De Negerhut

Chapter 15

Chapter 153,904 wordsPublic domain

Het bloed steeg Eliza naar de bleeke wangen; zij stond op, bevende van zenuwachtigen angst, en zag naar haar kind om.

"Neen, neen!" zeide Ruth, naar haar toeschietende en haar bij beide handen vattende. "Wees maar niet bang. Het is goed nieuws, Eliza. Ga binnen, ga binnen."

Zij duwde haar zachtjes de deur in en sloot die achter haar, en toen zich omkeerende, nam zij den kleinen Harry in hare armen en begon hem hartelijk te kussen.

"Gij zult uw vader zien, kleine jongen. Weet gij het al? Uw vader komt," zeide zij nogmaals, en nogmaals, terwijl het kind haar met verbazing aanzag.

Intusschen had binnen de deur een ander tooneel plaats. Rachel nam Eliza bij de hand, trok haar dicht naar zich toe en zeide:

"De Heer heeft barmhartigheid met u gehad, mijne dochter. Uw man is ontkomen uit het huis der dienstbaarheid."

Het plotseling opstijgende bloed deed Eliza's wangen gloeien en stroomde toen even snel naar het hart terug. Bleek flauw zette zij zich neer.

"Houd moed, kind," zeide Rachel, haar de hand op het hoofd leggende. "Hij is onder vrienden, die hem van avond hier zullen brengen."

"Van avond!" herhaalde Eliza. "Van avond!"

De woorden hadden hunne beteekenis voor haar verloren. Haar hoofd was verward; alles was voor een oogenblik in een nevel gehuld.

Toen zij ontwaakte lag zij te bed, warm in een deken gestopt, terwijl Ruth hare handen met kamfer wreef. Zij opende hare oogen in een toestand van droomerige, streelende kwijning, als iemand die lang een zwaren last gedragen heeft en nu voelt dat die hem is afgenomen en hij nu rusten mag. De spanning harer zenuwen, die sedert het eerste uur harer vlucht geen oogenblik had opgehouden, was nu geweken, en een vreemd gevoel van veiligheid bekroop haar. Terwijl zij daar met open oogen lag, volgde zij als in een droom de bewegingen van hen die haar omringden. Zij zag door de open deur in de andere kamer; zij zag de tafel met een sneeuwwit tafellaken voor het avondmaal gedekt; zij hoorde het slaperige zingen van den theeketel, en zag Ruth heen en weder trippelen met borden en schotels, en nu en dan stilstaan om Harry een koekje in de hand te stoppen, of zijn hoofd te streelen of zijne lange krullen om hare witte vingers te winden. Zij zag de breede moederlijke gestalte van Rachel, die telkens naar het bed kwam, en hier en daar iets verschikte of het dek instopte, alleen om haar goeden wil te toonen; en was bewust van eene soort van zonneschijn, welke haar uit hare oogen bestraalde. Zij zag den man van Ruth binnenkomen; zij zag deze naar hem toevliegen en zeer ernstig tegen hem fluisteren, en nu en dan met haar vingertje naar de slaapkamer wijzen. Zij zag haar zich met haar kindje op den arm aan de theetafel zetten; zij zag hen allen om de tafel en den kleinen Harry op een hoogen stoel naast de zorgvuldige Rachel. Zij hoorde een zacht praten en een even zacht rinkelen van theelepeltjes, kopjes en schoteltjes, dat zich alles met dien verrukkelijken droom van rust vermengde; en toen viel zij in slaap, en sliep gelijk zij nog niet geslapen had sedert dat geduchte middernachtsuur toen zij haar kind had opgenomen om te vluchten.

Zij droomde van een schoon land--een land van rust kwam het haar voor--met groene kusten, vermakelijke eilandjes en glinsterend water; en daar in een huis, waar vriendelijke stemmen haar zeiden dat zij tehuis was, zag zij haar knaapje spelen als een vrij en gelukkig kind. Zij hoorde de voetstappen van haren man; zij voelde hem nader komen; zijne armen werden om haar heengeslagen; zijne tranen droppelden op haar gezicht, en zij ontwaakte. Het was geen droom. Het daglicht was lang verdwenen; haar kind lag gerust naast haar te slapen, eene kaars op een tafeltje verspreidde een flauw licht, en haar man zat snikkend bij haar bed.

