De Negerhut

Chapter 13

Chapter 134,074 wordsPublic domain

Tegen elf uren van den volgenden dag verzamelde zich een gemengde troep menschen bij de stoep van het raadhuis, rookende, pruimende, spuwende, vloekende en pratende, volgens ieders smaak en neiging, en wachtende tot de verkooping beginnen zou. De mannen en vrouwen, die verkocht zouden worden, zaten afzonderlijk in eene groep en spraken zacht met elkander. De vrouw, die in de advertentie Hagar was genoemd, was eene echt Afrikaansche van gezicht en gestalte. Zij kon zestig jaar wezen, maar scheen door zwaar werken en ziekelijkheid veel ouder; zij was half blind en half kreupel van rheumatiek. Naast haar stond haar eenige overgebleven zoon Albert, een jongen van veertien jaren, met een schrander uitzicht. De knaap was alleen nog over van eene talrijke familie, die stuk voor stuk naar de Zuidelijke markt was verkocht. De moeder hield hem met beide handen vast, en beefde van angst als er iemand aankwam om hem te bezichtigen.

"Wees maar niet bang, tante Hagar," zeide de oudste der mannen. "Ik heb er met meester Thomas over gesproken, en hij dacht dat hij het wel schikken kon om u te zamen te verkoopen."

"Zij behoeven mij nog niet versleten te noemen," zeide zij daarop, hare bevende handen opheffende. "Ik kan nog koken, schrobben en schuren. Ik ben het koopen nog wel waard, als ik goedkoop ga. Zeg hun dat--zeg hun dat toch," voegde zij er met aandrang bij.

Haley kwam naar de groep en bezichtigde het eerst een ouden man, deed zijn mond open en keek erin, bevoelde zijne tanden, liet hem opstaan, zich uitrekken, zijn rug buigen en verschillende bewegingen maken, om zijne spieren te laten zien. Daarna ging hij naar den volgenden en nam dezelfde proeven. Eindelijk kwam hij bij den knaap, betastte zijne armen, kneep zijne handen, bekeek zijne vingers en liet hem springen, om zijne vlugheid te toonen.

"Hij wordt niet zonder mij verkocht," zeide de oude vrouw met hartstochtelijke drift. "Hij en ik gaan samen in één koop. Ik ben nog heel sterk, meester, en kan nog een boel werk doen--een boel werk, meester."

"Op eene plantage?" zeide Haley met een blik van minachting. "Dat gelijkt er wel naar."

En voldaan met zijn onderzoek, kuierde hij op, en bleef met zijne handen in zijne zakken en een sigaar in zijnen mond heen en weder drentelen.

"Wat dunkt u er van?" zeide een man, die Haley's onderzoek had gadegeslagen, alsof hij zelf daarop wilde afgaan.

"Wel," antwoordde Haley, eens spuwende: "ik zal op een paar van de jongsten en op dien knaap bieden."

"Zij willen den knaap en de oude vrouw samen verkoopen," hervatte de man.

"Dat zullen zij vrij moeielijk vinden. Zij is immers een oude zak met knokken, die haar zout niet waard is."

"Gij zoudt haar dan niet willen hebben?"

"Het zou een gek zijn die dat wilde. Zij is half blind, krom van de rheumatiek, en nog simpel ook er bij."

"Er zijn menschen die dat oude goed koopen, en zeggen dat er nog veel meer mee te doen is dan men denken zou," zeide de man peinzend.

"Ik zou haar niet present willen hebben," antwoordde Haley. "Ik heb haar gezien."

"Wel, het zou jammer zijn haar niet met haren zoon te koopen; zij schijnt er haar hart zoo op gesteld te hebben. Als zij haar nu goedkoop op hem toegeven?"

"Voor iemand die op die manier geld heeft weg te gooien, is het goed en wel," antwoordde Haley. "Ik zal op den jongen bieden voor een plantage arbeider. Maar met haar wil ik niet belast wezen, al gaven zij er haar op toe."

