Chapter 21
"Zoo, daar zijn wij allen," zeide Phineas, over de borstwering kijkende naar de vervolgers, die gedeeltelijk de rots opklauterden, gedeeltelijk beneden bleven staan. "Laten zij ons maar krijgen als zij kunnen. Die hier komen, moeten een voor een tusschen de rotsen door, onder bereik van uwe pistolen; ziet ge wel, jongens?"
"Ik zie het," antwoordde George; "en daar de zaak ons alleen aangaat, zoo laat ons het gevaar op ons nemen en alleen vechten."
"Ik gun u het vechten wel alleen, George," zeide Phineas, eenige bessenbladeren kauwende, onder het spreken, "maar ik zal toch wel de aardigheid mogen hebben van toe te kijken, zou ik denken. Maar zie, die kerels staan daar beneden te overleggen, en kijken naar omhoog, gelijk kippen als zij naar hare slaapplaats opvliegen. Zou het niet beter zijn een woordje van goeden raad te geven eer zij komen, om hun eerlijk te waarschuwen dat er op hen geschoten zal worden, als zij dat doen?"
De troep beneden, thans in het licht van den aanbrekenden dag duidelijk zichtbaar, bestond uit onze oude bekenden, Tom Loker en Marks met twee constabels, en eenige kerels die zich in de laatste herberg door wat brandewijn hadden laten bewegen om vermaakshalve mede op de jacht te gaan.
"Wel, Tom, het wild is in de val," zeide een van hen.
"Ja, ik zag ze recht hierop gaan," antwoordde Tom, "en daar is een pad. Ik ben er voor om terstond op hen af te gaan. Zij kunnen toch niet in eens naar beneden springen, en het zal niet lang duren of wij vinden ze."
"Maar Tom, zij kunnen wel achter de rotsen op ons vuren," zeide Marks, "en dat zou leelijk zijn."
"Ba!" zeide Tom smalend. "Gij wilt altijd uw huid sparen, Marks. Maar geen gevaar! Negers zijn veel te laf."
"Ik weet niet waarom ik mijne huid niet zou sparen," antwoordde Marks. "Het is het beste wat ik heb, en negers vechten somtijds als duivels."
Op dit oogenblik verscheen George op den top der rots boven hen en zeide met eene heldere en vaste stem:
"Heeren, wie zijt gij daar beneden en wat zoekt gij hier?"
"Wij zoeken een troep weggeloopen negers," antwoordde Tom Loker. "Zekeren George Harris en Eliza Harris en hun zoon, en Jim Selden en eene oude vrouw. Wij hebben de officieren hier en eene volmacht om hen te vatten; en wij zullen hen krijgen ook. Hoort gij wel? Zijt gij George Harris niet, die aan Mr. Harris van Kentucky behoort?"
"Ik ben George Harris. Zekere Mr. Harris van Kentucky noemde mij eens zijn eigendom. Maar nu ben ik een vrij man en sta op Gods vrijen grond, en mijne vrouw en mijn kind behooren mij toe. Jim en zijne moeder zijn hier. Wij hebben wapenen om ons te verdedigen en dat zullen wij ook doen. Gij kunt naar boven komen als gij wilt; maar de eerste van u, die binnen bereik van onze kogels komt, is een lijk, en de volgende ook, en zoo voort tot den laatsten toe."
"Och, kom, kom!" zeide een kort, zwaarlijvig manneke, naar voren komende, en terwijl hij dit deed zijn neus snuitende: "Jonkman, dat is eene taal die u geheel niet past. Gij ziet, wij zijn officieren van justitie. Wij hebben de wet op onze zijde, en de macht en zoo voort. Gij zult dus best doen met u vreedzaam over te geven, ziet ge, want gij moet het toch eindelijk zeker opgeven."