Vroolijk was de volgende morgen in het huis van den Kwaker. "Moeder" was vroeg op en omringd door drukbezige jongens en meisjes, allen gehoorzaam aan Rachels zachtzinnige "gij moest eens," of het nog zachtere "zoudt ge niet eens," terwijl men doende was om het ontbijt gereed te maken; want een ontbijt in de welige valleien van Indiana is een ding van veel omslag en vereischt meer handen dan die der huisvrouw alleen. Terwijl dus John naar de bron liep, om frisch water te halen, en Simeon het jonge meel ziftte voor de koornkoekjes en Mary koffie maalde, was Rachel stil bezig met beschuiten gereed te maken, een hoen te snijden, en over alles wat er over het geheel gedaan werd een oog te laten gaan, dat den invloed van zonneschijn had. Als er eenig gevaar van wrijving of botsing ontstond uit den ongeregelden ijver van zoovele jeugdige medewerkers, was haar zacht "kom, kom!" of "dat zou ik maar niet," voldoende om het bezwaar uit den weg te ruimen.

Onder al die andere toebereidselen stond Simeon de oude in een hoek voor het spiegeltje, bezig met de antipatriarchale werkzaamheid van het scheren. Alles ging in de ruime keuken zoo gezellig en vroolijk toe, iedereen scheen zulk een vermaak te hebben in hetgeen hij deed, er heerschte zulk een blijkbare geest van vertrouwen en wederzijdsche welwillendheid--zelfs de messen en vorken hadden iets gezelligs in het gerammel waarmede zij op de tafel werden gelegd, en het hoentje en de ham in de pan sisten, alsof het hun beviel dat zij gebraden werden--en toen George, Eliza en de kleine Harry uit de slaapkamer kwamen, werden zij met zulk een hartelijk welkom begroet, dat het niet te verwonderen was indien het geheele tooneel hun als een droom voorkwam.

Eindelijk zaten allen aan het ontbijt, terwijl Mary nog bij de kachel maïskoekjes stond te roosteren, die, wanneer zij juist volmaakt de echte goudbruine kleur hadden gekregen, handig op de tafel werden gezet.

Rachel zag er nooit zoo echt genoegelijk en vriendelijk uit als aan het hoofd harer tafel. Er was zulk eene moederlijkheid en gulheid zelfs in de manier waarop zij een bord met koekjes toeschoof of een kop koffie schonk, dat zij iets van haren geest scheen mede te deelen aan het eten en drinken dat zij aanbood.

Het was de eerste maal, dat George op den voet van gelijke aan de tafel van een blanke zat, en hij voelde in het eerst zekere verlegenheid en gedwongenheid; maar deze aandoening vervloog als een ochtendnevel voor de stralen dier eenvoudige, natuurlijke goedhartigheid.

Hier was hij waarlijk tehuis;--tehuis, eene uitdrukking waarvan hij nog nooit de beteekenis had gekend; en het geloof aan God en het vertrouwen op Zijne voorzienigheid begonnen zijn hart te verhelderen; terwijl de donkere wolken van menschenhatende en godverloochenende twijfelingen verdreven werden door het licht van een levend evangelie, afgestraald van levende menschengezichten, en gepredikt door duizend bijna onwillekeurige daden van liefde en welwillendheid, die, gelijk de beker koud water in den naam eens discipels gegeven, haar loon nimmer zullen verliezen.

"Vader, als gij nu weder ontdekt mocht worden?" zeide Simeon de tweede, onder het boteren van een geroosterd koekje.

"Dan zou ik mijne boete betalen," antwoordde de oude Simeon koeltjes.

"Maar als zij u in de gevangenis zetten?"

"Zoudt gij en moeder de hoeve niet kunnen waarnemen?" antwoordde Simeon met een glimlach.

"Moeder kan haast alles doen!" zeide de knaap. "Maar is het geene schande zulke wetten te maken?"

"Gij moet geen kwaad spreken van uwe overheden, Simeon," antwoordde zijn vader ernstig. "De Heere geeft ons onze aardsche goederen alleen opdat wij gerechtigheid en barmhartigheid zouden doen; als onze overheden een prijs daarvoor van ons eischen, moeten wij dien geven."

"Nu, ik haat toch die oude slavenhouders," zeide de knaap, met zulk een onchristelijk gevoel als eenig nieuwerwetsch _reformer_ kan koesteren.

"Ik ben verwonderd over u, mijn zoon," zeide Simeon. "Uwe moeder heeft u nooit zoo geleerd. Ik zou hetzelfde doen voor den slavenhouder als voor den slaaf, indien de Heere hem in nood aan mijne deur deed komen."

