Chapter 18
"Jeneverbessen-thee is heel goed voor hoofdpijn," zeide Ophelia, "tenminste Augusta, de vrouw van den ouden Abraham Perry, placht zoo te zeggen, en zij had veel ondervinding."
"Ik zal de eerste jeneverbessen, die in onzen tuin bij het meer rijp worden, opzettelijk daarvoor laten komen," zeide St.-Clare zeer ernstig en trok te gelijk aan de schel. "Ondertusschen, Nicht, zult gij wel gaarne naar uwe kamer willen gaan, om u na de reis wat te verfrisschen. Dolf," vervolgde hij, "laat Mammy terstond eens hier komen."
De mulattin, welke Eva met zooveel verrukking had geliefkoosd, trad spoedig binnen. Zij was zeer net gekleed en had een rooden en gelen tulband op, dien Eva haar nu pas had medegebracht, en welken het meisje zelf om haar hoofd had gewonden.
"Mammy," zeide St.-Clare, "ik stel deze dame onder uwe zorg. Zij is moede en heeft rust noodig. Breng haar naar heur kamer en zorg er voor dat zij alle gemak heeft."
Daarop verdween Ophelia, door Mammy voorgegaan.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
TOMS NIEUWE MEESTERES EN HARE GEVOELENS.
"En nu, Marie," zeide St.-Clare, "zullen er gouden dagen voor u aankomen. Hier is nu onze knappe huishoudelijke nicht uit Nieuw-Engeland, die den geheelen last van zorgen van uwe schouders zal nemen, en u tijd laten om u op te frisschen om weder jong en mooi te worden. Gij moest nu maar terstond tot de ceremonie van het overgeven der sleutels komen."
Dit zeide hij aan de ontbijttafel, eenige ochtenden nadat hij met Ophelia was aangekomen.
"O, zij is welkom," zeide Marie en liet kwijnend haar hoofd op hare handen rusten. "Ik denk dat zij wel iets ondervinden zal, namelijk, dat wij meesteressen hier eigenlijk de slavinnen zijn."
"O zeker, dat zal zij wel ontdekken, en nog een aantal heilzame waarheden bovendien," zeide St.-Clare.
"Men praat van slaven houden, alsof wij het voor ons gemak deden," hervatte Marie. "Zeker, als wij daarom dachten, zouden wij hen allen terstond laten gaan."
Evangeline zag hare moeder ernstig aan, alsof er iets gezegd was dat haar verbijsterde, en vroeg toen eenvoudig:
"Waarom houdt gij ze dan, Mama?"
"Dat weet ik zelf niet, of het moest tot eene plaag wezen; zij zijn de plaag van mijn leven. Ik geloof dat zij meer de schuld van mijne ziekelijkheid zijn dan iets anders; en de onze, dat weet gij wel, zijn de ergsten waarmede ooit iemand geplaagd was."
"Och kom, Marie, ge zijt van morgen melancholiek," zeide St.-Clare. "Gij weet wel dat het zoo niet is. Daar is Mammy--die is immers de beste meid van de wereld. Hoe zoudt gij het zonder haar maken?"
"Mammy is de beste die ik ooit gekend heb," zeide Marie hierop; "en Mammy is toch zoo eigenlievend--schrikkelijk eigenlievend; dat is het gebrek van het geheele ras."
"Eigenliefde is inderdaad een akelig gebrek," zeide St.-Clare ernstig.
"Nu, daar is dan die Mammy," hervatte Marie. "Mij dunkt, het is zeer eigenlievend van haar, des nachts zoo vast te slapen. Zij weet wel dat ik gedurig kleine diensten noodig heb, als ik mijne ergste vlagen krijg, en toch is zij zoo moeielijk te wekken, dat ik van morgen stellig erger was door de inspanning, die ik van nacht van mij had moeten vergen om haar wakker te krijgen."
"Maar is zij niet al verscheidene nachten bij u opgebleven, Mama?" zeide Eva.
"Hoe weet gij daarvan?" zeide Marie scherp. "Zij zal er denkelijk over geklaagd hebben."
