Chapter 12
Toen alles gedaan was en de bedienden heengegaan waren, sloot de jonkman bedaard de deur, stak den sleutel in zijnen zak, keerde zich daarna om, sloeg zijne armen kruiselings over de borst en zag Mr. Wilson strak in het gezicht.
"George," zeide Mr. Wilson.
"Ja, George," antwoordde de jonkman.
"Ik kon het haast niet denken."
"Ik ben tamelijk wel vermomd, verbeeld ik mij," zeide de jonkman met een glimlach. "Een weinigje notenschors heeft mijn gele huid een fatsoenlijk bruin gegeven, en ik heb mijn haar zwart gekleurd; dus ziet ge dat ik volstrekt niet aan de advertentie beantwoord."
"O, George, het is een gevaarlijk spel dat gij speelt. Ik zou het u nooit geraden hebben?."
"Ik kan het op mijne eigen verantwoording doen," antwoordde George met een trotschen glimlach.
Wij moeten terloops aanmerken, dat George van vaders zijde van blanke afkomst was. Zijne moeder was eene dier ongelukkigen van haar geslacht, welke door hare schoonheid tot slavin der hartstochten van haren bezitter worden bestemd en moeders van kinderen worden, die nooit een vader mogen kennen. Van eene der aanzienlijkste familiën in Kentucky had hij zijne fraaie Europeesche trekken en zijn hoogvliegenden, ontembaren geest geërfd. Van zijne moeder had hij alleen eene geringe tint van mulattenkleur ontvangen, rijkelijk vergoed door de daarmede gepaard gaande gloeiende zwarte oogen. Eene geringe wijziging in de kleur van zijne huid en het verven van zijn haar hadden hem dat Spaansche voorkomen gegeven dat hij nu had; en daar sierlijkheid van bewegingen en fatsoenlijke manieren hem altijd eigen waren geweest, had hij geene moeite om de vermetele rol te spelen welke hij nu had aangenomen, de rol van een _gentleman_ die met zijne bediende op reis was.
Mr. Wilson, een zeer goedhartig, maar buitengewoon voorzichtig en schrikachtig oud heer, trippelde onrustig de kamer op en neer. Zijn gemoed was verdeeld tusschen zijnen wensch om George te helpen en een verward denkbeeld van den plicht om wet en orde te handhaven. Terwijl hij zoo rondscharrelde sprak hij nu en dan:
"Wel, wel, George--ik vermoed dat gij weggeloopen zijt--uw wettigen meester verlaten, George--het verwondert mij wel niet--maar het spijt mij toch ook, George--ja, zeker, mij dunkt ik moet u dat zeggen. George--het is mijn plicht--om u dat te zeggen."
"Wat spijt u, Mijnheer?" vroeg George bedaard.
"Wel, u als het ware te zien opstaan tegen de wetten van uw land."
"Mijn land!" zeide George met bitteren nadruk. "Welk land zal ik ooit hebben behalve het graf, en gave God dat ik daarin lag!"
"Neen, neen, George, zoo niet! Zulke manier van spreken is goddeloos, is tegen den bijbel. George, gij hebt een hard meester--eigenlijk is hij--nu ja, hij gedraagt zich berispelijk--ik wil zijne verdediging niet op mij nemen. Maar gij weet wel hoe de engel Hagar beval om naar hare meesteres terug te keeren en zich te vernederen onder hare hand; en hoe de apostel Onesimus aan diens meester terugzond."
"Doe geene aanhalingen uit den bijbel op die manier, Mijnheer Wilson," zeide George met schitterende oogen; "doe dat niet, want mijne vrouw is Christin, en ik meen het ook te worden, als ik ooit kom waar ik heen wil; maar voor iemand in mijne omstandigheden zulke aanhalingen uit den bijbel te doen, is genoeg om hem dien geheel te doen verwerpen. Ik beroep mij op God almachtig, ik ben bereid om mijne zaak voor Hem te brengen en Hem te vragen of ik kwaad doe als ik mijne vrijheid zoek."
