Chapter 2
Wie eenige landgoederen daar bezoekt en getuige is van de vriendelijke toegeeflijkheid van sommige meesters en meesteressen, en de liefderijke trouw van sommige slaven, zou in verzoeking kunnen komen, om van de zoo dikwijls herhaalde dichterlijke fabel van een patriarchalen toestand te gaan droomen; maar boven dat bekoorlijke tooneel hangt eene dreigende schaduw--de schaduw der wet. Zoolang de wet al deze menschelijke wezens, met kloppende harten en levende aandoeningen, slechts als zoovele dingen beschouwt, die eenen meester toebehooren--zoolang het ongeluk, de onvoorzichtigheid of de dood van een menschlievend meester hen op eens een leven van geruste welvaart met een van hopelooze ellende en zwaren arbeid kan doen verwisselen--zóólang is het onmogelijk, aan het best geregelde stelsel van slavernij iets schoons of begeerlijks te geven.
Mr. Shelby was een man van de gewone goede soort, zachtaardig en vriendelijk, en genegen om allen die hem omringden, met toegeeflijkheid te behandelen, en hij had het nooit aan iets laten ontbreken, dat tot het lichamelijk welzijn der negers op zijn goed kon bijdragen. Hij had echter op eene groote schaal en onvoorzichtig gespeculeerd--had zich diep in schulden gestoken, en wissels van een aanzienlijk bedrag waren Haley in handen gekomen. Dit korte bericht is de sleutel van het voorafgaande gesprek.
Nu was het gebeurd dat Eliza, toen zij naar de deur kwam, genoeg van dat gesprek had opgevangen om haar te doen begrijpen, dat de handelaar iemand van haren meester wilde koopen.
Gaarne had zij, toen zij heenging, bij de deur blijven staan luisteren, maar dewijl hare meesteres haar toen juist riep, was haar dit onmogelijk.
Zij meende echter te hooren, dat de handelaar een bod deed naar haar kind. Kon zij zich bedriegen? Haar hart klopte onstuimig, en onwillekeurig drukte zij den kleine vast aan hare borst, dat hij haar met verbazing aanzag.
"Eliza, wat scheelt u vandaag?" zeide hare meesteres, toen Eliza de waterkan had omgestooten, tegen het werktafeltje was aangeloopen, en eindelijk in overmaat van verstrooiïng met een lange nachtjapon aankwam, in plaats van met het zijden kleedje, dat zij uit de kleerkast had moeten krijgen.
Eliza schrikte. "O Mevrouw!" zeide zij, hare oogen opslaande, barstte toen in tranen uit en wierp zich snikkende op een stoel.
"Maar, Eliza, kind! Wat scheelt u toch?" zeide hare meesteres weder.
"O Mevrouw, Mevrouw," antwoordde Eliza, "er zit een handelaar in de voorkamer met den meester te spreken. Ik heb hem gehoord."
"Welnu, onnoozel kind en wat zou dat?"
"O Mevrouw, denkt gij dat de meester mijn Harry zou willen verkoopen?" riep het arme schepsel snikkend uit.
"Hem verkoopen? Wel neen, zottinnetje! Gij weet wel dat uw meester zich nooit met die handelaars uit het Zuiden inlaat, en voornemens is nimmer een van zijne bedienden te verkoopen, zoolang zij zich wèl gedragen. En, onnoozel kind, wie denkt ge dat uw Harry zou willen koopen? Denkt ge dat iedereen zoo op hem gesteld is als gij zijt, gij gansje? Kom, wees weer vroolijk en maak mijn kleedje vast. Zoo, maak nu mijn haar van achteren in die aardige vlecht, die gij pas geleerd hebt, en sta niet meer aan de deuren te luisteren."
"O Mevrouw, maar gij zoudt toch nimmer toestemmen, om--om...."
