De Nederlandse Kerken En De Joden 1940 1945 De Protesten Bij Se

Chapter 22

Chapter 222,957 wordsPublic domain

Een voorbeeld van wel langzaam malende kerkelijke molens was de ontstaansgeschiedenis van het tweede Hervormde Herderlijk schrijven. In oktober 1942 besloot de Hervormde Synode al tot een geschrift, waarin de tegenstelling tussen het Christelijk geloof en het nationaal-socialisme duidelijk zou worden uiteengezet. Het concept was, op verzoek van dr. K.H. Miskotte, geschreven door ds. R. Bijlsma. Door allerlei omstandigheden (aldus Touw) duurde het geruime tijd eer het gereed was. Op 30 mei 1943 werd het besproken in de Algemene Synodale Commissie, die het stuk ter uiteindelijke beslissing aan de Synode zond; ds. Gravemeyer had het direct willen doen uitgaan naar de gemeenten. De Synode besprak het op 19 juli, waarbij wel diverse bezwaren gemaakt werden; o.a. werd opgemerkt dat het nationaal- socialisme toch al aan het afbrokkelen was... Anderen daarentegen vonden het een voortreffelijk stuk. Ten slotte besloot men met algemene stemmen om het te doen uitgaan naar kerkenraden en predikanten. Op 25 oktober 1943 werd meegedeeld, dat alle exemplaren verzonden waren.

De Herderlijke Brief, getiteld "Christelijk geloof en Nationaal Socialisme", bespreekt, na een uitvoerige inleiding, de onderwerpen: 1. Een andere God; 2. Een andere zedelijkheid; 3. Het antisemitisme; 4. Het volk; 5. Bloed en bodem; 6. De staat; waarna het besluit met het concluderende "Een onverzoenlijke tegenstelling", waarop dan nog een beschouwing over "opzicht en tucht" volgt. Het hele schrijven is ongemeen boeiend, zeker wanneer men zich tijdens het lezen rekenschap blijft geven van het feit dat het onder Duitse bezetting opgesteld, goedgekeurd, en verspreid is. Toch nemen we hier alleen het gedeelte over het antisemitisme over:

Het scherpst is deze "andere God" en deze "andere zedelijkheid" te herkennen in het principieel antisemitisme. Dat het volk Israël met fanatieke hartstocht wordt gehaat, vervolgd en met voorbedachten rade planmatig uitgeroeid is, is een verschijnsel dat zich in deze vorm in de geschiedenis nog niet heeft voorgedaan; het zijn dan ook tenslotte geen strategische, economische, culturele gronden die daarvoor kunnen worden aangevoerd; het zit dieper en dat moet de Kerk goed zien.

<116>

De grondeloze en mateloze haat tegen de Joden is een uitvloeisel van de natuurlijke afkeer, die men ondervindt tegenover de "Joden-God" en de "Joden-Bijbel". Deze smaad en deze laster in vele geschriften verbreid en tot de geestelijke spijze van miljoenen gemaakt (wel te verstaan onder een staatsvorm, waarin de Staat en de Staat alléén verantwoordelijk is en verantwoordelijk wil zijn inzake de voorlichting van het volk, waarbij dus nimmer, als onder een democratisch staatsbestel, aan de willekeur van particuliere personen of groepen kan worden toegeschreven wat er publiekelijk wordt gesproken en geschreven) behoort voor de christelijke Kerk een onmiskenbaar bewijs te zijn dat het geloof zelf in zijn diepste fundamenten wordt aangetast. De Kerk mag zich niet ontveinzen, dat ook in dit opzicht een schriftuurlijke voorlichting der gemeente dringend noodzakelijk is; want er zijn nog steeds gemeenteleden, die weliswaar de systematische verdelging van onze Joodse medemensen en medeburgers verafschuwen, maar anderzijds hun natuurlijke afkeer van de Jood rechtvaardigen met het oordeel Gods. Dat Israël, ofschoon het Jezus als de Messias niet erkend heeft, ons veel meer verwant is in herkomst en belijdenis van het heldendom, dat zich opwerpt als zijn bestraffer, verstaan sommigen niet helder genoeg. Het raadsel van de Joden en hun tijdelijke verharding mag nimmer dienen als motief om dit antisemitisme goed te praten; dat God een zaak heeft met de Joden, betekent niet dat wij en anderen, die van nature heidenen zijn, nu ook een zaak met hen zouden hebben. De waarschuwing van Rom. 11: 20 (n. b. tot christenen!): "wees niet hoog gevoelende, maar vrees", moet steeds haar volle kracht blijven behouden. In het antisemitisme leeft zich de hoog moedige levenshouding uit, die bij christenen (laat staan bij heidenen!) vooral in crisis-tijden alle bezinning overwoekert, zelf een nieuw farizeïsme kweekt en tenslotte in een volkomen verharding tegenover Gods oordeel en genade overgaat. Omdat de kiem daarvan ook in ons allen leeft, daarom kan deze verschrikkelijke zonde alleen maar en telkens weer door het geloof in Christus' verzoenende gerechtigheid overwonnen worden.

