De Negerhut

Chapter 16

Chapter 163,652 wordsPublic domain

Des anderen daags, met zoel en benauwd weder, naderde de stoomboot Nieuw-Orleans. Een algemeen gewoel van toebereidselen om te landen heerschte op de boot. In de kajuit was deze en gene bezig met reeds zijn goed bijeen te zoeken; en de hofmeester en de kamermeid waren met nog anderen aan het schoonmaken, boenen en poetsen, opdat de prachtige boot in volle staatsie zou aankomen.

Op het benedendek zat onze vriend Tom met zijne armen over elkander, en keek van tijd tot tijd angstig naar een groep aan den anderen kant van de boot.

Daar stond de bevallige Evangeline, een weinig bleeker dan den vorigen dag, maar anders zonder eenig spoor van het ongeluk dat haar getroffen had. Een welgemaakt en welgekleed jongman stond naast haar, met den elleboog leunende op een katoenbaal, waarop eene portefeuille was nedergelegd. Het was met een enkelen blik duidelijk te zien, dat die heer Eva's vader was. Hij had denzelfden edelen gelaatsvorm, dezelfde blauwe oogen, hetzelfde goudachtig bruine haar, maar de uitdrukking was toch geheel verschillend. In de heldere blauwe oogen ontbrak, hoewel teekening en kleur volkomen overeenstemden, die peinzende, mijmerende uitdrukking: alles was licht en helder, maar het was een licht geheel van deze wereld; de fraai besneden mond had eene trotsche, eenigszins spottende uitdrukking, terwijl zeker gevoel van meerderheid, ongedwongen aan den dag gelegd, in al zijne bewegingen doorstraalde. Hij luisterde met onverschillige vriendelijkheid, waarin zekere schertsende minachting doorstraalde, naar Haley, die met groote woordenrijkheid uitweidde over de goede hoedanigheden van een artikel dat hij te koop had.

"Alle zedelijke en christelijke deugden compleet, in zwart marokijn gebonden," zeide hij, toen Haley eindelijk zweeg. "En nu, goede man, kortaf, wat moet dat ding nu kosten? Voor hoeveel zult gij mij beetnemen? Spreek maar op!"

"Wel," antwoordde Haley, "als ik dertienhonderd dollars voor dien kerel zeide, zou ik maar juist geene schade hebben, dat zou ik waarlijk."

"Arme man," zeide de ander, zijne scherpe, spottende oogen op hem vestigende. "Maar ik geloof dat ge mij hem daarvoor toch geven zoudt, uit bijzondere achting voor mij?"

"Wel, de jongejuffrouw schijnt op hem gesteld te zijn, dat is natuurlijk genoeg."

"O, zeker, dat is een beroep op uwe welwillendheid mijn vriend. Zeg nu eens uit christelijke menschlievendheid hoe goedkoop zoudt ge hem kunnen geven om eene jonge juffrouw pleizier te doen, die bijzonder op hem gesteld is?"

"Wel, denk er eens over," zeide de handelaar. "Kijk eens naar die beenen--en wat een breede borst, zoo sterk als een paard. Zie eens naar dat hoofd; die hooge voorhoofden teekenen altijd schrandere negers, van wien men alles gedaan kan krijgen. Dat heb ik opgemerkt. Nu is een neger van zulke makelij al een goede som waard, alleen, mag men wel zeggen, voor zijn lichaam, al is hij dom; maar als men nu zijne verstandelijke vermogens er bij rekent--en ik kan bewijzen, dat die buitengemeen zijn--dan moet hij natuurlijk hooger komen. Ik kan u zeggen, die kerel heeft de geheele hoeve van zijn meester bestuurd. Hij heeft een overleg zooals men weinig vindt."

"Dat is erg, heel erg. Dan weet hij veel te veel," zeide St.-Clare met denzelfden spottenden glimlach. "Die knappe kerels loopen gedurig weg en stelen paarden, en spelen over het geheel den drommel. Mij dunkt, gij moest er een paar honderd afnemen, omdat hij knap is."

"Wel, daar zoudt ge wel eenigszins gelijk in kunnen hebben, als het niet om zijn karakter was; maar ik kan u recommandatiën van zijnen meester en anderen laten zien, om te bewijzen dat hij een van de vromen is--zoo nederig en vroom als gij er ooit een gezien hebt. Men noemde hem zelfs een prediker in die streek waar hij vandaan komt."

