De Negerhut

Chapter 14

Chapter 144,016 wordsPublic domain

"Te Louisville. Heel goed. Daar komen wij tegen schemeravond. Het kind zal slapen--zooveel te beter--gij kunt hem stil meepakken, zonder schreeuwen of huilen--dat komt heel mooi uit--ik doe gaarne alles met zachtheid--ik heb een hekel aan rumoer en opschudding." En nadat eenige banknoten uit de portefeuille des vreemdelings in die des handelaars waren overgegaan, nam deze zijne sigaar weder.

Het was een heldere stille avond, toen de boot aan de werf te Louisville aanlegde. De vrouw zat met haar kind in de armen, dat nu gerust sliep. Toen zij den naam der stad hoorde noemen, legde zij het kind in een wiegje, dat in eene holte tusschen de koffers stond, nadat zij eerst zorgvuldig haar omslagdoek over het wicht had gespreid, en ging toen naar het boord, in de hoop, dat zij onder de knechts uit de herbergen die op de werf stonden, misschien haar man zou zien. In deze hoop bukte zij over de leuning heen en tuurde naar het gewoel op den oever, terwijl een troep menschen tusschen haar en haar kind drong.

"Nu is het uw tijd," zeide Haley, het slapende kind opnemende en aan den vreemdeling overgevende. "Maak hem niet wakker en laat hem niet schreeuwen; anders hebben wij den drommel maar last met de meid."

De man nam het pakje zorgvuldig aan, en verdween spoedig onder den hoop menschen die naar de werf gingen.

Toen de boot weder voortvoer, keerde de vrouw terug naar de plaats waar zij gezeten had. Daar zat de handelaar--het kind was er niet meer.

"Wat--waar?" begon zij verbijsterd van verrassing.

"Lucy," zeide Haley, "uw kind is weg. Het is evengoed dat gij dit nu hoort als later. Gij begrijpt wel dat ik het niet kon meenemen naar het Zuiden, en ik had gelegenheid om het te verkoopen aan eene familie van den eersten rang, die het beter zal grootbrengen dan gij kunt doen."

De handelaar was tot dien trap van christelijke en politieke volmaaktheid gekomen, die sedert eenigen tijd door sommige predikers en staatkundigen in het Noorden wordt aanbevolen, en had dus alle menschelijke zwakheden en vooroordeelen overwonnen. Zijn hart was zoover, Mijnheer, als het uwe en het mijne met behoorlijke moeite en oefening ook gebracht zouden kunnen worden. De woeste blik van angst en wanhoop, waarmede de vrouw hem aanzag, had iemand die minder geoefend was, kunnen verontrusten; maar hij was er aan gewoon. Hij had denzelfden blik honderden malen gezien. Gij kunt ook aan zulke dingen gewoon worden, mijn vriend, en het is het groote doel der onlangs aangewende pogingen om, tot roem der Unie, onze geheele Noordelijke maatschappij daaraan gewoon te maken. De handelaar beschouwde dus den doodelijken angst, waardoor hij die trekken zag verwrongen worden, die dichtgeknepen handen en die benauwde ademhaling slechts als kleine bijzaken van zijn beroep, en berekende alleen of zij zou gaan gillen en opschudding veroorzaken; want, gelijk andere voorstanders van onze eigenaardige instellingen, had hij bepaalden afkeer van alle gerucht.

De vrouw gilde echter niet. Het schot was haar te onverwacht recht door het hart gegaan om te kunnen schreien of geluid geven. Duizelig ging zij zitten. Hare slappe handen vielen als levenloos bij haar neer. Zij staarde recht voor zich, maar zag niets. Het gerucht op de boot en dat der machinerie klonk haar in de ooren alsof het in een droom was; het arme, getroffen hart had kreet noch traan om zijn jammer te uiten. Zij bleef geheel kalm.

De handelaar die voor zijn doen bijna even menschlievend was als sommigen onzer staatslieden, scheen zich geroepen te gevoelen om die soort van troost toe te dienen, die het geval toeliet.