Simeon de tweede kreeg een blos als vuur; maar zijne moeder glimlachte slechts en zeide: "Simeon is mijn goede jongen. Hij zal wel gauw ouder worden en dan zal hij naar zijnen vader gelijken."

"Ik hoop, mijn goede heer," zeide George bekommerd, "dat gij om mijnentwil aan geene moeielijkheden zijt blootgesteld."

"Wees niet bevreesd, George; want daartoe zijn wij in de wereld gezonden. Als wij voor eene goede zaak geene onaangenaamheden willen afwachten, zijn wij onzen naam niet waardig."

"Maar voor _mij_," zeide George. "Dat zou ik niet kunnen dragen."

"Wees dan niet bevreesd, vriend George. Het is niet voor u, maar voor God en de menschen, dat wij het doen," antwoordde Simeon. "En nu moet gij u hier vandaag schuilhouden, en van avond tegen tien uur zal Phineas Fletcher u verder brengen naar de naaste rustplaats--u en de overigen van uw gezelschap. De vervolgers zijn dicht achter u; wij moeten niet dralen."

"Als dat zoo is, waarom dan tot van avond wachten?"

"Over dag zijt gij hier veilig, want iedereen in het dorp is een vriend en allen zijn wakende. Bovendien is het veiliger bij nacht te reizen."

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

EVANGELINE.

De Mississippi! Hoe zijn als door een tooverstaf de tooneelen langs dien stroom veranderd, sedert Chateaubriand zijne dichterlijke beschrijving gaf van de rivier, voortrollende in een trotsche, onafgebroken eenzaamheid, tusschen onbekende wonderen der planten- en dierenwereld!

Doch als in een uur is deze rivier van romaneske droomen in eene nauwelijks minder romaneske en grootsche werkelijkheid herschapen. Welke andere rivier van de wereld voert op hare golven de schatten en voortbrengselen van nog zulk een land naar den oceaan--van een land waar de natuur alles voortbrengt wat tusschen de keerkringen en de polen te vinden is? Die troebele golven, die bruisend en schuimend voortsnellen, zijn een gepast zinnebeeld van dat voorthollende handelsgetij, over die wateren voortgedreven door een menschengeslacht, driftiger dan de oude wereld er ooit een gezien heeft! Ach, droegen zij maar ook niet eene akelige, schrikkelijke vracht--de tranen der onderdrukten, de zuchten der hulpeloozen, de bittere gebeden der arme, onkundige harten tot een onbekenden God--onbekend, ongezien en zwijgend, maar die toch eens "zal komen om al de armen der aarde te redden."

De schuinsche stralen der ondergaande zon flikkeren over de breede watervlakte der rivier; het trillende riet en de hooge donkere cypressen, met kransen van nog donkerder mos behangen, gloeien in het gouden licht, terwijl de zwaar beladen stoomboot voortvaart.

Met stapels katoenbalen van menige plantage op het dek bevracht, tot zij in de verte op een vierkanten, grijzen klomp gelijkt, drijft zij log voorwaarts naar de naderende markt. Wij moeten eenigen tijd op het volgepropte dek zoeken, eer wij onzen nederigen vriend Tom wedervinden. Hoog op het bovendek, in een hoekje tusschen de alles overstelpende katoenbalen treffen wij hem eindelijk aan.

Gedeeltelijk door de aanbeveling van Mr. Shelby, gedeeltelijk door zijn eigen, stil en onderworpen gedrag, had Tom in zekere mate zelfs het vertrouwen van zulk een man als Haley gewonnen.

In het eerst had deze hem over dag zorgvuldig in het oog gehouden en des nachts nooit ongeboeid laten slapen; maar het geduld en de schijnbare tevredenheid van Tom deden hem langzamerhand deze voorzorgen nalaten, en sedert eenigen tijd was Tom als het ware een gevangene op parool en mocht op de boot gaan waar hij wilde.

Altijd stil en gedwee, en dan gewillig om de werklieden beneden wanneer het noodig was te helpen, had hij de goede meening van al het bootsvolk verworven, en sleet menig uur onder hen, medehelpende aan hun werk met zulk eene hartelijke goedwilligheid, als waarmede hij ooit in Kentucky op het veld had gearbeid.

