De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening

d. Nog een schep er bovenop

Chapter 213,038 wordsPublic domain

Aukes, de biograaf van mgr. de Jong, verhaalt dat de aartsbisschop in een brief aan de overige bisschoppen schreef: Het tempo waarin de gebeurtenissen zich afspelen, is haast niet bij te houden. Wij sturen daarom een koerier. Eerst zouden alleen de Joden ter sprake gebracht worden, en nauwelijks was de discussie afgesloten, of er kwam bij het gewelddadig wegvoeren van studenten en andere jeugdige personen. Wij hebben U daarover reeds geschreven. Intussen zaten ook de Protestanten niet stil. (Men had in die kring een request aan de Rijkscommissaris opgesteld). Wij zouden dat niet weten te verbeteren.

Het was de bedoeling dat dit request door Protestanten en Katholieken van de kansels zou worden voorgelezen, met een eigen tekst omraamd. De aartsbisschop vond, dat in die omraming een "uitdrukkelijk verbod tot medewerking aan het ellendig lot van de talloze onschuldigen" moest worden opgenomen. Bericht voor woensdag, "op een of andere manier", was gewenst (nl. of de bisschoppen akkoord gingen). De donderdag was dan voor het afdrukken van het herderlijk schrijven. Pas 's avonds kon dat klaar komen. "Daarom is het nodig, dat u nu al begint met de organisatie van het rondsturen. Wij verwachten, dat ieder uwer vrijdagmorgen (op zijn vroegst donderdagavond na 7 uur) iemand stuurt om zijn exemplaren te halen. Om tijd te winnen kan deze persoon voor donderdagnacht logies zoeken in Utrecht. Dan kan hij 's morgens met de eerste trein vertrekken." [7.5]

Door middel van deze brief krijgen we een indruk van de "logistieke" problemen die moesten worden opgelost. Drie dagen later schreef mgr. de Jong aan zijn mede- bisschoppen, dat huiszoeking door de Sicherheitspolizei mogelijk was en dat hij maatregelen nam om de stukken onvindbaar op te bergen. Mgr. (...) stelt de vraag wat wij moeten doen, indien bijv. 's avonds zich bezoek aandient met de bedoeling om het voorlezen te verhinderen. Het is duidelijk, dat wij allen dan één lijn moeten trekken en wij twijfelen niet, of wij moeten antwoorden, dat wij ons door niemand laten beletten ons ambt u it te oefenen, dus voor geen dreigementen op zij gaan.

<107>

Daarom had hij onder het stuk laten zetten, ging de aartsbisschop voort, "dat de pastoors inzake het voorlezen van herderlijke brieven zich uitsluitend hebben te houden aan de instructie van hun bisschop." Dan wisten ook zij wat zij casu quo te doen hadden, zo besloot hij.

Zo werd op zondag 21 februari in alle Rooms-Katholieke kerkdiensten het herderlijk schrijven voorgelezen. Daarin werd allereerst het volledige protest gericht aan Seyss-Inquart geciteerd. Daarna volgde:

Dierbare gelovigen! Bij alle onrecht dat geschiedt en het leed, dat wordt geleden, gaat onze deelneming zeer in het bijzonder uit naar de jeugdige personen die met geweld uit het ouderlijk huis zijn weggevoerd, alsook naar de Joden, en naar onze katholieke geloofsgenoten die uit het Joodse volk zijn voortgekomen, die aan zulk groot lijden zijn blootgesteld. Bovendien echter gevoelen Wij Ons gegriefd door het feit, dat voor de uitvoering van de tegen deze twee groepen van personen genomen maatregelen de medewerking wordt geëist van onze eigen landgenoten zoals van autoriteiten, van ambtenaren, van bestuurders van inrichtingen. Beminde gelovigen, het is Ons bekend, in welk een gewetensnood daardoor de betrokken personen geraakt zijn. Welnu: om alle twijfel en onzekerheid omtrent dit punt bij u weg te nemen, verklaren Wij met alle nadruk, dat medewerking in dezen in geweten ongeoorloofd is. En, mocht het weigeren van medewerking offers van u vragen, weest dan sterk en standvastig in het besef, dat gij voor God en de mensen uw plicht doet. Dierbare gelovigen! Machtsmiddelen staan ons niet ten dienste. Des te meer wekken Wij u op tot het uiteindelijk nooit falende middel van een smekend gebed, dat God spoedig medelijden moge hebben met Ons en de wereld.

