Chapter 20
"En als wij in Canada komen," zeide Eliza, "kan ik u helpen. Ik kan heel goed dameskleeren maken, en fijn goed wasschen en strijken en met ons beiden zullen wij wel genoeg verdienen om van te leven."
"Ja, Eliza, zoolang wij maar elkander en ons kind liefhebben. O, Eliza, als die menschen maar eens wisten welk een zegen het voor een man is, dat zijne vrouw en zijne kinderen _hem_ toebehooren! Ik heb mij dikwijls verwonderd dat een man, die zijne vrouw en kinderen _zijn eigen_ kon noemen, zich nog over iets anders kwelde. Ik voel mij nu rijk en sterk, hoewel wij niets hebben dan onze bloote handen. Het is mij, alsof ik God nauwelijks om iets meer zou durven vragen. Ja, hoewel ik alle dagen zwaar gewerkt heb tot ik nu vijf en twintig jaren oud ben, en geen cent geld bezit, en geen dak om mij te dekken, en geen plekje grond dat ik mijn eigendom kan noemen; toch, als zij mij nu maar met vrede willen laten, zal ik tevreden zijn, dankbaar zijn, zal ik werken, en het geld voor u en mijn kind terugzenden. Wat mijn ouden meester betreft, ik heb hem vijfvoudig alles betaald, wat ik hem ooit gekost heb. Hem ben ik niets schuldig."
"Maar wij zijn nog niet geheel buiten gevaar," zeide Eliza. "Wij zijn nog niet in Canada."
"Dat is waar," antwoordde George: "maar het is als rook ik reeds de vrije lucht, en dat maakt mij zoo sterk."
Op dit oogenblik werden er in de groote kamer stemmen gehoord, die een ernstig gesprek hielden, en weldra werd er aan de deur geklopt. Eliza opende haar schielijk.
Simeon Halliday was daar met een van zijne geloofsgenooten, dien hij als Phineas Fletcher binnenleidde. Phineas was lang en mager; hij had rood haar en een gezicht, waarvan de uitdrukking schranderheid en sluwheid aanduidde. Hij had lang niet het stille, kalme, voor de wereld onverschillige voorkomen van Simeon; maar integendeel een bijzonder scherp en wakker uitzicht, als iemand die er eenigszins grootsch op is dat hij weet wat hij doet en goed voor zich ziet; eigenaardigheden, die vrij zonderling bij zijne stijve kleeding en manier van spreken afstaken.
"George, onze vriend Phineas heeft iets van belang ontdekt voor u en uw gezelschap," zeide Simeon; "het zou goed voor u zijn dat te hooren."
"Dat heb ik," zeide Phineas, "en het bewijst hoe nuttig het is dat een man op zekere plaatsen altijd met één oor open slaapt, gelijk ik altijd gezegd heb. Den vorigen nacht vertoefde ik in eene kleine eenzame herberg aan den weg achterwaarts. Gij weet de plaats nog wel, Simeon, waar wij verleden jaar appelen verkocht hebben aan die dikke vrouw met groote oorringen. Nu, ik was moede van het harde rijden en na mijn avondmaal legde ik mij op een hoop zakken in een hoek neer, en dekte mij met een buffelhuid, om te wachten tot mijn bed gereed was, en wat doe ik anders dan vast in slaap vallen."
"Met één oor open, Phineas?" zeide Simeon koeltjes.
"Neen, ik sliep met beide ooren en al een paar uren lang, want ik was tamelijk moede; maar toen ik tot mij zelven kwam, bevond ik dat er eenige mannen in de kamer waren, die aan de tafel zaten te drinken en te praten; en ik dacht dat ik, eer ik veel beweging maakte, even moest zien waar zij aan bezig waren, vooral daar ik hen iets over de kwakers hoorde zeggen. "Dus zijn zij zeker in het kwakersdorp," zeide er een. Toen luisterde ik met beide ooren, en bevond dat zij juist over ditzelfde gezelschap spraken. Dus bleef ik liggen en hoorde hen al hunne plannen overleggen. Deze jonge man, zeiden zij, zou weder naar Kentucky gezonden worden, naar zijnen meester, die een voorbeeld aan hem zou stellen, om alle negers het wegloopen af te leeren; en zijne vrouw zouden twee van hen naar Nieuw-Orleans brengen om te verkoopen, en zij rekenden zestien- of achttienhonderd dollars voor haar te krijgen; en het kind, zeiden zij, moest naar een handelaar, die het gekocht had; en dan waren er de jongen Jim en zijne moeder, zij zouden weder naar hunne meesters in Kentucky. Zij zeiden dat er twee constabels waren in een stadje, een weinig verder op, die met hen zouden gaan om hen te vatten; en de jonge vrouw zou voor een rechter gebracht worden; en een van die lieden, die klein en welbespraakt is, zou zweren dat zij zijn eigendom was en haar aan hem laten overleveren. Zij hebben een recht begrip van den weg dien wij van nacht willen nemen; en zij willen ons nazetten, zes of acht man sterk. Dus, wat is er nu te doen?"