"Dwaasheid kind! Wel zeker zou ik niet. Hoe praat gij zoo? Ik zou even gaarne een van mijne eigene kinderen laten verkoopen. Maar waarlijk, Eliza, gij wordt al te grootsch op dien kleinen jongen. Geen mensch kan zijn neus meer binnen de deur steken, of gij denkt dat hij komen moet om hem te koopen."
Gerustgesteld door den toon harer meesteres, ging Eliza vlug en handig met het toilet voort en lachte onder hare bezigheden om hare eigene vrees.
Mevrouw Shelby was eene vrouw, die in verstand en zedelijk gevoel boven het gewone uitmuntte. Met die natuurlijke hooghartigheid en edelmoedigheid, welke de vrouwen van Kentucky dikwijls kenmerken, vereenigde zij een verheven godsdienstig en zedelijk gevoel, op vaste grondbeginselen steunende, naar welke zij met evenveel standvastigheid als overleg handelde. Haar man, die zelf geene aanspraak op bijzondere godsdienstigheid maakte, eerbiedigde evenwel de hare en had misschien wel eenig ontzag voor hare meeningen. Zeker was het, dat hij volle vrijheid liet aan hare weldadige pogingen, die op het welzijn, het onderwijs en de zedelijke verbetering harer dienstboden waren gericht, hoewel hij zelf daaraan geen zeer werkdadig aandeel nam. Inderdaad scheen hij, ofschoon hij wel niet aan de leer van de toerekening der overtollige goede werken van heiligen geloofde, zich toch eenigszins te verbeelden, dat zijne vrouw vroomheid en weldadigheid genoeg voor twee bezat, en half te verwachten, dat hij door haren overvloed van die eigenschappen, waarop hij zelf geene bijzondere aanspraak kon maken, in den hemel zou komen.
De zwaarste last op zijn gemoed, na zijn gesprek met den handelaar, was de noodzakelijkheid om zijne vrouw van de voorgenomen schikking kennis te geven, en den tegenstand te bekampen, dien hij met reden moest verwachten.
Daar Mevrouw Shelby geheel onbekend was met de ongelegenheden, waarin haar Echtgenoot verkeerde en alleen de gewone menschlievendheid van zijn karakter kende, was de ongeloovigheid, waarmede zij Eliza's vermoedens had beantwoord, volkomen oprecht geweest. Zij zette zich zelfs zonder verder nadenken de zaak uit het hoofd, en daar zij zich haasten moest om zich voor eene avondvisite gereed te maken, ontsnapte die korte woordenwisseling geheel aan haar geheugen.
TWEEDE HOOFDSTUK
DE MOEDER
Eliza was van hare meisjesjaren af door hare meesteres als eene geliefkoosde en eenigszins verwende gunstelinge behandeld.
De reiziger in het Zuiden moet dikwijls dien bijzonderen zweem van beschaving, die zachtheid van stem en manieren hebben opgemerkt, welke veelal eene eigenaardige gave der quadronen en mulattinnen schijnt te wezen. Deze natuurlijke bevalligheid is bij de quadrone dikwijls met eene schitterende schoonheid, bijna altijd ten minste met een behagelijk en innemend voorkomen vereenigd. Eliza, gelijk wij haar beschreven hebben, is geene schets naar onze verbeelding geteekend, maar aan onze herinnering ontleend, gelijk wij haar jaren geleden in Kentucky gezien hebben. Veilig onder de beschermende zorg harer meesteres, had Eliza een rijpen leeftijd bereikt, verschoond van die verzoekingen, welke de schoonheid van eene slavin tot zulk een noodlottig erfgoed maken. Zij was met een knappen en talentvollen jongen mulat getrouwd, die slaaf was op een naburig landgoed en den naam van George Harris droeg.
Deze jonkman was door zijnen meester verhuurd om in eene fabriek van zeildoek te werken, waar zijne behendigheid en schranderheid hem voor onmisbaar deden houden. Hij had eene machine om den hennep te zuiveren uitgevonden, welke, indien men de opvoeding en omstandigheden des uitvinders in aanmerking nam, evenveel genie voor de werktuigkunde aan den dag legde als Whitney's spinmolen [2].
