noodig had. Dit was hare manier om de huiselijke muzen aan te roepen.
Om haar heen zaten verscheidene leden van dat opkomende geslacht, dat in een Zuidelijk huishouden zoo talrijk is, bezig met erwten te doppen, aardappelen te schillen, vogels te plukken en andere voorloopige werkzaamheden, terwijl Dina telkens uit haar gepeins opkeek, om met een rolstok, die naast haar lag, een harer jonge helpsters een stomp of een tik op het hoofd te geven. Dina beheerschte inderdaad de jonge leden van het dienstbare gezin als met eene ijzeren roede. Dit was de geest van het stelsel waaronder zij zelve was opgegroeid, en dat zij ook ten volle had aangenomen.
Nadat Ophelia haar hervormingstocht door andere gewesten van haar gebied had volbracht, kwam zij ook in de keuken. Dina had van verschillende kanten gehoord wat er gaande was; en bij zich zelve besloten eene geheel conservatieve en defensieve houding te bewaren, geene nieuwigheden aan te nemen of te laten invoeren, maar toch tot geene werkelijke en zichtbare tegenkanting te komen.
De keuken was een ruim vertrek met een vloer van gebakken tegels, en een grooten ouderwetschen schoorsteen, die aan ééne zijde den geheelen muur besloeg; eene inrichting, welke St.-Clare vruchteloos gepoogd had door eene nieuwerwetsche kookkachel te doen vervangen. Hij had het onmogelijk bevonden Dina zoover te brengen. Hoe meer kastjes en laden er waren, des te meer schuilhoeken kon Dina vinden, om oude doeken, kammen, schoenen, linten, weggeworpen kunstbloemen en andere fraaiïgheden weg te stoppen, waarvoor zij een bijzonderen smaak had.
Toen Ophelia de keuken binnentrad, stond Dina niet op, maar bleef met statige kalmte zitten rooken, nu en dan in de schuinte naar haar kijkende, maar schijnbaar op niets anders lettende dan op het werk om haar heen.
Ophelia begon hare inspectie met een kastje met laden.
"Waar zijn die laden voor, Dina?" zeide zij.
"Die zijn handig voor bijna alle dingen, Juffrouw," was het antwoord.
Zoo bleek het ook te zijn. Uit eene lade haalde Ophelia vooreerst een fijn damasten tafellaken met bloed bevlekt en blijkbaar gediend hebbende om rauw vleesch in te wikkelen.
"Wat is dat, Dina? Gij zult toch de beste tafellakens van uwe meesteres niet om het vleesch heenslaan?"
"O, wel neen, Juffrouw. De handdoeken waren eens allemaal weg--en toen deed ik het maar. Ik heb het daar gelegd, om het te laten wasschen--daarom ligt het daar maar."
"Hoe roekeloos!" zeide Ophelia bij zich zelve, haalde de laden verder uit en vond een muskaatrasp met muskaatnoten, een methodistisch gezangboek, een paar vuile bonte zakdoeken, eenig breiwerk en wat garen, een papiertje met tabak en een kort pijpje, eenige zwermen, een paar porseleinen schoteltjes met pommade, een paar oude schoenen, een stuk flanel, zorgvuldig dichtgespeld en daarin eenige witte uien, verscheidene damasten servetten, eenige grove handdoeken, wat bindgaren en eenige stopnaalden, en verscheidene papiertjes met gaten, waaruit specerijen door de geheele lade waren gestrooid.
"Waar bewaart gij uwe muskaatnoten, Dina?" zeide Ophelia, met een gezicht, alsof zij bij zich zelve om geduld bad.
"Bijna overal, Juffrouw. Er zijn er wat in dien gebarsten trekpot daar boven op, en er zijn er nog wat in die kast daar."
"Er zijn er ook hier in de rasp," zeide Ophelia.
