Chapter 19
Hij zette zich voor de piano en begon een levendig stuk te spelen. St. Clare had veel aanleg voor muziek en was een goed, ja zelfs verbazend vlug en schitterend pianist. Zijne vingers vlogen over de toetsen, terwijl hij het eene stuk na het andere afspeelde, gelijk iemand die zich zelven in een goed humeur wil spelen. Daarna schoof hij de muziek weg, stond op en zeide vroolijk:
"Welnu, Nicht, gij hebt ons eene goede les gegeven en uw plicht gedaan; en over het geheel acht ik u er te meer om. Ik twijfel niet of gij hebt mij een echten diamant van waarheid naar het hoofd gegooid, hoewel hij mij zoo vlak in het gezicht raakte, dat hij in het eerst niet naar waarde erkend werd."
"Wat mij betreft, ik zie niet dat zulk praten ergens toe dient," zeide Marie. "Als iemand meer voor bedienden doet dan wij doen, zou ik wel eens willen weten wie; en het doet hun toch geen goed, geen zier; zij worden al erger en erger. Wat praten of zoo iets betreft, ik heb tegen hen gepraat tot ik er moe en schor van was, en hen hun plicht voorgehouden en dat alles; en zij kunnen naar de kerk gaan wanneer zij willen, hoewel zij toch even weinig van de preek verstaan als zooveel varkens zouden doen, zoodat het hun toch niet veel baat of zij gaan, zou ik denken. Maar zij gaan toch en hebben dus alle gelegenheid; maar zooals ik reeds gezegd heb, zij zijn een vernederd geslacht en zullen dat altijd zijn, en er is niets aan hen te doen; gij kunt niets van hen maken, al doet gij nog zoo uw best. Gij begrijpt wel, nicht Ophelia, ik heb het geprobeerd en gij nog niet; ik ben onder hen geboren en opgegroeid en ik weet het wel."
Ophelia meende genoeg gezegd te hebben en zweeg dus. St. Clare floot een wijsje.
"St. Clare, laat ik u mogen verzoeken om niet te fluiten," zeide Marie, "dat maakt mijn hoofd veel erger."
"Dan zal ik het laten," antwoordde St. Clare. "Is er ook nog iets dat ge mij woudt verzoeken om niet te doen?"
"Ik wenschte dat gij _wel_ eenige meedoogendheid had met hetgeen ik uitsta; gij hebt nooit gevoel voor mij."
"Dierbare, beschuldigende engel!" zeide St. Clare hierop.
"Als gij zoo tegen mij spreekt, moet ik immers denken dat het is om mij te plagen."
"Hoe wilt ge dan dat ik tegen u spreken zal? Ik wil spreken zooals ge het maar verlangt, om u maar te voldoen."
Een vroolijk gelach klonk van het binnenplein door de zijden gordijnen der galerij. St. Clare lichtte de gordijn op en begon insgelijks te lachen.
"Wat is het?" vroeg Ophelia, naar de deur komende.
Daar zat Tom op eene bank, met jasmijnen in al zijne knoopsgaten gestoken, terwijl Eva, vroolijk lachende, hem nog een krans van rozen om den hals hing, en toen nog lachende op zijne knie sprong.
"O Tom, nu ziet gij er zoo grappig uit."
Tom zag haar met een stillen, welwillenden glimlach aan, en scheen zich op zijne bedaarde manier evenzeer met de grap te vermaken als zijne kleine meesteres. Toen hij zijn meester zag, sloeg hij smeekend de oogen naar hem op, alsof hij verschooning wilde vragen.
"Hoe kunt gij haar dat toelaten?" zeide Ophelia.
"Waarom niet?" vroeg St. Clare.
"Wel, ik weet het niet, maar het komt mij zoo akelig voor."