Hij had eene welgemaakte gestalte en innemende manieren, en was in de fabriek een algemeene gunsteling. Evenwel, daar deze jonkman in het oog der wet geen mensch maar een ding was, waren al deze voortreffelijke hoedanigheden onderworpen aan het bedwang van een gemeenen laaghartigen meester. Toen de heer van George's uitvinding had gehoord, reed hij eens naar de fabriek, om te zien wat zijn denkend stuk vee had uitgericht. Hij werd door den fabrikant met groote voorkomendheid ontvangen, gefeliciteerd met het bezit van een slaaf van zooveel waarde.
Men leidde hem de geheele fabriek door, en liet hem de machine zien, door George uitgevonden, die in zijne opgetogenheid zoo vlug sprak, zich zoo rechtop hield, en er zoo beschaafd en mannelijk uitzag dat zijn meester eene onaangename bewustheid van minderheid begon te gevoelen. Wat behoefde zijn slaaf door het land rond te loopen, machines uit te vinden en onder _gentlemen_ het hoofd op te steken? Hij zou spoedig een eind daaraan maken. Hij zou hem terugnemen, aan het graven en spitten zetten, en dan eens zien: "of hij nog zoo grootsch zou loopen." Tot verbazing van den fabrikant en alle belanghebbenden zeide hij dus eensklaps, dat hij nu maar het loon van George verlangde en hem terug wilde nemen.
"Maar, Mijnheer Harris," bracht de fabrikant hiertegen in: "is dat toch niet wat haastig?"
"En al was dat zoo?--Is de man niet van mij?"
"Wij zouden gaarne meer vergoeding voor hem betalen, Mijnheer!"
"Dat kan mij volstrekt niet schelen. Ik verhuur geen van mijne arbeiders, of ik moet er lust toe hebben."
"Maar, Mijnheer, hij schijnt voor dit vak bijzonder geschikt."
"Misschien wel. Hij was nooit zeer geschikt voor iets waaraan ik hem zette, dat kan ik zeggen."
"Maar bedenk eens, dat hij deze machine heeft uitgevonden," viel een der werklieden er tamelijk ongelukkig op in.
"O, ja! eene machine om werk uit te halen, niet waar? Die wilde hij wel uitvinden, dat geloof ik. Laat dat altijd maar aan een neger over. Zij zijn zelven allen machines om werk uit te halen, de een zoo goed als de ander. Neen, hij zal opstappen."
George stond als versteend, toen hij zoo onverwachts zijn vonnis hoorde uitspreken door eene macht, die hij wist dat onweerstaanbaar was. Hij sloeg zijne armen over elkander en kneep zijne lippen dicht, maar eene geheele vulkaan van bittere aandoeningen brandde in zijne borst en zond stroomen vuurs door zijne aderen. Hij haalde kort en hijgend adem, zijne donkere oogen gloeiden als kolen vuur, en hij zou misschien in eene gevaarlijke drift zijn uitgebarsten, indien de welmeenende fabrikant hem niet aan den arm had gestooten en zacht gezegd:
"Geef toe, George; ga vooreerst maar met hem mede. Wij zullen u wel zien te helpen."
De dwingeland bemerkte dit gefluister, en gissende wat er gezegd werd, hoewel hij het niet hooren kon, versterkte hij zich zelven heimelijk in zijn besluit om de macht te behouden, die hij over zijn slachtoffer bezat.
George werd teruggebracht en aan het geringste en onaangenaamste werk op de hoeve gezet. Hij was in staat geweest om elk oneerbiedig woord te smoren: maar zijn flikkerend oog en zijn betrokken voorhoofd waren een gedeelte der natuurlijke taal, die niet gesmoord kon worden--ontwijfelbare teekenen, die maar al te duidelijk toonden dat de mensch niet tot een ding kon gemaakt worden.