"Dat gevoel is heel natuurlijk, George," zeide de goedhartige man, zijn neus snuitende. "Ga, het is natuurlijk, maar ik mag er u niet in aanmoedigen. Ja, mijn jongen, het spijt mij voor u; het is een hard geval--zeer hard; maar de apostel zegt: "Laat iedereen blijven in den staat waarin hij geroepen is." Wij moeten ons allen aan de beschikkingen der Voorzienigheid onderwerpen, George--ziet gij dat niet in?"
George stond met het hoofd trotsch opgericht en zijne armen over zijne breede borst gekruist, terwijl een bittere glimlach zijne lippen deed krullen.
"Ik zou wel eens willen weten, Mijnheer Wilson, als de Indianen eens kwamen en u als gevangene medenamen van uwe vrouw en kinderen af, en u al uw leven voor hen lieten spitten en schoffelen, of gij het dan uw plicht zoudt achten, om in den staat te blijven waarin gij geroepen waart! Ik geloof veeleer dat gij het eerste losse paard dat gij vinden kondt voor eene beschikking der Voorzienigheid zoudt houden. Zoudt gij niet?"
Het oude heertje keek verbaasd op bij deze toelichting der zaak; maar hoewel hij niet sterk in het redeneeren was, had hij toch zooveel gezond verstand--en dit hebben sommigen die over dit onderwerp het woord voeren niet eens--om niets te zeggen waar niets gezegd kan worden. Hij hervatte dus maar zijne algemeene waarschuwingen:
"Gij ziet wel, George, gij weet wel, ik ben altijd uw vriend geweest en wat ik gezegd heb, heb ik tot uw bestwil gezegd. Nu komt het mij voor dat gij u aan een schrikkelijk gevaar blootstelt. Gij kunt niet hopen er door te komen. Als gij gevat wordt, zal het erger dan ooit met u afloopen; men zal u half dood slaan en de rivier af verkoopen."
"Mijnheer Wilson, ik weet dat alles wel," antwoordde George. "Ik loop gevaar, maar," met deze woorden sloeg hij zijn overjas open en liet een paar pistolen en een mes zien, "gij ziet, ik ben er op bedacht. Naar het Zuiden zal ik nooit gaan. Neen, als het zoover komt, kan ik mij ten minste zes voet vrijen grond verschaffen--den eersten en den laatsten die ooit in Kentucky mijn eigen zal zijn."
"Maar, George, dat zijn schrikkelijke voornemens. Dat is waarlijk een wanhopig opzet, George. Het doet mij leed van u. Gij wilt in opstand komen tegen de wetten van uw land."
"Mijn land, nog eens! Mijnheer Wilson, _gij_ hebt een land; maar wat land heb _ik_, of iemand die zooals ik van eene slavenmoeder geboren is? Welke wetten zijn er voor ons? Wij maken ze niet--wij stemmen er niet in toe--wij hebben er niets mede te doen. Alles wat zij voor ons doen, is ons verdrukken en onder bedwang houden. Heb ik uwe vierde Juli-redevoering niet gehoord? Zegt gij ons niet eens in het jaar, dat de regeering hare rechtvaardige macht verkrijgt door de toestemming van hen die geregeerd worden? Kan iemand die zulke dingen hoort niet denken? Kan hij het eene niet met het andere in verband brengen en zien wat daaruit voortvloeit?"
Mr. Wilsons geest was een van die, welke men niet ongepast bij eene baal katoen zou kunnen vergelijken--donzig zacht en verward. Hij had inderdaad hartelijk medelijden met George, had ook een flauw en beneveld begrip van den aard der aandoeningen die dezen vervulden; maar hij achtte het toch zijn plicht om hem met onuitputtelijke volharding "het goede" voor te houden.
"George, dat deugt zoo niet. Ik moet u als vriend zeggen dat gij beter zoudt doen u niet met zulke denkbeelden op te houden. Zij zijn slecht, zeer slecht, George, voor menschen in uwe omstandigheden."