"Ik weet zeer wel, dat gij de wetten de macht op uwe zijde hebt," antwoordde George met bitterheid. "Gij meent mijne vrouw te Nieuw-Orleans te gaan verkoopen, en mijn kind als een kalf in het hok van een handelaar op te sluiten, en Jims oude moeder weer naar dien beestachtigen kerel te brengen, die haar te voren mishandeld heeft omdat hij haar zoon niet mishandelen kon. Gij wilt Jim en mij terugbrengen, om gemarteld en getrapt te worden onder de voeten van hen die zich onze meesters noemen, en uwe wetten zullen dat goedkeuren--des te meer schande voor u en uwe wetten. Maar gij hebt ons nog niet. We erkennen uwe wetten niet, wij erkennen uw land niet, wij staan hier onder Gods hemel als vrije lieden, gelijk gij zijt; en bij den grooten God die ons geschapen heeft, wij zullen voor onze vrijheid vechten tot wij sterven."
George stond in het volle gezicht zijner vijanden boven op de rots, toen hij deze verklaring van onafhankelijkheid aflegde; de gloed van den dageraad leende een blos aan zijne gebruinde wangen, en verontwaardiging en wanhoop gaven vuur aan zijne donkere oogen; en alsof hij zich van de menschen op de rechtvaardigheid Gods beriep, hief hij onder het spreken zijne hand ten hemel op.
Als hij nu maar een jeugdig Hongaar geweest was, die in eene bergvesting den aftocht der vluchtelingen beveiligde, welke uit hun vaderland in Amerika eene wijkplaats wilden zoeken, dan zou dit eene verhevene heldhaftigheid zijn geweest; maar nu hij een jonkman van Afrikaansche afkomst was, die vluchtelingen uit Amerika naar Canada verdedigde, zijn wij natuurlijk te wel onderwezen en te patriotsch, om daarin eene heldhaftigheid te zien; en indien iemand van onze lezers dit doet, moet hij het op zijne eigene verantwoordelijkheid doen. Indien wanhopige Hongaarsche vluchtelingen, tegen het gezag, ondanks de nasporingen hunner wettige regeering naar Amerika ontsnappen, weergalmen de drukpers en het politieke kabinet van toejuichingen en welkomstgroeten. Indien wanhopige Afrikaansche vluchtelingen hetzelfde doen--dan is het--wat is het dan?
Dat zij gelijk het wil, zeker is het dat de houding, de oogen en de stem van den spreker den troep beneden voor een oogenblik tot stilte brachten. Vastberadene stoutmoedigheid heeft iets dat zelfs het ruwste gemoed voor eene poos ontzag inboezemt. Marks was de eenige die geheel ongetroffen bleef. Hij spande bedaard den haan van zijn pistool, en in het oogenblik van stilte, dat op de toespraak van George volgde, gaf hij vuur op hem.
"Gij begrijpt wel, gij krijgt dood of levend evenveel voor hem in Kentucky," zeide hij koeltjes, en veegde zijn pistool op zijne mouw af.
George sprong achteruit--Eliza gaf een gil--de kogel was bijna door zijne haren en dicht langs de wang zijner vrouw gegaan.
"Het is niets, Eliza," zeide George snel.
"Gij moest liever uit het gezicht blijven, als gij aanspraken houdt," zeide Phineas. "Zij zijn gemeene schurken."
"Zie nu of uwe pistolen in orde zijn, Jim," zeide George, "en pas met mij op de engte. Op den eerste die zich vertoont geef ik vuur; gij neemt den tweede en zoo verder. Het zou niet gaan, weet ge, twee schoten kruit aan één te verspillen."
"Maar als gij niet raakt?"
"Ik zal raken," antwoordde George koelbloedig.
"Goed zoo! Dat is een jongen die hart heeft," prevelde Phineas binnensmonds.
De troep beneden bleef, toen Marks gevuurd had, voor eene poos eenigszins besluiteloos staan.
"Ik ben er voor om recht op hen af te gaan," zeide Tom. "Ik ben nooit bang voor negers geweest, en dat wil ik nu ook niet worden. Wie volgt mij?" riep hij en sprong tegen de rots op.