De groep, die na deze mededeeling in verschillende houdingen staan bleef, was een schilder waardig. Rachel Halliday, die het kneden van een baksel beschuit had laten staan om het nieuws te hooren, stond daar nu met opgeheven, bemeelde handen en een zeer verslagen gezicht. Simeon stond ernstig te peinzen; Eliza had hare armen om haren man geslagen en zag naar hem op. George stond daar met dichtgeknepen vuisten en gloeiende oogen; zijn blik was gelijk die van ieder ander man zou mogen wezen, als zijne vrouw bij opbod verkocht en zijn zoon aan een handelaar overgeleverd zou worden, alles onder het schild der wetten van een christelijk volk.
"Wat zullen wij doen, George?" zeide Eliza flauw.
"Ik weet wel wat _ik_ doen zal," antwoordde George en ging het kamertje weder binnen, om zijne pistolen na te zien.
"Ja, ja," zeide Phineas, Simeon toeknikkende: "gij ziet wel wat er op volgen moet."
"Ik zie het," zeide Simeon met een zucht; "maar ik bid dat het zoover niet komen zal."
"Ik wil niemand met mij of voor mij in gevaar brengen," zeide George nu. "Als gij mij uwe kar wilt leenen en den weg beduiden, zal ik alleen naar de volgende schuilplaats rijden. Jim heeft reuzenkracht en is zoo dapper als de dood en de wanhoop; en ik insgelijks."
"Dat is wel, vriend," zeide Phineas; "maar gij zult toch een voerman noodig hebben. Al het vechten zal met genoegen voor u worden gelaten; maar ik weet een paar dingen van den weg, die gij niet weet."
"Maar ik wil niemand in ongelegenheid brengen," zeide George.
"In ongelegenheid?" herhaalde Phineas met een zonderlingen glimlach. "Als gij mij in ongelegenheid brengt, wees dan zoo vriendelijk om het mij te laten weten."
"Phineas is een wijs en bekwaam man," zeide Simeon. "Gij doet wel, George, met u naar zijn oordeel te voegen, en," vervolgde hij, zijne hand vriendelijk op George's schouder leggende en naar de pistolen wijzende, "wees niet al te haastig met de--jong bloed is heet."
"Ik zal niemand aanvallen," antwoordde George. "Al wat ik van dit land vraag, is dat men mij met vrede laat, en ik zal vreedzaam heengaan; maar," hij zweeg een oogenblik en zijn gezicht werd donker--"er is eene zuster van mij op de markt van dat Nieuw-Orleans verkocht. Ik weet waartoe men haar verkocht; en ik zal het aanzien dat zij mijne vrouw nemen en haar verkoopen, terwijl God mij een paar sterke armen gegeven heeft om haar te verdedigen! Neen, zoo helpe mij God! Ik zal tot den laatsten ademtocht vechten, eer zij mijne vrouw en mijn zoon krijgen. Kunt gij mij laken?"
"Geen sterfelijk mensch kan u laken, George. Vleesch en bloed kunnen niets anders doen," zeide Simeon. "Wee over de wereld vanwege de ergernis; maar wee over hen, door wie de ergernis komt."
"Zoudt gij in mijne plaats niet hetzelfde doen, Mijnheer?"
"Ik bid dat ik niet beproefd worde," antwoordde Simeon. "Het vleesch is zwak."
"Ik denk dat mijn vleesch in zulk een geval tamelijk sterk zou zijn," zeide Phineas, een paar armen uitstekende, die naar de wieken van een windmolen geleken. "Ik ben niet zeker, vriend George, of ik niet wel een kerel voor u zou vasthouden als gij eene rekening met hem had af te doen."
