De Nederlandse Kerken En De Joden 1940 1945 De Protesten Bij Se

Chapter 14

Chapter 142,914 wordsPublic domain

Het is wel aardig om, aan de hand van de Acta (notulen), na te gaan hoe de besluitvorming in een synode plaatsvond. We kiezen daartoe een paar vergaderingen van de synode van de Gereformeerde Kerken, die gehouden werden in maart 1941. Op dinsdag 4 maart werd 's morgens, 's middags en 's avonds het rapport van Deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid behandeld. Eerst werd het uitvoerige rapport voorgelezen, de eerste helft door H.H. Kuyper, de tweede door Donner. Typisch voor de Gereformeerde Kerk-structuur is de opmerking:

Hoewel het uit de aard der zaak volgt en in onze kerken dan ook gewoonte is, dat deputaten eerst na afloop van hun mandaat op de volgende synode rekenschap van hun handelingen afleggen, zijn zij echter volkomen bereid, dit reeds thans te doen, nu de synode haar zittingen nog niet gesloten heeft en wederom te Utrecht samenkomt, al zal hun rapport uitsluitend handelen over hetgeen door hen is gedaan ten behoeve der kerken voor zover dit betrekking heeft op de nieuwe situatie, die na de oorlog is ontstaan.

Verder merken Deputaten langs hun neus weg op, dat "van correspondentie met de Hoge Overheid in de zin die de Synoden krachtens hare instructies bedoelden, geen sprake meer kan zijn, daar de correspondentie met Engeland onmogelijk was geworden." Maar "uit de boezem der kerken zelf kwamen verzoeken om bij de bezettende macht tussenbeide te komen, in het belang van deze kerken, of van de ambtsdragers; adviezen te geven, hoe gehandeld behoorde te worden t.o.v. verordeningen door de bezettende macht uitgevaardigd."

<57> foto 9. Een vergadering van de synode-Sneek 1939 van de Gereformeerde Kerken. Op de 1e rij achter de tafel zitten enkele hoogleraren-adviseurs; rechts achter de tafel staand met baard: H.H. Kuyper. Op de tweede rij de moderamentafel, met geheel rechts ds. F.C. Meijster.

Er werd gerapporteerd over het Convent van Kerken. Het voorzitterschap ervan wordt tijdelijk waargenomen door dr. Donner wegens ziekte van prof. Slotemaker de Bruïne. Deputaten behandelden onder meer kwesties inzake oorlogsschade, Zondagsrust, de gevangenneming van ambtsdragers der kerk, voorbede voor de Koningin, de kerkelijke pers, arbeiders naar Duitsland, de Arbeidsdienst. Het protest van het Convent tegen de Jodenvervolging werd in zijn geheel vermeld, maar gepoogd werd het niet-afkondigen ervan in de Gereformeerde Kerken goed te praten. Ook de brief gericht aan de secretarissen-generaal is in zijn geheel opgenomen. De praeses (voorzitter) van de synode, de Rotterdamse ds. F.C. Meijster, opende op die dag de avondzitting met het laten zingen van Ps. 46:6: De Heer, de God der legerscharen, Is met ons, hoedt ons in gevaren. De Heer, de God van Jakobs zaad, Is ons een burcht, een toeverlaat.

<58>

Daarna werd de bespreking van het rapport voortgezet en beëindigd. Het rapport werd door de Synode met dankbaarheid aanvaard.

In diezelfde week werd door de synode een herderlijk schrijven opgesteld. Alle synode-leden waren er dus bij betrokken, in tegenstelling tot het protest uitgevaardigd door het Convent van Kerken, dat a.h.w. met terugwerkende kracht door de synode werd goedgekeurd. Het besluit om dit "getuigenis" te doen uitgaan was genomen "mede naar aanleiding van" de brief, afkomstig van de Lunterse kring (augustus 1940), waarin om een besliste uitspraak gevraagd werd. De brief vanuit Lunteren wordt in de Acta (art. 411) vermeld als "een schrijven van ds. K.H. Miskotte c.s.". Voor het opstellen van het herderlijk schrijven benoemde men een commissie: drie professoren, een predikant, twee ouderlingen en mr. dr. J. Donner als adviseur. Dat gebeurde op dinsdag 4 maart, in de ochtendzitting. Op donderdag 6 maart werd het concept voorgelezen door prof. dr. G.C. Berkouwer en, nadat er nog enige wijziging in was aangebracht, door de synode vastgesteld op vrijdag 7 maart. We citeren het gedeelte dat gaat over het Joodse volk:

In onze tijd wordt met steeds meer klem de gedachte voorgestaan, dat niet de verhouding tot Gods naam, maar de verbondenheid aan een bepaald volk of ras de betekenis van iemands leven bepaalt en de grote scheidslijn vormt tussen de mensen. Ge hebt, wanneer ge bij de Heilige Schrift leeft, het antwoord nimmer schuldig te blijven tegenover deze leer, die bij zovelen reeds ingang vond. Tegenover deze leer stelle de gemeente altijd niet eigen inzicht, maar de kracht van dat Woord, dat sterk is en machtig. De zorgen, die in de laatste maanden velen onzer volksgenoten vervulden, zijn ook aan U niet voorbijgegaan. Dat kan ook niet, waar juist de gemeente van Christus vanuit het Evangelie in de historie van het Joodse volk de Christus zag geboren worden en reeds op die grond nimmer de vraag naar een bepaald ras kan laten worden tot een begrenzing van de liefde tot onze naaste en van de barmhartigheid, die we schuldig zijn. Waar gij zo bij al deze gebeurtenissen betrokken zijt, moge Uw bewogenheid zich vooral uiten in de vurige bede tot God, dat Hij ook in dat naar Zijn bestel onder de volken verstrooide volk het volle licht van de Christus in steeds meerdere mate wil doen doordringen en het bovendien als een klem op aller consciëntie wil leggen, dat noch de aristocratie van het ras, noch die van geslacht of natie over de betekenis van ons leven beslist (Gal. 3:28, Coloss. 3: 1l), maar alleen de Naam des Heren en dat Hij over de verwerping van die Naam eens Zijn heilige recht zal spreken.

<59>

e. Afkondiging in een kerkdienst

Op zondagmorgen 23 maart 1941 was ik aanwezig in de Gereformeerde kerk te Renkum/Heelsum. Ik was toen bijna 21 jaar oud, een jongeman die weinig of geen heil zag in het christelijke geloof, laat staan in de kerk. Maar ja, als je wegbleef uit de kerkdienst, kreeg je heisa in gezin en familie. Dus je zat er, zij het zonder interesse. Zondag aan zondag stond ds. H.Z. de Mildt op de preekstoel, niet zo jong meer, beminnelijk, geen krachtpatser, ziekelijk; kort daarop zou hij met vervroegd emeritaat gaan. Hij preekte met zachte stem, wat lijzig. In de bank rechts van de preekstoel zaten de ouderlingen, in de bank links ervan de diakenen. Ik kende ze allemaal van haver tot gort: winkeliers (evenals wij), arbeiders en boeren. Met één van hen zou ik bijna slaande ruzie krijgen, toen hij tijdens het huisbezoek (dat werd trouw leder jaar bij ieder gezin door twee ouderlingen afgelegd) durfde te beweren dat je moest buigen voor de voorschriften van de bezettende macht, die volgens hem toch de overheid was. Die ochtend werd het herderlijk schrijven voorgelezen; nu vind ik het een veel te uitvoerig stuk: het beslaat in "Delleman" vier grote bladzijden, met kleine letters. Naar mijn herinnering duurde het toen helemaal niet lang. Ik luisterde ademloos, de hele gemeente trouwens. Het was kort na de februari-staking. Er waren al doden gevallen. Mijn dagboek (niet dat van mijn zus dit keer) vermeldt: "Gisteren is van de kansel een schrijven afgelezen dat uitmuntte door mannentaal. "En dat gebeurde overal, door het hele land, in meer dan 800 kerkgebouwen. Het is nu moeilijk na te voelen - ofschoon er achteraf op de inhoud zeker hier en daar kritiek te leveren valt -, hoezeer een dergelijk getuigenis de mensen een hart onder de riem stak.