"Ik weet wel, dat u dit in het begin een beetje hard moet vallen, Lucy," zeide hij; "maar zulk een knappe en schrandere meid als gij zijt, zal zich dat toch wel niet willen aantrekken. Gij begrijpt het wel, het was noodzakelijk en niet te veranderen."

"O houd op, meester, houd op!" zeide de vrouw met eene stem, alsof ze op het punt was om te stikken.

Maar Haley bleef aanhouden.

"Gij zijt eene knappe meid, Lucy," zeide hij, "en ik meen het goed met u te maken en u eene beste plaats daar aan de rivier te bezorgen, en gij zult gauw een anderen man krijgen, zulk een frissche meid als gij zijt...."

"O meester, spreek nu maar niet tegen mij," zeide de vrouw op een toon zoo vol zielesmart, dat de handelaar begreep, dat er in dit geval iets was waarvoor zijn troost te kort schoot. Hij stond op, en de vrouw keerde zich om en verborg haar gezicht in haren omslagdoek.

De handelaar wandelde eene poos op en neer, en bleef nu en dan staan om naar haar te kijken.

"Zij neemt het wel wat zwaar op," was zijne alleenspraak; "maar toch stil. Laat ze maar een poosje huilen; zij zal straks wel weer bijkomen."

Tom had dit geheele voorval van het begin tot het einde gadegeslagen en begreep volkomen wat de afloop zou zijn. Voor hem was het iets onuitsprekelijk wreeds en gruwelijks, omdat hij, arme, onkundige, zwarte ziel niet geleerd had zich op een hooger standpunt te verheffen en de zaken in het algemeen en met ruimen blik te beschouwen. Als hij slechts door zekere Christelijke leeraren onderwezen was geweest, zou hij er misschien beter over gedacht hebben voor een dagelijksch voorval in een wettigen handel; een handel, die de steun is eener instelling, welke, gelijk een Amerikaansch godgeleerde [4] ons zegt, "_geen kwaad heeft, dan wat van alle andere betrekkingen in het gezellige en huiselijke leven onafscheidbaar is_." Daar Tom echter, gelijk wij zien, een arm, onkundig man was, wiens lectuur geheel tot het Nieuwe Testament beperkt was gebleven, kon hij zich niet met zulke begrippen troosten en opbeuren. Zijn hart bloedde over hetgeen hij hield voor het _kwaad_, dat de arme vrouw werd aangedaan, die daar als een vertrapt wegwerpsel op de koffers lag; voor dat gevoelende, levende, bloedende en toch onsterfelijke ding, dat de Amerikaansche wetten van staat koelbloedig onder pakken, balen en kisten rangschikten, waartusschen het lag.

Tom naderde en poogde iets te zeggen: maar zij antwoordde slechts met tranen en zuchten. Met oprechten ijver en terwijl de tranen over zijne wangen rolden, sprak hij van een hart vol liefde in den hemel; van een medelijdenden Jezus en een eeuwig vaderland; maar het oor was doof van zieleleed, en het doodelijk getroffen hart kon niets meer voelen.

De nacht kwam,--die stille, plechtige, heerlijke nacht, en zag met zijne ontelbare glinsterende oogen op haar neer, alsof het oogen van engelen waren; doch er kwam geene spraak of taal, geene medelijdende stem, geene helpende hand uit den verwijderden hemel. Langzamerhand werd het stiller en stiller, eindelijk sliep alles op de boot en hoorde men alleen het kabbelen van het water voor den boeg. Tom strekte zich op een kist uit, en terwijl hij daar lag, hoorde hij nog telkens een gesmoorden snik of uitroep van de bedroefde vrouw.

"O, wat zal ik doen? O, Heere, o, goede Heere, help mij!" en zoo al gedurig voort, totdat ook dit gemompel ophield.

