Chapter 11
George moest een paar dagen bij een makker op een naburig landgoed gaan doorbrengen; en daar hij des morgens vroeg vertrokken was, eer nog het ongeluk van Tom openbaar was geworden, had hij niets daarvan vernomen.
"Doe mijn liefderijken groet aan jongeheer George," zeide hij ernstig.
Haley gaf zijn paard de zweep; en een strakken, ernstigen blik op zijn oude woonplaats gevestigd houdende, werd Tom weggereden.
Mr. Shelby was op dien tijd niet tehuis. Hij had Tom uit nood verkocht, om uit de macht te komen van een man voor wien hij bevreesd was, en zijn eerste gevoel na het sluiten van den koop was verlichting geweest. De klachten zijner vrouw hadden echter zijn halfsluimerend naberouw wakker gemaakt, en de belangelooze bereidwilligheid van Tom vergrootte nog het onaangename zijner aandoeningen. Het was vruchteloos zich zelven te zeggen dat hij recht had om dit te doen, dat iedereen het deed, en sommigen het zelfs deden zonder zich met de noodzakelijkheid te kunnen verontschuldigen. Hij kon zich daarmede niet bevredigen, en om geene getuige te zijn van onaangename tooneelen bij de uitvoering van den maatregel, was hij uitgereden op een tochtje om eenige zaken te doen, hopende dat alles voorbij zou zijn als hij terugkwam.
Tom en Haley ratelden over den stoffigen weg en reden alle bekende plekken voorbij, tot zij buiten de grenzen van het landgoed en op den open tolweg waren. Nadat zij omtrent eene mijl gereden hadden, hield Haley eensklaps op voor een smidswinkel, en een paar handboeien medenemende, stapte hij uit om iets daaraan te laten veranderen.
"Die zijn een beetje te klein voor hem," zeide Haley, de boeien toonende en naar Tom wijzende.
"O, als dat niet Shelby's Tom is!" zeide de smid. "Hij heeft hem toch niet verkocht?'
"Ja, dat heeft hij," zeide Haley.
"Wel waarlijk, wie zou dat ooit gedacht hebben?" hervatte de smid. "Maar gij behoeft hem zoo niet te boeien. Hij is de beste en trouwste...."
"Ja, ja," zeide Haley, "die brave jongens zijn juist de kerels om te willen wegloopen. De botteriken, wien het niet schelen kan waar zij gaan, en de dronkaards die om niets meer geven, die blijven wel, en het bevalt hun zelfs, naar het schijnt, als zij wat rondgesold worden; maar die knappe kerels haten het als de pest. Er zit niets anders op dan ze te boeien; zij hebben beenen en zullen ze ook gebruiken--als ik mij niet vergis."
"Nu ja," zeide de smid, naar zijn gereedschap zoekende, "die plantages daar ginds zijn juist de plaats niet, waar negers uit Kentucky gaarne naar toe willen. Zij sterven daar tamelijk gauw, niet waar?"
"Ja, het sterven gaat daar nog al gauw. Met het acclimatiseeren en het een en ander sterven er zooveel weg, dat zij de markt tamelijk levendig houden," antwoordde Haley.
"Welnu, iemand kan toch niet nalaten het jammer te vinden, dat een knappe, bedaarde, ordentelijke kerel, zooals Tom is, op eene van die suikerplantages moet afgewerkt worden."
"O, hij heeft eene goede kans. Ik heb beloofd dat ik mijn best voor hem zou doen. Ik zal hem als huisknecht in een oude goede familie verkoopen, en als hij dan tegen de koorts en het klimaat kan, zal hij zulk eene goede plaats hebben, als een neger behoeft te verlangen."
"Hij laat vrouw en kinderen hier, zoude ik denken?"
"Ja, maar hij zal daar wel eene andere krijgen. Och, er zijn overal vrouwen genoeg."