"Indien de mensch ooit het kwaad behoort te wederstaan," zeide Simeon, "dan moet George de vrijheid gevoelen om dit nu te doen; maar de leidslieden van ons volk hebben ons een meer uitmuntenden weg geleerd; want de toorn des mans wekt Gods gerechtigheid niet; maar deze strijd bitterlijk tegen den bedorven wil des menschen en niemand kan haar ontvangen dan zij aan wie zij gegeven wordt. Laten wij den Heere bidden dat wij niet verzocht worden."
"Dat doe ik ook," zeide Phineas; "maar als wij al te zeer verzocht worden--welnu, laten zij voor zich zien, dat is alles."
"Het is duidelijk dat gij geen Vriend geboren zijt," zeide Simeon met een glimlach. "De oude natuur blijft nog tamelijk sterk in u."
Om de waarheid te zeggen, Phineas was een forsche, hardhandige boschman geweest, een geweldig jager en scherpschutter; maar verliefd op eene bevallige kwakerin, was hij door de macht harer bekoorlijkheden bewogen om zich bij het gezelschap in deze streek te voegen; en hoewel hij een eerlijk, nuchter en nuttig lid der gemeente was, en er niets bijzonders op zijn gedrag was te zeggen, konden toch de meer geestelijkgezinden niet nalaten een bijzonder gebrek aan heilige zachtmoedigheid bij hem op te merken.
"Vriend Phineas zal altijd zijne eigene manieren hebben," zeide Rachel glimlachende; "maar wij allen denken toch dat zijn hart op de rechte plaats zit."
"Welnu," zeide George; "is het niet best dat wij onze vlucht verhaasten?"
"Ik ben te vier uren opgestaan en heb allen spoed gemaakt, twee of drie uren voor hen, als zij vertrekken op den tijd dien zij afspraken. Het is in allen gevalle niet veilig te vertrekken eer het donker is; want er zijn eenige booze menschen in de dorpen verder op, die genegen konden zijn om zich met ons te bemoeien als zij onzen wagen zagen, en dat zou ons meer ophouden dan het wachten; maar over twee uren denk ik dat wij het kunnen wagen. Ik zal naar Michael Cross gaan, en hem vragen om op zijnen harddraver achter ons aan te komen, en onderweg scherp uit te zien, en ons te waarschuwen als er een gezelschap aankomt. Michael heeft een paard, dat de meeste andere paarden spoedig kan vooruitloopen; en hij zou vooruit kunnen rijden, en het ons doen weten als er eenig gevaar was. Ik ga nu Jim en de oude vrouw waarschuwen om zich gereed te houden en naar de paarden zien. Wij zijn een goed eind vooruit en hebben dus kans om in veiligheid te komen eer zij ons inhalen. Heb dus goeden moed, vriend George; dat is niet de eerste maal, dat ik met uw volk leelijk in het nauw ben geweest," zeide Phineas, terwijl hij de deur sloot.
"Phineas is schrander," zeide Simeon. "Hij zal ook het beste doen dat voor u gedaan kan worden, George."
"Werkelijk, gij brengt u voor ons in ongelegenheid," zeide George.
"Gij zult ons zeer verplichten, vriend George, met daarvan niets meer te zeggen. Wat wij doen, zijn wij volgens ons geweten verplicht om te doen; wij kunnen niet anders. En nu, moeder," zeide hij, zich naar Rachel keerende, "spoed u met uwe toebereidselen voor deze vrienden, want wij moeten hen niet vastende heenzenden."
Terwijl Rachel en hare kinderen bezig waren met koornkoek te bakken, ham en hoenders te braden en andere toebereidselen voor het avondmaal te maken, zaten George en Eliza in hun kamertje met de armen om elkander heengeslagen en in zulke gesprekken verdiept, als man en vrouw met elkander moeten hebben, wanneer zij weten dat zij over weinige uren voor altijd van elkander gescheiden kunnen worden.
"Eliza," zeide George, "menschen die vrienden, huizen, land en geld en dat alles hebben, kunnen elkander niet zoo liefhebben als wij, die niets hebben dan elkander. Vóórdat ik u kende, Eliza, had niemand mij ooit liefgehad, behalve mijne ongelukkige moeder en zuster. Ik zag de arme Emily nog op den ochtend toen de handelaar haar medenam. Zij kwam naar den hoek waar ik lag te slapen, en zeide: "Arme George, uw laatste vriendin gaat heen. Wat zal er van u worden, arme jongen?" En ik stond op en sloeg mijne armen om haar heen, en schreide en snikte en zij schreide ook; en dat waren de laatste vriendelijke woorden die ik in tien lange jaren gehoord heb; en mijn hart verdroogde geheel en al, tot ik u ontmoette. En toen gij mij liefhadt--wel, het was bijna alsof iemand uit den dood werd opgewekt. Ik ben sedert dien tijd een nieuw mensch geweest. En nu, Eliza, zal ik mijn laatsten droppel bloed geven, maar zij zullen u niet van mij afnemen. Wie u krijgt, zal over mijn lijk moeten stappen."