Inderdaad, dit was een voortreffelijk stuk; niet alleen het door ons geciteerde gedeelte over het antisemitisme. Maar juist in dat gedeelte treft me weer het woord "verharding". We kwamen dat woord al eerder tegen, nl. in het memorandum waarmee ds. Buskes het antisemitisme (en de noodzaak er iets tegen te doen!) in het Convent van Kerken aan de orde stelde. Het is een woord, indertijd door de apostel Paulus gebruikt: "Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden" (Romeinen 11:25, vert. NBG).

<117>

Wat heeft Paulus bedoeld, en hoe functioneerden zijn woorden bij de schrijver van de herderlijke brief? Zelfs een poging deze vragen hier te beantwoorden zou ons te ver voeren. Daarom beperken we ons tot de opmerking dat we het gebruik van het woord verharding in de herderlijke brief betreuren, en evenzo de uitdrukking "dat God een zaak heeft met de Joden".

Touw bericht dat de invloedssfeer van dit stuk soms beperkt was: de risico's die aan de publicatie ervan verbonden waren, verhinderden een algemene verspreiding. Het stuk was geadresseerd aan de kerkenraden en soms durfde men de herderlijke brief niet te bespreken. Eens zelfs weigerde de voorzitter van de kerkenraad bespreking, de brief werd opgeborgen in een trommel met een letterslot en lag daar ter inzage van kerkenraadsleden. Op andere plaatsen evenwel werd het herderlijk schrijven terdege bestudeerd en doorgegeven, op bijbelkringen, cursussen en jeugd­samenkomsten. Ook werkte het veelszins door in de prediking. Het Algemeen Handelsblad (30 maart 1944) besprak de brief in een uitvoerig artikel: "onschriftuurlijk, onwaardig en verblind". Touw daarentegen acht de herderlijke brief een der hoogtepunten van het kerkelijk verzet. "Dit stuk had voor de geestelijke strijd tegen de bezetter geen mindere betekenis dan een jaargang van de zo fel vervolgde ondergrondse pers."

d. "Gemengd-gehuwde"Joden

Een andere Duitse maatregel maakte het de niet-Joodse partner in een "gemengd huwelijk" mogelijk om zich via een eenvoudige procedure van de Joodse partner te laten scheiden. Ook hiertegen hebben de kerken die verenigd waren in het I.K.O. scherp geprotesteerd, in een brief aan Seyss-Inquart gedateerd 14 oktober 1943:

Meer dan eens hebben de Christelijke Kerken in Nederland zich tot Uwe Excellentie gewend in aangelegenheden betreffende de Joodse burgers van ons land, die van oudsher in Nederland gevestigd en in ons volksleven opgenomen waren. Uw Excellentie heeft gemeend, naar het dringende woord van vermaan van de Kerken niet te moeten horen.