<60>

De afkondiging van een protest of herderlijk schrijven in de kerkdiensten is in de Gereformeerde Kerken praktisch overal geschied. Alleen een predikant te Breda weigerde de voorlezing uitdrukkelijk. Het rapport aan de synode over handelwijze en argumenten van deze predikant eindigt met een advies bestaande uit 5 punten, waarvan het laatste luidde:

De synode draagt aan de classis Klundert op, om over deze zaak verder met ds. T. te handelen, en hem ernstig te vermanen, zich te bekeren van de onschriftuurlijke beschouwingswijze, die in zijn bezwaren tot uitdrukking komt.

Een andere (emeritus) predikant zat op dezelfde lijn en schreef een brochure, waarin hij volkomen lijdelijkheid (passiviteit) jegens de bezettende macht bepleitte, omdat deze "een oordeel Gods was, waaraan we ons te onderwerpen hadden." Over deze brochure werd gerapporteerd aan de classis Amersfoort, die daarop het standpunt van deze predikant beslist veroordeelde. Dit zijn de twee "afwijkende gevallen" als vermeld door Delleman in zijn hoofdstuk "Het verzet tegen het verzet", dat slechts 5 pagina's (389-393) beslaat.

Ook in de Hervormde Kerk werden de protesten door de overgrote meerderheid van de predikanten publiekelijk voorgelezen, al waren er hier meer uitzonderingen die de regel bevestigden. Soms las men niet voor vanuit een houding van (godsdienstige) lijdelijkheid. We vermoeden deze achtergrond bij de 5 predikanten in de classis Zierikzee, die (april 1943) van hun classis een terechtwijzing ontvingen:

Wij willen U er op wijzen, dat U daarmede ten opzichte van Uw roeping ernstig in gebreke zijt gebleven, het getuigenis der Kerk verzwakt hebt, en in strijd hebt gehandeld met hetgeen de Synode der Nederlandse Hervormde Kerk U heeft opgedragen. Het Classicaal Bestuur verwacht van U, dat U Uw houding bij een eventuele volgende gelegenheid zult wijzigen en U zult gedragen een Dienaar der Kerk waardig.

Aldus Touw, in zijn uitvoerige hoofdstuk (V): "Problemen van het verzet". HIJ' noemt datgene wat ook In andere kerkgenootschappen wel zal zijn voorgekomen: "Tenslotte verzwegen vele predikanten de kanselboodschappen, eenvoudig uit persoonlijke vrees voor conflicten, uit angst voor arrestatie." Hij vervolgt dan:

<61>

De gemeenten signaleerden zulke predikanten al spoedig, en geleidelijk verloren ze het vertrouwen van de velen, die met diepe dankbaarheid vervuld waren voor de getuigenissen der Synode. Dan uitte de gemeente haar tucht-oefening op verschillende wijze. Typisch was de reactie in een eenvoudige Zeeuwse gemeente. Toen een nieuwe predikant zijn intree deed, hadden verschillende gemeenteleden het kippenhok van de pastorie van kippen voorzien. Maar toen de nieuwe dominee enige tijd later een kanselafkondiging niet voorlas, was een van de goede gevers zo diep teleurgesteld dat hij zijn kip uit het kippenhok weer weghaalde! (186)

Voorwaar, in die tijd wel een zeer indringende manier van tuchtoefening over een voorganger.

<62>

4. MATHEID

a. De situatie (30 maart tot einddecember 1941)

