c. Andere opvattingen
Het is niet gemakkelijk na te gaan, in hoeverre men het in de Gereformeerde Kerken met de opvattingen van ds. Van Nes eens was en zijn "lijn" gevolgd heeft. In het notulenboek van de Gereformeerde kerkenraad te Rotterdam-Kralingen (mijn tegenwoordige woonplaats) vond ik het volgende verslag:
Notulen van de gehouden buitengewone kerkenraadsvergadering op donderdag 20 mei 1943.
De Praeses ds. G.R. Kuijper opent de verg., leest Romeinen 11: 11-21 en gaat voor in gebed. De Praeses deelt mede, dat hij deze verg. heeft uitgeschreven op verzoek van ds. Den Boeft. Deze, het woord verkrijgend, brengt een verzoek over van de heer Lion Mozes Gerzon, Voorschoterlaan 57, Israëliet zijnde, om in de Geref. Kerk na aflegging van belijdenis des geloofs te worden gedoopt. In normale gevallen zou deze nog wel wat meer onderwijs moeten ontvangen, daar het onderwijs slechts enkele maanden heeft geduurd. Zodoende zijn er nog heel wat hiaten in zijn kennis. Ds. Den Boeft heeft het doopformulier met hem besproken. De onzekerheid met het lot der Joden drong er toe met deze doop wat spoed te maken, en de laatste dagen zijn de omstandigheden van die aard, dat het zeer gewenst is, dat deze doop plaats vindt op de kortst mogelijke termijn, daar de mogelijkheid zeer groot is, dat deze doop over een dag of tien niet meer kan worden bediend, wegens mogelijke deportatie.(...) De Kerkeraad heeft er geen bezwaar tegen, dat in dit speciale geval de approbatie van de gemeente niet plaats kan hebben. De bediening van de doop zal plaats vinden a.s. zondag in de kerkzaal van "Pro Rege".
De "approbatie van de gemeente" was de goedkeuring: de namen van wie belijdenis wilden doen werden tijdens de diensten gedurende twee zondagen afgelezen met de mededeling: "Indien geen wettig bezwaar zal worden ingebracht..." Gebruikelijk was dat de goedkeuring op die manier stilzwijgend plaatsvond, maar er waren wel twee weken extra mee gemoeid. Daar zag men nu dus van af, evenals van "wat meer onderwijs". Nu, 46 jaar later, blijkt het al moeilijk om de achtergronden van een dergelijk voorval uit te zoeken. In ieder geval heeft de heer Gerzon de oorlog overleefd. Hij is niet gedeporteerd, overigens - naar ik vermoed - niet op grond van zijn gedoopt-zijn: hij was "gemengd-gehuwd"; zijn vrouw was Gereformeerd dooplid en deed najaar 1943 eveneens belijdenis.
<125>
Verder nog in onformalistisch handelen ging de Gereformeerde kerkenraad te Veenendaal, die aan een ondergedoken jood ter beveiliging een document gaf dat - met officiële handtekeningen bekrachtigd - verklaarde dat de betrokkene door de kerkenraad was benoemd "tot hulpprediker in buitengewone dienst voor de geestelijke verzorging van de geëvacueerden in haar ressort". [9.3] We kunnen ons moeilijk voorstellen, dat ds. Van Nes ooit een dergelijke valse verklaring ondertekend zou hebben.