In het midden van den nacht werd Tom eensklaps met schrik wakker. Iets zwarts snelde hem voorbij naar het boord en daarop hoorde hij een plomp in het water. Niemand anders zag of hoorde iets. Hij hief het hoofd op--de plaats der vrouw was ledig. Hij stond op en zocht vruchteloos om zich heen. Het arme bloedende hart was eindelijk stil, en de rivier kabbelde even helder alsof zij hare golfjes niet daarboven gesloten had.

Geduld, geduld, gij wier hart zwelt van verontwaardiging over onrecht gelijk dit. Geen zucht, geen traan der verdrukten wordt vergeten door den Man van Smarten, door den Heer der Heerlijkheid. In zijne geduldige, menschlievende borst draagt Hij het leed eener wereld. Draagt gij, gelijk Hij, met geduld en arbeidt in de liefde; want zoo zeker als Hij God is, "zal het jaar zijner verlosten komen."

De handelaar werd vroeg en frisch wakker en kwam buiten om naar zijne levende waar te zien. Het was nu zijne beurt om verbijsterd rond te kijken.

"Waar drommel is die meid?" zeide hij tegen Tom.

Tom, die de wijsheid van het stilzwijgen had geleerd, achtte het niet noodig van zijne opmerkingen en vermoedens te spreken, maar zeide dat hij het niet wist.

"Zij zal toch van nacht niet aan eene van de ladingsplaatsen zijn weggeloopen, want ik was wakker en op de wacht, telkens als de boot stillag. Ik vertrouw die dingen nooit aan anderen."

Dit werd Tom op een vertrouwelijken toon toegevoegd, als iets dat bijzonder belangrijk voor hem zou zijn. Tom gaf geen antwoord.

De handelaar zocht over het dek van het eene einde tot het andere, tusschen de balen, kisten en vaten, om de machinerie en bij de schoorsteenen, maar tevergeefs.

"Zeg nu eens, Tom, wees nu eens oprecht," zeide hij, toen hij na zijn vruchteloos zoeken weder bij Tom gekomen was. "Gij weet er iets van. Maak mij maar niets wijs--ik weet het beter. Ik heb de meid hier zien liggen tegen tien uren, en wederom tegen twaalf, en wederom tusschen een en twee; en tegen vier uren was zij weg, en gij laagt hier al den tijd gerust te slapen. Gij moet dus iets weten--dat kan niet anders."

"Wel, meester," antwoordde Tom, "tegen den ochtend schoof mij iets voorbij en toen werd ik zoo wat half wakker; en toen hoorde ik een grooten plomp, en toen werd ik geheel wakker, en de vrouw was weg. Dat is al wat ik er van weet."

De handelaar was niet ontzet of verbaasd, daar hij, gelijk wij vroeger gezegd hebben, aan vele dingen gewoon was, waaraan gij niet gewoon zijt. Zelfs de geduchte tegenwoordigheid van den dood boezemde hem geene plechtige huivering in. Hij had den dood dikwijls gezien--was hem in zijn beroep dikwijls tegengekomen en had kennis met hem gemaakt--hij vond in hem dus slechts een lastigen buurman, die hem in zijne speculatiën met koopwaren op eene zeer onbillijke manier dwarsboomde; en zoo zeide hij slechts met een vloek dat de meid een karonje was, en dat hij duivels ongelukkig was, en dat hij, als het zoo voortging geen cent met zijne reis verdienen kon. Kortom, hij scheen zich voor werkelijk verongelijkt te houden; maar er was niets aan te doen, want de vrouw was ontsnapt naar een staat, die nooit een vreemdeling wil uitleveren, zelfs niet op den eisch der roemrijke Unie. De handelaar ging dus onvergenoegd zitten, haalde zijn notitieboekje uit en schreef het vermiste lichaam met de ziel op de rekening van verliezen.

Een hatelijk mensch, die handelaar, niet waar? zoo ongevoelig! Is het inderdaad niet schrikkelijk?