George hoorde deze woorden duidelijk. Hij haalde een pistool te voorschijn, bezichtigde die nog eens en richtte haar naar dat punt der engte, waar de eerste man zich vertoonen moest.
Een der dapperste van den troep volgde Tom en toen aldus het voorbeeld gegeven was, begonnen allen tegen de rotsen op te klauteren, terwijl de achtersten de voorsten sneller voortduwden, dan zij uit zich zelven wel zouden gestapt hebben. Zoo kwamen zij aan, en een oogenblik later vertoonde zich de breede gestalte van Tom bijna aan den rand der kloof.
George gaf vuur--de kogel trof Tom in de zijde, doch hoewel gekwetst, wilde hij niet terugdeinzen, maar met een brullenden kreet als van een razenden stier deed hij een sprong, die hem over de kloof onder de vluchtelingen zou gebracht hebben.
"Vriend," zeide Phineas, eensklaps vooruitkomende en hem met zijne lange armen een duw gevende, "gij zijt hier niet noodig."
Tom stortte in de kloof en tuimelde tusschen de krakende takken van boomen en struiken door, tot hij, dertig voet diep, op de afgebrokkelde steenen bleef liggen. Deze val zou hem het leven hebben gekost als hij niet daardoor gebroken was, dat zijne kleeren aan de takken van een grooten boom bleven haken; hij kwam echter nog met tamelijk veel kracht neer--met meer kracht dan hem eenigszins aangenaam was.
"Heere help ons! Zij zijn baarlijke duivels!" zeide Marks en stoof vooruit de rots weder af, veel gewilliger dan hij mede was opgeklommen. Al de anderen volgden hem met even grooten spoed, die den dikken constabel inzonderheid deed blazen en hijgen.
"Hoort eens, jongens," zeide Marks. "Ge moest omloopen en Tom opnemen, terwijl ik naar mijn paard ga en terugrijd om hulp te halen."
En zonder zich aan de smaadwoorden en het uitjouwen zijner makkers te storen, deed Marks wat hij gezegd had en reed weldra in galop heen.
"Heb ik ooit zulk een laffen schobbejak gezien?" zeide een van den troep. "Wij komen hier voor zijne zaken, en hij loopt weg en laat ons hier in den steek."
"Nu, wij moeten zijn kameraad toch gaan opzoeken," zeide een ander; "maar ik mag verd..d zijn, als het mij veel schelen kan of hij levend of dood is."
Op het geluid afgaande, klauterden en kropen zij door struiken, stronken en steenen heen, tot zij aan de plek kwamen waar onze held beurtelings lag te vloeken en te kermen.
"Gij laat u tamelijk hard hooren, Tom," zeide er een. "Zijt ge erg bezeerd?"
"Dat weet ik niet. Neemt mij maar op als gij kunt. De duivel haal dien helschen kwaker. Was hij er niet geweest, dan zou ik een van den troep hier naar hebben gesmeten, om te zien hoe dat hun aanstond."
Met veel moeite en gekerm werd de gevallen held opgeholpen, en hem onder de armen vasthoudende, brachten zij hem tot bij de paarden.
"Als ge mij maar naar die herberg terug kunt brengen. Geeft mij een zakdoek of zoo iets om hier in te stoppen en dat duivelsch bloeden te stuiten."
George keek over de rotsen heen en zag hen beproeven om den loggen Tom op een paard te tillen. Na een paar vruchtelooze pogingen zwaaide hij duizelend om en viel met een slag op den grond.
"O, ik hoop maar dat hij niet dood is," zeide Eliza, die nu met al de anderen stond toe te zien.
"Waarom?" zeide Phineas. "Het zou niet meer dan zijn loon zijn."
"Omdat na den dood het oordeel komt," antwoordde Eliza.
"Ja," zeide de oude vrouw, die onder al het voorgevallene op hare methodisten-manier had zitten kermen en bidden, "dat zou ontzaglijk wezen voor de ziel van dat arme schepsel."
"Op mijn woord, zij laten hem liggen, geloof ik," zeide Phineas.