"Gij zoudt er geen kwaad in vinden als het kind een grooten hond liefkoosde, al was hij zwart; maar voor een schepsel dat kan denken, redeneeren en gevoelen, huivert gij: beken het maar, Nicht. Ik weet wel hoe dat bij u in het Noorden gesteld is. Niet dat het eene deugd is dat wij anders zijn; maar de gewoonte doet bij ons wat het christendom behoorde te doen--zij neemt het gevoel van persoonlijk vooroordeel weg. Ik heb op mijne reizen in het Noorden opgemerkt, hoeveel sterker dat gevoel bij u is dan bij ons. Gij zijt vies van hen als van eene slang of padde, en toch verontwaardigt gij u over het onrecht dat zij lijden. Gij zoudt hen niet willen laten mishandelen, maar gij wilt toch zelven niets met hen te maken hebben. Gij zoudt hen naar Afrika willen zenden, buiten uw gezicht en uwen reuk, en hun dan een paar zendelingen willen sturen om al de zelfverloochening, die noodig is om hen te verbeteren, in eens af te doen. Is het dat niet?"
"Wel, Neef," antwoordde Ophelia nadenkend, "dat kan wel eenigszins de waarheid zijn."
"Wat zouden de armen en geringen doen zonder kinderen?" hervatte St. Clare, terwijl hij Eva nazag, die met Tom aan de hand heenhuppelde. "Een kind is de eenige echte democraat. Die Tom is een held voor Eva: zijne vertellingen zijn wonderen voor haar; zijne liedjes en methodistische gezangen zijn pleizieriger dan eene opera; de snuisterijen in zijnen zak zijn eene mijn van juweelen, en hij zelf is de verwonderlijkste Tom, die ooit eene zwarte huid had. Dit is eene der rozen van het Eden, welke de Heere opzettelijk voor de armen en geringen heeft gestrooid, die er weinig genoeg van andere soort krijgen."
"Het is vreemd, Neef," zeide Ophelia hierop. "Als men u zoo hoort spreken, zou men haast denken dat gij een "belijder" waart."
"Een belijder?" herhaalde St. Clare.
"Ja, een belijder van den godsdienst."
"Lang niet. Ik ben geen "belijder", zooals men dat bij u noemt; en wat erger is: ik vrees dat ik ook geen "beoefenaar" ben."
"Hoe komt het dan dat gij zoo spreekt?"
"Niets is gemakkelijker dan het praten," antwoordde St. Clare. "Het is Shakespeare, geloof ik, die iemand laat zeggen: "ik zou u eerder twintig dingen kunnen toonen die goed waren om te doen, dan een van de twintig zijn om mijne eigene aanwijzing te volgen." Niets gaat boven verdeeling van arbeid. Mijn _fort_ ligt in het praten, het uwe in het doen."
Tom had nu in zijne uitwendige omstandigheden, gelijk de wereld zegt, niets om over te klagen. De kinderlijke genegenheid die de kleine Eva voor hem had opgevat--de instinctmatige dankbaarheid van een edel hart--had haar heur vader doen verzoeken om hem haar tot bijzonder geleider te geven, als zij op hare wandelingen of rijtoertjes een bediende noodig had; en Tom had een algemeenen last ontvangen om alle andere dingen te laten staan en Eva te vergezellen, wanneer zij hem daarom vroeg--een last die hem, gelijk men wel denken kan, verre van onaangenaam was. Hij was altijd welgekleed, want St. Clare was op dit punt zeer keurig. Zijn staldienst was eene sinecure, en bestond slechts in een dagelijksch toezicht of de mindere bedienden hun plicht deden; want Marie St. Clare zeide dat hij geene paardenlucht moest medebrengen als hij bij haar kwam, en nooit iets doen moest dat hem voor haar onaangenaam kon maken, dewijl haar zenuwgestel zoo iets niet velen kon; eene onaangename lucht zou, volgens haar zeggen, genoeg zijn om op eens een einde aan al hare aardsche onaangenaamheden te maken. Tom zag er dus met zijn welgeborsteld lakensch pak, zijnen glanzigen hoed, zijne blinkende laarzen, onberispelijk linnengoed en ernstig en goedhartig zwart gezicht, deftig genoeg uit, om bisschop van Carthago te zijn, gelijk lieden van zijne kleur in vroegere eeuwen waren.