"Zij zal razend te werk gaan," zeide de man.

"Natuurlijk zal zij dat," antwoordde de handelaar koeltjes.

Hier werd het gesprek gestoord door een algemeen gemompel, en de afslager, een kort en dik manneke, drong met veel drukte en groote deftigheid door de menigte heen. De oude vrouw haalde diep adem en greep onwillekeurig haar zoon vast.

"Blijf dicht bij mij, Albert--dicht bij mij--zij zullen ons te zamen opzetten," zeide zij.

"Och, moeder, ik vrees, dat zij toch niet zullen," antwoordde de knaap.

"Zij moeten, kind. Anders kan ik niet blijven leven," riep zij heftig uit.

De forsche stem van den afslager, roepende om ruimte te maken, kondigde nu aan dat de verkooping beginnen zou. Men schikte zich in een kring, en het bieden begon. De mannen, die op de lijst stonden, werden spoedig toegeslagen tot prijzen, die bewezen dat er tamelijk veel vraag aan de markt was. Twee van hen vielen Haley ten deel.

"Kom aan nu, jongen," zeide de afslager en gaf den knaap een stootje met zijnen hamer. "Op, en laat zien hoe ge springen kunt."

"Zet ons samen op,--samen, als het u belieft, meester," riep de oude vrouw, zich aan haren zoon vasthoudende.

"Uit den weg," zeide de afslager, haar ruw terugduwende. "Gij komt het laatst. Kom aan, zwarte, spring!"

En met deze woorden duwde hij den knaap naar het blok, terwijl achter hem een zware zucht werd geslaakt. De jongen bedacht zich nog en keek om, maar er werd hem geen tijd gelaten. Hij veegde de tranen uit zijne heldere oogen en was in een oogenblik omhoog.

Zijn welgemaakte leden, forsche lichaamsbouw en schrander uitzicht wekten aanstonds kooplust op en wel zes stemmen deden tegelijk een bod. Angstig keek de knaap van den een naar den ander, terwijl het opbieden voortging en nu hier, dan daar een hoogere som werd geroepen, tot eindelijk de hamer viel. Haley had hem gekregen. Hij werd van het blok naar zijnen nieuwen meester geduwd, maar bleef nog een oogenblik staan en keek om, terwijl zijne arme, oude moeder, over al hare leden bevende, hare sidderende handen naar hem uitstak.

"Koop mij ook, meester. Om onzen lieven Heerswil, koop mij. Ik zal sterven als gij het niet doet."

"Gij moogt sterven als ik het doe," antwoordde Haley. "Neen, zeg ik." En daarmede keerde hij zich om.

Voor de arme, oude sloof, werd maar één bod gedaan. De man, die met Haley gesproken had en niet van medelijden ontbloot scheen te zijn, kocht haar voor eene kleinigheid en daarna begonnen de toeschouwers uiteen te gaan.

De arme slachtoffers der verkooping, die jarenlang met elkander op dezelfde plaats hadden gewoond, verzamelden zich om de wanhopige oude moeder, wier zielesmart jammerlijk was om aan te zien.

"Konden zij er mij niet één laten? Meester heeft altijd gezegd dat ik er één houden zou--altijd heeft hij dat gezegd," herhaalde zij gedurig op een hartbrekenden toon.

"Vertrouw maar op den Heere, Tante Hagar," zeide een der mannen droevig.

"Wat zal mij dat baten?" antwoordde zij, hartstochtelijk snikkende.

"Moeder, moeder, spreek zoo niet," riep de knaap. "Zij zeggen dat gij een goeden meester hebt gekregen."

"Dat kan mij niet schelen--dat kan mij niet schelen. O, Albert, o, mijn jongen--mijn laatste kind! O Heere, hoe kan ik?"

"Kom, maakt haar liever los," zeide Haley droogjes. "Het doet haar immers geen goed dat zij zoo te werk gaat."