"Och ja, ik heb ze daar van morgen ingedaan. Ik heb mijne dingen gaarne bijdehand," zeide Dina. "Gij, Jake, waarom werkt gij niet voort? Ik zal u raken. Pas op!" vervolgde zij, en deed een stomp met den stok naar de schuldige.
"Wat is dat?" zeide Ophelia, een der schoteltjes met pommade ophoudende.
"Och, dat is vet voor mijn haar. Ik heb het daar gezet om het bijdehand te hebben."
"En gebruikt gij de beste schoteltjes van uwe meesteres daarvoor?"
"Och, dat was maar, omdat ik eens haast had; ik zou ze vandaag verwisseld hebben."
"Hier zijn twee damasten servetten."
"Die heb ik daar gelegd om ze te laten wasschen."
"Hebt gij dan geene vaste plaats voor het goed dat gewasschen moet worden?"
"Ja, meester heeft die kist daarvoor gegeven, zegt hij, maar ik kneed mijne beschuit wel eens daarop en zet er goed op, en dan is het zoo'n omslag om het deksel op te lichten."
"Waarom kneedt gij de beschuit niet daar op de tafel?"
"Och, Juffrouw, die staat altijd zoo vol schotels en allerlei dingen, dat er nooit plaats op is."
"Maar gij moest uwe schotels wasschen en wegzetten."
"Mijne schotels wasschen?" zeide Dina op hoogen toon, daar thans hare gramschap sterker werd dan haar ontzag. "Wat de dames van het werk weten, dat zou ik wel eens willen weten. Wanneer zou meester ooit zijn eten krijgen, als ik mijn tijd moest verslijten met schotels wasschen en wegzetten? Miss Marie," zoo noemde zij hare meesteres nog, gelijk zij gewoon was haar vóór haar huwelijk te noemen, "heeft mij nooit iets daarvan gezegd."
"Zoo! En hier zijn die uien."
"Och, ja," zeide Dina. "Daar heb ik ze geborgen. Ik kon het mij niet bezinnen. De uien had ik juist voor dezen ragout bewaard. Ik had vergeten dat ze in dien ouden lap waren."
Nu nam Ophelia de papiertjes met specerijen op.
"Ik wou dat de juffrouw daar niet aan wilde komen," zeide Dina tamelijk stout. "Ik houd mijne dingen gaarne waar ik weet waar ik ze vinden kan."
"Maar ge hebt toch geene gaten in de papieren noodig."
"Dat is handig om uit te strooien," zeide Dina.
"Maar gij ziet wel, dat het door de geheele lade morst."
"Nu ja, als de juffrouw alles zoo overhoop wil halen, dan doet het dat. De juffrouw heeft al een heelen boel gemorst," zeide Dina, onrustig naar de lade komende. "Als de juffrouw maar naar boven wil gaan tot de opruimtijd komt, dan zal ik alles in orde hebben; maar ik kan niets doen, als er dames om mij heen zijn en mij hinderen. Gij, Sam, geef dat kind den suikerpot niet. Ik zal je een tik geven, als ge niet oppast."
"Ik zal de keuken rondgaan, Dina, en alles voor eens in orde brengen; en dan verwacht ik dat gij het zoo houden zult."
"Wel, Juffrouw Phelia, dat is geene manier voor dames om te doen. Ik heb nooit dames zoo iets zien doen, mijne oude meesteres en Miss Marie hebben het nooit gedaan en ik zie ook niet in dat het noodig is."
Dina bleef met verontwaardiging op een afstand, terwijl Ophelia schotels en borden sorteerde; een dozijn hier en daar verspreide suikerpotten in één pot ledigde; servetten, tafellakens en handdoeken bij elkander zocht om te laten wasschen, en eigenhandig alles schoonmaakte en wegzette met een spoed, waarover Dina geheel verbaasd stond.
"Nu, als dat de manier is waarop de Noordsche dames doen, dan zijn zij geene dames," zeide zij tot eenige harer satellieten, toen zij gerust was dat niemand anders het hooren zou. "Ik heb alles zoo goed in orde als iemand, als mijn opruimtijd komt; maar ik wil geene dames om mij heen hebben, die mij in den weg loopen en al mijne dingen zetten waar ik ze niet vinden kan."