"Dan zou ik hem misschien voor huiskapelaan kunnen gebruiken," zeide St.-Clare droogjes. "Geen kwade inval. De godsdienst is bij ons in huis eene bijzonder schaarsche waar."

"Nu steekt gij er den gek mede."

"Hoe weet gij dat? Hebt gij mij niet verzekerd dat hij een prediker was? Is hij door een synode of concilie geëxamineerd? Kom, laat uwe papieren maar eens zien."

Als de handelaar niet door zekere flikkering in de groote blauwe oogen verzekerd was geworden, dat al dat schertsen eindelijk toch op een koop zou uitloopen, zou hij misschien wel wat ongeduldig zijn geworden; maar thans legde hij zijn portefeuille op een baal katoen en zocht met ijver eenige papieren daaruit op terwijl de ander met een onverschillig spottend gezicht bleef staan toekijken.

"O, Papa, koop hem toch! Het komt er immers niet opaan wat gij betaalt," fluisterde Eva, nadat zij op een pak was geklommen en haar arm om heur vaders hals had geslagen. "Gij hebt geld genoeg, dat weet ik wel; en ik wou hem hebben."

"Waarom, poesje? Zult ge hem als hobbelpaard gebruiken, of wat wilt ge met hem doen?"

"Ik wil hem gelukkig maken."

"Dat is zeker eene origineele reden."

Nu gaf de handelaar een certificaat over, met den naam van Shelby onderteekend, hetwelk St.-Clare met de toppen zijner lange vingers aannam en onverschillig doorkeek.

"Eene fatsoenlijke hand," zeide hij, "en goed gespeld ook. Maar van zijne godsdienstigheid ben ik toch nog niet zeker," vervolgde hij, terwijl het spotachtige flikkeren in zijn oog terugkwam. "Het land wordt bijna geruïneerd door de vrome blanken. Bij de verkiezingen voor kerk en staat ziet men zooveel vroomheid, dat iemand niet weet wie hem nog het meest zal foppen. Dan weet ik ook niet of de godsdienstigheid nu wel hoog aan de markt is. Ik heb in lang niet in de courant gezien hoeveel zij geldt. Hoeveel honderd dollars hebt gij er wel voor zijne godsdienstigheid opgelegd?"

"Gij steekt er den gek nu maar mee," antwoordde de handelaar; "maar gij hebt toch wel eenigszins gelijk. Ik weet wel dat er verschil in godsdienstigheid is. Sommige soorten zijn ellendig; men heeft vroomheid die in praten, zingen en bulderen bestaat, en die tel ik niet bij blanken of bij negers. Maar dit is de echte soort; en die heb ik even dikwijls bij negers gezien als bij iemand anders, die stille, eerlijke, oprechte, gestadige godsdienstigheid van zulke vromen, die de geheele wereld niet zou kunnen verleiden om iets te doen dat zij voor kwaad hielden; en gij ziet in dien brief wat Toms oude meester van hem zegt."

"Welnu," zeide St.-Clare ernstiger, "als gij mij verzekeren kunt dat ik deze soort van vroomheid werkelijk kan koopen en dat zij in het boek daar boven op mijne rekening zal worden gezet, als iets dat mij toebehoort, wil ik er niet op zien om er iets extra voor te betalen. Wat zegt gij?"

"Ja, dat kan ik werkelijk niet doen," antwoordde Haley. "Ik denk dat daar ginder ieder op zijn eigen wieken zal moeten drijven."

"Het is wel hard voor iemand, die voor godsdienstigheid extra betaalt, dat hij ze niet kan laten gelden in het land waar hij ze meest zou noodig hebben, vindt ge niet?" hervatte St.-Clare, en zocht al sprekende eenige banknoten uit. "Daar, tel uw geld maar, oude jongen," vervolgde hij, de banknoten aan Haley overgevende.

"In orde," zeide Haley met een gezicht dat van blijdschap straalde; hij haalde daarop een inktkoker uit en ging een koopbrief invullen, dien hij vervolgers aan St.-Clare overgaf.