De oudsten van den troep dwongen de oude vrouw, half door overreding, half met geweld, haar zoon eindelijk los te laten, en poogden haar te troosten, terwijl zij haar naar den wagen van haren nieuwen meester brachten.

"Kom aan!" zeide Haley, zijne drie koopjes bij elkander duwende. Daarop haalde hij een bos handboeien uit, deed ze hun om de polsen, maakte allen aan een langen ketting vast en dreef hen zoo ver voor zich uit naar de gevangenis.

Eenige dagen later was Haley met zijn eigendom op eene der stoombooten, die gedurig den Ohio bevaren. Deze nieuwe koopjes waren nog maar een begin van zijnen troep, dien hij, naarmate de boot verder de rivier afvoer, zou vermeerderen met andere koopwaar van denzelfden aard, welke hij hier en daar langs den oever in bewaring had gelaten.

_La Belle Riviére_--zulk eene fraaie boot als ooit de rivier had bevaren, naar welke zij genoemd was--dreef vroolijk de rivier af, onder eene heldere lucht, met de strepen en sterren van het vrije Amerika aan den mast, en het dek vol welgekleede heeren en dames, die heen en weder wandelden en zich in het heerlijkste weder verlustigden. Alles was vol leven en vroolijkheid; alles, behalve de troep van Haley, die met de andere vracht op het benedendek was verborgen, en waarvan niemand eenige reden tot blijdschap scheen te gevoelen.

"Kom aan jongens," zeide Haley, luchtig naar hen toekomende. "Ik hoop dat gij vroolijk blijft. Geen druilen, hoort ge. Houdt u goed, en ik zal mij ook goed houden."

De aangesprokenen antwoordden met het onveranderlijk "Ja meester," dat sedert eeuwen de leus van het arme Afrika is; maar het moet gezegd worden dat zij toch niet bijzonder opgeruimd keken. Zij hadden hunne verschillende kleine voordeelen ten gunste van vrouwen, kinderen, moeders en zusters, die zij voor de laatste maal hadden gezien, en hoewel hunne verdrukkers vroolijkheid van hen eischten, was deze niet zoo aanstonds gereed.

"Ik heb eene vrouw," sprak het artikel op de lijst als "John, oud dertig" aangeduid, en legde zijne geboeide hand op Toms knie, "en zij weet geen woord hiervan, de arme ziel!"

"Waar woont zij?" zeide Tom.

"In eene herberg, een eind weegs hier de rivier af," antwoordde John. "Ik wenschte dat ik haar nog maar eens in de wereld zien kon."

Arme John! Zijn wensch was wel eenigszins natuurlijk; en de tranen, die onder het spreken over zijne wangen rolden, zagen er zoo natuurlijk uit, als ware hij een blanke geweest. Tom haalde met een beklemd hart diep adem en poogde hem op zijne eenvoudige manier te troosten.

En boven hun hoofd, in de kajuit, zaten vaders en moeders, mannen en vrouwen; en vroolijk huppelende kinderen fladderden als vlindertjes om hen heen, en allen waren vroolijk en wel te moede.

"O, Mama," zeide een knaapje dat juist van het dek was gekomen, "er is een negerhandelaar aan boord en hij heeft vier of vijf slaven daar beneden."

"Arme schepsels!" zeide de moeder, op een toon tusschen beklag en verontwaardiging.

"Wat is er?" zeide eene andere dame.

"Eenige arme slaven beneden," antwoordde de moeder.

"En zij hebben kettingen aan," zeide het knaapje.

"Welk eene schande voor ons land," zeide eene andere dame, "dat men zoo iets ziet."

"O, er is aan beide kanten veel van de zaak te zeggen," zeide nu een zwierige dame, die bij de deur van haar salon zat te naaien, terwijl een jongetje en een meisje bij haar speelden. "Ik ben in het Zuiden geweest, en ik moet zeggen, ik denk dat de negers het beter hebben dan het geval zou zijn als zij vrij waren."