Dan had hij ook eene heerlijke woonplaats, iets waarvoor zijn licht getroffen geslacht nooit onverschillig is, en hij verheugde zich met stil genot in de vogelen, de bloemen, de fontein, het licht en al de andere schoonheden van het binnenplein, en de zijden behangsels, schilderijen, kroonkandelaars, het beeld- en verguldwerk, waardoor de vertrekken tot zalen van een tooverpaleis voor hem gemaakt werden.
Indien Afrika ooit de zetel wordt van een beschaafd menschengeslacht--en op een of anderen tijd moet het toch aan de beurt komen, om in het groote drama van den vooruitgang der menschheid zijne rol te spelen--dan zal het leven daar ontwaken met een glans en eene pracht, waarvan onze koude Westersche menschenstammen slechts een flauw begrip hebben. In dat afgelegen land van goud en juweelen, specerijen en wuivende palmboomen, wonderbare bloemen en even wonderbare vruchtbaarheid zullen nieuwe kunstvormen, nieuwe soorten van weelde ontwaken; en het negergeslacht, niet langer veracht en vertreden, zal misschien eene der laatste en heerlijkste openbaringen van den menschelijken geest vertoonen. Zeker zullen de negers met hunne zachtmoedigheid, met hunne nederigheid van hart, met hunne neiging om meer verheven geesten te vertrouwen en zich op hoogere macht te verlaten, met hunne kinderlijke eenvoudigheid, liefderijkheid en vergevensgezindheid, den hoogsten vorm van het eigenaardig _christelijk leven_ aanbieden, en misschien, daar God kastijdt wien Hij liefheeft, heeft Hij het arme Afrika, thans zoo diep vernederd, uitverkoren om het te maken tot het hoogste en edelste in dat koninkrijk, dat opgericht zal worden wanneer alle andere koninkrijken zijn gewogen en te licht bevonden; want de eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten.
Was het dit waaraan Marie St. Clare dacht, toen zij op een Zondagochtend prachtig gekleed onder de galerij stond, en een juweelen armband om hare tengere arm vastmaakte? Waarschijnlijk wel. Of indien zij daaraan niet dacht, was het aan iets anders; want Marie hield van het goede en ging nu in volle pracht,--met diamanten, zijde, kanten en alles--naar eene _fashionable_ kerk, om eens zeer godsdienstig te zijn. Marie maakte er een regel van om zich op Zondag vroom te toonen. Daar stond zij dus, zoo tenger, zoo elegant, zoo sierlijk in al hare bewegingen, met de kanten voile, die haar als een nevel omhulde. Zij zag er bekoorlijk uit en voelde dat zij zeer goed was--en zeer elegant. Miss Ophelia stond naast haar als haar volmaakt contrast. Zij had, wel is waar, eene even fraaie zijden japon en een even fijnen zakdoek, doch zekere onbeschrijfelijke, maar duidelijke stijfheid en houterigheid lagen evenzeer over geheel haar voorkomen verspreid, als zekere gratie over dat harer elegante nicht.
"Waar is Eva?" zeide Marie.
"Het kind is op de trap blijven staan om iets tegen Mammy te zeggen."
En wat zeide Eva tegen Mammy op de trap? Luister, lezer! en gij zult het hooren, ofschoon Marie het niet hoort.
"Lieve Mammy, ik zie wel dat gij schrikkelijke hoofdpijn hebt."
"God zegene u, Miss Eva, ik heb tegenwoordig altijd hoofdpijn. Gij behoeft u daarover niet te kwellen."
"Nu, ik ben blij dat gij nu ook uitgaat; en hier, Mammy," en daarmede sloeg het meisje hare armen om haar heen, "gij moet mijn flacon ook medenemen."
"Wat? Dat mooie gouden ding van u, met diamanten? Wel, Jongejuffrouw, dat zou geheel niet voegen."
"Waarom niet? Gij hebt het noodig en ik niet. Mama gebruikt het altijd tegen hoofdpijn, en dan zult gij ook beter worden. Kom nu, neem maar aan, om mij pleizier te doen."