"O Heere, wees barmhartig!" zeide Eliza snikkende. "Als Hij ons maar te zamen uit dit land wil laten komen, dat is al wat wij vragen."
"Is God dan op hunne zijde?" zeide George, minder tot zijne vrouw sprekende dan zijne eigene bittere gedachten uitstortende. "Ziet Hij al wat zij doen? Waarom laat Hij zulke dingen gebeuren? En men zegt dat de Bijbel op hunne zijde is; zeker is alle macht op hunne zijde. Zij zijn rijk, gezond en welvarend; zij zijn leden van de kerk en denken in den hemel te komen; het gaat hun goed in de wereld en zij hebben in alles hun zin; en arme, oprechte, getrouwe christenen--christenen zoo goed of beter dan zij--liggen in het stof onder hunne voeten. Zij koopen en verkoopen hen, en drijven handel met hun hartebloed, hunne zuchten en tranen, en God laat hun dat toe."
"Vriend George," zeide Simeon uit de keuken, "luister eens naar dezen psalm; hij zal u misschien goed doen."
George schoof zijn stoel naar de deur, en Eliza, hare tranen afdrogende, kwam ook nader om te luisteren, terwijl Simeon las:
"Maar mij aangaande, mijne voeten waren bijna uitgeweken, mijne treden waren bijkans uitgeschoten. Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddeloozen vrede. Want er zijn geen banden, tot hunnen dood toe, en hunne kracht is frisch. Zij zijn niet in moeite als andere menschen, en worden met andere menschen niet geplaagd. Daarom omringt hen de hoovaardij als een keten, het geweld bedekt hen als een gewaad. Hunne oogen puilen uit van vet; zij gaan de verbeeldingen des harten te boven. Zij mergelen de lieden uit, en spreken boozelijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. Daarom keert zijn volk zich hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt, dat zij zeggen: Hoe zou God het weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?" "Is het nu zoo niet, dat gij denkt, George?"
"Zoo is het waarlijk," antwoordde George. "Zoo goed alsof ik het zelf geschreven had."
"Hoor dan," zeide Simeon. "Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan, maar het was moeite in mijne oogen; totdat ik in Gods heiligdommen inging en op hun einde merkte. Immers zet Gij hen op gladde plaatsen en doet hen vallen in verwoestingen. Als Gij opwaakt, O Heer, dan zult Gij hun beeld verachten. Ik zal dan geduriglijk bij U zijn: Gij hebt mijne rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door uwen raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere."
Deze woorden van heilig vertrouwen, door den vriendelijken ouden man uitgesproken, waren als hemelmuziek om den ontrusten geest van George te stillen, en toen het lezen ophield, droegen zijne trekken eene uitdrukking van kalmte en onderwerping.
"Indien deze wereld alles was, George," zeide Simeon, "dan mochten wij wel vragen: Waar is de Heere? Maar het zijn dikwijls diegenen, die het minste in dit leven hebben, welke Hij voor zijn koninkrijk uitkiest. Stel uw vertrouwen op Hem, en wat u hier ook overkome, Hij zal hier namaals wèl maken."
Indien deze woorden door een vermaner van de gewone soort waren gesproken, in wiens mond zij slechts vrome, redekunstige spreekwijzen zouden geweest zijn, zouden zij misschien niet veel indruk hebben gemaakt; maar uit den mond van iemand, die zich voor de zaak van God en den mensch dagelijks koelbloedig aan boeten en gevangenis blootstelde, hadden zij een gewicht dat men niet kon nalaten te gevoelen, en beide ongelukkige vluchtelingen bevonden dat hun daardoor kalmte en kracht werden ingeboezemd.
Nu nam Rachel Eliza vriendelijk bij de hand en bracht haar naar de tafel, waarop het avondmaal gereed stond. Toen zij zaten, werd er zachtjes aan de deur geklopt en daarop trad Ruth binnen.