Dit was de waarheid, want na eenig beraad stegen al de anderen te paard en reden heen. Toen zij uit het gezicht waren, achtte Phineas het raadzaam ook niet langer te toeven.
"Wij moeten afklimmen en een eind te voet gaan," zeide hij. "Ik heb Michael gezegd dat hij moest doorrijden en hulp halen en hij zal spoedig met den wagen terug zijn, maar wij zullen hem een eind wegs te gemoet dienen te gaan. De Heere geve dat hij spoedig kome! Het is nog vroeg op den dag, en er zullen nog niet veel voetgangers op den weg zijn. Wij zijn niet veel verder dan een paar mijlen van onze rustplaats af. Als de weg verleden nacht niet zoo heel slecht was geweest, zouden wij hun geheel zijn ontkomen."
Toen de vluchtelingen het hek langs den weg naderden, zagen zij in de verte hun eigen wagen weder aankomen, door eenige mannen te paard vergezeld.
"Zoo, daar is Michael en Stephen en Amariah," riep Phineas met blijdschap uit. "Nu zijn we behouden--zoo goed alsof wij daar al waren."
"Maar blijf dan nog even," zeide Eliza, "en doet iets voor dien armen man. Hij kermt zoo akelig."
"Het zou niet meer dan christelijk wezen," zeide George. "Laten wij hem maar optillen en medenemen"
"En hem onder de kwakers genezen!" zeide Phineas. "Dat zou wel aardig zijn. Nu, ik heb er niets tegen. Maar laten wij eerst eens naar hem gaan kijken."
En Phineas, die in zijn jagersleven eenige ondervinding in de chirurgie had opgedaan, knielde bij den gekwetste neer en begon zorgvuldig zijn toestand te onderzoeken.
"Marks," zeide Tom met eene flauwe stem, "zijt gij dat Marks?"
"Neen, dat is niet te denken, vriend," antwoordde Phineas. "Hoeveel Marks van u houdt, hij houdt toch meer van zijne eigene huid. Hij is al lang voort."
"Ik geloof dat het met mij gedaan is," zeide Tom. "Die lafhartige rekel, om mij hier alleen te laten sterven! Mijne goede oude moeder heeft mij altijd gezegd dat het zoo gaan zou."
"Och Heere, hoor dat arme schepsel eens! Hij heeft nog eene moeder," zeide de oude negerin. "Ik kan het niet nalaten om medelijden met hem te hebben."
"Zachtjes, zachtjes; zoo kleinzeerig en driftig niet, vriend," zeide Phineas, toen Tom ineenkromp en zijn hand wegstiet. "Gij hebt geene kans meer, als ik het bloeden niet stuit." En Phineas improviseerde haastig een verband van zijn eigen zakdoek en van die, welke hij bij het gezelschap nog kon bekomen.
"Gij hebt mij daar afgestooten," zeide Tom met eene flauwe stem.
"Wel, als ik dat niet gedaan had, zoudt gij er ons hebben afgestooten," antwoordde Phineas, bukkende om het verband aan te leggen. "Kom, laat ik u helpen. Wij meenen het wel met u; wij willen u geen kwaad doen. Gij zult naar een huis gebracht worden, waar men u uitmuntend zal oppassen--zoogoed als uwe eigene moeder zou kunnen doen."
Tom kermde slechts en sloot zijn oogen. Bij menschen van zijne klasse zijn kracht en moed iets geheel lichamelijks, en vervliegen met het wegvloeien van hun bloed; de reusachtige kerel zag er in zijne hulpeloosheid inderdaad jammerlijk uit.
De andere troep kwam nu aan. Men nam de banken uit den wagen, legde de buffelhuiden, in vieren gevouwen, geheel langs eene zijde, en daarop tilden vier mannen met groote moeite den loggen Tom er in. Eer men hem neerlegde was hij geheel flauw. De oude negerin ging, in haren overvloed van medelijden, op den grond zitten, en nam zijn hoofd in haren schoot.
