Chapter 10
Hij had zeer stout daarover gesproken en niet alleen zich zelven, maar ook zijne hoorders overtuigd. Doch zijn denkbeeld van een vluchteling was alleen het denkbeeld van de letters, waarmede dat woord gespeld wordt, of ten hoogste van het courantenprentje, dat een man met een stok en een bundeltje voorstelt en waaronder men leest: "Weggeloopen van den ondergeteekende." De toovermacht van het werkelijke gezicht, van het smeekende oog, van de sidderende hand, van den hulpeloozen zielsangst had hij nog nooit ondervonden. Hij had nooit bedacht, dat een vluchteling eene ongelukkige moeder kon zijn, of een weerloos kind, gelijk dat, hetwelk nu het welbekende mutsje van zijnen verloren lieveling droeg; en daar nu onze arme senator niet van steen of ijzer was, daar hij een mensch was, en dat wel een recht edelaardig mensch, bevond hij zich, gelijk iedereen zien moet, met zijn patriotisme ellendig in het nauw. Gij behoeft niet over hem te triomfeeren, goede broeder uit de Zuidelijke staten, want wij hebben eenige reden om te vermoeden, dat het u in dergelijke omstandigheden niet beter zou gaan. Wij hebben reden om te weten dat er in Kentucky, zoowel als in Mississippi, goede en edele harten zijn, aan welke niemand ooit vruchteloos zijn lijden heeft geklaagd. O goede broeder, is het billijk van u, diensten van ons te verwachten, welke uw eigen goed en edel hart u niet zou toelaten te bewijzen, als gij in onze plaats waart?
Dit zij gelijk het wil, indien onze senator een politiek zondaar was, zoo was hij ook op den "goeden" weg om zijne zonde door den nachtelijken tocht af te boeten. Er was een langdurige regentijd geweest, en de weeke vette grond van Ohio is, gelijk iedereen weet, uitmuntend geschikt om er modder van te maken, terwijl de weg een Ohio'sche spoorweg uit den goeden ouden tijd was.
"En welke soort van weg mag dat wezen?" zegt een Oostersche reiziger, die gewoon is geene andere denkbeelden dan die van effenheid of spoed met een spoorweg in verband te brengen.
Weet dan, onnoozele Oostersche vriend, dat in de Westelijke streken, waar de modder eene onpeilbare diepte heeft, wegen gemaakt worden van ruwe, ronde boomstammen, overdwars naast elkander gelegd, en met aarde, graszoden of wat het eerst bijdehand is overdekt; en dan noemt de verheugde inboorling dit een weg en beproeft er over te rijden. Na verloop van tijd spoelt de regen het gras en de aarde weg en doet de boomstammen verzakken in allerlei schilderachtige liggingen, hooger en lager en kruiselings, met holen en reten vol zwarte modder daartusschen.
Over zulk een weg hotste onze senator voort, zedekundige bespiegelingen makende, zoo samenhangend als onder deze omstandigheden te verwachten was. Om een voorbeeld van dit rijden te geven, verbeelde men zich het gezelschap onder het horten en stooten op de twee banken van het rijtuig gezeten. Op eens helt het overzijdsch en tuimelen senator, vrouw en kind naar den laagsten kant. Het rijtuig blijft steken, terwijl men Cudjoe buiten een geweldig leven onder de paarden hoort maken. Na eenig vruchteloos trekken en sjorren, als de senator juist op het punt is om alle geduld te verliezen, richt het rijtuig zich met een schok weder op, maar te gelijk zinken de voorwielen in een anderen afgrond, en tuimelen senator, vrouw en kind over elkander op de voorbank. Des senators hoed is over zijnen neus en zijne oogen gedrukt, zoodat hij niet zien kan, het kind schreeuwt, en Cudjoe houdt buiten wederom eene aanspraak tegen de paarden, die nu eens schoppen en steigeren, dan weder door herhaalde zweepslagen aangespoord, al hunne krachten inspannen. Het rijtuig springt met een schok weder op, en nu gaan de achterwielen naar beneden, en senator, vrouw en kind stuiven naar de achterbank over; zijne ellebogen drukken haar hoed ineen, die door den laatsten schok is afgevlogen, en hare voeten worden in de zijnen beklemd. Een oogenblik later is men den "kuil" voorbij en blijven de paarden hijgende staan; de senator zoekt zijn hoed weder op, de vrouw poogt den haren weder in fatsoen te buigen en sust het kind, en allen zetten zich opnieuw schrap voor hetgeen er nog komen moet.