"Ik kom eens even aanloopen," zeide zij, "met deze kousjes voor den kleinen jongen--drie paar van lekker warme wol. Het zal zoo koud zijn, weet ge, daar in Canada. Houdt ge wel goeden moed, Eliza?" vervolgde zij, kwam de tafel om naar haar toe, en drukte haar hartelijk de hand, terwijl zij tegelijk Harry een kruidkoekje toestopte. "Ik heb een pakje daarvan voor hem medegebracht," zeide zij, trekkende om het bedoelde pakje uit haren zak te krijgen. "Kinderen, weet ge wel, willen toch altijd eten."
"O, ik dank u; gij zijt al te goed," zeide Eliza.
"Kom, Ruth, ga mede aanzitten," zeide Rachel.
"Ik kan onmogelijk. Ik heb John bij het kleintje gelaten, en ik heb beschuit in den oven; en ik kan geen oogenblik blijven, of John zal de beschuit laten verbranden en het kind al de suiker in zijne pap geven. Dat is zijne manier zoo," zeide het kwakerinnetje. "Goeden dag, Eliza, goeden dag, George; de Heere geve u eene veilige reis." En daarmede trippelde Ruth weder de deur uit.
Een poosje na het avondeten kwam er een groote overdekte wagen voor de deur. Het was een heldere sterrennacht en Phineas sprong vlug van zijn bankje, om zijne passagiers te schikken. George kwam de deur uit met zijn kind op den eenen arm en zijne vrouw aan den anderen. Zijn tred was vast, zijn gezicht ernstig, maar kalm. Rachel en Simeon kwamen ook buiten.
"Stapt eens even uit,' zeide Phineas tegen hen, die reeds in den wagen zaten, "en laat ik het achterste van den wagen klaarmaken voor de vrouwen en het kind."
"Hier zijn de twee buffelhuiden," zeide Rachel. "Maak de plaatsen maar zoo zacht als gij kunt, want het is toch hard genoeg, den geheelen nacht te rijden."
Jim stapte het eerst af en hielp toen voorzichtig zijne oude moeder, die zich aan zijnen arm vastklemde en angstig rondzag, alsof zij ieder oogenblik een vervolger verwachtte.
"Jim, zijn uwe pistolen in orde?" zeide George, met eene zachte maar vaste stem.
"Ja, wel zeker," antwoordde Jim.
"En gij zult u niet bedenken wat te doen zal komen?"
"Ik geloof haast van neen," antwoordde Jim, zoo diep ademhalende, dat zijne breede borst opzwol. "Denkt gij dat ik moeder weder zal laten krijgen?"
Onder dit korte gesprek had Eliza van hare liefderijke vriendin Rachel afscheid genomen. Zij werd nu door Simeon in den wagen geholpen, en met haar kind naar het achtereinde kruipende, zette zij zich op de buffelhuiden neer.
De oude vrouw werd vervolgens in den wagen geholpen en naast haar geplaatst; George en Jim zetten zich op de harde bank in het midden en Phineas klom voorop.
"Vaartwel, mijne vrienden," riep Simeon van buiten.
"God zegene u!" was het antwoord van binnen.
En de wagen reed voort, ratelende en hotsende over den bevroren weg. Door het stooten en gedruisch dat de wielen maakten, was het niet mogelijk een gesprek te voeren. Men hotste dus uur op uur maar voort en voort, door lange donkere streken boschland, over uitgestrekte barre vlakten, tegen heuvelen op en in dalen af. Het kind viel spoedig in slaap en lag zwaar op den schoot zijner moeder. De arme vrouw vergat eindelijk haar angst, en zelfs Eliza bevond, toen het later in den nacht werd, dat al hare bekommeringen niet in staat waren om hare oogen het dichtvallen te beletten. Phineas scheen over het algemeen de levendigste van het gezelschap, en kortte zich den tijd van den langen tocht door het fluiten van zeer onkwakerachtige deuntjes.
Tegen drie uren ving George's gehoor het gekletter op van snelle hoefslagen die achter hen aankwamen, en stiet hij Phineas aan den elleboog. Phineas hield stil en luisterde.
"Dat moet Michael zijn," zeide hij, "ik meen het geluid van zijnen galop te kennen."
Hij stond op en keek oplettend den weg langs.
Nu kon men op den top van een heuvel een man te paard onderscheiden, die haastig aankwam.
"Daar is hij, geloof ik," zeide Phineas.
George en Jim sprongen beiden van den wagen, eer zij recht wisten wat zij deden. Allen tuurden doodstil naar den verwachten bode. Hij naderde. Nu daalde hij in eene vallei af, waar zij hem niet zien konden; maar zij hoorden toch de snelle hoefslagen al dichter en dichter bij komen; eindelijk zagen zij hem op den top eener hoogte, binnen beroep.