Om Dina recht te doen moeten wij zeggen, dat zij op geregelde tijden vlagen van zindelijkheid en orde had, die zij hare "opruimtijden" noemde. Dan ging zij met grooten ijver aan het werk, haalde alle kasten en laden op den vloer en de tafels uit, en maakte de gewone verwarring nog zevenmaal erger; vervolgens stak zij haar pijpje aan, ging op haar gemak den boel aanzien en bedenken en overleggen hoe alles moest geschikt worden; liet hare helpsters alles boenen en schuren, hield alles eenige uren lang in de grootst mogelijke opschudding en verklaarde deze drukte aan allen, die naar de reden vroegen, door te zeggen dat zij "opruimde."--"Zij kon den boel niet zoo laten loopen als het ging, en zou dat jonge goed beter orde leeren houden," want Dina streelde zich met den waan, dat zij zelve de orde in eigen persoon was en het slechts aan "het jonge goed en anderen" was te wijten, dat in dit opzicht de keuken beneden de volmaaktheid bleef. Wanneer al het kopergoed blinkend was geschuurd en de tafels sneeuwwit waren geboend, en alles wat aanstootelijk kon zijn, in hoeken en gaten was gestopt, kleedde Dina zich netjes aan, met een schoon voorschoot en zwierigen bonten tulband, en zeide het stroopende jonge goed dat het uit de keuken moest blijven, want dat alles nu in orde moest gehouden worden. Deze tijdperken waren zelfs een ongemak voor het geheele huisgezin; want Dina kreeg dan zulk eene overdreven gehechtheid aan haar blinkend keukengereedschap, dat zij het tot niets hoegenaamd weder wilde laten gebruiken, ten minste totdat het vuur van den "opruimtijd" weder verflauwd was.
Ophelia had na weinige dagen alles in huis op een geregelden voet gebracht; maar in die opzichten, waarin het gevolg harer bemoeiïngen van de medewerking der bedienden afhing, geleek haar arbeid naar dien van Sisyphus of der Danaïden. Eens deed zij wanhopig haar beklag bij St.-Clare.
"Het is niet mogelijk," zeide zij, "iets wat naar orde en regel gelijkt in dit huishouden te brengen."
"Dat is het ook niet," antwoordde St.-Clare.
"Zulk een roekeloosheid, zulk een vermorsen van allerlei dingen, zulk een ongeregeldheid heb ik nog nooit gezien."
"Dat zult ge zeker wel niet."
"Gij zoudt dat niet zoo koel opnemen als gij eene huishoudster waart."
"Lieve Nicht, gij moogt wel voor eens en altijd hooren dat wij meesters in twee klassen zijn verdeeld: de onderdrukkers en de onderdrukten. Wij, die goedaardig zijn en een afkeer van gestrengheid hebben, moeten vrij wat onaangenaams voor lief nemen. Als wij tot ons gerief een troep domme, loszinnige, onbedreven dienaren willen houden, dan moeten wij ook de gevolgen daarvan dragen. Ik heb eenige zeldzame voorbeelden gezien van menschen, die door een bijzonder talent, zonder gestrengheid orde kunnen houden; maar ik behoor daar niet onder, en ik heb dus reeds lang geleden het besluit genomen om het maar te laten loopen gelijk het kan. Ik wil de arme duivels niet laten ranselen en dat weten zij; en daardoor hebben zij natuurlijk het heft in handen."
"Maar geen tijd, geene plaats, geen regel te hebben, alles maar zoo in de war te laten loopen...."