"In sommige opzichten hebben sommigen van hen het goed, dat geef ik toe," zeide de dame, wier gezegde zij had beantwoord. "Het schrikkelijkste der slavernij, naar mijne gedachten, is het geweld dat zij de natuur en het gevoel aandoet, bij het scheiden van huisgezinnen bij voorbeeld."

"Dat is zeker een kwaad," zeide de andere dame, met aandacht de belegsels bekijkende van het kinderjurkje dat zij naaide. "Maar ik verbeeld mij dat het niet dikwijls gebeurt."

"O ja, zeker," zeide de eerste dame haastig. "Ik heb jarenlang zoowel in Kentucky als in Virginië gewoond en genoeg gezien om iemand het hart te doen wegkrimpen. Verbeeld u eens, Mevrouw, dat uwe twee kinderen van u afgenomen en verkocht werden."

"Wij kunnen ons gevoel niet met dat van die soort van lieden vergelijken," antwoordde de andere dame, nog altijd bezig met het jurkje.

"Inderdaad, Mevrouw, als gij zoo spreekt, moet gij niets van hen weten," zeide de eerste dame met warmte. "Ik ben onder hen geboren en grootgebracht. Ik weet dat zij gevoel hebben--een even fijn gevoel--nog fijner misschien dan wij."

"Inderdaad?" zeide de andere dame en keek geeuwende uit een venstertje. Ten slotte herhaalde zij, om alles af te doen, nog eens het gezegde, waarmede zij begonnen was: "Ik denk toch dat zij het beter hebben, dan wanneer zij vrij waren."

"Het is ontwijfelbaar de bedoeling der Voorzienigheid, dat het Afrikaansche ras dienstbaar zal zijn en in onderwerping gehouden worden," zeide een deftig heer in het zwart, een geestelijke, die bij de deur der kajuit zat. "Vervloekt zij Kanaän; een knecht der knechten zal hij zijn, zegt de Schrift."

"Zeg eens, vreemdeling, is het dat wel wat die tekst beteekent?" zeide een lang man, die er bij stond.

"Zonder twijfel. Het heeft der Voorzienigheid om ondoorgrondelijke redenen behaagd, dat geslacht eeuwen geleden tot slavernij te veroordeelen; en onze eigene meeningen moeten daartegen niet aandruischen."

"Wel zoo, dan gaan wij onzen gang maar en koopen negers, als de Voorzienigheid het toch zoo hebben wil," zeide de lange man. "Niet waar, heerschap?" vervolgde hij, zich naar Haley keerende, die met de handen in de zakken bij de kachel stond en oplettend naar het gesprek had geluisterd. "Wel ja," vervolgde hij, "wij moeten ons immers naar de besluiten der Voorzienigheid voegen. Negers moeten verkocht en versleept en onder bedwang gehouden worden; dat is het, waarvoor zij geschapen zijn. Zulke begrippen schijnen heel verkwikkelijk, niet waar, vreemdeling?" en daarmede keerde hij zich weder naar Haley.

"Ik heb daarover nooit gedacht," antwoordde Haley, "ik wist dat niet eens, want ik ben niet geleerd. Ik heb den handel maar opgevat om fortuin te maken, en als ik niet wèl deed, dacht ik wel bijtijds berouw te zullen hebben, weet ge?"

"En nu zult gij u die moeite maar sparen, niet waar?" hervatte de lange man. "Zie eens hoe goed het is de Schrift te kennen. Als gij uw Bijbel maar hadt gelezen, gelijk die brave man, dan hadt gij dit te voren kunnen weten en dus niet ongerust behoeven te zijn. Hij had maar even kunnen zeggen: "Vervloekt zij"--hoe heet het ook weer?--en alles zou in orde zijn geweest."

Daarmede zette de vreemdeling, die niemand anders was dan de eerlijke paardenkooper, met wien onze lezers in de herberg in Kentucky kennis hebben gemaakt, zich weder neer en begon te rooken, met een zeer zonderlingen glimlach op zijn lang en strak gezicht.