En daarna zette Mr. Wilson zich bij eene tafel neer en kneep zich zenuwachtig in de vingers.
"Zie eens hier, Mijnheer Wilson," zeide George, zich koelbloedig op een stoel tegen hem over plaatsende: "zie mij nu eens aan. Zit ik daar niet vóór u in alle opzichten evengoed een mensch als gij zijt? Zie naar mijn gezicht--naar mijne handen--naar mijne houding," en daarmede richtte de jonkman zich trotsch op. "Waarom ben ik niet een mensch zoo goed als iemand? Welnu, Mijnheer Wilson, luister naar wat ik u zeggen zal. Ik heb een vader gehad--een van uwe heeren uit Kentucky--die mij niet goed genoeg achtte om te zorgen, dat ik niet met zijne paarden of honden voor zijne schulden verkocht werd toen hij stierf. Ik zag mijne moeder publiek verkoopen met hare zeven kinderen. Zij werden voor hare oogen verkocht een voor een aan verschillende meesters, en ik was het jongste. Zij knielde voor mijnen meester neer en bad hem om haar ook te koopen, opdat er ten minste één kind bij haar zou blijven; maar hij schopte haar van zich af met zijne zware laars. Ik zag hem dat doen; en het laatste wat ik hoorde, was haar kermen en gillen, toen ik aan zijn paard werd gebonden om naar zijn goed gebracht te worden."
"En toen?"
"Mijn meester kocht daarna mijn oudste zuster nog van iemand anders. Zij was een vroom, goed meisje--lid van de baptistenkerk--en even bevallig als mijne arme moeder geweest was. Zij was welopgevoed en had goede manieren. Eerst was ik blijde dat zij gekocht werd, want nu had ik eene vriendin bij mij. Spoedig speet het mij, Mijnheer; ik heb bij de deur gestaan en haar hooren gegeeseld worden terwijl het was alsof elke slag in mijn hart sneed; en ik kon toch niets doen om haar te helpen.--En zij werd gegeeseld, Mijnheer, omdat zij een eerlijk Christenleven wilde leiden, en eindelijk zag ik haar geketend onder een troep, die naar de markt te Orleans werd gezonden,--om niet anders dan dat--en dat is het laatste wat ik van haar weet. Nu, ik groeide op--lang waren de jaren--zonder vader, moeder of zuster, zonder iemand, die meer om mij gaf dan om een hond; niets dan slagen, kwade woorden en honger lijden. Mijnheer, ik heb zulk een honger geleden, dat ik blij was met de beenderen die men den honden toewierp; en toch, toen ik nog een kleine jongen was en geheele nachten wakker lag en schreide, was het niet van den honger of om de slagen. Neen, Mijnheer, het was om mijn moeder en zuster; het was omdat ik niemand op de wereld had om mij lief te hebben. Ik had nooit geweten wat gerustheid of genoegen was; nooit had iemand mij vriendelijk woord toegesproken, tot ik in uw fabriek kwam werken. Mijnheer Wilson, gij hebt mij goed behandeld; gij hebt mij aangemoedigd om mijn best te doen, om te leeren lezen en schrijven, om te beproeven iets van mij zelven te maken; en God weet hoe dankbaar ik u daarvoor ben. Toen, Mijnheer, vond ik mijne vrouw. Gij hebt haar gezien--gij weet hoe schoon zij is. Toen ik vond dat zij mij liefhad, toen ik met haar getrouwd was, kon ik nauwelijks gelooven dat ik leefde, zoo gelukkig was ik; en o, Mijnheer, zij is even goed als schoon. Maar wat nu? Wel, nu komt mijn meester, neemt mij weg van mijn werk, van mijne vrienden, van alles waar ik aan gehecht ben, en zet mij aan den zwaarsten, geringsten arbeid. En waarom? Omdat ik, zegt