<118>

In de laatste tijd zijn de meeste van onze tot nu toe nog in zekere vrijheid levende Joodse medeburgers weggevoerd. Voor deze als ook voor de zeer kleine groep, die nu nog over is, wordt een dringend beroep gedaan op Uwe Excellentie om hen niet allen uit Nederland te laten wegvoeren, maar veeleer hun in Nederland een bevoorrechte behandeling toe te staan. Verder zijn de Kerken ernstig verontrust in verband met de tekenen die er op wijzen, dat men van Duitse zijde nu aan het probleem van het zogenaamde gemengde huwelijk opnieuw bijzondere opmerkzaamheid wijdt, en dat een van de overheid bewerkte scheiding althans bij een aantal dezer huwelijken in de bedoeling ligt; deze bedoeling kan, gelijk ook bij de sterilisatie geschiedde, door een voorgewende vrijwilligheid als meer onschuldig voorgesteld worden. De Kerken roepen ook nu Uwe Excellentie op 't nadrukkelijkst toe: De weg der ontbinding van het huwelijk mag niet betreden worden.- De Here Jezus zegt - en Hij zegt het niet slechts tot Zijn Kerk maar tot heel de wereld, ook tot Uwe Excellentie - Wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet" (Mattheus 19:6). De Kerken doen derhalve een zeer dringend beroep op Uwe Excellentie, om deze kleine, tot nu toe ook reeds voor uitzonderingsbepalingen in aanmerking komende groepen, nu ook in de in de laatste tijd voor enigen van ben geopende mogelijkheid, om van bepaalde, voor Joden geldende beperkingen bevrijd te worden, te laten delen. De om menigvuldige redenen groeiende onrust en verontwaardiging kunnen niet afnemen, als voortgevaren wordt met maatregelen, die het Nederlandse volk in zijn diepste religieuze en morele gevoelens kwetsen.

De toon van dit protest is krachtig; de argumenten zijn deels ontleend aan de bijbel, deels ook gebaseerd op algemene overwegingen die Seyss-Inquart meer zullen hebben aangesproken. Men proeft er, evenals in het protest tegen de sterilisatie, sterke gevoelens van verontwaardiging in.

Toen het leek alsof de Rijkscommissaris zich aan eenmaal gedane beloften zou onttrekken, kwamen de Kerken nogmaals op voor de "gemengd-gehuwden", in een brief gedateerd 17 maart 1944, en op 1 april 1944 zonden ze een telegram, diezelfde dag nog gevolgd door een uitvoeriger brief.

Heeft het allemaal iets geholpen? Misschien wel. In ieder geval hebben de meeste "gemengd-gehuwden" het Duitse schrikbewind overleefd. Ofschoon Rauter vond dat eigenlijk alle gemengd-gehuwden met een Joodse mannelijke partner naar het Oosten moest verdwijnen: "Wir werden mit diesen Fallen sonst ewig Schwierigkeiten haben." [8.3]

<119>

Maar men was bezorgd voor reacties vanuit de Nederlandse bevolking. Ook het feit dat een nederlaag voor Duitsland zich steeds duidelijker aftekende, heeft ongetwijfeld een rol gespeeld. Wielek noemt "de bemoeiingen der Hervormde Synode- (lees: het Interkerkelijk Overleg) als de eerste factor - naast twee andere - waaraan het te danken is dat het grootste deel der gemengd-gehuwden in Nederland mocht blijven. [8.4]

<120>

9. DE Joden-CHRISTENEN

a. Duitse beloften

Al eerder - in hoofdstuk 6 - hebben we de gang van zaken besproken rondom het al of niet voorlezen van het protest tegen de deportaties dat aan Seyss-Inquart was gezonden. Een van diens naaste medewerkers, Schmidt, had daarop ds. H.J. Dijckmeester (vervanger van ds. Gravemeyer die gegijzeld was) ontboden en hem meegedeeld dat de Christen-Joden die voor 1 januari 1941 gedoopt waren, vrijgesteld zouden worden van "Verschickung". Ds. Dijckmeester heeft daarop geantwoord dat de kerken voor deze toezegging erkentelijk waren, maar natuurlijk het standpunt handhaafden dat het protest- telegram zou worden voorgelezen. Zoals al eerder beschreven: de Hervormde Synode besloot uiteindelijk, het telegram niet voor te lezen. De andere kerken deden dat wel, waarop de RK-gedoopte Joden - voor zover niet "gemengd-gehuwd" - door de Duitsers gevangen genomen, naar Auschwitz gedeporteerd en aldaar vermoord werden. Voor de Protestants-gedoopte Christen-Joden bleef de Duitse toezegging van kracht. Hoe lang? Dat wist niemand.

