De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening

d. De audiëntie

Chapter 173,349 wordsPublic domain

Zoals al bleek uit de brief van Scholten aan Gravemeyer, was men voornemens een audiëntie bij de Rijkscommissaris aan te vragen. Daartoe vond allereerst een onderhoud plaats met de secretaris-

<78>

generaal van justitie, prof. J.J. Schrieke. Prof. P. Scholten en ds. Gravemeyer vertegenwoordigden de Hervormde Kerk, mgr. Van de Loo de bisschoppen, dr. J.J.C. van Dijk de Gereformeerde Kerken, terwijl de overige Protestantse kerken vertegenwoordigd werden door een vijftal afgevaardigden, onder wie ook ds. Buskes. Het onderhoud vond plaats op 5 januari 1942. Prof. Schotten las een memorandum voor, waarin ingegaan werd op "de schier volslagen rechteloosheid, de onbarmhartigheid ten opzichte van hen die van Joodse afstamming zijn en het opdringen van de nationaal-socialistische wereldbeschouwing." We citeren het slot:

De Kerken doen dit (getuigen) in de eerste plaats tegenover de Secretaris-Generaal van justitie, die thans in Nederland tot handhaving van het recht geroepen is en op wiens schouders te dier zake een zware verantwoor­delijkheid rust jegens het Nederlandse volk. Zij richten zich mede in hem tot zijn ambtgenoten, Secretarissen Generaal der overige Departementen. De Nederlandse Kerken vragen voorts de Secretaris-Generaal van justitie haar een audiëntie te verschaffen bij de hoogste Duitse autoriteit, die over deze dingen beschikt, opdat zij ook tegenover die autoriteit van haar oordeel mogen doen blijken.

Nadat prof. Schotten een en ander had toegelicht, antwoordde Schrieke dat hij niet terstond op het adres kon ingaan, omdat het niet van tevoren te zijner kennis was gebracht. De kerken moesten zich realiseren "de niet te weerhouden kracht van de wereldgebeurtenis, die bezig was zich te voltrekken en die te vergelijken was met een sneltrein die in grote vaart alles wat zich op zijn weg plaatst vermorzelt." Schrieke, die N.S.B.-er was, is na de oorlog veroordeeld tot de doodstraf, later omgezet in levenslange gevangenisstraf.

De gevraagde audiëntie werd toegestaan. Het was de bedoeling dat de heren Schotten (Herv.), Van de Loo (RK) en Van Dijk (Geref.) zouden gaan. Maar Seyss-lnquart liet weten dat hij prof. Schotten niet wenste te ontvangen. Men informeerde naar de reden daarvoor; intussen werd prof. Schotten gevangen genomen, waarna hem een plaats van internering werd aangewezen. Overwogen is toen om af te zien van de audiëntie, maar ten slotte besloot men dat prof. W.J. Aalders in de plaats van Schotten de Hervormde vertegenwoordiger zou zijn.

<79>

De audiëntie vond plaats op 17 februari (een dag na de val van Singapore; geen vrolijk moment) in een zaal van het departement van Buitenlandse Zaken. Een portret van Hitler hing aan de muur. Aan de ene kant van een grote, ronde tafel zat Seyss-Inquart, met aan zijn rechterhand prof. Schrieke en links F. Schmidt. Tegenover hem mgr. Van de Loo, prof. Aalders en dr. Van Dijk. De vergadering begon om twaalf uur. Allereerst leidde prof. Aalders het - van tevoren toegezonden - memorandum in, waarvan het begin en ook de opmerkingen over de vervolging van de Joden letterlijk overeenstemden met het stuk dat al eerder aan Schrieke was aangeboden. Deze luidden als volgt:

Verder dient de behandeling van hen die van Joodse afstamming zijn genoemd te worden. De Kerken onthouden zich hier van een beoordeling van het antisemitisme, dat zij overigens vanuit Christelijke beweegredenen principieel afwijzen. Ook wensen zij nu niet een debat te openen over de politieke maatregelen tegen de Joden in bel algemeen. Zij wensen zich te beperken tot het feit dat in de loop van het jaar 1941 talrijke Joden gevangengenomen en weggevoerd zijn, en dat sindsdien officiële mededelingen omtrent schrikbarend hoge sterftegevallen onder deze gedeporteerden zijn binnengekomen. De Kerken zouden hun meest elementaire plichten verzaken, als zij niet van de Overheid zouden verlangen dat aan deze maatregelen paal en perk wordt gesteld. Dit toch is een eis van Christelijke barmhartigheid.