hij, vergat wie ik was; om mij te leeren, zegt hij, dat ik maar een neger ben. En eindelijk komt hij tusschen mij en mijne vrouw en zegt dat ik van haar moet afzien en met eene andere vrouw leven. En tot dat alles geven uwe wetten hem macht, in spijt van God en menschen. Zie dat eens aan, Mijnheer Wilson. Er is niets van al die dingen, die mijne moeder en mijne zuster, mijne vrouw en mij zelven het hart hebben gebroken, of uwe wetten veroorloven het en geven ieder man in Kentucky macht om het te doen, zonder dat iemand het hem kan beletten! Noemt gij die wetten de wetten van _mijn_ land? Mijnheer, ik heb evenmin een land als ik een vader heb. Maar ik zal er nu een krijgen. Ik wil niets van _uw_ land, behalve dat het mij met rust laat, dat het mij vreedzaam laat heengaan, en als ik in Canada kom, waar de wetten mij zullen erkennen en beschermen, zal dat mijn land zijn, en ik zal daar de wetten gehoorzamen. Maar als iemand mij wil tegenhouden, laat hij zich hoeden, want ik ben wanhopig. Ik zal voor mijne vrijheid vechten tot mijnen laatsten ademtocht. Gij zegt dat uwe vaderen dit gedaan hebben; als zij wél hebben gedaan, doe ik ook wél."
Deze rede, gedeeltelijk zittende, gedeeltelijk op en neer stappende uitgesproken, met tranen, flikkerende oogen en wanhopige gebaren was te veel voor het goedhartige, oude manneke, tot wien zij gericht werd en die een grooten gelen zijden zakdoek had uitgehaald waarmede hij ijverig zijn gezicht afveegde.
"Dat de donder hen allen sla!" barstte hij eensklaps uit. "Heb ik dat niet gezegd--die helsche schavuiten! Ik hoop toch dat ik niet vloek. Wel, ga uw gang, George; ga uw gang. Maar wees voorzichtig, mijn jongen. Schiet niemand dood, George, of--maar gij zoudt beter doen niet te schieten, ten minste ik zou toch niemand raken, weet ge. Waar is uwe vrouw, George?" voegde hij er eindelijk bij, met zenuwachtige onrust opstaande.
"Heengegaan, Mijnheer, heengegaan met haar kind op den arm. De Heere alleen weet waarheen. Zij is de noordster gaan zoeken, en wanneer wij elkander zullen wederzien, en of wij elkander ooit op de wereld zullen wederzien, kan geen schepsel zeggen."
"Verbazend! Is het mogelijk! Van zulk eene goede familie!"
"Goede familiën raken in schulden, en de wetten van ons land veroorloven haar het kind van de moederborst te verkoopen om de schulden van den meester te betalen," zeide George met bitterheid.
"Wel, wel," zeide de brave oude man, in zijnen zak zoekende. "Ik vrees haast dat ik niet met overleg handel--loop heen, ik _wil_ niet met overleg handelen!" vervolgde hij eensklaps. "Daar dan, George!"
En een rolletje bankbriefjes uit zijne portefeuille nemende, bood hij dit George aan.
"Neen, mijn goede heer!" zeide George. "Gij hebt al veel voor mij gedaan, en dit zou u in moeite kunnen brengen. Ik heb geld genoeg hoop ik, om mij zoover te brengen als noodig is."
"Neen, neen. Gij moet, George. Geld is een groote hulp overal; gij kunt er niet te veel van hebben, als gij het eerlijk krijgt. Neem het--kom aan, neem het, mijn jongen,"
"Onder beding, Mijnheer, dat ik het eens mag teruggeven, neem ik het dan aan," zeide George.
"En nu, George, hoelang zult gij op deze manier reizen? Niet lang of ver, hoop ik. Gij voert het uitmuntend uit; maar het is al te stout. En die zwarte kerel, wie is hij?"