Een tijdlang hotst men tamelijk geregeld voort, slechts nu en dan wat ter zijde overhellende, en zij beginnen zich te vleien, dat het ergste voorbij is; maar op eens komt er een stampende stoot, die allen doet opvliegen en even snel weder neervallen, het rijtuig blijft staan, en na veel opschudding van buiten vertoont Cudjoe zich voor het portier.
"Als het u belieft, Mijnheer, dat is eene erge plek hier. Ik weet niet hoe wij er door zullen komen. Ik denk dat wij staken zullen moeten leggen."
De senator stapt wanhopig uit en voelt met de teenen naar iets, om den voet op te zetten; daar zakt zijn eene voet in eene onmetelijke diepte: hij beproeft hem op te trekken, verliest het evenwicht en tuimelt in de modder omver en wordt in een jammerlijken toestand door Cudjoe opgevischt.
Doch uit medelijden met de beenderen onzer lezers houden wij op. Westersche reizigers, die zich somtijds te middernacht hebben moeten vermaken met staken uit een hek te breken, om hun rijtuig uit een modderkuil te tillen, zullen wel gevoel hebben voor onzen ongelukkigen held. Wij verzoeken hun een stillen traan te laten vallen en gaan verder.
Het was zeer laat in den nacht, toen het rijtuig druipende en overal bemodderd de kreek uitkwam en voor de deur eener groote boerderij bleef stilstaan. Er was niet weinig volharding noodig om de bewoners wakker te maken; maar ten laatste kwam de eigenaar toch op en deed de deur open. Het was een grove, ruige beer van een kerel, volle zes voet en eenige duimen lang en gekleed in rood flanel. Een bos verward zandkleurig haar en een baard van eenige dagen groei gaven den braven man een voorkomen, dat, om het minste te zeggen, niet buitengemeen innemend was. Hij bleef eene poos met zijne kaars omhoog staan, en keek onze reizigers aan met eene bevreemding en verslagenheid, die inderdaad koddig waren. Het kostte onzen senator eenige moeite om hem de zaak ten volle te doen begrijpen; en terwijl hij daartoe zijn best doet, willen wij hem onzen lezer wat nader bekend maken.
De oude, brave John van Trompe was eens een aanzienlijk landeigenaar en slavenhouder in den staat Kentucky geweest. Daar hij alleen voor het uitwendige ruw en barsch was en door de natuur met een groot, edel en gevoelig hart was begaafd, juist in evenredigheid met zijn reusachtig lichaam, was hij eenige jaren lang met gesmoorde onrust getuige geweest van de gevolgen van een stelsel, dat voor de onderdrukkers en onderdrukten even slecht is. Eindelijk was eens het groote hart van John te veel gezwollen om zich langer door banden te laten beklemmen; en zoo nam hij zijne portefeuille uit zijnen lessenaar, ging naar Ohio, kocht daar een plek goed vet land, teekende vrijbrieven voor al zijn volk, mannen, vrouwen en kinderen, pakte allen op wagens en zond ze heen om zich te vestigen; en toen begaf de brave John zich daar naar de kreek en vestigde zich insgelijks op eene stille afgelegen hoeve, met zijn geweten en zijne overdenkingen.
"Zijt gij de man, die eene vrouw en haar kind voor de slavenjagers wilt bergen?" vroeg de senator ronduit.