"Lieve Nicht, gij goede lieden, die bij de Noordpool woont, hecht eene buitensporige waarde aan den tijd. Wat op de wereld heeft de tijd te beduiden voor iemand, die er tweemaal zooveel van heeft als hij er iets mede weet uit te richten? Wat orde en regel betreft, als men niets anders te doen heeft dan op de sofa te luieren en wat te lezen, is het niet van groot belang of men een uur vroeger of later ontbijt en dineert. Nu bezorgt Dina toch een heerlijk diner--soep, ragout, gebraad, dessert, roomijs en alles--en dat schept zij uit een chaos daar in de keuken. Ik vind hare manier van doen inderdaad subliem. Maar, lieve hemel, als wij nu naar beneden gaan en haar onder den vuilen verwarden boel met haar stompje pijp op den grond zien zitten, moeten wij maar nooit meer eten. Absolveer u zelve daarvan, lieve Nicht. Het is erger dan een Roomsche penetentie en van even weinig nut. Gij zult maar uit uw humeur raken en Dina geheel in de war brengen. Laat haar maar haar eigen gang gaan."
"Maar, Augustine, gij weet niet hoe ik alles gevonden heb."
"Weet ik het niet? Weet ik niet dat de rolstok onder haar bed ligt, en het muskaatraspje bij hare tabak in haren zak zit--dat er vijf en zestig verschillende suikerpotten zijn in alle hoeken en gaten van het huis--dat zij de schotels den eenen dag met een servet wascht, en den anderen dag met een lap van een ouden rok? Maar het einde van alles is dat zij uitmuntende diners op tafel brengt en heerlijke koffie zet; en gij moet haar beoordeelen gelijk men veldoversten en staatslieden beoordeelt, naar den uitslag."
"Maar de verspilling--de onkosten!"
"Och ja. Sluit alles weg wat gij kunt wegsluiten. Geef bij kleine porties uit en vraag nooit naar overschotjes--dat is het beste."
"Maar er is iets dat mij onrustig maakt, Augustine. Ik kan niet nalaten te denken dat die bedienden niet eerlijk zijn. Zijt gij wel zeker dat men hen vertrouwen kan?"
Augustine lachte schaterend over het ernstige en benauwde gezicht, waarmede Ophelia deze vraag deed.
"O, Nicht, dat is al te koddig. Eerlijk!--alsof men zoo iets verwachten kon. Eerlijk!--Wel zeker zijn ze dat niet. Waarom zouden zij dat wezen? En wat op de wereld zou het hen maken?"
"Waarom leert gij hun dan niet beter?"
"Leeren! Kom, kom, gekheid. Hoe zou ik hun iets kunnen leeren, denkt gij? Daar ben ik wel de man naar. Wat Marie betreft, zij is zeker driftig genoeg om eene geheele plantage dood te slaan als men haar begaan liet; maar het bedriegen zou zij hun toch niet afwennen."
"Zijn er dan geene eerlijke?"
"Nu en dan wel eens een, wien de natuur zoo onhandelbaar, onnoozel, braaf en trouw heeft gemaakt, dat de slechtste voorbeelden hem niet bederven kunnen. Maar ziet ge, van de moederborst af leert het gekleurde kind dat hem geene andere dan slinksche wegen openstaan. Hij kan anders met zijne ouders, zijne meesters en zijne kleine meestertjes en meesteresjes, die tegelijk zijne speelkameraden zijn, volstrekt niet voort. List en bedrog worden hem tot noodzakelijke, onmisbare gewoonten. Het is niet billijk iets anders van hen te verwachten. Zij behooren er niet voor gestraft te worden. Wat eerlijkheid betreft, de slaaf wordt in zulk een afhankelijken, halfkinderlijken staat gehouden, dat men hem geen denkbeeld van het recht van eigendom kan geven, en niet kan doen voelen dat het goed van zijnen meester hem niet toebehoort, als hij het zich kan toeëigenen. Wat zoo iemand als dien Tom aangaat--hij is een zedelijk mirakel."
"En wat wordt er dan van hunne zielen?" zeide Ophelia.