Een rijzig tenger jonkman, wiens uitzicht verstand en gevoel aanduidde, nam nu het woord en zeide: "Alles wat gij wilt dat de menschen u zouden doen, doet gij hun ook alzoo. Ik meen," vervolgde hij, "dat dit evengoed in de Schrift staat als: 'vervloekt zij Kanaän.'"

"Zeker, vreemdeling, die tekst schijnt even duidelijk voor arme lieden, zooals wij," zeide John en rookte als een vulkaan.

De jonkman bedacht zich alsof hij voornemens was nog meer te zeggen, toen eensklaps de boot bleef stil liggen en het gezelschap volgens gewoonte naar het dek snelde, om te zien waar men aanlegde.

"Zijn die twee allebei dominees?" zeide John tegen iemand, toen zij naar buiten gingen.

De man knikte.

Toen de boot stillag, kwam eene zwarte vrouw als razend over de plank stormen, drong door alles heen, vloog naar de plaats, waar de troep slaven zat, sloeg hare armen om het stuk koopwaar, bekend als "John oud dertig" en jammerde met tranen en snikken over hem--haren echtgenoot.

Maar wat behoeven wij eene geschiedenis te verhalen, die maar al te dikwerf--die dagelijks herhaald wordt--hoe harten gebroken worden, en hoe de zwakke wordt vertrapt ten voordeele van den sterke!

Dit behoeft niet meer herhaald te worden;--elke dag verhaalt het, verhaalt het voor de Ooren van Eenen die niet doof is, hoewel Hij lang stilzwijgt.

De jonkman, die vroeger voor de zaak der menschelijkheid en van God gesproken had, stond dit tooneel met over elkander geslagen armen aan te zien. Hij keerde zich om, en Haley stond naast hem.

"Mijn vriend," zeide hij met eene gesmoorde stem, "hoe kunt gij, hoe durft gij zulk een beroep drijven? Zie die arme schepselen aan! Hier ben ik, mij verheugende in mijn hart dat ik naar huis ga, naar mijne vrouw en mijn kind; en dezelfde klok, die het teeken geeft om mij naar hen toe te brengen, zal dezen armen man en zijne vrouw voor altijd scheiden. Wees er zeker van, God zal daarvoor met u in het gerecht treden."

De handelaar keerde zich zwijgend om.

"Zeg eens," zeide de paardenkooper, hem aan zijnen elleboog stootende, "dat is een verschil in dominees, niet waar? "Vervloekt zij Kanaän" schijnt bij dezen niet af te doen, he?"

Haley, blijkbaar zeer slecht op zijn gemak, bromde iets binnensmonds.

"En dat is het ergste nog niet," hervatte John. "Misschien zal het ook bij den Heere niet baten, als gij eens met Hem afrekent, gelijk wij allen toch moeten, geloof ik."

Haley wandelde peinzend naar het andere einde der boot.

"Als ik met dezen en nog een of twee troepen goede winst maak," dacht hij, "denk ik er toch maar van af te stappen. Het wordt inderdaad gevaarlijk."

Daarmede haalde hij zijne portefeuille uit en begon zijne waarschijnlijke winst te berekenen, eene tijdkorting, welke nog vele andere heeren, behalve Haley, een specifiek middel voor een ongerust geweten hebben bevonden.

De boot stak weder af en alles was even vroolijk als te voren. De mannen praatten, kuierden, lazen en rookten; de vrouwen naaiden, de kinderen speelden, en de tocht ging van dag tot dag zoo voort.

Op een dag, toen de boot voor eene poos bij een stadje in Kentucky bleef stilliggen, ging Haley van boord om zaken te doen.