"Een trouwe kerel, die langer dan een jaar geleden naar Canada is gegaan. Hij hoorde, toen hij daar was, dat zijn meester zoo kwaad was over zijn wegloopen, dat hij zijne arme moeder liet geeselen: en hij is dien geheelen weg teruggekomen om haar te troosten en eene gelegenheid te zoeken om haar weg te krijgen."
"Heeft hij haar gekregen?"
"Nog niet. Hij heeft om de plaats rond gezworven, maar nog geen kans gevonden. Ondertusschen gaat hij met mij mede tot in Ohio, om mij daar onder de vrienden te brengen die hem geholpen hebben, en dan zal hij om haar terugkomen."
"Gevaarlijk! zeer gevaarlijk!" zeide de oude man.
George richtte zich trotsch op met een glimlach van minachting.
De oude heer bekeek hem van het hoofd tot de voeten met zekere onnoozele verwondering.
"George, er is iets dat u verbazend veranderd heeft," zeide hij. "Gij houdt nu het hoofd op en spreekt alsof gij een ander mensch waart geworden."
"Omdat ik nu een _vrij man_ ben, Mijnheer," zeide George met trotschheid. "Ja, Mijnheer, ik heb voor de laatste maal "meester" tegen iemand gezegd. Ik ben vrij."
"Pas op. Gij zijt nog niet veilig. Gij kunt weder gevat worden."
"Alle menschen zijn vrij en gelijk in het graf, Mijnheer Wilson, als het zoover komt," zeide George.
"Ik sta geheel verstomd over uwe vermetelheid," hervatte Wilson. "Hier zoo recht naar de naaste herberg te komen."
"Mijnheer Wilson, het is _zoo_ vermetel en de herberg is zoo nabij, dat zij er nooit aan zullen denken. Zij zullen mij veel verder opzoeken, en gijzelf zoudt mij niet gekend hebben. De meester van Jim woont niet in dit graafschap, hij is in deze streken onbekend. Bovendien, hij is opgegeven, niemand zoekt meer naar hem, en mij zal men op de advertentie niet aanhouden."
"Maar het merk in uwe hand?"
George trok zijn handschoen uit en liet een versch litteeken in zijne hand zien.
"Dat is een aandenken van Mijnheer Harris," zeide hij: "veertien dagen geleden kreeg hij in het hoofd om mij dat te geven, omdat hij geloofde, zeide hij, "dat ik wel eens zou beproeven om weg te loopen." Het ziet er aardig uit, niet waar?" voegde hij er bij, zijn handschoen weder aantrekkende.
"Ik verklaar u, het bloed stolt mij als ik er aan denk--uwe omstandigheden en uw gevaar!" zeide Mr. Wilson.
"Het mijne is al jarenlang gestold geweest, maar nu is het kokend heet," antwoordde George.
"Wel, mijn goede heer," vervolgde hij na een poos van stilte, "ik zag dat gij mij herkend hadt en ik meende dat ik eens even met u spreken moest, opdat uw verwonderd gezicht mij niet zou doen ontdekken. Ik vertrek morgenochtend vóór den dageraad; en morgennacht hoop ik veilig in Ohio te slapen. Ik zal bij daglicht reizen, in de beste hôtels gaan en mij met de heeren des lands aan tafel zetten. Vaarwel dus, Mijnheer. Als gij hoort dat ik gevat ben, kunt gij ook weten, dat ik dood ben."
George stond daar als eene rots en stak met de houding van een vorst zijne hand uit. Het vriendelijke, oude heertje drukte die hartelijk, en na eenige vermaningen tot voorzichtigheid trippelde hij de kamer uit.
George staarde peinzend naar de deur toen zij gesloten werd. Eensklaps scheen hem iets in te vallen. Hij deed een paar schreden, opende de deur weder en zeide:
"Mijnheer Wilson, nog een woordje."
De oude heer kwam weder binnen. George sloot de deur gelijk te voren en bleef toen een oogenblik besluitloos staan. Eindelijk zeide hij, als met inspanning:
"Mijnheer Wilson, gij hebt u door uwe manier van handelen met mij een christen getoond--ik wilde een laatste daad van christelijke liefde van u vragen."