Bij de Gereformeerden was de oproep tot gebed in plaats van de afkondiging van het protest gekomen. Bij de Katholieken daarentegen kwam het gebed helemaal aan het eind, na de afkondiging van het protest en van de oproep om niet mee te doen aan het onrecht. Dat was veel sterker.

De bisschoppen hadden bovendien de klem van de oproep tot dienstweigering op geen enkele manier afgezwakt. Integendeel, zij hadden die in hun eigen herderlijk schrijven herhaald en aangescherpt.

<108>

Stokman vermeldt nog: "Ernstige pogingen zijn in het werk gesteld om hen (nl. politie-agenten die opdracht kregen Joden op te halen) tot een algemeen en consequent volgehouden weigering van deze opdrachten te brengen, doch dit is slechts ten dele gelukt. [7.6]

e. Resultaat?

"Ten dele gelukt", dat weten we:

Wanneer een zestal Rooms-Katholieke agenten van politie op 24 februari 1943 de Utrechtse hoofdcommissaris meedelen, dat zij op grond van een in de kerk op 21 februari voorgelezen herderlijk schrijven zouden weigeren, indien daartoe bevolen, Joden te arresteren, dreigt deze hoofdcommissaris met ontslag zonder pensioen, gage of wachtgeld, terwijl zij, die hem van hun voorgenomen weigering geen mededeling doen en zich toch daartoe verstouten, 'als saboteurs zullen worden beschouwd met alle ernstige gevolgen daaraan verbonden.' Hier voegen wij aan toe, dat de zes voornoemd meteen door de Duitsers werden gezocht; men arresteerde, toen zij ondergedoken bleken, hun vrouwen en kinderen.

Aldus Presser. [7.7] Dat waren zes Katholieke agenten in Utrecht. Waren er meer RK agenten die weigerden, en waren er ook Protestantse? Volgens de gegevens verstrekt door L. de Jong zagen vele leden van het politiekorps te Utrecht, die eerst mee hadden willen doen, daarvan af omdat "pogingen die van Utrecht uit ondernomen waren om de politiekorpsen van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam tot een collectieve weigering te bewegen, geen enkel succes hadden." [7.8] De Jong noemt verder de weigering van het hele politiecorps te Enschede, maar onder zware pressie hielden slechts vier stand die onderdoken. Verder werden twee weigeraars te Assen gearresteerd (een hunner kwam om in Dachau), elf in Grootegast werden naar Vught gebracht, vijf te Nunspeet eveneens. Toen de elf van Grootegast geteld werden, zei een Duitser; "Er zijn er toch elf, ja, es stimmt". Waarop een van de gevangenen, Boonstra, zei: "Het is fout, er zijn er twaalf, u hebt God vergeten, Hij' gaat altijd met ons mee." Ook Boonstra kwam om in Dachau.

Huizing en Aartsma schreven:

<109>

Wat de politieorganisaties nalaten, doen de kerken. Wat de meeste politie-chefs niet durven, nemen talrijke predikanten en priesters voor hun verantwoording. De kerk laat zich horen bij ethische vragen over racisme, dwangarbeid, deportatie van Joden, de jacht op mensen. Het blijken dan ook vooral gelovige politiemensen te zijn die in verzet komen.

Dezelfde auteurs noemen nog vier politieagenten te Kampen die geweigerd hebben om Joden op te halen. [7.9] Desondanks blijft het een onloochenbaar feit dat de overgrote meerderheid (ook van hen die tot een kerk behoorden) voor de druk bezweken is en wél heeft meegewerkt.

Dat het protest van de kerken - behalve tot politieagenten - ook tot andere functionarissen gericht was en hen aansprak, moge blijken uit een protestbrief van zeven burgemeesters in Noord-Holland, gericht tot vier secretarissen-generaal. De formulering van deze brief is hier en daar letterlijk overgenomen uit het kerkelijk protest.[7.10] Een veel groter aantal burgemeesters ondertekende een andere, soortgelijke brief. Maar de toenmalige burgemeester van de gemeente Renkum was een Gereformeerde broeder. Als er een bevel kwam om Joden in de gemeente op te halen ging hij, het hoofd van de politie, een paar dagen met vakantie. Als hij terugkwam, was de arrestatie geschied. Na de oorlog hebben we geprobeerd deze man in het kader van de zuivering weg te krijgen; dat is ons niet gelukt.