Als er niets voor hem te doen scheen te zijn, klom hij naar een hoekje tusschen de katoenbalen op het bovendek, en hield zich bezig met in zijnen Bijbel te lezen. Daar is het dan ook, dat wij hem nu vinden.

Honderd of meer mijlen ver boven Nieuw-Orleans is de rivier hooger dan het omliggende land en stuwt zij hare ontzaglijke watermassa tusschen zware dijken van twintig voet hoogte voort. De reiziger op het dek eener stoomboot overziet, als van den trans van een drijvend kasteel, het geheele land mijlen ver in het rond. Tom zag dus in de elkander opvolgende plantages een tafereel van het leven voor zich dat hem wachtte.

Hij zag de slaven aan hunnen arbeid; hij zag in de verte hunne dorpen van hutten in lange rijen tusschen het plantsoen blinken, afgezonderd van het statige huis en den tuin des meesters; en terwijl dit bewegende schilderij hem voorbijschoof, keerde zijn kinderlijk hart terug naar de hoeve in Kentucky met hare oude schaduwrijke beuken, naar het huis van den meester met zijne ruime, koele zalen, en naar de hut dicht daarbij met multiflora en bignonia begroeid. Daar scheen hij de bekende gezichten zijner makkers te zien, die van hunne kindsheid af met hem waren opgegroeid; hij zag zijne werkzame vrouw, bezig met zijn avondmaaltijd gereed te maken, hij hoorde het vroolijk lachen zijner jongens onder hun spel, en het kraaien van het wichtje op zijne knie, en toen was met een gevoel van schrik alles verdwenen, en zag hij weder de moerassen en cypressen van voorbijglijdende plantages, en hoorde hij weder het knarsen en kraken der machinerie, hem maar al te duidelijk zeggende dat zijn vroeger leven geheel voorbij was.

In zulk een geval schrijft gij aan uwe vrouw en zendt gij boodschappen aan uwe kinderen; maar Tom kon niet schrijven, de brievenpost had voor hem geen reden van bestaan, en over de kloof der scheiding lag geene brug, zelfs niet van een vriendelijk woord of teeken.

Is het dan vreemd dat er eenige tranen op zijnen Bijbel vallen, terwijl hij dien op de katoenbaal openslaat en met geduldigen vinger langzaam van woord tot woord zijn weg zoekende, de bijbelsche beloften naspoort? Daar hij laat had leeren lezen, las Tom zeer langzaam en kwam slechts ten koste van moeite en tijd van vers tot vers. Gelukkig was het voor hem dat het boek, hetwelk hij voor zich had, er een is, waaraan langzaam lezen geen kwaad kan doen--integendeel, een boek waarvan de woorden, gelijk goudstaven, dikwijls afzonderlijk schijnen te moeten gewogen worden, eer het gemoed hunne waarde recht kan vatten. Laten wij hem een oogenblik volgen, terwijl hij, van woord tot woord wijzende en ieder woord halfluid uitsprekende,

leest:

"Uw--hart--worde--niet--ontroerd. In--het--huis--mijns--Vaders--zijn--vele--woningen. Ik--ga--heen--om--u plaats te--bereiden."

Toen Cicero zijne lieveling, zijn eenige dochter begroef, had hij een hart even vol van oprechte smart als dat van den armen Tom--misschien niet voller, want beiden waren slechts menschen; maar Cicero kon geene zulke plechtige woorden van hoop lezen, kon naar geene zulke toekomstige hereeniging uitzien, en indien hij ze gelezen had, zou het tien tegen een zijn geweest, dat hij ze niet had geloofd; hij had zich eerst het hoofd moeten breken over de echtheid van het geschrift en de nauwkeurigheid der vertaling. Maar voor den armen Tom waren die woorden, gelijk hij ze daar las, juist wat hij noodig had, zoo blijkbaar waar en goddelijk, dat zelfs de mogelijkheid van eene twijfeling nooit in zijn eenvoudig hoofd opkwam. Zij moesten waar zijn; want waren zij niet waar, hoe kon hij dan leven?