"Wel, George?"
"Wel, Mijnheer, wat gij zegt is de waarheid. Ik loop een verschrikkelijk gevaar. Er is op aarde geene levende ziel, die zich om mij bekommert;" hij haalde nu zwaar adem en sprak slechts met groote moeite voort: "Ik zal als een hond weggeschopt en als een hond begraven worden, en een dag later zal niemand meer om mij denken--behalve mijne arme vrouw. Arme ziel! Zij alleen zal om mij treuren. Als gij een middel kondt vinden, Mijnheer Wilson, om haar dit speldje te doen toekomen. Zij gaf het mij eens als een kerstpresentje, het goede kind. Geef het haar, en zeg dat ik haar tot het laatste toe heb liefgehad. Wilt gij? Zult gij?"
"Ja zeker, arme man," antwoordde Wilson met eene van aandoening bevende stem, en nam met tranen in de oogen de speld aan.
"Zeg haar nog dit eene," hervatte George, "het is mijn laatste wensch, dat zij, als zij naar Canada kan komen, daarheen moet gaan. Hoe goed hare meesteres ook wezen mag--hoeveel zij van hare woonplaats mag houden, laat zij niet terugkeeren--want slavernij eindigt in ellende. Zeg haar dat zij haar kind als een vrij man moet opvoeden, en dat hij dan niet lijden zal zooals ik heb geleden. Zeg haar dat, Mijnheer Wilson; wilt gij?"
"Ja, George, ik zal het haar zeggen: maar ik vertrouw dat gij niet sterven zult. Vat moed; gij zijt immers een moedig man. Vertrouw op den Heere. Ik wenschte met al mijn hart dat gij er veilig doorheen waart, hoewel--maar ik wenschte het toch."
"Is er een God om op te vertrouwen?" zeide George op zulk een toon van bittere wanhoop, dat de oude heer er van versteld stond.
"O, ik heb in mijn leven dingen gezien, die mij deden denken dat er geen God kon zijn. Maar christenen weten niet hoe die dingen ons voorkomen. Er is een God voor u, maar is er een voor ons?"
"O, neen, neen, spreek zoo niet mijn jongen," zeide de oude man bijna snikkende: "denk zoo niet. Er is een God! Rondom Hem zijn wolken en duisternis, maar waarheid en gerechtigheid zijn de grondvesten van Zijnen troon. Er is een God, George--geloof dat, vertrouw op Hem, en ik ben zeker dat Hij u helpen zal. Alles zal terechtkomen--zoo niet in dit leven, dan in een ander."
De echte godsvrucht en menschlievendheid van den eenvoudigen ouden man bekleedden hem, toen hij zoo sprak, voor een oogenblik met gezag en waardigheid. George, die in groote gemoedsbeweging de kamer op en neer stapte, bleef een oogenblik peinzend staan en zeide toen zacht:
"Ik dank u dat gij dit gezegd hebt, mijn goede vriend. Ik zal er aan denken."
TWAALFDE HOOFDSTUK.
EEN PROEFJE VAN WAT ER IN DEN WETTIGEN HANDEL VOORKOMT.
Eene stem is gehoord in Rama, geklag, geween, en groot gekerm; Rachel beweent hare kinderen en wil niet vertroost wezen, omdat zij niet meer zijn.
Mr. Haley en Tom hotsten op den wagen voort, ieder voor eene poos in zijne eigene gedachten verdiept. Nu is het met de gedachten van twee menschen die naast elkander zitten, zonderling gesteld. Terwijl zij op dezelfde bank gezeten zijn, dezelfde oogen, ooren, handen en allerlei andere organen hebben, is het verwonderlijk welk een verschil wij in hunne gedachten zullen vinden.