Tom zat onder dit gesprek treurig buiten den winkel. Eensklaps hoorde hij het trappelen van paardenhoeven achter zich; en eer hij zich van zijne verrassing kon herstellen, sprong George, zijn gewezen jonge meester, op den wagen, sloeg onstuimig de armen om zijnen hals, en gaf al snikkende lucht aan zijne gramschap en verontwaardiging.
"Ik zeg, het is eene laagheid," riep hij. "Het kan mij niet schelen wat zij er van zeggen, maar het is waarlijk gemeen; het is schande! Als ik maar een man was, zouden zij het niet doen--neen, dat zouden zij niet!"
"O, jongeheer George, dat doet mij goed," zeide Tom. "Ik kon het niet dragen, dat ik vertrok zonder u te zien. Het doet mij waarlijk goed, meer dan ik u zeggen kan."
Hier maakte Tom eene beweging met zijne voeten, en nu vielen George de kluisters in het oog.
"Welk een schande!" riep hij. "Ik zal dien ouden kerel een gat in den kop slaan--dat zal ik."
"Neen, dat zult gij niet, jongeheer George; en gij moet zoo hard niet spreken. Het zou mij niet helpen als hij kwaad werd gemaakt."
"Welnu, ik zal dan niet om uwentwil. Maar als ik er aan denk--is het geene schande? Zij hebben mij niet laten weten; zonder Tom Lincoln zou ik er geen woord van gehoord hebben. Ik kan het u zeggen, ik heb wat een leven gemaakt tegen allemaal tehuis."
"Dat was niet wel gedaan, vrees ik, jongeheer George."
"Dat kan ik niet helpen. Ik zeg dat het schande is. Ziehier, Oom Tom," zeide hij zacht, terwijl hij zorg droeg om zich met zijnen rug naar den winkel te keeren, "_hier breng ik u mijn dollar_."
"O, ik zou er niet aan kunnen denken om dien aan te nemen," zeide Tom ontroerd. "Dat nooit."
"Maar gij moet hem aannemen," hervatte George, "Ziehier. Ik heb Tante Chloe gezegd dat ik het doen zou, en zij raadde mij aan er een gaatje in te maken en er een koordje door te doen, zoodat hij om uwen hals kon hangen en uit het oog blijven; anders zou die gemeene schavuit hem u afnemen. Ik moet zeggen, Tom, ik zou hem gaarne de huid vol schelden. Dat zou mij goed doen."
"Neen, doe dat niet, jongeheer George; want het zou mij geen goed doen."
"Welnu, dan zal ik het niet, om uwentwil," zeide George, en deed Tom haastig het koordje met den dollar om den hals. "Daar, knoop uw buis er nu over dicht, en bewaar hem, en bedenk telkens als gij hem ziet, dat ik u eens zal komen terughalen. Tante Chloe en ik hebben daarover gesproken. Ik zeide haar dat zij niet bang moest wezen. Ik zal er voor zorgen, en mijn vader doodplagen als hij het niet doet."
"O, jongeheer George, gij moet zoo niet van uwen vader spreken."
"Nu, ik meen geen kwaad, Tom."
"Maar, jongeheer George," hervatte Tom, "gij moet een brave goede jongen zijn, en bedenken hoeveel harten aan u gehecht zijn. Houd altijd uwe moeder in waarde. Leer de dwaze manieren niet van de jongens, die denken dat zij te groot worden om zich aan hunne moeder te storen. Ik zal u wat zeggen, jongeheer George. De Heere geeft vele goede dingen tweemaal over; maar uwe moeder geeft Hij u maar eens. Gij zult geene andere zoodanige vrouw vinden, jongeheer George, al wordt gij honderd jaar oud. Houd u dus aan haar vast en groei op om haar tot troost te zijn. Dat zult gij immers, niet waar?"
"Ja, dat zal ik, dat wil ik, Oom Tom," antwoordde George ernstig.