"Wat denkt gij van hem?" zeide George, die naast Phineas voorop zat.
"Wel, het is maar eene tamelijk diepe vleeschwonde; maar dat kneuzen en krabben bij zijnen val heeft hem geen goed gedaan. Hij heeft tamelijk sterk gebloed; hij is haast leeggeloopen, met courage en al; maar hij zal het wel te boven komen en er misschien iets door leeren."
"Ik ben blijde, dat ik dit van u hoor," zeide George, "het zou altijd eene drukkende gedachte voor mij geweest zijn, als ik zijn dood veroorzaakt had, zelfs in eene rechtvaardige zaak."
"Ja," zeide Phineas, "het dooden is een leelijk ding, hoe men het ook neemt--mensch of beest. Ik ben in mijnen tijd een groot jager geweest en ik zeg u, ik heb dikwijls gezien dat een reebok, die geschoten was en stierf, iemand zoo aankeek, dat hij haast een gevoel had alsof hij eene goddeloosheid had gedaan; en met menschelijke wezens is het nog ernstiger, omdat, zooals uwe vrouw gezegd heeft, voor hen na den dood het oordeel komt. Ik weet niet of de begrippen van ons volk over die dingen wel te nauw zijn; en als men bedenkt hoe ik ben groot geworden, heb ik ze tamelijk wel overgenomen."
"Wat zullen wij nu met dien armen kerel doen?" zeide George.
"O, hem naar Amariah brengen. Daar is oude grootmoeder Stephens--Dorcas noemen zij haar--zij kan verbazend goed oppassen. Dat is haar natuurlijk vak, en zij is nooit beter in haren schik dan wanneer zij een zieke heeft te verzorgen. Wij kunnen hem wel veertien dagen of zoo bij haar laten."
Na omtrent een uur rijdens kwam men aan eene nette boerenwoning, waar de vermoeide reizigers terstond op een goed ontbijt werden onthaald. Tom Loker werd spoedig met behoedzaamheid op een veel zindelijker en zachter bed gelegd, dan waarin hij ooit gewoon was geweest te slapen. Zijne wonde werd zorgvuldig gezuiverd en verbonden, en toen bleef hij stilliggen als een vermoeid kind, kwijnend zijne oogen sluitende en dan weder openende, om naar de witte gordijnen der kamer en de zacht voorbijglijdende gedaanten te turen. En hiermede nemen wij voor het tegenwoordige van dit gezelschap afscheid.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
MISS OPHELIA AANVAARDT HARE TAAK.
Onze vriend Tom vergeleek, in zijn eenvoudig gepeins, zijn eigen gelukkig lot in zijne dienstbaarheid met dat van Jozef in Egypte; en naarmate zijn karakter zich voor het oog van zijnen meester meer en meer ontwikkelde, werd die vergelijking al juister en juister.
St. Clare was traag en onverschillig voor geld. Tot nog toe was het inkoopen van allerlei benoodigdheden voornamelijk door Adolf bezorgd, die even onbedacht en spilziek was als zijn meester; en met hun beiden ging het verkwisten met vervaarlijke snelheid voort. Jarenlang gewoon zijns meesters eigendom als een aan hem toevertrouwd goed te beschouwen, zag Tom met eene onrust, die hij bijna niet smoren kon, de verkwisting in dit huishouden; en op de zachte, zijdelingsche manier, die menschen van zijnen stand dikwijls aannemen, gaf hij somtijds wenken en raad.
In het begin gebruikte St. Clare hem nu en dan; maar Weldra overtuigd van zijn gezond oordeel en zijne bedrevenheid in dit opzicht, vertrouwde hij hem al meer en meer, totdat eindelijk alle inkoopen op de markt en elders aan hem werden opgedragen.
"Neen, neen, Adolf," zeide hij eens, toen deze zich beklaagde over de vermindering van zijne macht, "laat Tom maar begaan. Gij weet alleen wat er noodig is--Tom weet wat het kost en waar het gekocht moet worden; en er zou welhaast een einde aan het geld komen, als wij niet iemand daarop lieten passen."