"Zij heeft niet geklaagd. Zij zeide mij maar welke slechte nachten zij gehad hadt, zooveel achtereen."
"Waarom neemt gij Jane of Rosa niet voor een paar nachten in hare plaats, en laat haar uitslapen?" zeide St.-Clare.
"Hoe kunt ge mij zoo iets voorstellen?" antwoordde Marie. "Gij zijt waarlijk ongevoelig, St.-Clare. Zoo zenuwachtig als ik ben, brengt het minste mij van streek, en eene vreemde helpster bij mij zou mij haast razend maken. Als Mammy zooveel om mij gaf als zij doen moest, zou zij gemakkelijker wakker worden--natuurlijk zou zij dat. Ik heb wel van menschen gehoord die zulke trouwe dienstboden hadden; maar ik ben nooit zoo gelukkig geweest." En Marie slaakte een zucht.
Miss Ophelia had met een gezicht vol scherpe, ernstige oplettendheid naar dit gesprek geluisterd en kneep nu hare lippen nog vaster dicht, alsof zij zich voornam eerst met volle zekerheid waar te nemen welke menschen zij hier voor zich had, eer zij zich eenigszins compromitteerde.
"Mammy heeft wel zekere soort van goedhartigheid," hervatte Marie; "zij is vriendelijk en gedienstig; maar eigenlijk is zij toch zeer eigenlievend. Zoo wil zij maar nooit ophouden over dien man van haar te kniezen en te malen. Gij begrijpt wel, toen ik getrouwd was en hier kwam wonen, moest ik haar natuurlijk medenemen, en haar man kon mijn vader niet missen. Hij was een smid en daar zeer noodzakelijk; en ik dacht en zeide toen, dat Mammy en hij liever van elkander moesten afzien, daar zij waarschijnlijk toch nooit weder met elkander zouden kunnen leven. Ik wenschte nu wel dat ik dat had doorgezet en Mammy met iemand anders getrouwd; maar ik was dwaas en al te inschikkelijk en wilde het niet doorzetten. Ik zeide Mammy toen, dat zij niet denken moest hem meer dan nog een paar maal in haar leven weer te zien, want dat de lucht van de streek, waar mijn vader woonde, niet goed voor mijne gezondheid is, en ik daar dus zeer zelden weder komen zou, en ik raadde haar om met iemand anders te leven; maar neen--zij wilde niet. Mammy heeft zekere koppigheid in enkele opzichten, die iedereen niet zoo waarneemt als ik doe."
"Heeft zij kinderen?" vroeg Ophelia.
"Ja, zij heeft er twee."
"Het zal haar denkelijk wel spijten dat zij daarvan gescheiden is."
"O, natuurlijk kon ik die niet meenemen. Het waren nog kleine morsige dingen, die ik niet onder mijne oogen velen kon; en bovendien namen zij te veel van haren tijd weg; maar ik geloof toch dat Mammy daarover altijd eenigszins is blijven wrokken. Zij wil met niemand anders trouwen, en ik geloof zeker dat zij, hoewel zij weet hoe ik haar noodig heb en hoe zwak mijne gezondheid is, morgen weder naar haren man zou gaan, als zij maar kon. Ja zeker; en zoo eigenlievend zijn de besten van die wezens."
"Het is treurig om aan te denken," zeide St.-Clare droogjes.
Ophelia zag hem scherp aan, en bemerkte den blos van ergenis en de spottend krullende lip, waarmede hij dit zeide.
"Nu is Mammy toch altijd eene soort van troetelkindje van mij geweest," zeide Marie. "Ik wenschte dat uwe vrije dienstboden uit het Noorden hare kasten met kleeren eens konden zien. Zijden en mousselinen japonnen, en eene van echt kamerdoek heeft zij daarin hangen, en ik heb somtijds een heelen middag gewerkt om hare mutsen op te maken en haar voor een partijtje op te schikken. Wat mishandelen betreft, zij weet niet eens wat dat is. Zij heeft niet meer dan eens of tweemaal in haar geheele leven de zweep gehad. Zij heeft alle dagen haar koffie of thee met witte suiker. Dat is wel overdadig; maar St.-Clare wil dat zij in de keuken ook op een grooten voet leven, en ieder doet daar dus wat hem bevalt. Om de waarheid te zeggen, onze bedienden hebben het al te goed. Ik geloof dat het gedeeltelijk onze eigen schuld is, dat zij zoo eigenlievend zijn en doen als bedorven kinderen. Maar ik heb gepraat dat ik er moede van ben."