Seyss-Inquart ging daarna uitvoerig in op de diverse naar voren gebrachte punten, blijkbaar aan de hand van notities gemaakt op basis van het ontvangen memorandum. Hij ging daarbij uit van Rusland: hiertegen moest alles gericht worden, hiermee alles vergeleken. Daarna sprak hij over de gerechtigheid, de barmhartigheid en de gewetensvrijheid.

Wat de Joden betrof, barmhartigheid jegens hen te betrachten, zoals we gevraagd hadden, was naar het oordeel van de R. te veel verlangd. (...) Het was dan ook afkeurenswaardig, dat wij hier in Nederland de Joden als volwaardige vaderlanders beschouwden en hun de volle staatsburgerlijke rechten toekenden. Neen, barmhartigheid jegens hen was misplaatst; alleen kon men, voorzover het algemeen belang zulks gedoogde, recht en gerechtigheid jegens hen laten gelden.

Dat was de reactie van Seyss-Inquart, naar de aantekeningen van officiaal Van de Loo en weergegeven in "Delleman". Mgr. Van de Loo was het die tijdens de discussie terugkwam op het lot der Joden:

<80>

foto 14. De audiëntie bij Seyss-Inquart, naar een tekening van J.H. Isings uit 1945. Van links naar rechts: dr. J.J.C. van Dijk, prof. dr. W.J. Aalders, mgr, F.E.H. van de Loo, prof. mr. J.J, Schrieke, Seyss-Inquart en E. Schmidt

Wat de Joden betreft, werd de R. er door mij aan herinnerd dat niet alleen recht en gerechtigheid, maar ook barmhartigheid Christenplicht was en dat de hoogste Christelijke norm niet ras, bloed en bodem was, maar de wet van het Evangelie, die rassenhaat categorisch veroordeelde. Overigens, zo betoogde ik, zouden wij al verheugd zijn wanneer althans de rechtvaardigheid tegenover de Joden betracht werd, daar tot nu toe vaak hun meest elementaire rechten met voeten waren getreden. Speciaal voor onze Joodse volksgenoten vroegen wij rechtvaardige behandeling, overtuigd als we waren dat tallozen onder hen als onschuldige slachtoffers waren gevallen van de rassenhaat, hoewel zij zich steeds als eerzame burgers gedragen hadden.

Dr. Van Dijk vroeg of de onbarmhartigheid tegenover de Joden zover ging dat er geen barmhartigheid zou worden geoefend tegenover de individuele Jood. Het antwoord was: "neen". Gevraagd naar het standpunt ten opzichte van de Christen-Joden, was het antwoord eveneens: "geen barmhartigheid: het Jodenvraagstuk moet in zijn geheel worden opgelost.

<81>

Prof. Aalders zei, na afloop: "Mijn indruk is dat deze audiëntie niets goeds kan doen verwachten. Wij kunnen het alleen van belang achten, persoonlijk en tegenover de Kerk, dat we een getuigenis hebben afgelegd."

e. De gevolgen

Prof. Schrieke beweerde na de audiëntie dat de Rijkscommissaris toch wel onder de indruk was geweest. Seyss-Inquart was Katholiek opgevoed; een broer van hem is zelfs enkele jaren kloosterling geweest, maar daarna uitgetreden. [5.7] Toch bleek de pessimistische taxatie van de vertegenwoordigers der kerken juist te zijn geweest: de Duitse onderdrukking ging in verscherpte mate door, met name de terreur tegen de Joden. Zomer 1942 zouden de massadeportaties beginnen. Prof. Aalders werd kort daarop gearresteerd, overigens niet vanwege zijn deelname aan de audiëntie maar omdat hij hoofdbestuurslid was van een van de grote Christelijke school-organisaties.