"Hoor dat lieve kind eens!" zeide Mammy bij zich zelve, toen Eva den flacon in hare borst stopte, haar een kus gaf en vervolgens de trap af hare moeder naliep.
"Waarom hebt gij u opgehouden?"
"Ik hield mij maar even op, Mama, om Mammy mijn flacon te geven, om mede naar de kerk te nemen."
"Uw gouden flacon aan Mammy!" zeide Marie, ongeduldig met haren voet stampende. "Wanneer zult gij toch eens manieren leeren, kind? Ga dien terstond terugvragen."
Eva keek bedroefd voor zich en keerde zich langzaam om.
"Och, Marie, laat het kind begaan; zij mag doen wat zij verkiest," zeide St. Clare.
"Maar, St. Clare, hoe zal zij ooit door de wereld komen?" zeide Marie.
"Dat weet de Heere," antwoordde St. Clare; "maar zij zal beter naar den hemel komen dan gij of ik."
"O, Papa, spreek zoo niet," zeide Eva, hem zacht aan den arm stootende, "dat maakt moeder verdrietig."
"Wel, Neef! zijt gij ook gereed om naar de _meeting_ te gaan?" zeide Ophelia, zich vlak voor St. Clare plaatsende.
"Wèl verplicht; ik ga niet."
"Ik wenschte zoo dat St. Clare maar eens naar de kerk wilde gaan," zeide Marie; "maar hij geeft niets om den godsdienst. Het is inderdaad niet fatsoenlijk."
"Dat weet ik wel," zeide St. Clare hierop. "Gij, dames, gaat naar de kerk, om te leeren hoe door de wereld te komen, naar ik meen, en uwe vroomheid deelt ons fatsoen mede. Als ik al ging, zou ik gaan waar Mammy gaat; daar is tenminste nog iets om iemand wakker te houden."
"Wat, naar die schreeuwende methodisten?" zeide Mary. "Afschuwelijk!"
"Alles liever dan de doode zee van uwe fatsoenlijke kerken, Marie. Dat is waarlijk te veel van iemand gevergd. Eva, gaat gij wel gaarne mede? Kom blijf tehuis en speel met mij."
"Dank u, Papa, maar ik wilde liever naar de kerk gaan."
"Is dat dan niet schrikkelijk vervelend?" zeide St. Clare.
"Ik vind het wel wat vervelend," antwoordde Eva: "en ik ben ook wel slaperig, maar ik doe mijn best om wakker te blijven."
"Waarom gaat gij dan?"
"Wel, gij weet, Papa," antwoordde zij fluisterend, "nicht heeft mij gezegd dat God dit van ons hebben wil; en Hij geeft ons alles, weet ge; en het is niet veel om dat te doen, als Hij het hebben wil. Het is toch zoo heel vervelend niet."
"Ge zijt een lief gewillig kind," zeide St. Clare--en kuste haar. "Ga maar als een goed meisje en bid voor mij."
"Zeker, dat doe ik altijd," antwoordde Eva, en zij sprong hare moeder na in de koets.
St. Clare bleef op de stoep staan en wierp haar een handkus na toen de koets wegreed. Er waren groote tranen in zijne oogen.
"O Evangeline! Wel moogt gij uw naam dragen," zeide hij. "Heeft God u niet tot een evangelie voor mij gemaakt?"
Zoo dacht en voelde hij voor een oogenblik; toen ging hij eene sigaar rooken en een onderhoudend boek lezen, en vergat zijn klein evangelie. Verschilde hij wel veel van anderen?
"Gij begrijpt wel, Evangeline," zeide hare moeder, "het is wel behoorlijk de bedienden altijd goed te behandelen, maar het is niet voegzaam hen eveneens te behandelen als wij onze bloedverwanten of menschen van onze eigene klasse zouden doen. Als Mammy nu eens ziek was, zoudt gij haar dan in uw eigen bed willen leggen?"