Het was gedurende den gelukkigen tijd, toen hij in de fabriek werkzaam was, dat George zijne vrouw had leeren kennen en met haar getrouwd was. In dien tijd had hij, daar de fabrikant hem zeer begunstigde en vertrouwde, volle vrijheid om naar believen uit te gaan. Het huwelijk was zeer naar den zin van Mevrouw Shelby, die, met een weinigje van de vrouwelijke liefhebberij voor het smeden van echtelijke banden, hare schoone gunstelinge gaarne vereenigd zag met een man van hare eigene klasse, die in alle opzichten zoo uitmuntend voor haar geschikt scheen; zoo werden zij getrouwd in de groote voorkamer harer meesteres, en versierde die meesteres zelve het fraaie haar der bruid met oranjebloesems, en wierp den bruidssluier daarover heen, die haast niet op bekoorlijker hoofd had kunnen rusten; en er was geen gebrek aan witte handschoenen, koek en wijn, en aan bewonderende gasten, om de schoonheid der bruid en de goedheid en mildheid der meesteres te prijzen. Een paar jaren lang zag Eliza haar echtgenoot dikwijls, en werd hun geluk door niets gestoord, behalve het verlies van twee kleine kinderen, waaraan zij hartstochtelijk gehecht was, en die zij met zulk eene diepe smart betreurde, dat zij daardoor eene zachte vermaning van hare meesteres uitlokte, die met moederlijke bezorgdheid haar hartstochtelijk gevoel binnen de perken van rede en godsdienst poogde terug te brengen.
Na de geboorte van den kleinen Harry was zij echter langzamerhand bedaarder en rustiger geworden, en toen elke bloedende hartsader weder met dat jeugdig leven was samengestrengeld, bleef Eliza eene gelukkige vrouw, totdat haar man met ruwheid van zijnen vriendelijken huurder werd afgerukt, en onder het ijzeren gezag van zijn wettigen eigenaar gebracht.
De fabrikant, getrouw aan zijn woord, bezocht Harris een paar weken, nadat George van hem weggenomen was, hopende dat nu de drift bedaard zou zijn, en beproefde alle mogelijke middelen om den knappen werkman terug te bekomen.
"Gij behoeft u geene moeite te geven om langer te praten," zeide Harris stuursch. "Ik weet mijne eigene zaken wel, Mijnheer!"
"Ik heb mij niet vermeten om mij daarmede te bemoeien, Mijnheer. Maar ik dacht, dat ge het in uw belang zoudt kunnen achten, uw man op de voorgestelde conditiën aan ons te laten."
"O, ik begrijp de zaak goed genoeg. Ik heb u wel zien wenken en fluisteren, toen ik hem uit de fabriek kwam halen; maar gij zult mij zoo niet krijgen. Dit is een vrij land, Mijnheer; de man is mijn, en ik doe met hem wat ik verkies--zoo is het."
En zoo ontzonk George zijne laatste hoop. Hij zag niets vóór zich, dan een leven van slaafschen arbeid, nog meer verbitterd door alle kleine kwellingen en vernederingen, die de schranderheid van zijnen dwingeland kon uitdenken.
Een zeer menschlievend rechtsgeleerde zeide eens: "het slechtste gebruik dat men van een mensch maken kan, is hem op te hangen!" Neen! er kan nog een gebruik van een mensch gemaakt worden, dat _erger_ is.
DERDE HOOFDSTUK.
DE ECHTGENOOT EN VADER.
Mevrouw Shelby was uitgereden om hare visite te gaan brengen, en Eliza stond eenigszins neerslachtig onder de veranda het rijtuig na te zien, toen er een hand op haren schouder werd gelegd. Zij keerde zich om en een heldere glimlach blonk op geheel haar gelaat, tot zelfs in hare schoone oogen.
"George, zijt gij het? Wat doet gij mij schrikken! O, ik ben zoo blij, dat ge komt. Mevrouw blijft van avond uit. Kom dus naar mijn kamertje, wij hebben den geheelen tijd voor ons."
Met deze woorden trok zij hem naar een net vertrekje, dat op de veranda uitkwam, waar zij gewoonlijk zat te naaien, binnen beroep van hare meesteres.