Zoo onbeperkt vertrouwd door een zorgeloozen meester, die hem eene banknoot gaf zonder er naar te zien, en het geld aannam zonder het te tellen, had Tom velerlei gelegenheden en verzoekingen tot oneerlijkheid, en niets dan zijne eenvoudige rechtschapenheid, door zijn christelijk geloof versterkt, kon hem daarvan terughouden. Voor hem was juist het onbeperkte vertrouwen, dat men in hem stelde, eene drangreden en heilige verplichting tot de striktste nauwgezetheid.
Met Adolf was het geheel anders geweest. Onnadenkend begeerig en niet gedwongen door vrees voor een meester, die het 't gemakkelijkst vond alles maar te laten loopen gelijk het wilde, was hij ten opzichte van dien meester tot zulk eene volkomen verwarring van het _mijn_ en _dijn_ geraakt, dat zelfs St. Clare somtijds onrustig daarover werd. Zijn eigen gezond verstand zeide hem dat het verkeerd en gevaarlijk was, zijne bedienden zoodanige gewoonten te laten aannemen. Hij gevoelde altijd zekere knaging daarover, hoewel deze niet sterk genoeg was om hem eene beslissende verandering in zijne handelwijs te doen maken; en juist deze knaging bewoog hem tot verdere toegeeflijkheid. Hij zag de zwaarste fouten licht over het hoofd, omdat hij zich zelven zeide dat zonder zijn toedoen zijne bedienden niet daartoe zouden vervallen zijn.
Tom beschouwde zijn vroolijken, luchthartigen, innemenden jongen meester met een zonderlinge mengeling van welgevallen, eerbied en vaderlijke bekommering. Dat hij nooit in den Bijbel las en nooit naar de kerk ging, dat hij spotte met alles waarmede hij verkoos zijn vernuft te laten spelen, dat hij zijne Zondagavonden in de opera sleet; dat hij meer dan hem wel dienstig was naar de clubs en avondgezelschappen ging, waar veel gedronken werd--waren dingen, welke Tom even duidelijk zien kon als iemand anders, en die hem tot de overtuiging brachten dat "meester geen christen was;" eene overtuiging evenwel, die hij zeer bezwaarlijk aan iemand anders zou bekend hebben, maar die hem in zijn slaapkamertje op zijne eenvoudige manier menig gebed deed uitstorten. Bij gelegenheid zeide hij ook wel eens zijne gedachten, met iets van dien tact die aan zijne klasse eigen is. Bij voorbeeld: daags na den vroeger beschreven Zondag was St. Clare op eene gezellige partij van vroolijke snaken genoodigd, en werd hij tusschen één en twee uur in den nacht tehuis gebracht in een toestand, welke weinig van smoordronken verschilde. Tom en Adolf hielpen hem in bed. De laatste was zeer vroolijk, hield de zaak blijkbaar voor een aardigheid en lachte hartelijk over de onnoozele ontzetting van Tom, die inderdaad eenvoudig genoeg was om het grootste gedeelte van den nacht te blijven wakker liggen en voor zijnen jongen meester te bidden.
"Wel, Tom, waar wacht gij naar?" zeide St. Clare den volgenden dag, toen hij in zijne kamerjapon in zijn bibliotheek zat, en Tom juist verschillende boodschappen en eenig geld had gegeven. "Is het niet alles in orde?" vervolgde hij, toen Tom nog staan bleef.
"Ik vrees van neen, meester," antwoordde Tom met een ernstig gezicht.
St. Clare legde zijne courant neder en zag Tom aan.
"Wel, Tom, wat scheelt er aan? Gij kijkt zoo plechtig als eene doodkist."
"Ik ben heel benauwd, meester. Ik heb altijd gedacht, dat meester voor alle menschen goed zou zijn."
"Wel, Tom, ben ik dat dan niet geweest? Komaan, wat woudt ge hebben? Gij wilt om iets vragen, denk ik, en dit is de inleiding."