"Het zou mij benieuwen," zeide deze, "als ik eens verdeeld en geïnventariseerd werd, hoeveel ik wel zou opbrengen. Zeg zooveel voor den vorm van mijn gezicht, zooveel voor een hoog voorhoofd, zooveel voor armen, handen en beenen; zooveel voor beschaving, kundigheden, talenten en godsdienst. Och, dat laatste artikel zou weinig uitmaken, denk ik. Maar kom, Eva," vervolgde hij, nam zijn dochtertje bij de hand en stapte met haar de boot over.

"Kijk eens op, Tom," zeide hij vriendelijk en tikte Tom even met den vinger onder de kin; "en zie hoe uw nieuwe meester u bevalt."

Tom zag op. Het was onmogelijk dat vroolijke, jeugdige, wel besneden gezicht zonder welgevallen aan te zien, en Tom voelde de tranen in zijne oogen komen toen hij hartelijk zeide:

"God zegene u, meester."

"Wel, ik hoop dat Hij het doen zal. Misschien zal Hij het op uw vragen nog eer doen dan op het mijne, naar al wat ik hoor. Kunt ge rijden, Tom?"

"Ik ben altijd met paarden gewend geweest," antwoordde Tom. "Mijnheer Shelby fokte er veel aan."

"Welnu, ik geloof dat ik u op eene koets zal zetten, Tom, onder voorwaarde dat ge niet meer dan eens in de week dronken zijt, behalve in geval van groote noodzakelijkheid."

Tom keek verwonderd en eenigszins beleedigd op en antwoordde: "Ik drink nooit, meester."

"Dat heb ik meer hooren zeggen, Tom: maar wij zullen zien. Het zal een bijzonder gemak wezen voor allen wie het aangaat, als het waar is. Trek het u maar niet aan, jongen," vervolgde hij vriendelijk, toen hij zag dat Tom nog ernstig keek: "ik twijfel er niet aan of gij meent het goed."

"Zeker doe ik dat, meester," zeide Tom.

"En gij zult goede dagen hebben," zeide Eva nu. "Papa is heel goed voor alle menschen, maar hij wil ze maar altijd uitlachen."

"Papa is u zeer verplicht voor uwe recommandatie," zeide St.-Clare lachende, keerde zich om en ging heen.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

OVER TOMS NIEUWEN MEESTER EN VERSCHEIDENE ANDERE DINGEN.

Daar de levensdraad van onzen nederigen held thans met dien van hoogere personen wordt samengestrengeld, is het noodig den lezer eenigszins met hen te doen kennis maken.

Augustine St.-Clare was de zoon van een rijken planter in Louisiana. De familie was uit Canada afkomstig. Van twee broeders, weinig verschillende in karakter en temperament, had de eene zich op eene vruchtbare hoeve in Vermont nedergezet, de andere was een welgesteld planter in Louisiana geworden. De moeder van Augustine was eene protestantsche Fransche dame, wier familie in vroeger tijd naar Louisiana was verhuisd. Augustine en zijn broeder waren de eenige kinderen hunner ouders. Daar hij van zijne moeder eene zwakke gezondheid had geërfd, werd hij op dringenden raad van geneesheeren in zijne kindsheid voor vele jaren naar zijnen oom in Vermont gezonden, opdat zijn gestel door een kouder klimaat versterkt zou worden.