De kerken probeerden allereerst, de norm die voor "vrijstelling gold te verwijden en zodoende het aantal vrijgestelden te vergroten. Daarbij werd geargumenteerd dat ook wie op de cruciale datum kerkelijk onderricht ontving, ja zelfs zij die toen al regelmatig de kerkdiensten bezochten, toch eigenlijk behoorden tot de kerk... Besprekingen werden gevoerd met Schmidts medewerker, F. Buhner. Met hem werd overeengekomen: "Geacht moeten worden tot een Christelijke Kerk te behoren zij: 1. die geboren zijn uit tot de Kerk behorende ouders; 2. die onderwijs in de Christelijke leer ontvangen met de bedoeling tot belijdenis des geloofs te komen; 3. die de godsdienstoefeningen regelmatig bijwonen en met wie de Kerkenraad geestelijk contact heeft; 4. die gedoopt zijn; 5. die belijdenis des geloofs hebben afgelegd

<121>

De "bedoeling" genoemd onder 2 moest voor 1 januari 1941 gebleken zijn en dat gold ook het "regelmatig" bijwonen van kerkdiensten.

Onder normale omstandigheden zou geen enkele kerk personen die onder 2 en 3 vielen, als lid hebben beschouwd. Voor de Duitsers was het niet na te gaan of iemand inderdaad "onderwijs in de Christelijke leer" ontving en/of geregeld kerkdiensten bezocht, en sinds wanneer. De namen van hen die door een kerk als haar leden werden beschouwd werden op een lijst gezet, die naar de Duitsers ging. Die lijst gaf ook aan tot welke van de vijf "categorieën" iemand behoorde. De betrokkene zelf ontving van de kerk een z.g. bewijs van kerkelijke Angehörigkeit. Het was een tijd waarin men zich aan iedere strohalm vastgreep; op een lijst staan scheen te helpen; je had de lijst-Weinreb, de lijst-Calmeyer, de lijst- Frederiks en de lijst van de z.g. Diamant-gruppe, om enkele te noemen. De meeste lijsten "platzten" (vervielen) op een zeker moment, maar niet alle: zo heeft de lijst-Calmeyer het, wonder boven wonder, tot het einde van de oorlog toe volgehouden. Het Adviesbureau dat door de Hervormde kerk te Amsterdam was geopend (20 augustus 1942) en onder leiding stond van de bekende dr. J. Koopmans (schrijver van de brochure Bijna te laat en ook, in 1943, van het protest tegen de sterilisatie) hield driemaal per week zitting in de Nieuwe Kerk. Het werd overstelpt met schriftelijke en telefonische verzoeken om op de lijst geplaatst te worden. Aldus Touw. Het is ook Touw die vertelt dat een predikant tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld werd wegens Schriftverfalschung, omdat hij een geantedateerde verklaring van "Angehörigkeit" had afgegeven. Een andere predikant daarentegen ("gelukkig een hoge uitzondering") had er bezwaar tegen om een Joods gezin dat trouw de kerkdiensten bezocht te dopen, want "mijn vrouw is zo bang dat ik iets doe waar de bezettende macht zich aan stoot."

<122>

b. Geen Gereformeerde "haastdoop"

Delleman, de Gereformeerde geschiedschrijver, heeft in zijn Opdat wij niet vergeten enkele hoofdstukken samen met anderen geschreven; het schrijven van een paar hoofdstukken liet hij over aan een direct-betrokkene. Zo is hoofdstuk IV (Het kerkelijk verzet) geschreven samen met Donner, Van Dijk en Rutgers die, ieder op zijn beurt, de Gereformeerde vertegenwoordigers in het I.K.O. waren geweest. Hoofdstuk V, "Het Jodendom en de Kerk in bezettingstijd", is evenwel van de hand van ds. Jac. van Nes. We kwamen hem al tegen in ons eerste hoofdstuk als missionair predikant (sinds 1916) onder de Joden te Den Haag, ook zijn opvatting (voor de oorlog!) "dat er in het algemeen drie tot vier jaar catechetisch onderwijs nodig was voor men tot dopen kon overgaan", kwam reeds ter sprake. Alle Gereformeerde kerkenraden kregen - zomer 1942 - het verzoek om de namen van de Joodse Christenen, voor wie dus vrijstelling van deportatie moest worden aangevraagd, te zenden aan het Kerkelijk bureau van de Gereformeerde kerk van 's Gravenhage-West. In de desbetreffende circulaire wordt gewaarschuwd:

De kerkenraad houde er voorts rekening mede, dat te verwachten is, dat van Duitse zijde een onderzoek zal worden ingesteld naar de juistheid der verstrekte gegevens, waarvoor dus alle op deze aangelegenheid betrekking hebbende gegevens aanwezig moeten zijn.