Wie nu hen die toen faalden be- en veroordeelt, diene te bedenken dat de prijs voor weigering hoog was: diverse politiemannen werden gearresteerd en sommigen hunner kwamen om. Wie onderdook ging een onzekere toekomst tegemoet; de grote groei van de LO (Landelijke Organisatie tot steun aan onderduikers) vond pas zomer 1943 plaats. Voor die tijd was het een klemmende vraag: wie zorgt er voor de zo noodzakelijke (distributie-) bonkaarten, als je onderduikt? Bovendien kwam ontslag zonder pensioen hard aan: de crisis-jaren lagen nog vers in het geheugen. Velen kenden uit eigen ervaring de vloek van de werkeloosheid. Mogelijk was een van de belangrijkste resultaten van de kerkelijke oproep tot dienstweigering: bevordering van de bereidheid om onder te duiken, ook al deed men dat nog niet op stel en sprong. Zomer 1943 groeide het aantal van hen die als politieman verdwenen, met medeneming van hun wapens.

<110>

Intussen had de Landelijke Organisatie zich uitgebreid als een olievlek. Schrijver dezes was in zijn dorp "plaatselijk leider" (zo heette dat) van deze organisatie geworden. Via het LO-netwerk kreeg ik de vraag of een zekere politieman Cornelis van Veldhuizen betrouwbaar was. Dat was Kim; we waren samen naar school gegaan en hadden op dezelfde jongelingsvereniging gezeten. Ik liet weten: "100 % betrouwbaar". Kort daarna dook Kim onder met medeneming van zijn wapens. Hij trad toe tot een KP (= knokploeg: een gewapende groep die distributiebureaus en gemeentehuizen overviel, teneinde bonkaarten en persoonsbewijzen voor onderduikers te bemachtigen). Daarop werden Kims ouders, een broer en zijn verloofde gearresteerd en overgebracht naar het concentratiekamp te Vught. Toen Kim desondanks niet boven water kwam, werden ze na een half jaar vrijgelaten.

III

8. STERILISATIE; DE, "Joden-GOD"; DE "GEMENGD GEHUWDEN"

a. De situatie (begin mei - november 1943)

Op 7 mei werd bekendgemaakt dat alle mannen van 18 - 35 jaar zich bij de Arbeids- bureaus zouden moeten melden, voor tewerkstelling in Duitsland. Een week later kwam het bevel tot inlevering van alle radio's. De Engelsen bombardeerden met succes twee stuwdammen in Duitsland, waardoor grote schade werd aangericht. Op 9 juli landden de geallieerden op Sicilië; vrij snel daarna (25 juli) werd Mussolini afgezet. Op 8 sept. volgde de capitulatie van Italië en de dag daarop landden de geallieerden bij Salerno; de Engelsen waren definitief terug op het vasteland van Europa. Die zomer lanceerden de Duitsers een groot offensief in Rusland en boekten aanvankelijk enige terreinwinst; maar het offensief liep vast, de Russen begonnen hun tegenaanval en heroverden op 8 november de stad Kiew. In het verre Oosten maakten de Amerikanen gestadig vorderingen; 20 november landden ze op de Gilbert-eilanden.

10 mei (1943): Drie jaar hebben we nu oorlog. Drie jaar van onderdrukking, bezetting, slavernij, bloed en tranen. Het lijkt onoverkomelijk, als men alles van te voren zou weten; toch is ons gezinsleven nog betrekkelijk normaal, en kunnen we zelfs op z'n tijd nog echt plezier hebben en lachen. Zaterdagmorgen werd er bekendgemaakt, dat alle mannen van 18 - 35 jaar zich voor de "Arbeidsinzet" moeten melden. Nu zijn onze jongens eindelijk ook de pier. Enfin, ze zullen geen gemakkelijke aan ons hebben. In het begin waren we nogal ontdaan, maar bij nader inzien beschouwen we deze maatregel als de laatste stuip- trekkingen van het wilde beest. Want zaterdagmorgen werd er nog een ander bericht bekendgemaakt: n.l. de val van Tunis en Bizerta. 13 mei: Thee surrogaat en juspoeder zijn nu ook op de bon. 19 mei: Drie jaar hebben we gewacht, gewacht... en nu eindelijk lijkt bet zo dichtbij. Misschien duurt het nog een half jaar, een jaar, maar het kan haast niet meer. Zo lang houden we het nu niet meer uit. 23 mei: Dinsdag moeten de jongens zich melden die in '22 en '23 geboren zijn. Nu is eindelijk één van onze jongens de klos n.l. Wim. Natuurlijk zal bij zich niet gaan melden. Dat wordt onderduiken.