Tom, wiens boeien hem niet verhinderden eene matige wandeling te doen, ging naar voren en stond daar verstrooid naar den oever te kijken. Na verloop van eenigen tijd zag hij den handelaar met vluggen tred terugkomen in gezelschap van eene gekleurde vrouw, die een klein kind op den arm had. Zij was zeer fatsoenlijk gekleed en werd gevolgd door een kleurling die haar koffertje droeg; en zoo kwam zij de plank over en op de boot. De klok luidde, de stoom siste, de machine stampte en hijgde, en de boot voer weder af.

De vrouw ging naar het voordek tusschen de koffers en de balen, zette zich daar neer en begon zachtjes voor haar kind te zingen.

Haley wandelde de boot een paar malen op en neer, en toen naar haar toekomende, zette hij zich naast haar neer en zeide iets op een zachten, onverschilligen toon.

Tom zag dat het gezicht van de vrouw terstond betrok, en dat zij snel en driftig antwoord gaf.

"Ik geloof het niet, ik wil het niet gelooven," zeide zij, "steek den gek maar met mij."

"Als gij niet gelooven wilt, zie dan hier," zeide Haley, een papier toonende. "Dat is de koopbrief en daar staat uws meesters naam onder, en ik heb hem duur genoeg betaald, dat kan ik u zeggen--dus!"

"Ik geloof niet dat meester mij zoo bedriegen zou; het kan niet waar zijn," zeide de vrouw met toenemende ontroering.

"Gij kunt een van die lieden hier vragen, die schrift kunnen lezen. Hier," zeide Haley tot iemand die voorbijkwam, "lees dit eens even, als gij wilt. De meid wil mij niet gelooven als ik haar zeg wat het is."

"Wel, het is een koopbrief, geteekend door John Fosdick," antwoordde de man, "waarmede u de meid Lucy en haar kind worden overgedaan. Het is alles in orde, zoover ik zien kan."

De hartstochtelijke uitroepingen der vrouw verzamelden weldra eene groep om haar heen, en de handelaar zeide met korte woorden wat de reden van hare aandoening was.

"Hij heeft mij gezegd dat ik naar Louisville ging, om als keukenmeid verhuurd te worden in dezelfde herberg waar mijn man werkt; dat is het wat de meester zelf mij gezegd heeft, en ik kan niet gelooven dat hij mij voorliegen zou," zeide de vrouw.

"Maar hij heeft u toch verkocht, arme vrouw, daaraan is niet te twijfelen," zeide een man met een goedhartig uitzicht, die de papieren had nagezien. "Hij heeft het gedaan; dat is niet anders."

"Dan helpt er geen praten," zeide de vrouw eensklaps bedarende, sloot haar kind vaster in hare armen, zette zich op hare kist neder, keerde zich met den rug naar de groep en staarde verstrooid naar de rivier.

"Zij zal het toch nogal licht opnemen," zeide de handelaar. "Het kan haar niet veel schelen, zie ik."

Terwijl de boot voortvoer, bleef de vrouw bedaard zitten; en het zachte zomerkoeltje zweefde als een medelijdende geest over haar hoofd--dat zachte koeltje, dat nooit vraagt of het voorhoofd dat het streelt zwart of blank is. Zij zag den zonneschijn op het kabbelende water flikkeren en hoorde vroolijke stemmen in het rond, maar haar hart was zoo beklemd, als ware haar een zware steen op de borst gevallen. Haar kindje klauterde tegen haar op en streelde hare wangen met zijne handjes, en scheen haar door zijn kraaien en dartelen te willen opwekken. Zij klemde het eensklaps nog vaster in hare armen, en langzaam viel de eene traan na den anderen op het onnoozele verwonderde gezichtje; maar zij scheen langzamerhand weder tot kalmte te komen en streelde en koesterde het wicht.

Het kind, een jongetje van tien maanden, was buitengemeen groot en sterk voor zijn ouderdom, en zeer vlug en krachtig in zijne bewegingen. Het hield zich geen oogenblik stil en gaf zijne moeder gedurig werk, om op te passen dat het haar niet van den schoot sprong.