"Dat is mijne zaak niet, zoover ik weet," antwoordde St.-Clare. "Ik heb alleen met de zaken van het tegenwoordige leven te doen; en om de waarheid te zeggen, men denkt vrij algemeen dat zij in deze wereld ten onzen voordeele aan den duivel zijn overgegeven, hoe het dan in de andere met hen mag afloopen."
"Maar dat is afschuwelijk," zeide Miss Ophelia. "Gij moest u schamen."
"Dat weet ik nog niet. Wij staan zoo tamelijk met anderen gelijk, zooals de menschen over het geheel zijn," zeide St-Clare. "Zie maar naar grooten en geringen over de geheele wereld en het is overal eveneens; de lagere klassen met lichaam en ziel ten voordeele der hoogere gebruikt en versleten; zoo is het in Engeland, zoo is het overal; en toch staat het geheele christendom versteld en gloeit van edele verontwaardiging, omdat wij dezelfde dingen in een eenigszins anderen vorm doen dan zij."
"In Vermont is het zoo niet."
"Nu ja, in Nieuw-Engeland en de vrije Staten zijt gij ons vooruit; dit geef ik toe. Maar daar hoor ik de klok; laten wij dus voor eene poos onze geschillen en vooroordeelen aan kant zetten, lieve Nicht, en gaan dineeren."
Toen Ophelia laat in den namiddag weder in de keuken was, riepen eenige van de zwarte kinderen: "O, daar komt Prue aan, brommende en knorrende, zooals zij altijd doet."
Eene lange, beenderige, gekleurde vrouw, kwam met eene mand vol beschuitjes en warme broodjes op het hoofd, de keuken binnen.
"Zoo, Prue, zijt gij daar?" zeide Dina.
Prue's gezicht had eene bijzonder kwaadaardige uitdrukking en hare stem een norschen, brommenden toon. Zij zette hare mand op den grond en zich zelve daarbij op de hurken, met de ellebogen op de knieën, en zeide:
"Och! ik wou dat ik maar dood was!!"
"Waarom wenscht gij om maar dood te zijn?" zeide Ophelia.
"Dan zou ik uit mijne ellende wezen," antwoordde de vrouw stuursch en zonder hare oogen op te slaan.
"Wat behoeft gij u ook dronken te drinken en altijd slaag te krijgen, Prue?" zeide een opgeschikt kamermeisje, eene quadrone, en liet onder het spreken hare koralen oorbellen bengelen.
De vrouw zag haar met een stuurschen blik aan.
"Misschien zult gij er ook wel eens toe komen," zeide zij. "Ik zou blijde zijn als ik het zag, dat zou ik. Dan zoudt gij ook verlangen, zooals ik, naar een droppel om uwe ellende te vergeten."
"Kom, Prue," zeide Dina. "Laat uwe beschuitjes zien. De juffrouw zal ze betalen."
Ophelia nam er een paar dozijn van.
"Daar zijn nog eenige loodjes in de gebarsten kan op de bovenste plank," zeide Dina. "Klim eens op een stoel en geef ze haar aan."
"Loodjes--waar zijn die voor?" zeide Ophelia.
"Wij koopen loodjes van haren meester en zij geeft ons brood daarvoor."
"En zij tellen mijn geld en mijne loodjes als ik tehuis kom, en als het niet uitkomt slaan ze mij halfdood."
"Dat is uw verdiende loon," zeide Jane, het snibbige kamermeisje, "als gij hun geld besteedt om u dronken te drinken; en dat doet zij, Juffrouw."
"En dat _wil_ ik doen; ik kan anders niet leven; ik moet drinken en mijne ellende vergeten."
"Het is zeer slecht en dwaas van u," zeide Ophelia, "dat gij uw meesters goed steelt, om u zelve tot een redeloos dier te maken."
"Dat mag wel zoo zijn, Juffrouw; maar ik wil het toch doen--ja, ik wil. Och, ik wou dat ik maar dood was, dat doe ik. Ik wou dat ik maar dood was en uit mijne ellende."