Belangrijke ontwikkelingen vonden in deze maanden plaats, tengevolge waarvan de bevolking in de bezette gebieden heen en weer geslingerd werd tussen gevoelens van hoop en teleurstelling. Op 6 april begon de Duitse invasie in Joegoslavië en Griekenland. In dit laatste land hadden de Italianen vele nederlagen moeten incasseren. Nu was de strijd evenwel snel beslecht: op 30 april verlieten de laatste Engelse troepen Griekenland. 20 dagen later was ook het eiland Kreta geheel in Duitse handen. Joegoslavië werd eveneens vernietigend verslagen. Duitsland scheen onoverwinnelijk. Op 10 mei vloog Rudolf Hess naar Engeland. De wildste speculaties deden uiteraard de ronde. De Duitse aanval op Rusland begon op 22 juni. Tot aan het einde van de oorlog zouden de steeds wisselende krijgskansen aldaar met hartstocht gevolgd worden door de Nederlanders: ons toekomstig lot hing immers grotendeels af van de uitkomst van deze strijd. De Britten begonnen in Noord-Afrika, na hun ernstige nederlaag tegen de Duitse generaal Rommel, een tegenoffensief op 18 november. Op 7 december vielen Japanse vliegtuigen onverhoeds de Amerikaanse vlootbasis te Pearl Harbour aan en vernietigden een groot deel van de Amerikaanse vloot: de oorlog tussen Japan en Amerika was begonnen. Op 11 december verklaarden Duitsland en Italië de oorlog aan de Verenigde Staten. Wij koesterden nieuwe hoop.

11 maart: zo juist hoorde ik dat het Leger des Heils ontbonden is. Het Calvinistisch Weekblad is verboden. Ik heb nog een fiets kunnen kopen met banden. Banden zijn erg schaars; ze zijn alleen op vergunning te krijgen maar die worden haast niet gegeven. 6 april.- Het Italiaanse koloniale rijk bestaat niet meer: Addis Abeba is gevallen. Met Pasen krijgen we een extra ei.

<63>

13 april de Duitsers hebben Benghasi (in Noord Afrika), Nochtans hoop ik op de uiteindelijke overwinning van de Geallieerden maar het zal wel lang duren. Dat is ook wel steeds gezegd door de Engelse radio, maar we dachten dat dit was om de vijand om de tuin te leiden. 23 april: de melk is op de bon, sinds maandag: 1/4 liter per persoon per dag. 4 mei: de aardappels zijn op de bon.' we mogen per persoon per week 1 1/2 kg hebben. Het vleesrantsoen is verminderd tot 2 1/2 pond in 16 dagen. Zo juist lees ik in de krant dat oranje-insignes en uitgezaagde munten niet mogen worden getoond, gedragen of wat dan ook. 28 mei: er is een verplichte Arbeidsdienst afgekondigd, voor jongens en meisjes van 18-25 jaar. 8 juni: we krijgen een extra suiker-rantsoen voor de inmaak. 25 juni: taptemelk is ellendig spul om te koken; het brandt aan als een gek maar als je 't niet kookt is het in een minimum van tijd zuur. 21 juli.- vanaf begin aug. komt er alleen nog taptemelk; geen thee meer. Alleen surrogaat-koffie op de bon. 28 juli: verleden week moesten we ons koper en tin inleveren. Op aanraden van een massa mensen heeft moeder er één voorwerp heengebracht. Anders doen ze huiszoeking. 7 aug.: we mogen nu nog maar 7-5 % gebruiken van de stroom die we verleden jaar in de overeenkomstige maand gebruikten. 17 aug.: verleden week hebben we de laatste eierbon gehad. Er komen geen eieren meer. 8 okt.: het broodrantsoen is verminderd; het is nu 1800 g. per week. 30 dec,: op last van de Rijkscommissaris moeten de navolgende artikelen ingeleverd worden: wollen en halfwollen borstrokken, hemden, handschoenen, shawls, pullovers, sokken, kousen, breigarens, dekens en nog een heel stel lederen artikelen. Nu beginnen ze het eindelijk koud te krijgen in Rusland.

In april werden restaurants "voor Joden verboden" verklaard. Op 11 juni werd de tweede grote razzia ontketend: 300 Joodse jongemannen werden gevangen genomen en gedeporteerd. Op 8 augustus moesten Joden hun bezit aan geld en effecten deponeren bij de fa. Lippmann-Rosenthal te Amsterdam, welke bank voortaan door de Duitsers beheerd werd. Drie dagen later werd alle Joodse grondbezit onteigend. Vanaf 21 augustus mochten Joodse kinderen in de grote steden niet meer naar niet-Joodse scholen. In september werden alle Joodse bibliotheken gesloten en verzegeld. Sportinrichtingen, concerten en openbare bijeenkomsten waren voortaan "voor Joden verboden".