O ja, maar men telt die handelaars ook niet. Zij worden algemeen veracht--nooit in een fatsoenlijk gezelschap toegelaten.

Maar wie, Mijnheer, is de oorzaak dat er handelaars zijn? Wie is het meest te laken? De beschaafde, verstandige, verlichte man, die een stelsel in stand houdt, waarvan de handelaar een onvermijdelijk gevolg is, of de ongelukkige handelaar zelf? Gij zijt een bestanddeel van die publieke meening, die zijn beroep in wezen houdt, die hem zoodanig verblindt en zedelijk verlaagt, dat hij er zich niet meer voor schaamt: in welk opzicht zijt gij dus beter dan hij?

Gij zijt wél-onderwezen en hij onkundig, gij zijt aanzienlijk en hij gering, gij zijt beschaafd en hij gemeen, gij zijt helder van oordeel en hij dom, niet waar?

Op den dag van een toekomstig oordeel zullen juist deze tegenstellingen het misschien voor hem dragelijker maken dan voor u.

Aan het slot van dit proefje uit hetgeen er in den wettigen handel voorkomt, moeten wij de wereld verzoeken om niet te denken, dat onze Amerikaansche wetgevers geheel van menschelijkheid ontbloot zijn, gelijk misschien ten onrechte zou kunnen worden afgeleid uit de moeite die zij zich geven, om deze soort van handel te beschermen en in stand te houden.

Wie weet niet hoe onze groote mannen zich zelven overtreffen in het declameeren tegen den _vreemden_ slavenhandel? Er is in dit opzicht een schaar van Clarke's en Wilberforce's onder ons opgestaan, die allerstichtelijkst is om te zien en te hooren. De negerhandel uit Afrika, lieve lezers, is toch zoo afschuwelijk! Daaraan is niet te denken. Maar de negerhandel uit Kentucky--dat is geheel iets anders!

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE KWAKERS.

We hebben nu een stil tooneeltje voor ons. Eene ruime, zindelijke, net geschilderde keuken, met een effen en glanzig gelen vloer, zonder een enkel stofje er op; eene nette, zorgvuldig zwart gehouden kookkachel; rijen van blinkend tinnegoed, die aan allerlei lekker eten doen denken; glanzige stoelen van gewoon hout, oud maar sterk; een kleinen schommelstoel met een kussen er in, waarvan het overtrek aardig uit kleine lapjes van verschillende wollen stoffen is saamgesteld, en een grooten armstoel, aartsvaderlijk oud, welks wijde armen een gastvrije uitnoodiging schijnen te geven, die door de veeren kussens wordt ondersteund--een waarlijk uitlokkende, bruikbare, oude stoel, voor echt gemak meer waard dan een dozijn nieuwe salonmeubelen.--En in dien stoel, zachtjes voor- en achterover wiegende, zit onze oude vriendin Eliza. [5] Ja, daar zit zij, bleeker en magerder dan tehuis in Kentucky, en stille smart schuilt onder de schaduw harer lange wimpers en kenmerkt de trekken om den vriendelijken mond. Het was duidelijk te zien, hoe oud en vast haar jeugdig hart in de leerschool der smart was geworden; en wanneer zij hare donkere oogen opsloeg, om de huppelende sprongen van den kleinen Harry te volgen, die als een vlindertje heen en weder dartelde, lag er in dien blik eene vastberadenheid en kracht, welke voorheen in gelukkiger dagen nooit daarin te lezen was.