"En ik ook," zeide St.-Clare.
Eva had naar hare moeder staan luisteren met dien blik vol geheimzinnigen ernst, die haar bijzonder eigen was. Nu kwam zij naar hare moeder toe en sloeg haar arm om haren hals.
"Wel, Eva, wat nu?" zeide Marie.
"Mama, zou ik u niet voor een nacht kunnen oppassen--maar één? Ik zou u zeker niet zenuwachtig maken, en ik zou ook niet slapen. Ik lig toch dikwijls des nachts wakker te denken...."
"Och, dwaasheid kind," antwoordde Marie. "Welk een wonderlijk kind zijt ge toch!"
"Maar mag ik, Mama? Ik denk," zeide zij schroomvallig, "dat Mammy niet wel is. Zij heeft mij gezegd, dat zij tegenwoordig aanhoudend hoofdpijn heeft."
"Dat is weer eene van hare kuren. Mammy is als al de rest--allen maken zij zulk een beweging van wat pijn hier of daar; maar daar geef ik nooit aan toe--nooit. Dat is een grondregel van mij," vervolgde zij, zich naar Ophelia keerende, "en gij zult zelve ondervinden hoe noodzakelijk die is. Als men bedienden toelaat om zich aan ieder onaangenaam gevoel te storen en over elke kleine onpasselijkheid te klagen, heeft men er nooit rust van. Ik zelve klaag nooit--niemand weet wat ik lijd. Ik acht het mijn plicht om dat stil te dragen, en dat doe ik ook."
Ophelia's oogen gaven hare ongeveinsde verbazing over dit besluit der redevoering te kennen, hetwelk St.-Clare zoo overmatig koddig vond, dat hij in een luiden lach uitbarstte.
"St.-Clare lacht altijd, als ik het minste woord van mijne ziekelijkheid zeg," zeide Marie op den toon van eene geduldige martelares. "Ik hoop maar dat er niet eens een dag zal komen, dat hij daaraan denken zal." En daarmede hield zij haar zakdoek voor hare oogen.
Natuurlijk volgde er nu eene eenigszins lastige stilte. Eindelijk keek St.-Clare op zijn horloge, zeide dat hij uit moest, stond op en ging heen. Eva trippelde hem na, en zoo bleven nu Marie en Ophelia met elkander alleen.
"Zoo maakt St.-Clare het altijd," zeide de eerste, en nam met een tamelijk driftigen zwaai haar zakdoek van haar gezicht, toen de misdadiger, wiens hart zij wilde roeren, buiten de deur was. "Hij verbeeldt zich nooit, hij kan en zal zich nooit verbeelden wat ik jarenlang geleden heb en nog lijd. Als ik veel van klagen hield, of ooit eenige beweging over mijne kwalen maakte, zou hij gelijk hebben. Natuurlijk worden de mannen eene vrouw moede, die altijd klaagt. Maar ik heb alles voor mij zelve gehouden en gedragen, doch St.-Clare denkt dat ik alles dragen kan."
Ophelia wist niet recht wat zij hierop moest antwoorden.
Terwijl zij zich nog bedacht wat zij zeggen zou, veegde Marie hare tranen af, streek als het ware hare veeren glad, gelijk een duif na eene regenbui haar toilet maakt, en begon een huishoudelijk praatje over hare kasten met aardewerk, glas en tafelgoed, hare provisiekamers en andere dingen, waarover de nicht het beheer zou aanvaarden, en gaf zoovele regelen, waarschuwingen en aanwijzingen, dat een minder koel en helder hoofd dan dat van Ophelia er geheel door verbijsterd zou zijn geworden.