"En wees voorzichtig in uw spreken, jongeheer George. Jongelieden, als zij op uwe jaren komen, zijn somtijds driftig en eigenzinnig--dat is natuurlijk. Maar echte _gentlemen_, zooals ik hoop dat gij er een worden zult, laten zich nooit een woord ontvallen dat niet eerbiedig voor hunne ouders is. Gij wordt toch niet boos, dat ik dit zeg, jongeheer George."
"Neen, waarlijk niet, Oom Tom. Gij hebt mij altijd goeden raad gegeven."
"Ik ben ouder, weet ge," zeide Oom Tom, zijne groote grove hand over de krullende lokken van den knaap strijkende, met eene stem, zoo zacht als die eener vrouw, "en ik zie hoeveel er van u verwacht kan worden. O, jongeheer George, gij hebt alles--kundigheden, voorrechten, lezen en schrijven--en gij zult opgroeien tot een groot man; en allen op de plaats en uwe moeder zullen trotsch op u zijn. Wees een goed meester, gelijk uw vader, en wees een christen, zooals uwe moeder. Gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jeugd, jongeheer George."
"Ik wil _waarlijk_ goed worden, Oom Tom, dat zeg ik u," antwoordde George. "Ik zal waarlijk mijn best doen. En wordt gij maar niet moedeloos. Ik zal u nog wel terughalen, zooals ik Tante Chloe van morgen heb gezegd. Ik zal een nieuw huis voor u bouwen, en gij zult eene voorkamer hebben met een tapijt op den vloer, als ik groot ben. O, gij zult nog eens een goeden tijd krijgen."
Haley kwam weder aan de deur met de boeien in de hand.
"Luister eens, Mijnheer," zeide George, van den wagen stappende, met een toon van meerderheid, "ik zal vader en moeder eens zeggen hoe gij Oom Tom behandelt."
"Dat staat u vrij," antwoordde de handelaar.
"Ik zou denken dat gij u schamen moest, al uw leven te slijten met menschen te koopen en als honden aan kettingen te sluiten. Ik zou denken dat gij u laag moest voelen," zeide George.
"Zoolang gij, groote lui, menschen wilt koopen, ben ik evengoed als gij," antwoordde Haley, "het verkoopen is niet lager dan het koopen."
"Ik zal geen van beiden doen als ik eens een man ben," liet George hierop volgen. "Ik schaam mij vandaag dat ik een Kentuckiër ben. Voorheen ben ik daar altoos trotsch op geweest."
En met deze woorden zette hij zich recht op zijn paard en keek rond, alsof hij dacht dat de geheele staat ontzag zou hebben voor zijn gevoelen.
"Nu, goeden dag, Oom Tom, houd maar moed!" zeide hij eindelijk.
"Goeden dag, jongeheer George," antwoordde Tom, hem met ingenomenheid en bewondering aanziende, "God almachtig zegene u! Ach, Kentucky heeft er niet veel zooals gij!" zeide hij uit de volheid van zijn hart, toen het openhartige, jeugdige gezicht uit zijne oogen verdween. Hij bleef nog staren tot hij de hoefslagen niet meer hoorde, het laatste geluid, dat hem aan zijne oude woning herinnerde. Maar boven zijn hart scheen een warme plek te blijven, waar die jeugdige handen dien kostbaren dollar hadden geplaatst. Tom hief zijne hand op en drukte hem vast tegen zijne borst.
"Nu zal ik u eens wat zeggen," zeide Haley, toen hij bij den wagen kwam en de handboeien daarin wierp. "Ik meen redelijk met u te beginnen, zooals ik doorgaans met mijne negers doe; en ik zeg u om te beginnen, als gij mij redelijk behandelt, zal ik u ook redelijk behandelen. Ik ben nooit hard voor mijne negers en meen mijn best voor u te doen. Gij ziet, het is het beste dat gij stil blijft zitten en geene streken beproeft; want ik ben aan alle negerstreken gewoon en die baten bij mij niet. Als een neger zich stilhoudt en niet beproeft weg te loopen, heeft hij een goeden tijd bij mij; zoo niet, dan is het zijne schuld en niet de mijne."