"Dat zou ik wel gaarne, Mama," antwoordde Eva, "omdat het dan veel gemakkelijker zou zijn haar op te passen, en ook omdat mijn bed beter is dan het hare."
Marie werd wanhopig over het gebrek aan zedelijk begrip, dat dit antwoord aanduidde.
"Wat kan ik doen om mij door dit kind te doen verstaan?" zeide zij.
"Niets," antwoordde Ophelia met nadruk.
Eva keek voor een oogenblik droevig en verslagen; maar bij kinderen blijft een indruk gelukkig niet lang bestaan, en weldra lachte zij weder vroolijk over allerhande dingen, die zij in het voorbijrijden zag.
"Wel, dames," zeide St. Clare, toen zij aan het diner zaten: "wat heeft men u vandaag in de kerk opgedischt?"
"O, Dr. G.-- heeft vandaag een heerlijke preek gehouden," zeide Marie. "Het was juist zulk een preek als gij hadt moeten hooren. Hij heeft alles gezegd wat ik dikwijls denk."
"Dat zal zeer stichtelijk geweest zijn," zeide St. Clare, "en het onderwerp moet ook uitgebreid geweest zijn.'
"Wel, ik meen wat ik over de maatschappij en zulke dingen denk," zeide Marie. "De tekst was: "Hij heeft ieder ding schoon gemaakt in zijnen tijd," en hij bewees: hoe alle rangen en onderscheidingen in de maatschappij van God kwamen; en dat het zoo gepast en schoon was dat sommigen hoog en sommigen gering waren; dat sommigen geboren werden om te gebieden en anderen om te dienen, en alzoo meer, weet ge; en hij paste dat zoo wèl toe op de belachelijke opschudding die over de slavernij gemaakt wordt, en hij bewees duidelijk dat de Bijbel op onzen kant was en al onze instellingen bevestigde. Ik wenschte maar dat gij hem gehoord hadt."
"Och, ik had dat niet noodig," antwoordde St. Clare; "ik kan dat zelfde wel in andere boeken lezen, en dan nog eene sigaar er bij rooken, wat ik in eene kerk niet doen kan."
"Gelooft gij dus niet aan zulke stellingen?" zeide Ophelia.
"Wie--ik? Ik moet bekennen dat ik lichtzinnig genoeg ben niet veel stichting te vinden in godsdienstige redeneeringen over zulke dingen. Als ik iets over die quaestie van de slavernij moest zeggen, zou ik ronduit bekennen: Wij zitten er nu mee. Wij hebben ze en willen ze houden. Het is voor ons gemak en voordeel. Dat is toch het lange en het korte er van, en dat is het ook waar die schijnheilige praatjes eigenlijk op neer komen; en ik denk, dat zou voor iedereen en overal verstaanbaar zijn."
"Ik vind dat gij al heel oneerbiedig zijt, Augustine," zeide Marie. "Ik vind het ijselijk u zoo te hooren spreken."
"IJselijk! Het is de waarheid. Dat godsdienstig gebabbel over zulke dingen--waarom drijven zij het niet nog wat verder en bewijzen hoe schoon het is, als iemand op zijnen tijd een glas te veel drinkt, of wat te laat bij de kaarten blijft zitten, kortom, het schoone van al die beschikkingen der Voorzienigheid, die onder ons, jongelieden, tamelijk dikwijls voorkomen? Wij zouden gaarne willen hooren dat al die dingen ook goed en goddelijk zijn."
"Maar," zeide Ophelia, "houdt gij nu de slavernij voor recht of onrecht?"
"Gij moet mij niet op die akelige Nieuw-Engelsche manier met zulke rechtstreeksche vragen komen bestoken, Nicht," zeide St. Clare schertsend. "Als ik die eene vraag beantwoord, weet ik dat ge mij nog met een half dozijn meer op het lijf valt, de eene al lastiger dan de andere, en dat wil ik niet afwachten. Ik ben een van die soort, die wel met steenen willen smijten naar de glazen huizen van anderen, maar nooit zelf een glazen huis willen bouwen om hen met steenen te laten gooien."