"En nu," zeide Marie, "geloof ik dat ik u alles gezegd heb, zoodat gij, als ik weder eene vlaag van mijne kwaal krijg, wel geheel zult voort kunnen, zonder mij ergens naar te vragen. Maar nu nog over Eva--het is noodig dat er op haar gelet wordt."
"Zij schijnt een heel zoet kind te zijn," zeide Ophelia. "Ik heb nooit zoeter kind gezien."
"Eva is een vreemd kind, een zeer vreemd," zeide de moeder. "Zij heeft dingen over zich die heel wonderlijk zijn: zij gelijkt volstrekt niet naar mij." En Marie zuchtte, alsof dit eene droevige gedachte was.
Ophelia zeide in haar hart: "Ik hoop wel van neen," maar zij was voorzichtig genoeg om dit te verzwijgen.
"Eva is altijd liefst bij de bedienden geweest, en dat houd ik voor sommige kinderen voor heel goed. Ik heb altijd met de kleine negers van mijnen vader gespeeld, en dat heeft mij nooit kwaad gedaan; maar Eva schijnt zich altijd met ieder die haar nabijkomt gelijk te willen stellen. Het is iets vreemds in dat kind. Ik heb haar dat nooit kunnen afwennen. St.-Clare, geloof ik, helpt haar daarin voort. Om de waarheid te zeggen: St.-Clare is er op uit om iedereen te believen, behalve zijne vrouw."
Wederom bewaarde Ophelia een bot stilzwijgen.
"Men kan met bedienden niet te recht komen," zeide Marie, "of men moet hen onder zich brengen en onder zich houden. Dat is mij van kindsbeen af altijd eigen geweest. Eva is in staat om een geheel huisvol te bederven. Hoe zij het maken zal als zij zelve eens moet huishouden, betuig ik niet te weten. Ik ben gaarne _goed_ voor bedienden, en dat ben ik ook; maar men moet zorgen dat zij op een afstand blijven en weten wat zij zijn. Dat doet Eva nooit; men kan het kind geen zweem van een denkbeeld in het hoofd krijgen, wat een bediende is en op welken afstand hij behoort te blijven. Gij hebt wel gehoord, hoe zij des nachts bij mij wilde waken om Mammy te laten slapen. Dat is nu een staaltje van de manier waarop het kind altijd handelen zou, als men haar liet begaan."
"Wel," zeide Ophelia zonder omwegen, "ik meen dat gij toch ook denken zult dat uwe bedienden menschelijke wezens zijn, en rust behooren te hebben als zij moe zijn."
"Wel zeker--natuurlijk. Ik ben er bijzonder op gesteld om hen alles te laten hebben wat mij maar eenigszins gelegen komt, alles wat mij maar niet geheel van mijn streek brengt. Mammy kan haar slaap op een of anderen tijd inhalen; daar is geen bezwaar in. Zij is het slaperigste stuk vleesch dat ik ooit gezien heb; naaiende, zittende of staande, overal valt dat schepsel in slaap. Men behoeft niet bang te zijn dat Mammy geen slaap genoeg krijgt. Maar de bedienden zoo te behandelen, alsof zij uitheemsche bloemen of porseleinen vazen waren, is inderdaad belachelijk," zeide Marie, terwijl zij zich in de diepte eener donzige sofa liet zinken, en een fraai geslepen reukfleschje opnam.
"Gij merkt wel," vervolgde zij met eene flauwe, echt damesachtige stem, gelijk de stervende ademtocht van eene Arabische jasmijn, of iets even kwijnends en aetherisch, "gij merkt wel, Nicht Ophelia, ik spreek niet dikwijls van mij zelve. Dat is mijne gewoonte niet. Om de waarheid te zeggen, ik heb er de kracht niet toe; maar er zijn punten waarover St.-Clare en ik altijd verschillen. St.-Clare heeft mij nooit gewaardeerd. Dat geloof ik is de grond van al mijne ziekelijkheid. St.-Clare meent het goed, dat ben ik verplicht te gelooven; maar de mannen zijn eigenlievend van aard en hebben geen gevoel voor eene vrouw. Zoo denk ik ten minste."