Tom verzekerde Haley dat hij niet van voornemen was om weg te loopen. Over het geheel scheen de vermaning overbodig bij iemand, die een paar boeien aan de beenen had, maar Haley had de gewoonte aangenomen om zijn betrekking met zijn menschelijk vee met zulke korte opwekkingen te beginnen, waardoor hij dacht gerustheid en vertrouwen in te boezemen en onaangename tooneelen te verhoeden.
En nu nemen wij vooreerst afscheid van Tom, om de lotgevallen der andere personen van ons verhaal te vervolgen.
ELFDE HOOFDSTUK.
WAARIN EEN SLAAF VOORKOMT DIE GEEN SLAAF MEER IS.
Het was laat op een regenachtigen namiddag, toen een reiziger voor de deur van eene landelijke herberg in het dorp N*** in Kentucky afstapte. In de buffetkamer vond hij een zeer gemengd gezelschap van lieden, die daar voor het weder eene schuilplaats hadden gezocht en het gewone tooneel van zulk eene samenkomst aanboden. Zware, lange, grof gebouwde Kentuckiërs in jachtkleedij, die achteloos uitgestrekt, met hunne lompe leden eene aanzienlijke plaats besloegen--jachtroeren in een hoek bijeengezet--weitasschen, kogelzakken, jachthonden en kleine negers bij elkaar in de andere hoeken, waren de eigenaardige trekken van het tafereel. Aan iedere zijde van den haard zat een heer met lange beenen, met achterover gewipten stoel, den hoed op het hoofd, en de hielen zijner bemodderde laarzen te pronk op den schoorsteenmantel--eene houding, welke men in Westersche herbergen zeer dikwijls door reizigers ziet aannemen.
De kastelein, die achter de toonbank aan het buffet stond, was gelijk de meeste zijner landgenooten, goedaardig, groot van gestalte en lang van leden, met een vervaarlijken ruigen bos haar op het hoofd, en een hoogen hoed daar bovenop.
Iedereen in de kamer droeg met echt republikeinschen vrijheidszin dat teeken der mannelijke oppermacht op het hoofd, hetzij van vilt of palmbladeren, oud en smerig of glimmend-nieuw. De hoed scheen zelfs het karakteristiek onderscheidingsteeken van elken persoon te zijn. Sommigen droegen hem luchtig op een oor, en dit waren ook de luchtige, vroolijke lieden, luimig en ongegeneerd; anderen hadden hem diep op den neus gedrukt, en dit waren de harde karakters, mannen van stavast, die als zij een hoed op hadden, wilden laten zien dat zij hem op hadden en voor niemand afnamen; nog anderen hadden den hoed ver achterover gezet, en dit waren lieden, die bijzonder bijdehand waren en een onbelemmerd uitzicht wilden hebben; terwijl onverschillige, zorgelooze lieden, wien het niet schelen kon hoe hun hoed stond, dien ook blijkbaar hadden opgezet, gelijk het toeval wilde. Men had van die hoeden eene geheele studie kunnen maken.
Verscheidene negers, met zeer wijde broeken maar niet overmatig van hemden voorzien, liepen heen en weer, zonder veel meer te doen, dan hunne bereidwilligheid te toonen om voor de gasten alles overhoop te halen. Men voege bij dit tafereel nog een vroolijk vlammend en knetterend vuur, dat hoog in een wijden schoorsteen opslaat--terwijl de buitendeur en vensters wijd openstaan, en de katoenen gordijnen in den vochtigen guren wind die met tamelijk veel kracht waait, heen en weder zwieren--en men heeft een denkbeeld van de aangenaamheden eener landelijke herberg in Kentucky.