"Hoe blijde ben ik! Waarom lacht gij ook niet? En zie eens naar Harry! Wat groeit hij!"
Het knaapje stond zijn vader door zijne krullen heen schuins aan te kijken, en hield zich aan den rok zijner moeder vast.
"Is het niet een mooi kind?" zeide Eliza, de hangende krullen opstrijkende, om haar lieveling een kus te geven.
"Ik wenschte dat hij nooit geboren was," zeide George met bitterheid. "Ik wenschte dat ik zelf nooit geboren was."
Verrast en verschrikt, zette Eliza zich neer, liet haar hoofd op den schouder van haren echtgenoot zinken en barstte in tranen uit.
"O Eliza, het is al te erg van mij, dat ik u zoo deed schrikken," zeide hij met teederheid--"al te erg! O, hoe wenschte ik, dat ge mij nooit gezien hadt--dan hadt gij gelukkig kunnen zijn."
"George! George! hoe kunt gij zoo spreken? Wat is er gebeurd of zal er gebeuren, dat zoo schrikkelijk is? Wij zijn immers tot heden zoo gelukkig geweest."
"Dat zijn wij, lieve," zeide George.
Daarna zijn kind op zijne knie nemende, zag hij het in de donkere glansrijke oogen, en haalde zijne vingers door de krullende lokken.
"Uw evenbeeld, Eliza; en gij zijt de schoonste vrouw die ik ooit gezien heb, en de beste die ik ooit verlang te zien; maar o, ik wenschte, dat ik u nooit gezien had, en gij mij niet!"
"O George, hoe kunt gij zoo spreken?"
"Ja, Eliza, het is alles jammer en ellende! Mijn leven is zoo bitter als alsem; het leven zelf wordt mij uitgepijnigd. Ik ben een arme, ellendige, moedelooze slover, en ik zal u maar even ellendig maken. Wat baat het, dat wij ons inspannen om iets te doen, om iets te weten, om iets te zijn? Wat baat ons het leven? Ik wenschte dat ik dood was."
"Maar lieve George! dat is waarlijk goddeloos. Ik weet wel hoe het u spijt, dat gij uwe plaats in de fabriek hebt verloren, en gij hebt een harden meester; maar ik bid u, wees geduldig en misschien zal er iets...."
"Geduldig!" zeide hij, haar in de rede vallende. "Ben ik niet geduldig geweest? Heb ik een woord gezegd, toen hij kwam en mij weghaalde, zonder eenige redenen ter wereld, daar vandaan, waar iedereen goed voor mij was? Ik heb hem trouw elken cent betaald dien ik verdiende, en iedereen zegt, dat ik braaf gewerkt heb."
"Ja, het is ijselijk," zeide Eliza, "maar hij is toch uw meester, moet ge denken."
"Mijn meester! En wie heeft hem mijn meester gemaakt? Dat is het wat ik denk--welk recht heeft hij op mij? Ik ben een mensch zoo goed als hij; ik ben beter en knapper dan hij is; ik weet meer van allerlei dingen dan hij weet; ik heb beter overleg dan hij; ik kan beter lezen dan hij; ik schrijf eene betere hand; en dat alles heb ik mij zelven geleerd, zonder dat ik er hem voor behoef te danken--ik heb het geleerd ondanks hem; en wat recht heeft hij nu om een karrepaard van mij te maken,--mij af te nemen van het werk dat ik doen kan, beter doen kan dan hij, en mij aan werk te zetten dat ieder paard kan doen? Hij heeft een oogmerk; hij zegt, dat hij mij zal vernederen en onderdanig maken, en hij zet mij opzettelijk aan het zwaarste, laagste en vuilste werk."
"O, George, George! gij maakt mij angstig. Ik heb u nog nooit zoo hooren spreken. Ik vrees, dat gij nog iets ijselijks doen zult. Het verwondert mij geheel niet, dat gij dat zoo voelt; maar o, wees toch voorzichtig--om mijnentwil--om Harry's wil!"