In andere landen (Bulgarije, Griekenland) hebben tijdens de tweede wereldoorlog doopsbedieningen plaatsgevonden, waarbij de betrokken geestelijke wist dat het niet om het redden van zielen ging, maar om het redden van mensenlevens. Daartoe gaf de (orthodoxe) aartsbisschop van Athene, Damaskinos, zelfs uitdrukkelijk opdracht. [9.4] Bij mijn weten is de kwestie "niet dopen maar wel een 'doopbewijs' verschaffen" het krachtigst geformuleerd door ds. Buskes:
Wij weten heel goed, dat vele predikanten er principieel bezwaar tegen hadden, om valse doopbewijzen te schrijven en af te geven. Maar er waren goddank ook vele predikanten, die er principieel bezwaar tegen hadden, om het niet te doen. Zo'n vals doopbewijs was een leugen. Natuurlijk. Maar wie het schreef en aan een jood gaf, diende de waarheid en hielp zijn naaste. Wie het niet schreef en het een jood weigerde, diende de leugen en liet de jood in de kou staan. Er is een waarheid die leugen en een leugen die waarheid is. God gebood ons, te liegen in dienst van de waarheid. Niet het doel, maar wel de gehoorzaamheid aan Gods gebod heiligde het middel. [9.5]
"Wie het schreef en aan een jood gaf, ... hielp zijn naaste", vond Buskes. Maar nu weten we dat de Duitsers - dank zij de medewerking van de rijksinspectie van de bevolkingsregisters - beschikten over een gedrukte Lijst van personen van vol- Joodsen bloede die als kerkelijke gezindte een Christelijke godsdienst hebben opgegeven. De lijst berustte op gegevens door de betrokkenen zelf verstrekt, en wel begin 1941. [9.6] Men kan zich dan ook moeilijk onttrekken aan de conclusie dat, alle goede bedoelingen ten spijt, het verstrekken van "Angehörigkeits"-verklaringen met onjuiste gegevens eerder kwaad dan goed gedaan heeft.
Dat besefte dr. J.J.C. van Dijk toen al. Hij schreef nl. op 26 september 1942 een brief aan ds. S. Doornbos te Amsterdam:
Uw brief van 14 dezer ligt nog op beantwoording te wachten; de toevloed van kerkelijke brieven is zo groot, dat ik geen kans zag eerder tot beantwoording te komen.(...) Er zijn 2 verschillende lijsten. Er is, naast de lijst door de Kerken opgemaakt en ingezonden, een andere lijst van Duitse zijde opgemaakt op grond van de gegevens van de Burgerlijke Stand, waarop dus alleen de Joodse Christenen voorkomen, die zich t.z.t. bij de Burgerlijke Stand hebben opgegeven als te behoren tot een der Christelijke kerken; dat zijn dus de belijdende leden en, wellicht, doopleden.(...) Sophia Maria Boas-Berg staat op de lijst met (categorie) 4, maar dat is niet juist: ze werd op 1 juni '41 gedoopt, terwijl de toestand van voor januari moest worden opgegeven. Haar positie is dus niet veilig: op de Duitse lijst komt zij natuurlijk niet voor; uit dien hoofde is het niet uitgesloten dat zij gehaald wordt.(...) Het zou natuurlijk wel gewenst zijn, dat zij niet kan worden gehaald. [9.7]
"Haar positie is dus niet veilig": deputaat J.J.C. van Dijk raadde ds. Doornbos daarom aan te zorgen dat de dame om wie het ging, "niet kan worden gehaald". M.a.w.: ze zou moeten onderduiken.
De beslissing om onder te duiken was voor de betrokkenen - aangenomen dat er een onderduikadres beschikbaar was - niet gemakkelijk en kon verstrekkende consequenties hebben. Wie als onderduiker gepakt werd was een z.g. strafgeval en werd niet alleen naar Westerbork gestuurd, maar bovendien op de kortste termijn vandaar naar "Polen". Bij de afweging moest men óf ervan uitgaan dat de kerkelijke verklaring en het op "de lijst" staan voldoende bescherming bood (ondanks alle twijfel daaraan), óf de stap van de onderduik wagen, met weer heel andere risico's daaraan verbonden. Het was een dilemma dat ook gold voor de "gemengd-gehuwden". Een ander punt van overweging kon zijn: er zijn te weinig onderduikadressen beschikbaar; welnu, mag ik, die tot een tenminste enigszins beschermde groep behoor, de onderduik-plaats innemen van iemand, die anders geen enkele bescherming heeft?
<127>
Zoals bekend hebben verreweg de meeste "gemengd-gehuwden" de oorlog overleefd zonder onder te duiken. Een enkel "gemengd-gehuwd" echtpaar waagde het zelfs een Joods familielid bij zich te laten onderduiken. Wat de twee lijsten (die van de kerken en die gebaseerd op gegevens uit het bevolkingsregister) betreft: kort na de hierboven aangehaalde brief, op 15 oktober 1942, schreef dr. Van Dijk aan de Amsterdamse predikant P.N. Kruyswijk: "Het bevolkingsregister beslist!" [9.8]