"Dat zou ik nog al denken," antwoordde John met zekeren nadruk.
"Ik dacht het ook wel," zeide de senator.
"Als er iemand komt," hervatte de goede man, zijne forsche gestalte oprichtende, "welnu, ik ben hier voor hem klaar, en ik heb zeven zonen, ieder zes voet lang, die zullen ook voor hem klaar zijn. Doe hun mijn compliment maar, en zeg dat het er niet op aankomt hoe spoedig zij komen; dat maakt voor ons geen verschil."
En daarmede haalde John zijne vingers door zijne verwarde haren en lachte smakelijk.
Flauw en afgemat kwam Eliza met slepende tred naar de deur, met haar kind vast in slaap op haren arm. De ruwe man hield zijne kaars voor haar gezicht, liet een zeker medelijdend geknor hooren, opende de deur eener kleine slaapkamer naast de groote keuken, waarin hij de vreemden eerst gelaten had, en wenkte haar om binnen te gaan. Hij stak nog eene kaars aan, zette deze op tafel en richtte toen het woord tot Eliza.
"Ik zeg u, meid, gij behoeft niet bang te zijn; laat hier maar komen wie wil. Ik ben voor al die soort van dingen klaar," zeide hij, naar een paar jachtgeweren voor den schoorsteenmantel wijzende: "en de menschen die mij kennen, weten ook wel, dat het niet geraden zou zijn in mijn huis te willen komen, als ik er tegen ben. Nu kunt gij dus zoo gerust gaan slapen alsof uwe moeder u wiegde." En daarmede sloot hij de deur.
"Wel, dat is eene buitengemeen mooie meid," vervolgde hij tot den senator. "Nu ja, de mooie hebben somtijds de grootste reden om weg te loopen, als zij dat soort van gevoel hebben, dat ordentelijke vrouwen moeten hebben. Ik weet dat alles wel."
De senator verhaalde met weinige woorden Eliza's geschiedenis.
"Ja, zoo gaat het--of ik het weet," zeide de goede man medelijdend. "Gejaagd als een wild dier, dat arme schepsel, alleen omdat zij natuurlijk gevoel heeft en doet wat geene moeder zou kunnen laten. Ik moet u zeggen, zulke dingen brengen mij het dichtste bij het vloeken van alles wat er op de wereld gebeurt." En daarmede veegde de goede John zijne oogen af met den rug zijner groote bruine hand. "Ik moet u zeggen, vreemdeling, het is jaren aan jaren geweest, dat ik geen lid van de kerk wilde worden, omdat de dominees in onze streek wilden preken dat de bijbel dat menschenjagen voorsprak. Ik kon niet tegen hen aan met hun Grieksch en Hebreeuwsch, en zoo kreeg ik een hekel aan hen, met Bijbel en al. Ik ben geen lid van de kerk geworden, vóórdat ik een dominee vond, die tegen hen allen op kon in het Grieksch en dat alles, en die vlak het tegendeel zeide;--en toen beviel het mij en voegde ik mij bij de kerk--dat deed ik," zeide John, onder het spreken eene flesch zeer krachtigen cider opentrekkende, waaruit hij een paar glazen vulde.
"Gij moest hier blijven tot het dag wordt," vervolgde hij hartelijk. "Ik zal de oude vrouw oproepen en in een oogenblik een bed voor u laten maken."
"Wel bedankt, goede vriend," antwoordde de senator. "Maar ik moet voort, om met de nachtpost van Columbus mee te gaan."
"Welnu, als gij dan moet, zal ik een eind met u medegaan, en u een dwarsweg wijzen, die beter is dan de weg dien gij gekomen zijt. Die weg is al heel slecht."
John maakte zich spoedig gereed, en weldra stapte hij met een lantaarn in de hand vóór het rijtuig des senators uit naar een weg, die door eene laagte achter zijne woning liep. Toen zij scheidden, stopte de senator hem een briefje van tien dollars in de hand.