Wat Toms Bijbel aangaat, hoewel deze geene aanteekeningen van geleerde uitleggers op den kant had, was hij toch versierd met zekere merken en aanwijzingen van Tom zelven, die hem meer hielpen dan de geleerdste verklaringen zouden gedaan hebben. Het was zijne gewoonte geweest, zich den Bijbel door de kinderen van zijnen meester te laten voorlezen, inzonderheid door den jongeheer George; en terwijl zij lazen, teekende hij met inktstrepen en figuren de plaatsen aan, die vooral zijne ooren streelden of zijn hart troffen. Zijn Bijbel was zoo van het begin tot het einde met allerlei teekens gemerkt, zoodat hij in een oogenblik zijne geliefkoosde plaatsen kon vinden, zonder de moeite van alles te spellen wat daartusschen stond; en terwijl het boek daar voor hem lag met die aangeteekende plaatsen, die hem alle een vroeger huiselijk tooneel of gelukkig oogenblik herinnerden, scheen zijn Bijbel alles te zijn wat hem van dit leven was overgebleven, zoowel als de belofte van een toekomstig leven.

Onder de passagiers op de boot was een jong heer van vermogen en aanzienlijke familie, die te Nieuw-Orleans woonde en den naam van St.-Clare voerde. Hij had een dochtertje bij zich, tusschen de vijf en zes jaren oud, en eene dame die op beiden betrekking scheen te hebben, en de kleine bijzonder onder haar opzicht had.

Tom had dit kleine meisje dikwijls even gezien, want het was een van die levendige schepseltjes, die men evenmin op eene plaats kan vasthouden als een zonnestraal of een zomerkoeltje, en ook was zij een kind, dat men, als men haar eens had gezien, niet licht weder vergeten kon.

Hare gestalte was het volmaakte van kinderlijke schoonheid, zonder de gewone plompheid van vormen. Zij had eene luchtigheid en liefelijkheid zooals men zich een mythisch of allegorisch wezen zou voorstellen.

Haar gezichtje was minder opmerkelijk door de volmaakte schoonheid der trekken, dan door eene zonderlinge uitdrukking van peinzenden ernst, welke iemand, die dieper doordacht, bijna deed schrikken als hij haar aanzag, en zelfs op de botsten en minst nadenkenden indruk maakte, zonder dat zij recht wisten waarom. De vorm van haar hoofd en de houding van haren hals was bijzonder edel, en de lange bruine lokken, die als eene wolk daaromheen zweefden, en de schrandere ernstigheid harer donkerblauwe oogen--alles onderscheidde haar van andere kinderen, en deed iedereen omkijken en haar aanzien als zij op de boot heen en weder zweefde. Evenwel was de kleine niet wat men een ernstig of zwaarmoedig kind had kunnen noemen. Integendeel, eene vroolijke onschuldige dartelheid scheen, als de schaduw van zomergebladerte over het kinderlijke gezichtje en om geheel hare gestalte te flikkeren. Zij was altijd in beweging, altijd met een halven glimlach op de roode lipjes, heen en weder huppelende met een luchtigen, zwevenden tred bij zich zelve zingende, als in een genoegelijken droom. Haar vader en hare bewaakster moesten haar gedurig naloopen; maar als zij haar hadden opgevangen, verdween zij weder als een zomerwolkje, en daar geen woord van berisping of streng verbod haar ooit in de ooren klonk wat zij ook verkoos te doen, zwierf zij naar willekeur over de geheele boot. Altijd in het wit gekleed, dwaalde zij op allerlei plaatsen rond, zonder zich ooit vuil te maken; en er was geen hoekje boven of beneden, waar dat romaneske hoofdje met gouden lokken en donkerblauwe oogen zich niet liet zien.

Wanneer de stoker van zijnen heeten arbeid opkeek, zag hij die oogen somtijds met verbazing in de gloeiende diepte van het fornuis turen, en dan met angst en medelijden naar hem omzien, alsof zij dacht dat hij in vreeselijk gevaar verkeerde. Dan weder glimlachte de stuurman aan het rad, als dat schilderachtige hoofdje op eens voor hem kwam en in een oogenblik weder verdwenen was. Duizendmaal op een dag riepen ruwe stemmen haar een vriendelijken zegenwensch toe, en gleed een glimlach van ongewone zachtheid over stroeve gezichten; en wanneer zij onbevreesd over gevaarlijke plaatsen trippelde, werden grove, zwartberookte handen onwillekeurig uitgestoken om haar te redden of een weg te banen.

Tom, die de zachte, meewarige inborst van zijn goedaardig geslacht had, dat zich altijd aan het onnoozele en kinderlijke hecht, sloeg dit kleine meisje met dagelijks toenemende belangstelling gade. In zijne oogen was zij bijna iets goddelijks; en wanneer haar gouden hoofdje met de donkerblauwe oogen van achter eene grauwe katoenbaal te voorschijn kwam, of over den rand van een stapel pakken op hem neerzag, geloofde hij bijna dat hem een der engelen uit zijn Nieuw Testament verscheen.