In zijne kindsheid onderscheidde hij zich door eene buitengemeene gevoeligheid, meer grenzende aan de zachtheid der vrouw, dan aan de gewone hardheid van zijn eigen geslacht. De tijd deed echter deze zachtheid met eene ruwe schors overgroeien, en weinigen wisten hoe levendig en frisch zij nog daaronder lag. Zijne talenten waren van den eersten rang, hoewel hij steeds eene voorkeur voor het ideale en de schoone kunsten aan den dag legde, en dien tegenzin voor de bezigheden van het werkelijke leven koesterde, die een gewoon gevolg van zulk eene gemoedsgesteldheid is. Kort nadat hij zijne studiën had volbracht, werd zijne geheele ziel door een romanesken hartstocht in vlam gezet. Zijn uur kwam--het uur dat maar eenmaal komt; zijne ster rees aan den horizon--die ster, die zoo dikwijls vruchteloos opgaat, om naderhand slechts de herinnering van een droom te zijn; en voor hem ging zij vruchteloos op. Om onverbloemd te spreken, hij zag in een der Noordelijke staten een schoon en edelaardig meisje, won hare liefde en zij werden verloofd. Hij keerde naar het Zuiden terug om beschikkingen voor hun huwelijk te maken, toen geheel onverwachts zijne brieven hem werden teruggezonden, met een kort briefje van haren voogd, dat eer dit hem bereikte de dame de vrouw van een ander zou zijn. Razend van spijt, hoopte hij vruchteloos, gelijk zoo menig ander gedaan heeft, de geheele zaak met eene wanhopige inspanning van zich af te werpen. Te trotsch om opheldering te vragen, stortte hij zich terstond in de draaikolk der modewereld; veertien dagen na het ontvangen van dien noodlottigen brief was hij de verklaarde minnaar der heerschende _belle_ van het seizoen, en zoodra de noodige schikkingen konden gemaakt worden, werd hij de echtgenoot van een sierlijk figuurtje, een paar fraaie zwarte oogen en honderdduizend dollars. Natuurlijk hield iedereen hem voor een gelukkig man.

Het jonge paar was nog in de wittebroodsweken en onthaalde op hunne prachtige villa bij het meer Pontchartrain een schitterenden kring van vrienden, toen hem een brief werd gebracht van die welbekende hand. Hij ontving dit geschrift te midden van een vroolijk gesprek, in eene zaal vol gezelschap. Zoodra hij de hand herkende verbleekte hij, maar hij bleef toch bedaard en zette een schertsenden woordenstrijd voort met eene dame, die tegen over hem zat. Eene korte poos later miste men hem uit den kring. In zijne kamer alleen zijnde opende en las hij den brief, nu erger dan nutteloos. Hij kwam van haar en gaf hem een wijdloopig verslag van de kunstgrepen, die de familie van haren voogd had gebezigd om haar tot een huwelijk met zijnen zoon te bewegen. Zij verhaalde hoe zij in langen tijd geene brieven meer van hem had ontvangen, hoe zij verscheidene malen geschreven had tot zij dit moede werd en aan hem begon te twijfelen, hoe hare gezondheid onder hare bekommeringen was bezweken, en hoe zij eindelijk het geheele bedrog had ontdekt dat men tegen hen beiden had gepleegd. De brief eindigde met uitdrukkingen van hoop en dankbaarheid en betuigingen van eeuwige liefde, die thans voor den ongelukkigen man bitterder dan de dood waren. Hij schreef haar onmiddellijk:

"Ik heb den uwe ontvangen, maar te laat. Ik geloofde alles wat ik hoorde. Ik was wanhopig. _Ik ben getrouwd_ en alles is voorbij. Vergeten--dit is het eenige wat ons beiden overblijft."

En zoo eindigde al het romaneske in het leven van Augustine St. Clare. Doch het werkelijke bleef over--het werkelijke, gelijk het slijk dat op den oever blijft liggen, wanneer de heldere golven, met haar gezelschap van snelle booten en wit gevleugelde schepen, met de muziek van roeislagen en kabbelend water is afgeloopen--en lag daar koud, afzichtelijk en akelig voor hem.

Het spreekt vanzelf, in een roman breekt iemand dan het hart, hij sterft en daarmede is het gedaan, en in een verhaal is dat zeer gemakkelijk. Maar in het werkelijke leven sterft iemand nog niet, wanneer alles wat het leven dierbaar maakte voor hem gestorven is. Hij heeft dan nog een drukken en gewichtigen kringloop over van eten, drinken, kleeden, wandelen, visites doen, koopen, verkoopen, praten, lezen en alles wat te zamen datgene uitmaakt, wat men gewoonlijk _leven_ noemt; en dit bleef ook voor Augustine nog over. Indien zijne vrouw eene echte vrouw geweest was, had zij nog iets kunnen doen--gelijk vrouwen dat kunnen--om de gebroken levensdraden weder aan te knoopen en met de hare tot een schoon geheel samen te weven. Doch Marie St.-Clare kon niet eens zien dat zij gebroken waren. Gelijk vroeger gezegd is, bestond zij uit een sierlijk figuurtje, een paar fraaie oogen en honderdduizend dollars, en geen van die drie bestanddeelen waren juist geschikt om een krank gemoed te genezen.