Wat Haley bij voorbeeld betreft, hij dacht het eerst aan Toms lengte, breedte en sterkte, en voor hoeveel deze verkocht zou kunnen worden, als hij vet en in goeden staat gehouden werd tot hij aan de markt kwam. Hij dacht hoe hij een troep bijeen zou brengen, hij dacht aan de waarde van zekere mannen, vrouwen en kinderen, waaruit die troep bestaan zou, en andere handelszaken. Daarna dacht hij aan zich zelven en hoe menschelijk hij was, daar, terwijl anderen hunne negers aan handen en voeten boeiden, hij Tom alleen boeien aan de beenen deed en zijne handen vrij liet zoolang hij zich wel gedroeg; en dan zuchtte hij bij de gedachte hoe ondankbaar de menschen waren, zoodat het zelfs twijfelachtig was of Tom zijne barmhartigheid wel waardeerde. Hij was zoo dikwijls beetgenomen door negers, die hij gunsten had bewezen, dat hij zich verwonderde hoe hij nog zoo goedhartig was gebleven.
Wat Tom aangaat, hij dacht aan eenige woorden uit een oud boek, dat tegenwoordig niet meer in de mode is, maar die hem gedurig in het hoofd kwamen. Zij waren de volgende: "Wij hebben hier geene blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Daarom schaamt zich God hunner niet om hun God genaamd te worden, want Hij heeft hun eene stad bereid." Deze woorden uit een oud boek, voornamelijk door "onkundige en ongeleerde mannen" geschreven, hebben door alle tijden heen eene zonderlinge macht uitgeoefend over het gemoed van arme, eenvoudige lieden zooals Tom. Zij brengen hunne ziel tot in hare diepste diepte in beweging en wekken, als met trompetgeschal, moed, kracht en geestdrift op, waar te voren niets anders dan wanhoop was.
Haley haalde eenige couranten uit zijn zak en begon met aandacht de advertentiën na te zien. Hij was geen zeer vlot lezer en had dus de gewoonte om in eene soort van recitatief half-overluid te lezen, als wilde hij zijne ooren laten oordeelen of zijne oogen het recht begrepen. Op dezen toon las hij het volgende:
"Verkoop bij executie.--Negers.--Volgens machtiging van het Hof zullen op Dinsdag 20 Februari, voor de deur van het Raadhuis, in de stad Washington, Kentucky, verkocht worden de volgende negers: Hagar, oud 60; John, oud 30; Ben, oud 21; Saul, oud 15; Albert, oud 14. Te verkoopen ten voordeele van de crediteuren en erfgenamen in den boedel van Jesse Blutchford.
Samuel Morris en Tomas Flint, executeuren."
"Daar moet ik naar kijken," zeide Haley tegen Tom, uit gebrek aan iemand anders om tegen te spreken. "Ge moet weten, ik zal een mooien troep bijeenbrengen om met u mee te nemen, Tom; dat zal het gezellig en plezierig maken, zulk goed gezelschap, he? Wij moeten eerst recht naar Washington; daar zal ik u dan in de gevangenis plakken, terwijl ik zaken ga doen."
Tom hoorde deze aangename kennisgeving met zachtzinnige gedweeheid aan, en verwonderde zich eenvoudig bij zich zelven, hoeveel van die ongelukkige mannen vrouwen en kinderen zouden hebben, en of zij ook hetzelfde zouden gevoelen als hij, wanneer zij die moesten verlaten. Het moet ook gezegd worden, dat het naïeve bericht dat hij in de gevangenis zou gezet worden, geen zeer aangenamen indruk teweegbracht bij een armen kerel, die altijd eenigszins trotsch was op zijn eerlijkheid, daar hij niet veel anders had om trotsch op te wezen. Als hij tot sommige hoogere klassen der maatschappij had behoord, zou hij misschien geen gevaar hebben geloopen om tot zulk eene trotschheid te komen. Maar hoe dit zij, die dag verliep, en de avond zag Haley en Tom te Washington bezorgd, den een in de herberg, den ander in de gevangenis.