Ophelia, die geen gering aandeel van de echte Nieuw-Engelsche voorzichtigheid bezat en zeer ongaarne in huiselijke geschillen betrokken werd, begon nu te zien dat haar iets van dien aard bedreigde; zij zette dus haar gezicht in de plooien eener stroeve neutraliteit, haalde een begonnen kous uit haren zak, die zij daar bewaarde als een specifiek middel tegen datgene wat volgens Dr. Watts eene gewoonte van Satan is, als de menschen ledige handen hebben, en begon met ijver te breien, tegelijk hare lippen dichtknijpende op eene manier die duidelijk zeide: "Gij behoeft niet te probeeren om mij te doen spreken; ik wil niets met uwe zaken te doen hebben;"--kortom zij keek nagenoeg zoo medelijdend als een steenen leeuw. Marie stoorde zich echter niet daaraan. Zij had iemand om tegen te praten en dat was genoeg. Nadat zij nog eens aan haar flacon had geroken, om hare krachten te herstellen, vervolgde zij:
"Gij moet weten, ik heb mijn vermogen en mijne bedienden in eigendom gehouden toen ik met St. Clare trouwde, en heb een wettig recht om er op mijne eigene manier mede te handelen. St. Clare heeft zijn vermogen en zijne bedienden, en ik heb er volstrekt niet tegen dat hij daarmede naar zijnen eigen zin handelt; maar St. Clare wil zich altijd met het mijne bemoeien. Hij heeft wonderlijk buitensporige denkbeelden over allerlei dingen, vooral over de behandeling van bedienden. Hij doet waarlijk alsof hij zijne bedienden boven mij stelde en boven zich zelven ook: want hij laat zich allerlei last door hen veroorzaken en licht nooit een vinger op. Nu is St. Clare, wat sommige dingen betreft, schrikkelijk ongemakkelijk--zoodat hij mij bang maakt, hoe goedaardig hij er ook uitziet. Zoo heeft hij zich in het hoofd gezet dat er, wat er ook gebeuren mag, geen slag in huis mag gegeven worden, behalve door mij of door hem; en dat drijft hij door op eene manier, dat ik er mij waarlijk niet overheen durf zetten. Nu zult gij wel zien waar dat op uitloopt, want St. Clare zou de hand niet oplichten al liepen zij allen over hem heen, en ik--gij begrijpt wel hoe barbaarsch het zou zijn van mij te vergen om mij zoo te vermoeien. En toch, gij weet wel, die bedienden zijn niet anders dan volwassen kinderen."
"Daar weet ik niets van en ik dank den Heere dat ik er niets van weet," antwoordde Ophelia nu kortaf.
"O, gij zult het wel leeren en dat ten uwen koste, als gij hier blijft. Gij weet nog niet welke onverdragelijke, domme, loszinnige, onredelijke, kinderachtige, ondankbare ellendelingen zij zijn."
Marie scheen altijd eene verwonderlijke kracht te bekomen, als zij aan dit onderwerp begon. Zij hield nu hare oogen open en scheen hare kwijnende zwakheid geheel te vergeten.
"Gij weet nog niet," vervolgde zij, "en kunt nog niet weten, hoe eene huishoudster altijd en overal door hen geplaagd wordt. Maar het baat niet bij St. Clare daarover te klagen. Hij heeft dan de wonderlijkste redeneeringen. Hij zegt: wij hebben hen gemaakt wat zij zijn en moeten hen verdragen. Hij zegt dat al hunne gebreken aan ons te wijten zijn, en dat het wreed zou zijn eerst de schuld te veroorzaken en dan te straffen. Hij zegt dat wij in hunne plaats niet beter zouden doen; alsof er tusschen hen en ons vergelijkingen konden gemaakt worden."