Toen men Augustine, doodsbleek en eene plotselinge hoofdpijn als reden zijner ongesteldheid voorwendende, op de sofa vond liggen, raadde zij hem aan om hertshoorn te ruiken; en toen de bleekheid en de hoofdpijn week op week aanhielden, zeide zij slechts dat zij nooit gedacht had dat Mr. St.-Clare ziekelijk was, maar dat hij zeer aan hoofdpijn onderhevig scheen te zijn en dat dit een ongelukkig ding voor haar was, dewijl hij dan geen vermaak had om met haar naar gezelschappen te gaan, en het raar voor haar stond zooveel alleen uit te gaan, nu zij zoo pas getrouwd waren. Augustine was heimelijk blijde dat hij eene zoo weinig scherpziende vrouw had getrouwd; maar toen het vernis der wittebroodsweken was afgesleten, ontdekte hij, dat eene schoone jonge vrouw, die al haar leven gewoon was gevleid en gediend te worden, in het huiselijk leven wel eens een harde meesteres kon blijken te zijn. Marie had nooit veel vatbaarheid voor liefde of teergevoeligheid bezeten, en het weinige dat zij daarvan had, was in eene uitsluitende en onwillekeurige eigenliefde overgegaan, eene eigenliefde des te hopeloozer, omdat zij zoo geheel blind was en geene andere rechten kon gewaar worden dan hare eigene. Van hare kindsheid af was zij door dienstboden omringd geweest, die alleen leefden om op hare grillen te letten; het denkbeeld dat ook zij gevoel of rechten hadden, was haar nooit zelfs maar in de verte voor den geest gekomen. Haar vader, wiens eenig kind zij geweest was, had haar nooit iets geweigerd dat binnen het bereik der mogelijkheid lag; en toen zij als een schoon en rijk meisje de wereld intrad, kwamen natuurlijk alle mannen, die haar voor een goede partij hielden, aan haar voeten zuchten, en twijfelde zij niet of Augustine moest zich zeer gelukkig achten dat hij hare hand verwierf. Het is eene groote vergissing dat eene vrouw zonder vatbaarheid voor liefde, daarom minder gehechtheid van een minnaar of echtgenoot zal eischen. Niemand op aarde dwingt met minder barmhartigheid de liefde van anderen af, dan eene door en door eigenlievende vrouw; en hoe beminnelijker zij wordt, des te strenger en ijverzuchtiger wil zij de liefde, waarop zij recht meent te hebben, tot den laatsten penning toe invorderen. Toen dus St.-Clare die galanterieën en kleine oplettendheden begon te verzuimen, waarvan hij als minnaar de gewoonte had aangenomen, vond hij zijne sultane geenszins gewillig om van haren slaaf afstand te doen, en er kwamen tranen, kwade buien, kleine onweders, verdrietelijkheden en verwijten in overvloed. St.-Clare was goedhartig en vredelievend, en poogde zich met presentjes en vleierijen los te koopen; en toen Marie moeder van eene schoone dochter werd, voelde hij inderdaad voor eene poos iets dat naar teederheid geleek ontwaken.

St.-Clare's moeder was eene vrouw geweest van buitengewoon verstand en reinheid van wandel, en hij gaf dit kind den naam zijner moeder, zich vleiende met de hoop dat het geheel haar evenbeeld zou worden. Dit werd door zijne vrouw met wrevelige jaloezie opgemerkt, en zij sloeg de teedere liefde van hare echtgenoot, voor zijne dochter met wangunst en achterdocht gade; alles wat de kleine werd gegeven, scheen haar zelve te worden ontnomen. Na de geboorte van het kind verzwakte hare gezondheid langzamerhand. Een leven van volslagen werkeloosheid naar het lichaam en den geest--het uitputtende van gedurige verveling en ontevredenheid, vereenigd met de verzwakking, welke het kraambed naliet--dat alles veranderde in den loop van weinige jaren de bloeiende, jonge schoone in eene gele, verwelkte, ziekelijke vrouw, die haar tijd tusschen de zorgen voor eene menigte ingebeelde kwalen verdeelde, en zich zelve in alle opzichten voor de ongelukkigste en meest verwaarloosde lijderes op de wereld hield.