"Het is voor haar," zeide hij kortaf.
"Ja wel," antwoordde John even kort.
Zij gaven elkander de hand en scheidden.
TIENDE HOOFDSTUK.
DE GEKOCHTE WAAR WORDT WEGGEHAALD.
Grauw en regenachtig scheen de Februari-ochtend door het venster der woning van Oom Tom binnen. Hij bescheen treurige gezichten, de afspiegeling van bedroefde harten. Het tafeltje, nu met een strijkdeken bedekt, stond voor het vuur; over de leuning van een stoel hingen een paar grove, maar helder-schoone hemden, zoo pas gestreken, en Tante Chloe had een ander vóór zich uitgespreid. Zorgvuldig streek zij alle zoomen en naden plat, en hief nu en dan haar hand op om de tranen af te vegen die over hare wangen rolden.
Tom zat bij haar, met zijn Testament open op zijne knie en het hoofd in de hand; maar geen van beiden spraken zij. Het was nog vroeg en de kinderen lagen allen nog te slapen.
Tom, die ten volle het zachte, voor huiselijk genoegen vatbare hart had, dat ongelukkig voor hen, eene bijzondere eigenschap van zijn beklagenswaardig geslacht is, stond op en ging stil naar zijne kinderen zien.
"Het is de laatste maal!" zeide hij.
Tante Chloe gaf geen antwoord en streek maar voort over het grove hemd, dat reeds zoo glad was als hare handen het konden maken; eindelijk zette zij eenklaps met een wanhopigen slag haar strijkijzer neer, liet zich bij de tafel op een stoel vallen en verhief hare stem en weende.
"Wij moeten wel berustend zijn," zeide zij, "maar och, och, hoe kan ik? Als ik maar wist waar gij heengaat en hoe zij u behandelen zullen! Mevrouw zegt dat zij haar best zal doen om u over een jaar of twee los te koopen; maar, och! niemand komt ooit hier terug, die daar naar toegaat! Zij vermoorden hem! Ik heb wel hooren vertellen hoe zij hen daar op de plantages laten werken!"
"Er zal daar dezelfde God wezen, Chloe, die hier is."
"Ja, dat zal wel zoo zijn," zeide Chloe; "maar de Heere laat somtijds schrikkelijke dingen gebeuren. Op die manier kan ik ook al geen troost vinden."
"Ik ben in de hand des Heeren," zeide Tom: "niets kan verder gaan dan Hij het toelaat; en er is een ding waarvoor ik Hem danken kan. Dat is dat _ik_ het ben, die verkocht is en daarheen ga, en niet gij of de kinderen. Hier zijt gij veilig: wat er ook gebeuren moet, zal alleen met mij gebeuren; en de Heere--Hij zal mij helpen--ik weet dat Hij dat zal."
O, dapper, mannelijk hart, dat uw eigen leed smoort, om uwe beminden te troosten! Tom sprak met eene heesche stem en met een beklemd gevoel in de keel--maar hij sprak toch dapper en stout.
"Laten wij om Zijne genade denken!" voegde hij er bij met eene bevende stem, alsof hij gevoelde, dat het wel noodig voor hem was, daaraan te denken.
"Genade!" zeide Chloe. "Ik zie er geene genade in! Het is niet goed, het is niet goed, dat het zoo gaat! Meester had het nooit zoo moeten maken, dat gij voor zijne schuld _kondt_ genomen worden. Gij hebt al wat hij voor u krijgt dubbel voor hem verdiend. Hij was u uwe vrijheid schuldig, en had u die al jaren geleden moeten geven. Misschien kan hij nu niet anders; maar ik voel dat het verkeerd is. Niets is in staat om mij dat uit het hoofd te zetten. Zulk een trouw dienaar als gij geweest zijt, die altijd zijn belang boven uw eigen hebt gesteld, en meer voor hem gezorgd hebt dan voor uwe eigene vrouw en kinderen! Zij, die harteliefde en hartebloed verkoopen, om uit hun eigen nood te geraken, de Heere zal hen bezoeken!"