"Gelooft gij niet dat de Heere hen uit één bloed met ons geschapen heeft?" zeide Ophelia weder kortaf.
"Wel waarlijk niet! Dat zou wat moois zijn. Ze zijn een vernederd geslacht."
"Denkt gij niet dat zij onsterfelijke zielen hebben?" zeide Ophelia, met toenemende verontwaardiging.
"O, natuurlijk, daar twijfelt niemand aan," antwoordde Marie geeuwende. "Maar hen op gelijken rang te plaatsen, alsof wij met elkander te vergelijken waren, dat is immers onmogelijk! En nu heeft St. Clare inderdaad wel met mij gesproken alsof het 't zelfde was, dat Mammy van haar man werd afgehouden, als het zijn zou als ik van den mijnen werd gehouden. Zóó kan men geene vergelijkingen maken. Mammy kan zulk een gevoel niet hebben als ik hebben zou. Het is geheel iets anders--dat spreekt vanzelf; en toch houdt St. Clare zich alsof hij dat niet begreep, en praat alsof Mammy hare zwarte smerige kinderen even lief zou hebben als ik Eva heb. Ja, eens heeft St. Clare mij werkelijk en ernstig willen overreden, dat het mijn plicht was, met mijne zwakke gezondheid en al wat ik lijd, Mammy terug te zenden en iemand anders in hare plaats te nemen. Dat was een weinigje te veel, zelfs voor mij om te dragen. Ik toon niet dikwijls mijn gevoel. Ik maak er een regel van om alles in stilte te verduren, dat is het harde lot eener vrouw. Maar toen barstte ik toch uit, zoodat hij nooit weder daarover gesproken heeft. Maar uit zijn gezicht en uit kleinigheden die hij zegt, kan ik wel opmaken dat hij nog eveneens denkt; en dat is immers iemand tergen."
Ophelia keek, alsof zij zeer bang was dat zij tegen wil en dank iets zeggen zou; maar liet slechts hare breinaalden ratelen op eene manier, die zooveel zeide als men in een geheel boekdeel zou kunnen schrijven; indien Marie het maar had kunnen verstaan.
"Gij begrijpt dus," vervolgde deze, "wat gij hier te stellen zult hebben. Een huishouden zonder eenigen regel, waar de bedienden allen hun eigen zin volgen, doen wat hun aanstaat en nemen wat hun aanstaat, behalve in zooverre, als ik met mijne zwakke gezondheid eenige orde heb gehandhaafd. Ik houd mijne zweep bij mij en sla er somtijds mee toe; maar het vermoeit mij al te veel. Als St. Clare dat maar wilde laten doen zooals anderen het doen."
"En hoe is dat?"
"Wel, hen naar den _calaboose_ of een van de andere plaatsen zenden om gestraft te worden. Dat is de eenige manier, als ik niet zoo zwak en ziekelijk was, geloof ik dat ik hen met tweemaal zooveel geestkracht naar mijne hand zou zetten als St. Clare doet."
"En hoe zet hij hen dan naar zijne hand?" zeide Ophelia. "Gij zegt dat hij nooit slaat."
"Wel, mannen hebben een forscher toon; voor hen is dat gemakkelijk; en bovendien, als gij hem ooit vlak in de oogen hebt gezien--zij hebben iets bijzonders, die oogen--en als hij ernstig spreekt, is er een soort van flikkering in. Ik ben zelve bang daarvoor en de bedienden weten dan wel dat zij oppassen moeten. Ik zou zooveel niet kunnen doen met leven en kijven, als St. Clare door een enkelen blik van zijn oog, als hij het ernstig meent. St. Clare behoeft zich geene moeite te geven, en dat is de reden dat hij geen gevoel voor mij heeft. Maar gij zult ondervinden, als gij in het huishouden komt, dat men zonder strengheid niet voort kan--zoo slecht, zoo logenachtig en zoo lui zijn zij."