De Kentuckiër van den tegenwoordigen tijd is een goed bewijs voor de leer van het erfelijke van eigenaardige gewoonten en neigingen. Zijne vaderen waren groote jagers--menschen, die in de bosschen leefden en onder den blooten hemel sliepen, met de sterren om hun te lichten; en hun afstammeling doet nog altijd alsof hij het huis voor het open veld hield--heeft altijd zijn hoed op, smijt zich neer zoo lang als hij is en legt zijne voeten op de leuning van een stoel of op den schoorsteenmantel, evenals zijn vader op het groene gras ging liggen, met zijne voeten op een boomstam--laat winter en zomer deur en venster open om lucht genoeg te krijgen voor zijne groote longen--noemt iedereen met luchthartige vriendelijkheid "vreemdeling," en is over het geheel het rondborstigste, vroolijkste, ongegeneerdste schepsel op de wereld.
Onder een gezelschap van zulke ongegeneerde lieden trad onze reiziger nu binnen. Hij was een kort, zwaarlijvig man, zorgvuldig gekleed, met een rond, goedhartig gezicht en eene eenigszins zonderlinge drukte in zijne manieren. Hij was zeer bezorgd voor zijn valies en parapluie, bracht deze met eigen handen binnen en wees hardnekkig de aanbiedingen der bedienden af om hem daarvan te ontslaan. Hij keek met zekere angstigheid in de kamer rond, en zich met zijne kostbaarheden naar den warmsten hoek begevende, schikte hij ze onder een stoel, zette zich daarop neer en bleef eenigszins vreesachtig zitten turen naar den heer, wiens hielen dat einde van den schoorsteen versierden, en die rechts en links spuwde met eene kracht, welke iemand, die zwak van zenuwen en net op zijne kleeren was, wel mocht verontrusten.
"Zeg eens, vreemdeling, hoe vaart gij?" zeide de bovenbedoelde heer, een saluutschot van tabakssap naar den nieuw-aangekomene richtende.
"Zoo tamelijk wel," was het antwoord van den ander, die met schroom het dreigende eerbewijs ontweek.
"Iets nieuws?" vroeg de eerste weder en haalde een stuk pruimtabak en een groot mes uit zijn zak.
"Niets, dat ik weet," was het antwoord.
"Pruimen?" zeide de eerste weder, en bood den ouden heer een stuk tabak aan met eene gulheid, die inderdaad broederlijk mocht genoemd worden.
"Neen, wel bedankt; dat bekomt mij niet goed," antwoordde het manneke zich afwendende.
"Niet? Zoo!" zeide de ander en stak het stuk in zijn eigen mond, waarna hij weder aan het kauwen en spuwen ging.
De oude heer maakte telkens eene kleine beweging van schrik, wanneer zijn lange broeder in zijne richting vuurde; en toen deze dit opmerkte, was hij goedhartig genoeg om zijne artillerie naar den anderen kant te keeren en spuwde in het vuur.
"Wat is dat?" zeide de oude heer, toen hij opmerkte dat eenigen van het gezelschap eene groep vormden voor een groot gedrukt biljet.
"Een neger geadverteerd," antwoordde een van de groep kortaf.
Mr. Wilson, want zoo heette de oude heer, stond op, en nadat hij zijn valies en parapluie te recht had gelegd, haalde hij zeer bedaard zijn bril uit en zette dien op zijn neus. Dit verricht hebbende las hij het volgende:
"Weggeloopen van den ondergeteekende mijn mulat George. Gezegde George zes voet lang, zeer lichte mulat, met bruin krullend haar, is zeer schrander, spreekt goed, kan lezen en schrijven; zal waarschijnlijk beproeven voor een blanke door te gaan, heeft diepe litteekens op rug en schouder, is in zijne rechterhand gebrand met de letter H.
"Ik wil vierhonderd dollars levend voor hem geven, en dezelfde som voor voldoend bewijs dat hij doodgeschoten is."
De oude heer las deze advertentie van het begin tot het einde binnensmonds, alsof hij ze van buiten leerde.