"Chloe, als ge mij nu liefhebt, moet ge zoo niet spreken, nu het misschien de laatste maal is, dat wij bij elkander zullen zijn. En ik zeg u, Chloe, het gaat mij aan het hart een woord tegen meester te hooren. Werd hij niet als een klein kind in mijne armen gelegd? Het is natuurlijk dat ik veel om hem denk; maar het was niet te verwachten dat hij zooveel om den armen Tom zou denken. Meesters zijn gewoon, dat al die dingen voor hen gedaan worden, en natuurlijk denken zij zooveel niet daaraan. Dat kan men niet van hen verwachten. Zet hem eens naast andere meesters! Wie heeft zulk een leven gehad als ik gehad heb! En hij had mij dit nooit laten overkomen, als hij het vooruit had kunnen zien. Ik weet dat hij het niet zou gedaan hebben."
"Nu, er is toch _ergens_ iets onrechtvaardigs," zeide Chloe, bij wie een streng gevoel voor recht een heerschende karaktertrek was. "Ik kan niet goed uitmaken, waar het is; maar dat er ergens onrecht is, dat zie ik duidelijk."
"Gij moest tot den Heere daarboven opzien; Hij is boven allen--er valt geen muschje op aarde zonder Zijnen wil."
"Dat troost mij toch niet, al moest het dat doen," zeide Chloe weder. "Maar het helpt niet er over te spreken. Ik zal maar voor den koek gaan zorgen en een goed ontbijt voor u maken, want niemand weet wanneer gij er weder een krijgen zult."
Om het leed der negers die naar het Zuiden verkocht worden geheel te begrijpen, moet men bedenken, dat al de instinctmatige neigingen van dien menschenstam bijzonder sterk zijn. Hunne gehechtheid aan eene plaats is zeer duurzaam. Zij zijn niet ondernemend en waagziek van aard, maar op huiselijkheid gesteld en aan hunne gewoonten en bekenden verkleefd. Men voege hierbij het verschrikkelijke, waarmede de onkunde het onbekende bekleedt, en bovenal, dat naar het Zuiden verkocht te worden den neger van zijne kindsheid af als de strengste straf wordt voorgehouden. Het dreigement dat meer schrik aanjaagt dan dat van geeseling of eenige andere pijniging, is het dreigement om de rivier afgezonden te worden. Wij hebben hen zelve dat gevoel hooren uitdrukken en het ongeveinsde afgrijzen gezien, waarmede zij, als zij bij elkander zitten te praten, de akeligste histories vertellen van dat "de rivier af", dat voor hen gelijkstaat met "het onontdekte land, van welks grenspaal geen reiziger ooit terugkomt."
Een zendeling onder de vluchtelingen in Canada verhaalde ons, dat velen van hen bekenden van meesters te zijn weggeloopen, die bij anderen vergeleken goede meesters waren, maar dat zij bewogen waren om al de gevaren eener vlucht te tarten door den wanhopigen angst, waarmede dat "naar het Zuiden verkocht worden" hen vervulde--een lot, dat hun zelven of hunne vrouwen of kinderen boven het hoofd hing.--Die angst boezemt den Afrikaan, anders geduldig, schroomvallig en niet ondernemend, een heldhaftigen moed in en verhardt hem tegen honger, koude, de gevaren der wildernis en het nog veel geduchter gevaar om weder gevat te worden.
De eenvoudige ochtendmaaltijd stond nu op de tafel te dampen, want Mevrouw Shelby had Chloe dien morgen van haren gewonen arbeid in "het huis" ontslagen. De arme ziel had voor het afscheidsmaal haar uiterste best gedaan, had haar vetste kuiken geslacht en gebraden, haar koornkoek met de uiterste zorg, juist naar den smaak van haren man, gereedgemaakt, en uit zekere geheimzinnige potten op den schoorsteenmantel de ingemaakte vruchten opgezet, die alleen bij zeer groote gelegenheden te voorschijn kwamen.