Naast haar zat eene vrouw met eene blikken pan op den schoot, waarin zij bezig was gedroogde perziken uit te zoeken. Zij kon vijf en vijftig of zestig jaren oud wezen; maar zij had een van die gezichten, waaraan de tijd niets anders schijnt te kunnen doen dan ze verhelderen en verfraaien. De sneeuwwitte muts, naar het stijve kwaker-patroon opgemaakt, de effen neteldoeksche halsdoek, met strakke plooien over hare borst gevouwen, de donkergrijze omslagdoek en japon van dezelfde kleur toonden aanstonds tot welke gezindte zij behoorde. Haar gezicht was rond en blozend, met eene gezonde, donzige zachtheid, die aan eene rijpe perzik deed denken. Heur haren, door de jaren gedeeltelijk verzilverd, waren glad van het hooge, effen voorhoofd weggestreken, waarop de tijd niets anders geschreven had dan vrede en welwillendheid; en daaronder straalden een paar groote, heldere, oprechte, vriendelijke, bruine oogen. Men behoefde slechts recht daarin te zien, om te weten, dat men tot op den bodem van een hart zag, zoo goed en trouw als ooit in eene vrouwelijke borst had geklopt. Men heeft zooveel van de schoonheid van jonge meisjes gezegd en gezongen; waarom bezingt niet eens iemand de schoonheid der oude vrouwen? Als iemand in dit opzicht verlangt geïnspireerd te worden, verwijzen wij hem naar onze goede vriendin Rachel Halliday, gelijk zij daar in haar schommelstoeltje zit. Dat stoeltje was aan zeker kraken en piepen onderhevig, en terwijl zij zacht heen en weder wiegde, maakte haar zetel een geluid, als van elken anderen stoel onuitstaanbaar zou zijn geweest, maar de oude Simeon Halliday beweerde dikwijls, dat het zoo goed als muziek voor hem was, en de kinderen zeiden dat zij voor niets op de wereld het piepen van moeders stoel zouden willen missen. En waarom dat? Twintig jaren lang, of nog langer, waren er niets dan vriendelijke woorden en zachte zedenlessen en moederlijke liefdeblijken van dien stoel gekomen--ontelbare hoofdpijnen en hartepijnen waren daar genezen--geestelijke en tijdelijke bezwaren waren daar opgeheven--alles door ééne, goede, liefelijke vrouw. God zegene haar!

"En zoo denkt gij nog naar Canada te gaan, Eliza?" zeide zij, voortgaande met hare perziken te bekijken.

"Ja, juffrouw!" antwoordde Eliza met vastheid. "Ik moet verder. Ik kan hier niet blijven."

"En wat zult gij doen als gij daar komt? Daar moet gij ook aan denken, mijne dochter."

Dat "mijne dochter!" kwam zoo natuurlijk van Rachels lippen; want zij had juist een voorkomen en uitzicht, dat het zoo natuurlijk maakte om "moeder" tegen haar te zeggen.

Eliza's handen beefden en eenige tranen vielen op het fijne naaiwerk, waaraan zij bezig was; maar haar toon bleef toch vast, toen zij antwoordde:

"Ik zal--alles doen wat ik te doen kan vinden. Ik hoop dat ik iets vinden zal."

"Gij weet wel, gij kunt hier blijven zoolang het u behaagt," zeide Rachel.

"O! ik dank u," zeide Eliza; "maar," vervolgde zij, naar Harry wijzende, "ik kan des nachts niet slapen; ik kan niet rusten. Verleden nacht droomde ik dat ik een man de werf zag opkomen," voegde zij er huiverend bij.

"Arm kind!" zeide Rachel, hare oogen afvegende. "Maar gij moet niet zoo angstig zijn. De Heere heeft het zoo besteld, dat nog nooit een vluchteling uit ons dorp gestolen is. Ik vertrouw dat gij niet de eerste zult wezen."

Hier werd de deur geopend en kwam eene andere vrouw binnen, kort en zoo rond als een speldenkussen, met een vroolijk blozend gezicht, gelijk een rijpen appel. Zij was evenals Rachel stemmig in het grijs gekleed, met een neteldoekschen doek over hare zwellende borst geplooid.

"Ruth Stedman," zeide Rachel, met blijdschap naar haar toekomende. "Hoe is het met u, Ruth?" En daarmede vatte zij deze bij de handen.