De langgebeende man, die in het vuur had zitten spuwen, nam nu zijne hielen van den schoorsteenmantel, richtte zijne lange leden op, kwam naar het biljet en bespoot het zeer bedaard met een groote klad tabakssap.
"Dat is mijn gevoelen daarover!" zeide hij kortaf en ging weder zitten.
"Wel, vreemdeling, waarom doet gij dat?" zeide de kastelein.
"Ik zou den schrijver van dat papier hetzelfde doen als hij hier was," antwoordde de lange man en sneed koelbloedig weder een pruim. "Iemand die zulk een jongen heeft en geene betere manier weet om hem te behandelen, verdient hem te verliezen. Zulke papieren als dat zijn eene schande voor Kentucky; dat is mijn gevoelen ronduit, als iemand het verlangt te weten."
"Wel zoo, dat schrijf ik maar op," zeide de kastelein en schreef ook iets in zijn boek.
"Ik heb een troep jongens, mijnheer," zeide de lange man, weder in het vuur spuwende, "en ik zeg hun eenvoudig: "Jongens, loop maar weg als gij wilt. Ik zal nooit iemand komen zoeken." Dat is de manier, waarop ik de mijnen houd. Laten zij weten dat het hun vrijstaat om weg te loopen, dan hebben zij er geen lust meer toe. Meer nog: ik heb vrijbrieven voor hen allen laten opmaken, ingeval mij eens iets overkomen mocht, en ik zeg u, vreemdeling, er is niemand in onze streken die meer van zijne negers gedaan krijgt dan ik. Wel, mijne jongens zijn naar Cincinnati geweest met vijfhonderd dollars waarde aan veulens, en zijn met het geld regelrecht weer naar huis gekomen. Het spreekt vanzelf dat zij dit deden. Behandel ze als honden en gij zult hondenwerk en hondenbedrijf van hen hebben. Behandel ze als menschen en gij zult menschenwerk hebben."
En in zijner ijver spuwde de brave paardenkooper nog eens zoo forsch in het vuur.
"Ik geloof dat gij volkomen gelijk hebt, vriend," zeide Mr. Wilson; "en de jongen die hier beschreven wordt, is een knappe kerel--dat is zeker. Hij heeft zes jaren in mijne fabriek gewerkt en hij was mijn beste arbeider, Mijnheer. Hij is een vernuftige kerel ook. Hij heeft eene machine uitgevonden om hennep te zuiveren--inderdaad een kostbaar ding. Zij is in verscheidene fabrieken in gebruik gekomen en zijn meester heeft het patent daarvan."
"Daar maakt hij geld van," zeide de paardenkooper, "en dan keert hij zich om en brandmerkt den jongen in zijne rechterhand. Als ik gelegenheid had, denk ik, zou ik hem eens merken, dat hij een poosje geteekend zou blijven."
"Die knappe jongens zijn altijd weerspannig en brutaal," zeide een grove gemeene kerel aan den anderen kant van het vertrek, "daarom worden zij geslagen en gebrand. Als zij zich onderdanig hielden zou dat niet gebeuren."
"Dat is te zeggen, de Heere maakte hen menschen en het is moeielijk hen tot beesten te verlagen," merkte de paardenkooper droogjes aan.
"Schrandere negers brengen hunne meesters nooit voordeel aan," hervatte de ander, tegen de verachting van zijnen tegenstander achter zijne grove stompzinnigheid verschanst. "Wat baten iemands talenten en zulke dingen, als gij ze zelfs niet gebruiken kunt. Het eenige gebruik dat zij er van maken, is maar om u te bedriegen. Ik heb eens een paar van die snaken gehad, maar ik heb ze de rivier af verkocht. Ik wist toch wel dat ik ze vroeg of laat verliezen zou."
"Zend liever eene boodschap aan den Heere, om een troep voor u te maken en hunne ziel geheel weg te laten," zeide de paardenkooper.