"Het oude liedje," zeide St. Clare, op zijn gemak binnenkomende. "Welk eene geduchte verantwoording zullen die slechte schepsels eindelijk eens hebben, vooral voor die luiheid! Gij ziet wel, Nicht," vervolgde hij, zich zoo lang als hij was op eene sofa tegenover Marie uitstrekkende, "die luiheid is geheel onverschoonlijk in hen, bij het voorbeeld dat Marie en ik hun geven."
"O, St. Clare, nu maakt gij het al te erg!" zeide Marie.
"Doe ik! Wel, ik dacht dat ik voor mijn doen al bijzonder goed sprak. Ik poog altijd kracht aan uwe gezegden bij te zetten, Marie."
"Gij weet wel dat ik het zoo niet gemeend heb, St. Clare."
"O, dan moet ik mij vergist hebben. Dank, lieve, dat ge mij te recht helpt."
"Gij probeert mij waarlijk boos te maken," zeide Marie.
"Och kom, Marie, het wordt een warme dag vandaag, en ik heb juist eene lange woordenwisseling met Dolf gehad, die mij geweldig vermoeid heeft. Eilieve, wees dus vriendelijk, en laat iemand eens in het licht van uwen glimlach rusten."
"Wat is er met Dolf?" zeide Marie. "De onbeschaamdheid van dien knaap begint tot eene hoogte te komen, die mij werkelijk onuitstaanbaar wordt. Ik wenschte maar dat ik een poosje naar mijnen zin met hem doen kon; ik zou hem wel klein krijgen."
"Wat ge daar zegt, lieve," antwoordde St. Clare, "is weder een blijk van uwe gewone scherpzinnigheid. Wat Dolf betreft, de zaak is deze, dat hij zich zoolang moeite heeft gegeven om al mijne goede eigenschappen na te bootsen, dat hij eindelijk inderdaad met zich zelven en zijnen meester in de war geraakt en den een voor den ander houdt. Ik ben dus verplicht geweest hem zijne vergissing eens aan het verstand te brengen."
"Hoe zoo?" zeide Marie.
"Wel, ik was verplicht hem duidelijk te doen verstaan, dat ik eenige van mijne kleeren liever voor mijn eigen gebruik wilde houden; ik heb zijne excellentie ook op een rantsoen van eau-de-cologne gesteld, en ben inderdaad zoo wreed geweest om hem tot een dozijn van kamerdoeksche zakdoeken te beperken. Dolf was daarover bijzonder geraakt, en ik moest hem vaderlijk aanspreken om hem tot berusting te brengen."
"O, St. Clare, wanneer zult gij eens leeren hoe men zijne bedienden behandelen moet? Het is ijselijk, zooals gij alles toelaat," zeide Marie.
"Maar wel bezien, wat kwaad steekt er eigenlijk in, dat de arme jakhals naar zijnen meester wil gelijken? En als ik hem niet beter heb opgebracht, dan om hem zijn hoogste goed in eau-de-cologne en kamerdoeksche zakdoeken te doen vinden, waarom zou ik ze hem dan niet geven?"
"En waarom hebt gij hem niet beter opgebracht," zeide Ophelia botweg.
"Te veel moeite; luiheid, Nicht, luiheid, die meer zielen bederft dan waarover gij knorren kunt. Als het niet door mijne luiheid was, zou ik zelf een volmaakte engel zijn.
Ik begin haast te gelooven dat luiheid, zooals die dominee in Vermont zeide, nog meer dan de gierigheid de wortel van alle kwaad is; en dat is zeker eene gedachte om iemand onrustig te maken."
"Ik denk dat gij, slavenhouders, eene geduchte verantwoordelijkheid hebt," zeide Ophelia. "Ik zou die voor geene duizend werelden willen hebben. Gij behoort uwe slaven op te voeden en hen te behandelen als redelijke wezens, als onsterfelijke wezens, waarmede gij voor Gods rechterstoel zult moeten komen. Zoo denk ik er over!" zeide de goede oudste vrijster, en liet aldus eensklaps al den ijver uitbarsten, dien zij den geheelen morgen in haar gemoed had opgekropt.
"Och kom, kom," zeide St. Clare snel opstaande, "wat weet gij van ons?"