"Dat is de manier waarop hij altijd praat," zeide Marie. "Men kan nooit bepaalde antwoorden van hem krijgen. Ik geloof dat het is omdat hij niet van den godsdienst houdt, dat hij er altijd zoo omheen praat."
"Godsdienst!" zeide St. Clare, op een toon die beide dames naar hem deed opzien. "Godsdienst! Is dat, wat gij daar in de kerk hoort, godsdienst? Is dat, wat men zoo kan buigen en wringen, om in al de kronkelingen van eene eigenlievende, aardschgezinde maatschappij te passen, godsdienst? Is dat godsdienst wat minder billijk, minder edelmoedig, minder rechtvaardig, minder meedoogend voor den mensch is dan mijn eigen ongodsdienstig, aardschgezind, verblind gemoed? Neen! Als ik naar godsdienst zoek, dan moet ik zoeken naar iets dat boven mij is, niet naar iets dat beneden mij is."
"Dus gelooft gij niet dat de Bijbel de slavernij rechtvaardigt?" zeide Ophelia.
"De Bijbel was mijn moeders boek," antwoordde St. Clare. "Daarmede heeft zij geleefd en is zij gestorven, en het zou mij zeer spijten als ik denken moest dat hij dat deed. Ik zou mij even gaarne zien bewijzen dat mijne moeder brandewijn dronk, en tabak pruimde, en vloekte, om mij zoo gerust te stellen dat ik recht had om hetzelfde te doen. Dat zou mij met die dingen voor mij zelven geheel niet beter tevreden maken en het zou mij den troost ontnemen van haar te eerbiedigen; en het is waarlijk een troost, in deze wereld iets te hebben dat men eerbiedigen kan. Kortom," vervolgde hij, eensklaps zijn schertsende toon hernemende, "al wat ik verlang is, dat verschillende dingen in verschillende doozen bewaard worden. Het geheele samenstel der maatschappij, zoowel in Amerika als in Europa, is van allerlei dingen gemaakt, die niet voor de proef eener maar eenigszins strenge zedelijkheid bestand zijn. Men is het tamelijk algemeen eens, dat de menschen niet naar het absolute recht streven, maar alleen omtrent zoo goed willen zijn als anderen. Als nu iemand opstaat en spreekt als een man, en zegt dat de slavernij noodig voor ons is, dat wij er niet buiten kunnen, dat wij doodarm zouden worden als wij er van afzagen, en dat wij ze natuurlijk denken te behouden--dan is dat krachtige, duidelijke, bondige taal, die het achtenswaardige der oprechtheid heeft; en als wij op het doorgaande gebruik kunnen afgaan, zal de meerderheid der wereld ons daarin gelijk geven. Maar als hij een lang gezicht wil zetten, temende preeken houden en de Schrift er bij aanhalen, dan begin ik te denken dat hij niet van de beste soort is."
"Gij oordeelt zeer liefdeloos," zeide Marie.
"Wel," hervatte St. Clare, "onderstel eens dat iets den prijs van het katoen voor altijd zoodanig deed dalen, dat slaven geene waarde meer hadden; zoudt ge dan niet denken dat wij spoedig eene andere uitlegging van de Schrift zouden krijgen? Welk een vloed van licht zou dan op eens in de kerk stroomen en oogenblikkelijk doen ontdekken dat de Bijbel geheel het tegendeel leerde!"
"Nu," zeide Marie, zich op de sofa uitstrekkende, "ik ben in allen gevalle blijde, dat ik ergens geboren ben waar de slavernij bestaat; en ik geloof dat zij rechtmatig is--ik voel dat zij dit wezen moet; en in allen gevalle, ik zou er niet buiten kunnen."
"Zeg eens, wat denkt gij, poesje?" zeide St. Clare tot Eva, die juist met eene bloem in de hand binnenkwam.
"Waarover, Papa?"
"Wel, wat bevalt u het beste, zoo te leven als bij uwen oom in Vermont, of een huis vol bedienden te hebben zooals wij?"