"Welletjes," antwoordde Ruth, zette haar grijzen hoed af en ontblootte zoo een rond hoofdje, waarop de kwakerinnenmuts tamelijk zwierig stond, hoewel zij haar best deed om die met hare mollige handjes glad te strijken. Ook eenige verdwaalde lokken en krullend haar waren hier en daar ontsnapt en moesten weggestopt worden; en daarna keerde de nieuw-gekomene, die vijf en twintig jaren oud mocht wezen, zich van het spiegeltje af, waarvoor zij deze beschikkingen had gemaakt en scheen zeer wel met haar voorkomen tevreden te zijn--gelijk de meeste menschen die haar aanzagen ook wel konden geweest zijn; want zij was zulk een gezond, frisch en vroolijk vrouwtje, als ooit het hart van een man verheugde.

"Ruth, deze vriendin is Eliza Harris, en dit is het jongetje, waarvan ik u gesproken heb."

"Ik ben blijde u te zien, Eliza, zeer blijde," zeide Ruth en gaf Eliza zoo hartelijk de hand, als ware zij eene oude vriendin die zij lang verwacht had; "en dat is uw lieve jongen. Ik heb een koekje voor hem medegebracht," en daarmede hield zij het koekje den kleinen Harry voor, die het, door zijne krullen naar haar opkijkende, met zekere sluwheid aannam.

"Waar is uw kleintje, Ruth?" vroeg Rachel.

"O! hij komt; maar uwe Mary pakte hem op toen ik inkwam, en liep met hem naar de schuur, om hem aan de kinderen te laten zien."

Op dit oogenblik ging de deur weder open en kwam Mary, een frisch blozend meisje, met groote bruine oogen, gelijk hare moeder, met het kind binnen.

"Ha, ha!" zeide Rachel, het gezonde, mollige wicht op den arm nemende, "wat ziet hij er goed uit, en wat groeit hij!"

"Zeker doet hij dat," zeide de levendige Ruth, nam spoedig het kind over en ontdeed het van een blauw zijden manteltje en andere bovenkleeren, waarin het gewikkeld was, vertrok en verschoof hier en daar iets om het op te knappen, gaf het een hartelijken kus en zette het naast zich op den grond neer om zich zelf te amuseeren en zoet te houden. Het wicht scheen aan zulk eene handelwijze volkomen gewoon te zijn, want het stak terstond een duim in den mond en scheen weldra in een genoeglijk gepeins te verzinken, terwijl de moeder zich neerzette, eene opgezette kous uithaalde en ijverig begon te breien.

"Mary, gij moogt den ketel wel eens vullen, zoudt ge niet?" zeide de moeder, zacht vermanende.

Mary nam den ketel mede naar den waterput, en spoedig terugkomende plaatste zij hem op de kachel, waar hij spoedig stond te borrelen en te dampen als een wierookvat in den tempel der gastvrijheid. Weldra werden ook de perziken, op eenige zacht gefluisterde woorden van Rachel, door dezelfde hand in eene aarden pan gedaan en op het vuur gezet.

Vervolgens nam Rachel eene sneeuwwitte kneedplank van den wand en ging eenvoudig wat beschuiten kneden; maar eerst zeide zij tegen hare dochter: "Mary, zoudt ge John niet eens gaan zeggen om het hoentje te gaan halen?" waarop Mary weder verdween.

"Wel, hoe is het met Abigaël Peters?" zeide Rachel onder het kneden.

"O! zij is beter," antwoordde Ruth. "Ik ben daar van morgen geweest en heb het bed opgemaakt en het huis gedaan. Lea Hills is van middag gegaan en heeft brood en koek gebakken voor eenige dagen, en ik heb beloofd er van avond weder heen te gaan."

"Ik zal morgen gaan en schoonmaken wat noodig is, en naar het verstelwerk zien," zeide Rachel.

"Zoo, dat is goed," antwoordde Ruth. "Ik heb gehoord," vervolgde zij, "dat Hanna Stanwood ziek is. John is er gisteravond geweest--ik moet morgen daarnaar toe."