"Wel, Peter!" zeide Mozes met opgetogenheid, "hebben we niet een heerlijk ontbijt van ochtend?" en tastte te gelijk naar een brok van het kuiken.
Tante Chloe gaf hem een onverwachten klap om de ooren, met de woorden: "Daar! zijt ge blij met het laatste ontbijt, dat uw arme vader ooit tehuis zal hebben?"
"O Chloe!" zeide Tom zacht.
"Wie kan het helpen?" zeide Chloe en hield haar voorschoot voor haar gezicht. "Ik ben zoo in de war, dat ik "leelijk" doe."
De jongens bleven stilstaan en keken beurtelings op naar vader en moeder, terwijl het kleinste kind zijn best deed om tegen hare kleederen op te klauteren en dwingend begon te schreeuwen.
"Daar," zeide Chloe, terwijl zij hare oogen afveegde, en de ongeduldige kleine opnam, "nu is het gedaan, hoop ik. Eet nu wat. Dat is mijn lekkerste kuiken. Daar, jongens, gij zult ook wat hebben, arme kinderen! Moeder is te driftig geweest."
De knapen behoefden niet tweemaal genoodigd te worden, en gingen met grooten ijver aan het eten: en het was in zeker opzicht gelukkig dat zij dit deden, dewijl anders aan het ontbijt zeer weinig eer zou zijn bewezen.
"Nu moet ik uwe kleeren gaan inpakken," zeide Tante Chloe, spoedig weder opstaande. "Het is heel wel mogelijk dat hij u alles zal afnemen. Ik ken hunne manieren wel--zij zijn er gemeen genoeg toe. Zie, uwe flanellen borstrokken liggen hier in den hoek; pas er wel op, want er zal daar niemand wezen om anderen voor u te maken. En daar zijn de oude hemden en hier de nieuwe. Ik heb gisterenavond uwe kousen nog nagezien en den bal er bij gedaan om ze te stoppen. Maar, och, och! wie zal ze voor u stoppen?" En wederom overstelpt door haar gevoel, liet zij haar hoofd op den kant van den koffer zinken en snikte: "als ik daaraan denk! Niemand om u te helpen, ziek of gezond! Ik weet waarlijk niet, hoe ik mij nog goed kan houden."
Toen de jongens zooveel gegeten hadden als zij konden, begonnen zij eenigszins te denken om hetgeen er ophanden was; en daar zij hunne moeder zagen schreien en hun vader een zeer droevig gezicht zetten, begonnen zij ook te huilen en hunne knuisten in hunne oogen te duwen. Tom had het jongste kind op zijne knie en liet het zich vermaken zooveel het maar wilde. Het krabde hem in het gezicht, trok hem bij de haren, en kraaide tusschenbeide van pret.
"Ja, kraai nu maar, arm schepseltje!" zeide tante Chloe. "Het zal u ook wel eens overkomen. Gij zult het ook nog beleven dat uw man verkocht wordt, of gij zelve. En de jongens, zij zullen ook wel verkocht worden, denk ik--waarom niet?--als zij tot iets beginnen te deugen. Negers behoeven immers niets te houden."
Juist nu riep een van de jongens: "Daar komt de meesteres aan!"
"Zij kan toch geen goed doen. Waar komt zij voor?" zeide Tante Chloe. Mevrouw Shelby trad binnen. Tante Chloe zette een stoel voor haar, maar met zichtbare norschheid en wreveligheid. Mevrouw Shelby scheen hierop niet te letten; haar gezicht was bleek en betrokken.
"Tom," zeide zij, "ik kom om...."