Zij stond stijf en langzaam op en zette hare mand weder op haar hoofd, maar eer zij heenging keerde zij zich naar het kamermeisje, dat nog met hare oorbellen stond te spelen.
"Gij denkt," zeide zij, "dat gij machtig mooi daarmee zijt, en vrij uw hoofd in den nek kunt werpen en op iedereen neerzien. Nu, dat komt er niet op aan--gij kunt nog wel een oud, afgebeuld schepsel worden, zooals ik. Ik hoop dat de Heere dat doen zal; en zie dan of gij niet drinken zult--drinken--drinken--u zelve naar de hel drinken; en dat zal uw verdiende loon zijn--oe!" En met een kwaadaardig geluid ging zij heen.
"Dat misselijke oude beest!" zeide Adolf, die in de keuken was gekomen om scheerwater voor zijnen meester te halen. "Als ik haar meester was, zou ik haar nog erger laten afzweepen."
"Dat zoudt ge niet eens kunnen," zeide Dina. "Haar vel kan nooit meer genezen."
"Ik vind dat men zulke gemeene schepsels niet bij fatsoenlijke huishoudens moest laten rondgaan," zeide Jane. "Wat denkt gij daarvan, Mijnheer St.-Clare?" vervolgde zij, coquet haar hoofdje naar Adolf omdraaiende.
Onder de dingen, welke Adolf zich van zijnen meester had toegeëigend, behoorde ook zijn naam, en in de gekleurde kringen van Nieuw-Orleans was hij algemeen als Mr. St.-Clare bekend,
"Zekerlijk ben ik van uw gevoelen, Juffrouw Benoir," antwoordde Adolf.
Benoir was de naam der familie van Marie St.Clare, en Jane behoorde onder hare lijfbedienden.
"Lieve Juffrouw Benoir, mag ik vragen of die oorbellen voor het bal van morgenavond bestemd zijn? Zij zijn waarlijk betooverend."
"En ik ben waarlijk benieuwd, Mijnheer St.-Clare, hoever gij heeren de vrijpostigheid drijven zult," en zij schudde haar hoofdje dat hare oorbellen wederom bengelden. "Ik zal den geheelen avond niet met u dansen, als gij mij nog zoo iets vraagt."
"O, zoo wreed zult ge toch niet zijn. Ik was juist zoo verlangend om te weten of gij uw rose kleedje zoudt aan hebben," zeide Adolf.
"Wat is er?" zeide Rosa, eene kleine, pikante quadrone, die juist de trap kwam aanwippen.
"Wel, die mijnheer St.-Clare is zoo onbeschaamd."
"Op mijne eer," zeide Adolf, "ik wil het juffrouw Rosa laten beslissen."
"Ik weet wel dat hij een ondeugend schepsel is," zeide Rosa, zich op een harer nette voetjes wiegende en Adolf schalkachtig aankijkende.
"Hij maakt mij altijd kwaad op hem."
"O Dames, Dames, gij zult met u beiden mijn hart nog breken," zeide Adolf. "Ik zal eens op een ochtend dood in mijn bed worden gevonden en dat zult gij te verantwoorden hebben."
"Hoor dien ondeugd eens aan!" riepen beide dames en schaterden van het lachen.
"Kom, maakt maar dat gij voortkomt," zeide Dina nu. "Ik kan dat gebabbel in de keuken niet velen. Gij loopt mij maar in den weg met uwe zotternij."
"Tante Dina is knorrig, omdat zij niet mede naar het bal kan gaan," zeide Rosa.
"Ik wil niet met uw lichtkleurige bals te maken hebben," antwoordde Dina. "Gij wilt u verbeelden dat gij blanken zijt, en gij zijt toch maar negers, zoo goed als ik."
"Tante Dina smeert zich het haar wel alle dagen met vet om het glad te doen worden," zeide Jane.
"En het blijft toch maar wol," voegde Rosa er bij, en schudde spottend hare lange zijden krullen.