"Meester is altijd goed voor mij geweest. Ik heb in dat opzicht niets te klagen. Maar er is iemand, voor wien meester niet goed is."
"Wel, Tom, hoe is u dat in het hoofd gekomen? Spreek op, wat meent gij?"
"Verleden nacht tusschen één en twee uur dacht ik zoo. Ik heb toen de zaak overlegd. Meester is niet goed voor zich zelven."
Toen Tom dit zeide, keerde hij zich om en tastte naar de kruk van de deur. St. Clare voelde zijn gezicht bloedrood worden, maar hij lachte toch.
"O, is dat alles?" zeide hij luchtig.
"Alles!" zeide Tom, zich eensklaps weder omkeerende en op de knieën vallende. "O, mijn lieve jonge meester, ik vrees dat dit het verlies van alles zal zijn--van alles--lichaam en ziel. Het goede boek zegt: Hij zal bijten als eene slang en steken als eene adder, lieve meester."
Zijne stem bleef steken en de tranen rolden over zijne wangen.
"Welnu, ik zal niet meer naar die verwenschte gezelschappen gaan, Tom," zeide St. Clare, "op mijn eer, ik zal niet. Ik weet niet waarom ik er al niet lang van weggebleven ben. Ik heb die ruwheid altijd veracht, en mij zelven ook omdat ik er aan mededeed. Veeg dus nu uwe oogen maar af, Tom, en ga uwe boodschappen doen. Neen," vervolgde hij, "geene zegenbeden! Ik ben zoo verbazend goed nog niet." En dit zeggende, duwde hij Tom zachtjes naar de deur. "Daar, Tom, ik verpand u mijne eer, dat ge mij nooit weder zoo zien zult."
Tom veegde zijne oogen af en ging zeer vergenoegd heen.
"En ik zal ook mijn woord aan hem houden," zeide St. Clare, de deur sluitende.
Hij deed dit werkelijk; want grof zinnelijk genot, van welken aard ook, was geene groote verzoeking voor hem.
Doch wie zal de menigvuldige verdrietelijkheden van onze vriendin Ophelia beschrijven, die in zulk een Zuidelijk huishouden de taak van huishoudster aanvaardde?
Tusschen de bedienden in Zuidelijke huisgezinnen bestaat zooveel verschil als maar mogelijk is, volgens het karakter en de bekwaamheid der meesteressen, die hen hebben opgebracht. In het Zuiden, zoowel als in het Noorden zijn vrouwen, die een buitengewonen aanleg hebben om heerschappij te voeren en een bijzondere tact van opvoeding bezitten. Dezulken zijn in staat om met schijnbaar gemak en zonder gestrengheid de leden van een talrijk gezin aan haren wil te onderwerpen en in geregelde orde te doen samenwerken, terwijl zij ieders eigenaardigheden zoodanig aanmoedigen, en wat den een ontbreekt zoodanig door hetgeen de ander in overmaat bezit weten te vergoeden, dat daardoor een goed geheel ontstaat.
Zulk eene huishoudster was Mevrouw Shelby, welke wij reeds beschreven hebben en onze lezers zich misschien nog herinneren. Indien zij in het Zuiden niet talrijk zijn, is het omdat zij dit op de geheele wereld niet zijn. Zij zijn daar evengoed te vinden als ergens elders, en zij vinden daar in den bijzonderen toestand der maatschappij eene schitterende gelegenheid om hare huiselijke talenten aan den dag te leggen.
Zulk eene huishoudster was Mevrouw St. Clare niet, evenmin als hare moeder vóór haar. Traag, kinderachtig, onnadenkend en zelve aan geenen regel gewend, was het niet te verwachten, dat de bedienden onder haar bestuur anders zouden zijn, en zij had Ophelia den staat van verwarring, waarin zij het huishouden zou vinden, naar waarheid beschreven, hoewel zij dien niet aan de rechte oorzaak had geweten.