Zij zweeg eensklaps, zag in het rond naar de zwijgende groep, zette zich op den stoel neer, hield haar zakdoek voor haar gezicht en begon te snikken.
"O God, Mevrouw, dat niet--dat niet!" riep tante Chloe nu, insgelijks uitbarstende, en eene poos lang schreiden allen met elkander; en in die tranen die zij te zamen schreiden, de aanzienlijke en de geringen, smelt al de wrevel der onderdrukten weg. O gij, die de bedroefden bezoekt, weet gij wel dat alles wat uw geld kan koopen, met een koud en afgewend gezicht gegeven, geen enkelen oprechten traan waardig is, uit medelijden geschreid?
"Goede man," zeide Mevrouw Shelby, "ik kan u niets geven, dat u eenig goed kan doen. Als ik u geld geef, zal het u maar afgenomen worden. Maar ik zeg u plechtig en voor God, dat ik u in het oog zal houden en u terug laten komen, zoo spoedig als ik het geld daarvoor kan krijgen; en tot zoolang--vertrouw op God!"
Hier riepen de jongens dat Mr. Haley aankwam, en kort daarna deed een schop de deur openvliegen. Daar stond Haley in een zeer slecht humeur, dewijl hij in den nacht hard had moeten rijden en vooral niet beter gestemd was door den slechten afloop van zijnen tocht om zijne prooi te achterhalen.
"Komaan, gij neger," zeide hij: "zijt gij gereed?--Uw dienaar, Mevrouw," vervolgde hij, zijn hoed afnemende toen hij Mevrouw Shelby zag.
Tante Chloe sloot den koffer, bond er een touw omheen, en toen opstaande zag zij den handelaar aan, terwijl hare tranen in vurige vonken schenen te veranderen.
Tom stond gedwee op om zijn nieuwen meester te volgen, en tilde zijne zware kist op zijnen schouder. Zijne vrouw nam het kleinste kind op den arm, om met hem naar den wagen te gaan, en de anderen kwamen nog schreiende achteraan.
Mevrouw Shelby ging naar den handelaar en hield hem nog eenige oogenblikken op, terwijl zij ernstig met hem sprak; en ondertusschen ging de geheele familie naar den wagen, die reeds ingespannen voor de deur stond. Een troep oude en jonge negers en negerinnen stond daaromheen, wachtende om hunnen ouden makker vaarwel te zeggen. Tom was bij allen op de plaats, als opzichter en ook als Christelijk leeraar, in hooge achting geweest, en thans was er veel oprechte droefheid over hem, vooral onder de vrouwen.
"Wel, Chloe, gij draagt het beter dan wij doen," zeide eene der schreiende vrouwen, toen zij de sombere kalmte opmerkte waarmede Chloe bij den wagen stond.
"_Mijne_ tranen zijn gedaan!" antwoordde zij met een grammen blik naar den handelaar, die nu aankwam. "Ik wil niet schreien voor dien ouden duivel, om nog zooveel niet."
"Stap in!" zeide Haley tegen Tom, door een troep Negers gaande, die hem met dreigende blikken aanzagen.
Tom stapte in den wagen, en daarop nam Haley van onder de bank een paar zware boeien en bevestigde die om zijne enkels.
Een gesmoord gemompel van verontwaardiging liep door den geheelen kring, en Mevrouw Shelby sprak van de veranda:
"Mijnheer Haley, ik verzeker u dat die voorzorg geheel onnoodig is."
"Dat weet ik niet, mevrouw, ik heb al vijfhonderd dollars hier verloren, en kan er niet meer aan wagen."
"Wat kon zij anders van hem verwachten?" zeide Tante Chloe met verontwaardiging, terwijl de twee jongens, die nu eerst recht schenen te begrijpen wat er met hunnen vader zou gebeuren, zich snikkende aan haren rok vasthielden.
"Het spijt mij," zeide Tom, "dat jongeheer George juist van huis moest wezen."