<64>

Op 22 oktober werd verordend, dat Joden voortaan niet meer werkzaam mochten zijn in niet-Joodse gezinnen.

b. Hervormde stemmen

Tot mijn spijt heb ik tijdens de tweede wereldoorlog op geen enkele wijze vernomen van de volgende twee te noemen brochures, ook al werden ze op grote schaal verspreid. Er was duidelijk een Hervormd circuit van verspreiding waar de Gereformeerden buiten stonden, terwijl de ondergrondse pers nog in de kinderschoenen stond. Op Gereformeerd erf is er - voor zo ver mij bekend - toen niets vergelijkbaars gepubliceerd.

K.H. Miskotte was de schrijver van de brochure Betere weerstand, die voorjaar 1941 in enige tienduizenden exemplaren verspreid werd. Omdat de auteur een opvallende stijl had werd de brochure, om ontdekking te voorkomen, herschreven door ds. K.H. Kroon en H.M. van Randwijk.[4.1] Verreweg de belangrijkste publicatie uit deze periode achten we de brochure Wat wij wel en wat wij niet geloven, van de hand van de predikanten Miskotte, Kroon en Koopmans. In twaalf stellingen worden "de grondelementen van het Christelijk geloof uiteengezet. De vierde stelling luidde als volgt:

IV. Wij geloven en belijden, dat God vanouds het volk Israël heeft uitverkoren, om Zijn openbaring te ontvangen tot op de verschijning van Jezus, de uit dit volk geboren Messias, te bewaren en in de gehoorzaamheid aan Hem in de wereld te verkondigen. Het is een daad van Gods onbegrepen vrije genade, waardoor Israël deze roeping heeft ontvangen, want op zichzelf was Israël niet beter, waardiger of geschikter dan de andere volkeren. Maar aan dit volk heeft de Here Zijn Woord toebetrouwd, zodat wie tot God komt, "bij Israël wordt ingelijfd". Daarom geloven wij, dat wie zich tegen Israël stelt, zich verzet tégen de God van Israël. Want wel is Israël ongehoorzaam geweest en heeft het wonder van zijn roeping veracht, toen het de Hete der Heerlijkheid gekruisigd heeft. En wel heeft God toen voor een tijd en voor een deel een verharding over Israël gelegd, maar in deze zaak tussen God en dit volk mag niemand zich eigenmachtig en hovaardig mengen. Allen, die niet uit Israël zijn, moeten veeleer in Israël het teken zien van de vrijmachtige goddelijke verkiezing in het teken van de algemeen menselijke ongehoorzaamheid. En allen, die uit Israël zijn, zullen hun bestemming vinden, als zij zich tot de Messias bekeren; dan zal vervuld worden wat de apostel zegt: "indien de volheid der heidenen zal ingegaan zijn, zo zal geheel Israël zalig worden." Daarom houden wij het antisemitisme voor iets veel ernstigers dan een onmenselijke rassenideologie. Wij houden het voor een van de hardnekkigste en dodelijkste vormen van verzet tegen de heilige en barmhartige God, wiens Naam wij belijden. [4.2]

<65>

L. de Jong merkte naar aanleiding van deze passage op: "Men kan de vraag stellen of het gepast was, in de zomer van '41, toen de Joden waarlijk al genoeg te dragen hadden, ook nog te betogen dat zij alleen hun 'bestemming' zouden vinden indien zij zich allen tot het Christendom bekeerden; dat Miskotte, Kroon en Koopmans met dat betoog alleen het heil der Joden op het oog hadden, spreekt overigens vanzelf en in elk geval bevatte hun betoog een afwijzing van het antisemitisme die voor protestantse lezers moeilijk in klemmender bewoordingen gesteld kon worden." [4.3] We voegen hier aan toe dat de opmerking, als zou Israël de Heer der heerlijkheid gekruisigd hebben, gemakkelijk kon leiden tot de oude en taaie misvatting: "de vervolging van de Joden is een straf, omdat 'ze' Christus gekruisigd hebben."

Foto 10 Dr. K.H. Miskotte