"Ja, dat is Michael," zeide Phineas, en zijne stem hoog verheffende, riep hij: "Holla daar, Michael!"
"Phineas, zijt gij dat?"
"Ja! Wat nieuws? Komen zij?"
"Vlak achter mij. Met hun achten of tienen. Dol van brandewijn, vloekende en schuimbekkende als wolven."
En terwijl hij dit zeide, voerde de wind den flauwen klank van galoppeerende ruiters aan.
"Stapt weer op, jongens," zeide Phineas. "Als gij vechten moet, wacht dan tot gij een eind verder zijt."
Beiden sprongen weder in den wagen, en Phineas bracht de paarden door zweepslagen in een ren, terwijl de ruiter naast hen bleef. Hotsend en stootend vloog de wagen bijna over den bevroren grond; maar al duidelijker en duidelijker werd het geluid der achteraankomende ruiters. De vrouwen hoorden dit ook, en uitkijkende zagen zij, ver achterwaarts, op den kam van een heuvel, een troep mannen tegen het roode schijnsel van den dageraad afstekende. Nog een heuvel, en de vervolgers hadden blijkbaar den wagen in het oog gekregen, daar de witte kap dezen in de verte deed onderscheiden, en een woeste zegekreet werd door den wind overgevoerd. Met een gevoel alsof ze flauw zou vallen, drukte Eliza haar kind vaster aan hare borst; de oude vrouw kermde en bad; George en Jim grepen met de kracht der wanhoop hunne pistolen. De vervolgers wonnen nu snel. De weg nam een draai en bracht den wagen vlak bij eenige steile rotsen die bijna loodrecht oprezen, op eene plek die in het rond geheel effen was. Deze groep of keten van rotsen, die zwart tegen de reeds helder wordende lucht afstak, scheen eene schuilplaats, waar men zich veiligheid kon beloven. Zij waren Phineas wel bekend, daar hij, in vroeger tijd op de jacht zijnde, dikwijls in deze streek was geweest, en het was om deze plek te bereiken, dat hij de paarden zoo had voortgejaagd.
"Nu komt het er op aan," zeide hij, zijne paarden eensklaps inhoudende; en terstond op den grond springende, vervolgde hij: "Dadelijk er uit, allemaal, en met mij de rotsen op. Michael, bind uw paard aan den wagen en rijd door naar Amariah, en laat hij met zijne jongens terugkomen, om met die kerels te spreken."
In een oogenblik waren allen uit den wagen.
"Komt," zeide Phineas, Harry opnemende, "neemt ieder een van de vrouwen, en loopt dan zooals gij nog nooit in uw leven geloopen hebt."
Zij hadden geene aansporing noodig. Sneller dan wij het zeggen kunnen, waren allen over het staketsel langs den weg en haastten zij zich naar de rotsen, terwijl Michael van zijn paard sprong, het aan den wagen vastbond, voorop klom en zoo hard hij kon voortreed.
"Komt verder," zeide Phineas, toen zij de rotsen bereikten, en in het flauwe licht van den dageraad de sporen van een ruw maar duidelijk aangewezen voetpad zagen. "Dat is een van onze oude jagersholen. Komt op!"
Phineas ging vooruit en sprong als eene geit de rotsen op, met het kind in zijne armen. Jim, die zijne oude moeder over zijnen schouder droeg, was de tweede; George en Eliza kwamen achteraan. De ruiters kwamen ingelijks aan het staketsel, en stegen schreeuwende en vloekende af om hen te volgen. Eene korte poos klauterens bracht de vluchtelingen op den top der eerste steilte; vervolgens liep het pad door eene enge kloof, waardoor zij slechts een voor een konden heengaan, tot zij plotseling gestuit werden door eene diepe kloof van meer dan eene el breedte en over de dertig voet diepte, met wanden zoo steil en effen als een muur. Phineas sprong vlug over de spleet heen, en zette het kind op het witte veerkrachtige mos neer, dat den effen top der rots bedekte.
"Komt er over!" riep hij. "Doet nu eens een sprong voor uw leven!"
Weldra waren allen aan den overkant.
Een aantal losse steenen lag daar, zoodanig opgestapeld, dat zij eene soort van borstwering vormden, zoodat men, daarachter zijnde, niet van beneden kon gezien worden.