"O natuurlijk, onze manier is veel pleizieriger," zeide Eva.
"Waarom?" zeide St. Clare, haar over het hoofd streelende.
"Wel, dan heeft men er zooveel meer om zich heen om lief te hebben," antwoordde Eva hem ernstig aanziende.
"Dat is weder zoo wonderlijk gesproken als gij altijd doet, Eva," zeide Marie.
"Is dat zoo wonderlijk gesproken, Papa?" fluisterde Eva, toen zij op zijne knie was geklommen.
"Een beetje wonderlijk, poesje, bij hetgeen de wereld gewoonlijk zegt," antwoordde St. Clare. "Maar waar is mijne kleine Eva onder het diner geweest?"
"Ik ben bij Tom geweest op zijne kamer, ik heb hem hooren zingen, en tante Dina heeft mij eten gegeven."
"Zoo! Hebt gij Tom hooren zingen!"
"Ja. Hij zingt zulke mooie dingen van Nieuw-Jeruzalem, en de heerlijke engelen en het land van Kanaän."
"Dat is nog veel mooier dan in de opera, niet waar?"
"Ja, en hij zal ze mij leeren."
"Zanglessen? Zoo, gij begint te vorderen."
"Ja, hij zingt voor mij, en ik lees voor hem in mijnen Bijbel; en hij verklaart wat het beduidt, weet ge!"
"Nu, dat zal kluchtig zijn," zeide Marie.
"Tom is zoo kwaad niet om de Schrift uit te leggen," zeide St. Clare. "Hij heeft een natuurlijk talent voor den godsdienst. Ik wilde van morgen vroeg de paarden hebben en ging dus naar Tom's kamertje boven den stal, en daar hoorde ik hem in zijne eenigheid eene _meeting_ houden; en waarlijk, ik heb in langen tijd niets zoo hartelijks gehoord als het gebed van Tom. Hij bad voor mij met een ijver die waarlijk apostolisch was."
"Misschien kon hij raden dat gij stondt te luisteren. Ik heb wel meer van die streken gehoord."
"Als hij dat deed, was het niet zeer politiek; want hij zeide den Heere tamelijk vrijpostig zijne meening over mij. Tom scheen te denken dat er nog vrij wat aan mij te verbeteren viel, en het ernstig met mijne bekeering te meenen."
"Ik hoop dat gij het ter harte zult nemen," zeide Ophelia.
"Het schijnt dus dat gij zoo wat van dezelfde meening zijt," antwoordde St. Clare. "Wij zullen zien--niet waar, Eva?"
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
EEN VRIJ MAN, DIE ZIJNE VRIJHEID VERDEDIGT.
Er heerschte zekere stille drukte in het huis van den kwaker, toen de dag ten avond neigde. Rachel Halliday ging bedaard heen en weder, en bracht van haren huiselijken voorraad een aantal benoodigdheden bijeen, welke in eene kleine ruimte konden gepakt worden, voor de zwervelingen die in den nacht zouden vertrekken. De avondschaduwen strekten zich oostwaarts, en de ronde, roode zon toefde als het ware peinzend bij den gezichteinder, terwijl hare gele stralen zacht in het slaapkamertje schenen, waar George en zijne vrouw bij elkander zaten. Hij had zijn kind op zijne knie en de hand zijner vrouw in de zijne. Beider gezicht stond nadenkend en ernstig, en er waren sporen van tranen op hunne wangen.
"Ja, Eliza," zeide George. "Ik weet dat al wat gij zegt waar is. Gij zijt een goed kind--veel beter dan ik; en ik zal trachten te doen gelijk gij zegt. Ik zal trachten te handelen gelijk een vrij man betaamt. Ik zal trachten het gevoel van een christen te koesteren. God almachtig weet dat ik wèl heb willen doen--dat ik mij ingespannen heb om wèl te doen--toen alles tegen mij was, en nu wil ik al het verledene vergeten, en harde en bittere aandoeningen smoren en mijn Bijbel lezen en een goed man leeren worden."