Dikwijls wandelde zij treurig om de plek rond, waar Haley's geboeide troep van slaven en slavinnen zat. Somtijds sloop zij tusschen hen in en zag hen met zekere bevreemding en treurigen ernst aan; somtijds tilde zij met hare kleine handjes hunne ketenen op, en zuchtte dan droevig, als zij weder heensloop. Verscheidene malen stapte zij onverwachts tusschen hen met de handen vol kandijklontjes, noten en sinaasappelen, die zij met blijdschap onder hen uitdeelde, om dan weder heen te snellen.

Tom sloeg dit dametje langen tijd gade, eer hij het waagde een stap tot nadere kennismaking te doen. Hij wist eenvoudige middelen genoeg om de gunst van kinderen te winnen en hen tot zich te lokken, en besloot nu met voorzichtig overleg te werk te gaan. Hij kon aardige mandjes van kersepitten snijden, groteske gezichten van noten, en koddige, springende popjes van vlierpit vervaardigen; en hij was een Pan in het maken van fluitjes van allerlei soort en grootte. Hij had zijne zakken nog vol aardige kleinigheden, die hij in vroeger tijd voor de kinderen van zijnen meester had opgezameld en thans met voorzichtige spaarzaamheid een voor een te voorschijn haalde en als lokmiddelen tot kennismaking en vriendschap aanwendde.

In weerwil van al hare levendige belangstelling in hetgeen er om haar heen voorviel, was het meisje schuw en niet gemakkelijk te temmen. Een tijdlang bleef zij als een vogeltje op eene kist of baal dicht bij Tom zitten, en nam van hem zoo, met zekere schroomvalligheid en beschaamdheid de kleinigheden aan die hij haar aanbood. Eindelijk kwamen zij echter op een zeer vertrouwelijken voet met elkander.

"Hoe heet het kleine juffertje," vroeg Tom toen hij meende ver genoeg te zijn gekomen om zulk eene vraag te doen.

"Evangeline St.-Clare," antwoordde de kleine, "hoewel papa en iedereen mij Eva noemen. En hoe heet gij nu?"

"Mijn naam is Tom, en de kleine kinderen, daar heel ver in Kentucky, plachten mij Oom Tom te noemen."

"Dan wil ik u ook Oom Tom noemen, omdat ik van u houd, weet ge," zeide Eva. "Dus Oom Tom waar gaat gij naar toe?"

"Dat weet ik niet, jongejuffrouw Eva."

"Weet gij dat niet?"

"Neen. Ik zal aan iemand verkocht worden en ik weet niet aan wien."

"Mijn papa kon u wel koopen," zeide Eva snel; "en als hij u koopt, zult gij goede dagen hebben. Ik zal het hem vragen, vandaag nog."

De boot bleef nu stilliggen om hout in te nemen, en toen Eva de stem van hare vader hoorde, huppelde zij heen. Tom ging naar voren, om zijn dienst aan te bieden bij het hout inladen en was spoedig daarbij aan het werk.

Eva en haar vader stonden bij het dek om de boot te zien afsteken, en het rad had een paar malen omgedraaid, toen door eene onverwachte beweging de kleine Eva het evenwicht verloor en over den kant in het water stortte. Haar vader, nauwelijks wetende wat hij deed, wilde haar terstond naspringen, maar werd door de lieden, die achter hem stonden en zagen dat het kind reeds betere hulp kreeg, vastgehouden.

Tom stond vlak onder haar op het benedendek [6] toen zij viel. Hij zag haar in het water plompen en zinken en sprong haar oogenblikkelijk achterna. Het kostte den forsch gespierden zwemmer geene de minste moeite, een korte poos te blijven drijven, tot het kind weder bovenkwam; toen greep hij de kleine, zwom naar de boot, en reikte haar druipende aan de honderden handen toe, die, alsof zij aan één persoon behoorden, werden uitgestoken om haar aan te nemen. Nog eene korte poos en haar vader droeg haar bewusteloos naar de dameskajuit, waar, gelijk in zulke omstandigheden meestal het geval is, een welmeenende wedstrijd ontstond, wie het meest zou doen om noodelooze opschudding te maken, en het herstel der kleine drenkelinge op alle mogelijke manieren te verhinderen.