<112>

Zoals reeds in het vorige hoofdstuk vermeld, werd per 14 mei 1943 aan alle Joden het verblijf in Amsterdam verboden tenzij men een speciale vrijstelling had. Op 25 juli werd er een geheim bericht door de Sicherheitsdienst naar Berlijn gezonden: "Van de 140.000 Joden in Nederland zijn er thans 102.000 weg, waarvan 72.000 gedeporteerd...' Nu ging de aandacht zich richten op de groepen waarvan de deportatie nog was uitgesteld. Daartoe behoorden de "gemengd-gehuwden". Er waren er in Nederland ruim 12.000, waaronder ongeveer 1500 mannen en ruim 1000 vrouwen die geen kinderen hadden, De kinderloze gemengd-gehuwden moesten naar Westerbork gevoerd worden, maar wat betreft de overige gemengd gehuwden diende er "naar vrijwillige sterilisatie gestreefd te worden", aldus W. Harster, bevelhebber van de Sicherheitsdienst. Als bewijs van de "vrijwilligheid" zouden de betrokkenen dienaangaande een schriftelijke verklaring hebben af te leggen. Op 13 augustus werden de patiënten van het Nederlands Israëlietisch Ziekenhuis te Amsterdam naar Westerbork gedeporteerd. Op 29 september werden er nog 3000 Joden te Amsterdam opgehaald die tot nader order van deportatie vrijgesteld waren geweest; onder hen de twee voorzitters van de Joodse Raad. Hun werk was afgelopen.

b. Mooi Nederlands, geschreven in het Duits

De gemengd-gehuwden die al in Westerbork waren (600 zonder, maar 103 met kinderen) werden op 14 mei voor de "vrijwillige" keus gesteld: sterilisatie of deportatie. Het hele kamp sprak over de nieuwe maatregel, en vermoedelijk daardoor kwam de zaak ter ore van het te Amsterdam gevestigde "Advies-bureau ten bate van niet- Arische christenen", waarvan de Hervormde predikant dr. J. Koopmans de drijvende kracht was. Indertijd had hij de hier eerder vermelde brochure Bijna te laat geschreven. Koopmans nam onmiddellijk contact op met de vertegenwoordigers van de kerken in het I.K.0. Men verzocht hem, een concept op te stellen hetwelk hij zonder dralen deed. Vaak malen kerkelijke molens langzaam, maar ditmaal was dat niet het geval. Het protest tegen de sterilisatie werd door alle leden van het I.K.O. goedgekeurd, ondertekend en vervolgens aan Seyss-Inquart gezonden. Het was gedateerd 19 mei 1943, en luidde als volgt:

<113>

Na al hetgeen waartegen de Christelijke Kerken in Nederland zich in de jaren der bezetting reeds gedwongen hebben gezien bij Uwe Excellentie ernstige bezwaren in te brengen, met name als het ging om de Joodse burgers van ons land, gebeurt er op het ogenblik iets zo ontzettends, dat wij onmogelijk kunnen nalaten in de Naam van onze Heer een woord tot Uwe Excellentie te richten. Wij hebben ons reeds beklaagd over verschillende daden van de bezettende macht, die indruisen tegen de geestelijke grondslagen van ons volk, dat sinds de tijd van zijn ontstaan althans getracht heeft met zijn regering onder het woord van God te leven. Nu heeft men in de laatste weken een begin gemaakt met de sterilisatie van de zogenaamd gemengd gehuwden. Maar God, die hemel en aarde geschapen heeft en wiens gebod voor alle mensen geldt, voor wie ook Uwe Excellentie eenmaal rekenschap zal moeten afleggen, heeft tot de mens gezegd: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u (Gen. 1: 28). De sterilisatie betekent een verminking naar lichaam en ziel, die lijnrecht in strijd is met het goddelijk gebod, dat wij de naaste niet zullen "onteren, haten, kwetsen of doden". De sterilisatie betekent een schennis zowel van goddelijke geboden alsook van menselijk recht. Zij is de uiterste consequentie van een antichristelijke en volksvernietigende rassenleer, van een mateloze zelfverheffing, van een wereld- en levens­beschouwing die een waarlijk christelijk en menselijk leven onmogelijk maakt. Gij, Excellentie, zijt op het ogenblik in Nederland in feite de hoogste politieke autoriteit. Aan U is het, zoals de zaken thans staan, toevertrouwd recht en orde in dit land te handhaven - toevertrouwd niet alleen door de leider van het Duitse Rijk, maar krachtens een ondoorgrondelijke beschikking ook door die God, die de Christelijke Kerk op aarde verkondigt. Voor U gelden, op dezelfde wijze als voor alle andere mensen, maar nog in het bijzonder omdat Gij nu eenmaal deze hoge plaats bekleedt, de geboden van de Heer en Rechter der gehele aarde. Daarom zeggen de Christelijke Kerken in Nederland in opdracht van God en op grond van Zijn Woord tot Uwe Excellentie: het is de plicht van Uwe Excellentie de schandelijke praktijken dergenen, die de sterilisatie toepassen, te verhinderen. Wij maken ons geen illusies. Wij zijn ons wel bewust, dat wij nauwelijks kunnen verwachten dat Uwe Excellentie acht zal geven op de stem der Kerk, dat is op de stem van het Evangelie, dat is op de stem van God. Maar wat men menselijkerwijs gesproken niet kan verwachten, dat mogen wij in het christelijk geloof hopen. De levende God heeft macht ook het hart van Uwe Excellentie te neigen tot bekering en gehoorzaamheid. Dat bidden wij dus van God, Uwer Excellentie en ons lijdend volk ten goede.

<114>

De woorden "de naaste niet onteren, haten, kwetsen of doden" zijn een aanhaling uit het antwoord van de Heidelbergse Catechismus (zondag 40) op de vraag: "Wat eist God in het zesde gebod"? (Gij zult niet doden).

De Oud-Katholieke aartsbisschop schreef kort daarop (8 juni) aan ds. Gravemeyer:

(...) Hedenmorgen ontving ik van particuliere zijde een afschrift van een "protest" van 9 kerken in zake de sterilisatie-zaak. Tegelijkertijd verneem ik, dat zelfs Rooms-Katholieken er hun bevreemding over uitspreken en het betreuren, dat onze kerk niet onder de ondertekenaars behoort. Mijn medebisschoppen en ik moeten dit van harte beamen: wij behoorden eveneens daaronder te staan... [8.1]

Daarop stuurden de bisschoppen van de Oud-Katholieke kerk een brief aan de Rijkscommissaris waarin zij hun instemming met het protest tegen de sterilisatie betuigden.

Het protest werd niet vanaf de kansels voorgelezen, wel aan alle kerkenraden toegezonden. De Gereformeerde deputaat dr. A.A.L. Rutgers voorzag het stuk van de aantekening: "Dit adres is niet bestemd voor publicatie of voor mededeling van de kansel; overigens is geheimhouding niet vereist maar acht ik het zelfs gewenst, dat de gemeente kennis draagt van dit adres." Touw wijst erop, dat de toon van het protest wel een heel andere was dan die van het eerste request over de maatregelen tegen de Joden (okt. 1940). Hij acht "dit profetisch getuigenis een der aangrijpendste documenten uit de gehele strijd der kerk tegen het goddeloze nationaal-socialisme. De toon doet denken aan die van de grootste documenten uit klassieke tijden: aan Guido de Bres, aan John Knox." Herzberg vindt dat het "tot het mooiste Nederlands behoort dat ooit in het Duits is geschreven." [8.2] Ook ditmaal kwam er geen rechtstreeks antwoord van Seyss-Inquart, maar zijn voornaamste Sachbearbeiter op kerkelijk gebied, prof. H. Nelis, deelde mee dat de sterilisatie op basis van vrijwilligheid plaatsvond, dat Rauter ermee belast was en de kerken zich dus tot hem dienden te wenden. Waarop de kerken nogmaals aan Seyss-Inquart een brief gestuurd hebben waarin zij schreven dat zij "Uwe Excellentie beschouwen als de uiteindelijk verantwoordelijke voor alles wat in ons land gedurende de bezettingsjaren geschied is en nog geschiedt."

<115>