Ds. Van Nes heeft een en ander - en zijn eigen opvattingen - uitvoerig weergegeven in zijn drie-maandelijkse rapporten en later heeft hij uit die rapporten geciteerd ten behoeve van zijn hoofdstuk in Delleman:

Wij kennen in onze Gereformeerde Kerken geen "haastdoop". 't Schijnt helaas, dat er in de Nederlands Hervormde Kerk wel zijn, die zulk een doop voor mogelijk achten. Er hebben zich gevallen voorgedaan in die kerk, dat Joodse personen eerst gedoopt werden en daarna onderwijs ontvingen. Wij betreuren dat ten zeerste. En wij weten, dat er in de Nederlands Hervormde kring zelf ook bezwaar tegen gemaakt is. Van de zijde der synode is er dan ook een waarschuwing aan de kerken gezonden. Zulke "sneldopen" verzwakken de betekenis van de doop voor het besef van de Joden en van de overheid aan wie het doopbewijs wordt getoond en brengen degenen, die na ernstige voorbereiding gedoopt werden, in gevaar dat hun doop ook niet als serieus wordt beschouwd.

Nog een citaat van Van Nes (ook dit komt zowel in een van zijn rapporten als ook in "Delleman" voor):

<123>

Wat moeten wij dankbaar zijn, dat de Duitse autoriteiten de bepalingen voor de Christen Joden hebben willen uitbreiden, zodat zij, die reeds voor 1941 serieus bearbeid konden worden, ofschoon zij nog niet tot de gemeenten behoorden, ook konden worden beschermd door een verklaring der kerk! Hoe is daardoor ook onder de Joden een zeker getuigenis uitgegaan, dat Christus de Zijnen beschut! Wat zouden wij graag alle Joden in deze dagen geholpen hebben, als 't aan ons gestaan had. Wat was 't ontzettend benauwend, vaak zo machteloos te staan tegenover hun lijden. Hoe konden we 't begrijpen, dat ze zich in uiterste nood tot de kerk wendden, om te trachten onder haar bescherming bevrijd te worden van de dreiging der wegvoering. Maar wij moesten het dan tot dezulken, die nu eerst tot de kerk kwamen, zeggen, dat het daarvoor nu te laat was en dat de kerk geen misbruik mocht maken van de haar gegeven bevoegdheid en de heiligheden van het Koninkrijk Gods hoog moest houden, door alleen een verklaring af te geven aan hen, van wie wij overtuigd waren, dat zij er recht op hadden.

Voor wat er in het eerste citaat gezegd wordt, kunnen we nog enig begrip opbrengen; dat men in normale tijden niet te snel overging tot het dopen van wie dan ook, dat lijkt ons prima. Ook de rabbijnen zijn uiterst terughoudend jegens aspirant- bekeerlingen. Maar het was geen gewone tijd! De vraag of men, door ruimer te dopen, voor anderen daardoor het risico vergrootte, diende overwogen te worden; akkoord. Maar dan. De uitdrukking "dankbaar zijn" hierboven, achten we totaal misplaatst. De bewering "dat Christus de Zijnen beschut" is zo mogelijk nog erger. Later zal Van Nes in ditzelfde hoofdstuk de martelgang wat betreft de "vrijstellingen" verhalen. Blijkbaar is hij er niet aan toegekomen om, vanuit die realiteit, nog eens te kijken naar de opgetogen uitspraak ("Wat moeten we dankbaar zijn..."), die hij uit zijn eigen rapport, gedateerd 9 september 1942, had overgenomen. Ongetwijfeld was Van Nes bewogen met het lot der Joden: dat blijkt uit de alinea Wat zouden wij graag... " Van Nes heeft ook (tenminste) gepoogd Joden te helpen onderduiken. [9.188] Bovendien was hij "een beminnelijk mens, gedreven door een grote liefde voor Israël." [9.2] Later zouden bovenstaande woorden van Van Nes door sommigen gebruikt worden voor het trekken van vergaande conclusies wat betreft de houding van de Gereformeerde Kerken in Nederland in het algemeen. We komen daarop nog terug in het derde gedeelte van dit boek.

<124>