Er kwam geen eind aan haar klagen; maar de kwaal, waarvan zij het meeste werk maakte, scheen eene stompe hoofdpijn te zijn, welke haar drie dagen van de zes in hare kamer hield. Daar natuurlijk alle huiselijke beschikkingen en bezigheden aan dienstboden werden overgelaten, vond St.-Clare zijn huishouden alles behalve plezierig. Zijne eenige dochter was zeer teeder van gestel en hij vreesde dat, zonder iemand om voor haar te zorgen en haar op te passen, hare gezondheid en zelfs haar leven zou gevaar loopen, dewijl hare moeder zich zoo weinig aan haar liet gelegen liggen. Hij had haar medegenomen op een reisje naar Vermont, en zijne nicht Miss Ophelia St.-Clare overgehaald om met hem naar zijne woonplaats in het Zuiden terug te keeren. Zoo kwamen zij te zamen op de boot waarop wij hen aan onze lezers hebben voorgesteld.

Terwijl de koepels en de torens van Nieuw-Orleans in de verte voor ons oprijzen, hebben wij nog tijd om Miss Ophelia te introduceeren.

Wie in Nieuw-Engeland heeft gereisd, zal zich wel in een of ander de groote hoeve herinneren met de zindelijke werf, beschaduwd door het dichte gebladerte van suikermastboomen, en zich daarbij nog wel kunnen voorstellen welk een geest van orde en kalmte, van duurzaamheid en onverstoorbare rust de geheele plaats scheen te ademen. Niets verwaarloosd, niets ongeregeld, geene lat los in de schutting, geen het minste vuil op de begraasde werf met hare seringenboschjes die onder de vensters opgroeien. In het huis zal hij zich de ruime, zindelijke kamers herinneren, waar nooit iets schijnt gedaan te worden of te zullen gedaan worden, waar alles voor altijd stijf op zijne plaats staat, en alle huiselijke bezigheden met de regelmatigheid der oude klok in den hoek afloopen. In de grootste kamer zal hij zich de deftige boekenkast met glazen deuren herinneren, waarin Rollins Geschiedenis, Miltons Paradijs Verloren, Bunyans Christens Reize, Scotts Huisbijbel en andere deftige boeken geregeld naast elkander staan. Er zijn geene dienstboden in huis; maar de huisvrouw, met hare sneeuwwitte muts en haar bril op, die daar elken namiddag onder hare dochters zit te naaien, alsof er niets gedaan was--zij heeft met deze meisjes in den lang vergeten vroegen ochtend "den boel beredderd," en voor het overige van den tijd, waarschijnlijk op alle mogelijke uren dat gij kunt inkomen, is hij "aan kant." De keukenvloer schijnt nooit een vlek te krijgen, de stoelen, ja zelfs de potten en pannen, schijnen nooit van hunne plaats te komen, hoewel daar drie en somtijds vier maaltijden daags gereedgemaakt worden, hoewel al het linnen daar gewasschen en gestreken wordt, en hoewel tal van ponden boter en kaas daar op zekere stille, geheime manier tot aanzijn worden gebracht.

Op zulk eene hoeve, in zulk een huis en zulk gezin, had Miss Ophelia een rustig leven van omtrent vijf en veertig jaren gesleten, toen haar neef haar verzocht om met hem mede te komen naar zijne woonplaats in het Zuiden. Hoewel de oudste van een talrijke familie, werd zij door haren vader en hare moeder nog als een van de kinderen beschouwd, en het voorstel dat zij naar Orleans zou gaan, was voor den huiselijken kring van groot gewicht. Haar grijze vader nam den atlas van Morse uit de boekenkast om nauwkeurig de ligging na te zien, en las Flints Reizen in het Zuiden en Westen nog eens na, om over den aard van het land te oordeelen.

De goede moeder vroeg angstig of Orleans niet "eene ontzettend goddelooze plaats" was en zeide, dat het haar voorkwam bijna gelijk te staan met naar de Sandwich-eilanden of ergens anders onder de heidenen te gaan.