"Ik ben voorzichtig geweest en ik ben geduldig geweest; maar het wordt al erger en erger. Vleesch en bloed kan het niet langer dragen. Elke gelegenheid die hij vinden kan om mij te beleedigen en te kwellen, neemt hij waar. Ik dacht dat ik mijn werk wel zou kunnen afdoen en mij stil gedragen, en dan buiten de werkuren wat tijd overhouden om te lezen en te leeren; maar hoe meer hij ziet wat ik doen kan, des te meer belast hij mij. En hij zegt dat hij, hoewel ik niet spreek, toch zien kan dat ik den duivel in mij heb, en dat hij dien er uit wil jagen; en op den een of anderen tijd zal hij er ook wel uitkomen op eene manier die hem niet bevalt, of ik heb het mis."
"Och, wat zullen wij doen?" zeide Eliza treurig.
"Het was pas gisteren," hervatte George, "toen ik bezig was met steenen in de kar te laden, dat Tom, de jongeheer, daar stond en met zijne zweep klapte, zoo dicht bij het paard, dat het beest er schichtig van werd. Ik vroeg hem op te houden, zoo vriendelijk als ik kon, maar hij ging maar voort. Ik vroeg het hem nog eens, en toen keerde hij zich om en begon mij te slaan. Ik hield zijne hand vast, en toen begon hij te schreeuwen en te schoppen, en liep vervolgens naar zijnen vader en zeide dat ik tegen hem vocht. Deze kwam woedend aanloopen en zeide dat hij mij leeren zou wie mijn meester was; en toen bond hij mij aan een boom, en sneed teentjes voor den jongen meester en zeide hem dat hij mij slaan mocht tot hij er moe van werd, en zoo deed hij ook. Als ik hem dat niet eens betaald zet!"
Zijn gezicht betrok en in zijne oogen gloeide een vuur, dat zijne jonge vrouw deed beven.
"Wie heeft dien man tot mijn meester gemaakt--dat wil ik maar weten," voegde hij er bij.
"Och!" zeide Eliza droevig. "Ik heb altijd gedacht, dat ik mijn meester en meesteres moest gehoorzamen, of dat ik geene Christin kon zijn."
"Dat is misschien wel gezegd in uw geval. Zij hebben u als een eigen kind grootgebracht--u gevoed, gekleed, zacht behandeld en onderwezen, zoodat gij eene goede opvoeding hebt gehad--dat is wel eene reden, waarom zij aanspraak op u kunnen maken. Maar ik ben geschopt, gescholden en geslagen; op zijn best bemoeide men zich maar niet met mij. Wat ben ik dan schuldig? Ik heb voor mijn onderhoud honderdvoudig betaald. Ik wil het niet verdragen--neen, ik wil niet!" zeide hij, en kneep met een donker gerimpeld voorhoofd zijn vuisten dicht.
Eliza beefde en zweeg. Zij had haar man nog nooit in zulk eene stemming gezien, en hare zachtzinnige zedenleer scheen voor de baren van zulk een hartstocht als riet te zwichten.
"Gij weet nog wel van dien armen kleinen Carlo, dien gij mij gegeven hebt," hervatte George. "Dat beestje was omtrent al de troost dien ik had. Het sliep des nachts bij mij en liep den geheelen dag met mij mede, en keek mij aan alsof het begreep wat ik voelde. Wel, laatst, toen ik hem eenige oude kliekjes gaf, die ik bij de keukendeur had opgeraapt, en de meester aankwam, zeide deze dat ik hem op zijne kosten voedde, en dat hij niet lijden kon dat elke neger zijn hond hield, en beval mij om het diertje een steen om den hals te doen en in den vijver te smijten."
"O George! dat hebt gij toch niet gedaan!"