"Dat is een frisch kind," zeide een man die met de handen in de zakken voor haar bleef staan. "Hoe oud is hij?"

"Tien en een halve maand," antwoordde de moeder.

De man floot eens en hield den kleine een klontje suiker voor, dat deze gretig pakte en terstond in zijnen mond stak.

"Slimme jongen!" zeide de man. "Hij weet zijn weetje al!" En daarmede wandelde hij fluitend heen.

Toen hij aan de andere zijde der boot gekomen was, trof hij Haley aan, die op een stapel kisten zat te rooken.

De man stak ook eene sigaar aan, en dit gedaan hebbende, zeide hij: "Een knappe meid die gij daar hebt, vreemdeling."

"Ja, zij ziet er tamelijk wel uit," antwoordde Haley, een rookwolk uitblazende.

"Brengt gij haar naar het Zuiden?" zeide de man.

Haley knikte slechts.

"Voor eene plantage?" was wederom de vraag.

"Ja," zeide Haley, "ik moet eene bestelling voor eene plantage bijeenbrengen, en ik denk dat ik er haar bij zal doen. Zij zeiden dat zij eene goede keukenmeid was; zij kunnen haar dus daarvoor gebruiken of aan het katoenpluizen zetten. Zij heeft de rechte vingers daarvoor; kijk er maar naar. Zij is op beide manieren haar geld waard."

"Maar zij zullen op eene plantage dat jong niet willen hebben," zeide de man.

"Ik zal het ook verkoopen zoodra ik maar gelegenheid heb," antwoordde Haley en stak eene andere sigaar aan.

"Gij zult hem zeker tamelijk goedkoop geven," zeide de vreemdeling en klom insgelijks op den hoop kisten, waarna hij zich op zijn gemak neerzette.

"Dat weet ik nog niet," antwoordde Haley. "Het is een ferme jongen, welgemaakt, sterk en vet, met vleesch zoo hard als een spijker."

"Dat is waar. Maar de kosten en de last van het grootbrengen."

"Gekheid," zeide Haley. "Zij zijn even gemakkelijk groot te brengen als andere beesten; zij geven niet meer last dan jonge honden. De kleine snaak zal over een maand overal heenloopen."

"Ik heb een goede gelegenheid om klein goed groot te brengen, en zou nog wel wat voorraad willen opdoen," zeide de man. "De eene keukenmeid heeft verleden week een jong verloren--in de waschtobbe verdronken, terwijl zij het goed te drogen hing--en het zou niet kwaad zijn haar dit te geven om groot te brengen."

Haley en de vreemdeling bleven een poos zitten rooken, daar geen van beiden genegen scheen om ter zake te komen. Eindelijk zeide de vreemdeling:

"Gij zoudt wel niet meer dan tien dollars voor dat snaakje willen hebben, daar gij hem toch van de hand moet doen?"

Haley schudde zijn hoofd en spuwde met bijzonderen nadruk.

"Wel neen," zeide hij en begon weder te rooken.

"Wel vreemdeling, wat wilt ge dan nemen?"

"Wel," antwoordde Haley, "ik kan hem zelf grootbrengen of laten grootbrengen. Hij is buitengewoon gezond en frisch. Over zes maanden zou hij honderd en over een paar jaren tweehonderd dollars halen, als ik hem aan de rechte markt bracht; en dus wil ik nu geen cent minder dan vijftig voor hem nemen."

"O, vreemdeling, dat is al te gek om van te spreken."

"Het is toch zoo," zeide Haley met nadruk.

"Welnu, ik zal u veertig dollars geven."

"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley, wederom krachtig spuwende. "Ik wil het verschil deelen en vijf en veertig zeggen; dat is het uiterste wat ik doen wil."

"Welnu, toegeslagen," zeide de man na een poos bedenkens.

"Gedaan dus," zeide Haley. "Waar gaat gij aan land?"

"Te Louisville."