"John kan hier komen eten, als het noodig is dat gij den geheelen dag blijft," zeide Ruth hierop.

"Dank u, Rachel! we zullen morgen zien. Maar daar komt Simeon."

Simeon Halliday, een rijzig, recht welgespierd man, met een bruingrijze jas en broek en een breedgeranden hoed kwam nu binnen.

"Hoe is het met u, Ruth?" zeide hij met warmte, terwijl hij zijn breede palm openspreidde, om haar mollig handje er in te leggen. "En hoe is het met John?"

"O! John is wel, en al de anderen ook," antwoordde Ruth blijmoedig.

"Wat nieuws, vader?" vroeg Rachel, terwijl zij hare beschuiten in den oven stak.

"Steven Stebbins heeft mij gezegd dat zij van nacht uit moesten met _paarden_," zeide Simeon met bijzonderen nadruk op het laatste woord, terwijl hij over een zindelijken gootsteen in een achterkeukentje zijn handen wiesch.

"Ei!" zeide Rachel, peinzend en met een blik naar Eliza.

"Hebt gij niet gezegd, dat uw naam Harris was?" zeide Simeon tot Eliza, weder binnenkomende.

Rachel wierp snel een blik naar haren man, terwijl Eliza met bevende lippen "ja" antwoordde, daar zij vreesde, dat er misschien een prijs voor haar was uitgeloofd.

"Moeder," zeide Simeon, Rachel roepende, terwijl hij weder naar het achterkeukentje ging.

"Wat wilt gij hebben, vader?" antwoordde Rachel, hem volgende.

"De man van dat kind is in het dorp en zal van avond hier komen," zeide Simeon.

"O! dat zegt ge toch maar niet zoo, vader?" riep Rachel uit, met een gezicht als het ware stralende van blijdschap.

"Het is werkelijk waar. Peter was gisteren met den wagen naar de andere plaats, en daar vond hij eene oude vrouw en twee mannen, en een van hen zeide dat hij George Harris heette, en uit hetgeen hij van zijne geschiedenis vertelde, weet ik zeker wie hij is. Hij is een knap, schrander man.--Zullen wij het haar nu zeggen?" voegde hij er na een oogenblik stilzwijgens bij.

"Laten wij het Ruth zeggen," antwoordde Rachel. "Ruth, kom eens hier."

Ruth legde haar breiwerk neer en was in een oogenblik in het achterkeukentje.

"Ruth, wat dunkt u?" zeide Rachel. "Vader zegt dat Eliza's man bij het laatste gezelschap is en van avond hier zal komen."

Een blijde uitroep van het levendige kwakerinnetje viel de spreekster in de rede. Ruth klapte in de handen en deed zulk een sprong, dat er weder een paar krullen onder hare muts uitschoten en over haar witten halsdoek zwierden.

"Stil toch, lieve," zeide Rachel zachtzinnig. "Stil, Ruth, zeg ons, zullen wij het haar nu zeggen?"

"Nu? Wel zeker, op het oogenblik. Denk eens als het mijn John was, wat zou ik dan voelen? Zeg het haar toch maar terstond."

"Gij denkt aan u zelven, alleen om te leeren uwe naasten lief te hebben, Ruth," zeide Simeon, haar met welgevallen aanziende.

"Wel zeker," zeide Ruth. "Is het dat niet, waartoe wij geschapen zijn? Als ik John en mijn kindje niet liefhad, zou ik zooveel gevoel niet voor haar kunnen hebben.--Kom nu, zeg het haar toch!" vervolgde zij, Rachel dringend bij den arm vattende. "Neem haar in uwe slaapkamer, daar, en laat ik het hoentje braden, terwijl gij het haar zegt."

Rachel ging weder naar de keuken, waar Eliza zat te naaien en de deur van een slaapkamertje openende, zeide zij vriendelijk: "kom hier binnen met mij, mijne dochter. Ik heb u iets nieuws te zeggen."