"Gedaan?--Ik niet, maar zij. Meester en Tom smeten het arme verdrinkende beest nog met steenen. De arme Carlo keek mij zoo droevig aan, alsof hij zich verwonderde, waarom ik hem niet redde. Ik kreeg met de zweep, omdat ik het niet zelf wilde doen. Maar het kon mij niet schelen. Hij zal wel eens ondervinden dat de zweep iemand niet temt. Mijn dag zal wel komen, als hij niet oppast."
"Wat wilt gij gaan doen? O George, doe toch geene goddeloosheid. Als gij maar op God vertrouwt en wel wilt handelen, zal Hij u verlossen."
"Ik ben geen Christen gelijk gij, Eliza. Mijn hart is vol bitterheid. Ik kan niet op God vertrouwen. Waarom laat Hij de dingen zoo zijn?"
"O George, wij moeten geloof hebben. Mevrouw zegt dat wij, als alles verkeerd met ons gaat, toch moeten gelooven dat God het allerbeste doet."
"Dat is gemakkelijk te zeggen voor menschen die op hunne sofa's zitten en in koetsen rijden; maar als ze eens waren waar ik ben, denk ik dat het wat moeielijker zou zijn. Ik wenschte dat ik goed kon zijn, maar mijn hart brandt, en ik kan er mij niet mede verzoenen. Gij zoudt het niet kunnen in mijne plaats; gij kondt het nu niet, als ik u alles zeggen zou wat ik te zeggen heb. Gij weet alles nog niet."
"Wat kan er nu nog moeten komen?"
"Wel, laatst heeft meester gezegd dat hij een gek was geweest, om mij van de plaats te laten trouwen; dat hij mijnheer Shelby en al zijn gedoe haat, omdat zij trotsch zijn en het hoofd boven hem opsteken, en dat ik mijne trotsche denkbeelden van u gekregen had, en hij zegt dat hij mij niet meer hier wil laten komen, en dat ik op zijne plaats eene vrouw moet nemen en daar blijven. Eerst sprak hij daarvan maar scheldende en brommende; maar gisteren zeide hij mij dat ik Mina tot vrouw moest nemen en in eene hut met haar wonen, of dat hij mij de rivier af zou verkoopen."
"Maar gij zijt met mij getrouwd door den predikant, even goed alsof gij een blanke waart geweest," zeide Eliza eenvoudig.
"Weet gij dan niet dat een slaaf niet getrouwd kan zijn? Er is geene wet in dit land daarvoor. Ik kan u niet tot vrouw houden, als hij ons verkiest te scheiden. Dat is het waarom ik wensch dat ik u nooit gezien had--waarom ik wensch dat ik nooit geboren was. Het zou beter voor ons beiden zijn geweest--het zou beter voor dit arme kind zijn geweest als het nooit geboren was. Dat alles kan hem ook nog gebeuren."
"O, maar meester is zoo goed."
"Ja, maar wie weet?--Deze kan sterven; en dan kan hij verkocht worden aan niemand weet wie. Wat, verheugt het u, dat hij zoo schoon, schrander en vroolijk is? Ik zeg u, Eliza, dat er een zwaard door uw hart zal gaan voor iedere goede en lieve eigenschap van uw kind--dat alles zal hem te veel waard maken om hem u te laten houden."
Deze woorden vielen Eliza zwaar op het hart. De handelaar, dien zij gezien had, kwam haar weder voor den geest; en alsof iemand haar een doodelijken slag had toegebracht, verbleekte zij en snakte naar adem. Zij keek met zenuwachtigen angst onder de veranda uit, waar het knaapje, dat het ernstig gesprek verveelde, was heengeloopen, en waar hij zegepralend op Mr. Shelby's wandelstok heen en weder reed. Zij had haren man wel van hare vrees willen spreken, maar zij bedwong zich.
"Neen, neen, hij heeft zelf al genoeg te dragen," dacht zij. "Neen, ik wil het hem niet zeggen. En buitendien, het is ook niet waar: Mevrouw bedriegt ons nooit."
"Kom, Eliza, lieve vrouw," zeide George treurig, "houd u nu maar goed en vaarwel. Ik ga heen."
"Heen, George--waarheen?"