Hier werd het gesprek gestoord door het stilhouden van een rijtuigje met een paard voor de herberg. Het zag er zeer fatsoenlijk uit, en op de bank zat een welgekleed persoon, die geheel het voorkomen van een _gentleman_ had, terwijl een zwarte knecht het paard mende.
Het geheele gezelschap monsterde den nieuw-aangekomene met de nieuwsgierigheid van menschen, die zich op een regenachtigen dag zitten te vervelen. Hij was zeer rijzig, had een donkere Spaansche tint, fraaie zwarte oogen en glanzig krullend haar van de zelfde kleur. Zijn welgevormde kromme neus, zijn strakke dunne lippen en de geheele bouw zijner ranke leden brachten het gezelschap terstond op de gedachte, dat hij een buitengemeen persoon moest wezen. Hij stapte met vrijmoedige ongedwongenheid onder het gezelschap, wees den knecht met een wenk waar zijn koffer moest geplaatst worden, ging met zijnen hoed in de hand op zijn gemak naar de toonbank en gaf den kastelein zijn naam op, als Henry Butler van Oakland in het graafschap Shelby. Zich toen onverschillig omkeerende, ging hij naar de advertentie en las die hardop.
"Jim," zeide hij tot zijnen knecht, "het komt mij voor dat wij zulk een jongen daar bij Bernan hebben ontmoet. Is het niet zoo?"
"Ja, meester," was het antwoord; "maar van de hand ben ik niet zeker."
"Daar heb ik natuurlijk ook niet naar gezien," zeide de vreemdeling onverschillig. Vervolgens naar den kastelein gaande, verzocht hij dezen hem een afzonderlijk vertrek te verschaffen, daar hij terstond iets te schrijven had.
De kastelein was geheel gedienstigheid en weldra zag men een troep van zes of zeven negers, oud en jong, man en vrouw, groot en klein, gelijk een vlucht patrijzen rondfladderen, en elkander op de hielen trappen en omverloopen in hunnen ijver om de kamer voor den vreemdeling klaar te maken, terwijl deze zich op zijn gemak midden in het vertrek neerzette en in gesprek trad met iemand die naast hem zat.
De fabrikant Wilson had den vreemdeling van dat hij binnenkwam af met zekere onrustige en pijnlijke nieuwsgierigheid aangezien. Het kwam hem voor dat hij dezen ergens gekend had, maar hij kon zich niet herinneren waar. Telkens wanneer die persoon zich bewoog, sprak of glimlachte, vestigde hij met eene kleine beweging van schrik zijne oogen op hem, maar sloeg ze schielijk weder neer voor den helderen blik, die met koelbloedige onverschilligheid den zijnen ontmoette. Eindelijk scheen eene plotselinge herinnering bij hem op te komen, want nu staarde hij den vreemdeling met zulke in het oogloopende verbazing aan, dat deze naar hem toekwam.
"Mijnheer Wilson, geloof ik," zeide hij op een toon van vriendschappelijke herkenning, hem zijne hand toestekende. "Ik verzoek u verschooning, dat ik u niet vroeger herkende. Ik zie dat gij u mij herinnert--Mr. Butler van Oakland in het graafschap Shelby."
"Ja wel--ja wel, Mijnheer," antwoordde Mr. Wilson, gelijk iemand die in een droom spreekt.
Juist kwam een negerjongen binnen, om te zeggen dat Mijnheers kamer gereed was.
"Jim, zorg voor de koffers," zeide de vreemdeling achteloosweg; en zich toen weder tot Wilson keerende, vervolgde hij: "Ik zou u gaarne eens in mijne kamer over zaken spreken, als het u belieft."
Mr. Wilson volgde hem, als iemand, die in zijnen slaap wandelt, en zoo gingen zij naar eene groote bovenkamer, waar een pas aangelegd vuur knetterde en de dienstboden nog ronddwarrelden om hier en daar eene laatste hand aan te leggen.