Het I.K.O. was voornemens de plaatselijke gemeenten in te lichten over de audiëntie en bovendien over nieuwe maatregelen van de bezetter. Daartoe werd een kanselboodschap opgesteld, die op zondag 22 maart zou worden voorgelezen. De Sicherheitspolizei bleek evenwel op de hoogte, want ds. Gravemeyer ontving een boodschap waarin gewaarschuwd werd voor de gevolgen ("gevangenis of erger") als de afkondiging zou doorgaan. Gravemeyer deelde daarop mee dat de kerken zich zouden beraden, maar "dat de kerken onder geen enkel beding op dit punt zouden kunnen toegeven en zich door de Duitse overheid zouden kunnen laten voorschrijven wat zij al of niet mochten laten afkondigen". Het I.K.O. heeft daarop besloten, op die datum de afkondiging niet te laten doorgaan "om een acuut conflict te voorkomen", zoals geschreven werd in een protestbrief aan Seyss-Inquart (7 april 1942), waarin tegen het ingrijpen van "de politie" geprotesteerd werd. Bij dit besluit hebben de bisschoppen zich uit solidariteit aangesloten, aldus Stokman, m.a.w. zij hadden wel openbaar mededeling willen doen van de audiëntie. Wel werd kort daarna, op zondag 19 april, in alle (bij het I.K.O. aangesloten) Protestantse kerken een "Getuigenis" voorgelezen dat als volgt begon:

<82>

Het is de gemeente bekend, dat de Kerk met grote bekommering is vervuld over de gang van zaken in ons land, met name over de wijze waarop drie grondslagen van ons volksleven: de gerechtigheid, de barmhartigheid en de vrijheid van geweten en overtuiging, die verankerd liggen in het Christelijk geloof, zijn en worden aangetast. Over de rechteloosheid, de onbarmhartigheid tegenover het Joodse volksdeel en het opdringen van een recht tegen het Evangelie ingaande, nationaal-socialistische levens- en wereldbeschouwing heeft de Kerk haar getuigenis gegeven.

Ds. Gravemeyer bezocht - voor het eerst - mgr. de Jong om te bepleiten dat dit Getuigenis ook in de Katholieke kerken zou worden voorgelezen. Dat leverde praktische bezwaren op, maar in Utrecht lag een Herderlijke brief over de Arbeidsdienst klaar ter afkondiging, en de aartsbisschop laste de kernzinnen uit het Getuigenis, waaronder bovenstaand citaat, in de aanhef van de eigen Herderlijke brief in. [5.8]

In bovengenoemd Getuigenis was de audiëntie bij Seyss-Inquart niet vermeld. Maar men zond (21 april 1942) een zeer uitvoerige mededeling aan alle kerkenraden over een en ander, waar boven stond: "Uitsluitend bestemd voor interne voorlichting". Dat betekende, dat tienduizenden gelovigen over het ter audiëntie besprokene geïnformeerd werden; maar als men de publieke afkondiging had doorgezet, zouden het er een paar miljoen zijn geweest. Het I.K.O. had toch een stap terug gedaan. Toch denke men vanuit onze situatie niet te gemakkelijk over de zwaarte van de dilemma's van toen. Enkele predikanten en diverse gemeenteleden waren al omgekomen in het concentratiekamp. Kort daarop (4 mei) werd ds. Gravemeyer door de Duitsers in gijzeling genomen; de gijzeling zou voortduren tot 18 december 1942.

Twee dagen later (6 mei) zond de permanente Commissie Algemene Zaken van het Nederlandsch Israëlietisch Kerkgenootschap een brief aan ds. Gravemeyer met de volgende inhoud:

Het moge mij vergund zijn deze brief aan te vangen met een woord van diepgevoelde dank en erkentelijkheid voor het medeleven van de vaderlandse Kerk in het lot, dat de Nederlandse Joodse gemeenschap thans heeft te dragen. Ook wij zullen U wederkerig in onze gebeden gedenken en voor onze ogen houden het Psalmwoord 145 vers 19. (handtekening onleesbaar)

<83>

De woorden van dit psalmvers luiden: "Hij vervult de wens van wie Hem vrezen, Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen." [5.9]

Een aantal predikanten die - naar aanleiding van de afkondiging op 19 april - over Jodenvervolgingen gepreekt hadden, werden gevangen genomen; onder hen was de latere hoogleraar A.A. van Ruler.

f. De bordjes "verboden voor Joden"

Het was het Duitse plan om de Joden steeds meer te isoleren. Daartoe moest een bordje "Verboden voor Joden" worden aangebracht op alle openbare gebouwen. Ook de kerkgebouwen vielen daar onder. Niet alleen was de zondagse kerkdienst een openbare aangelegenheid en voor iedereen die dat wenste toegankelijk, maar bovendien werden in de kerkgebouwen door de week vergaderingen van diverse verenigingen en clubs gehouden. In het archief vond ik een brief van de "Raden der Gereformeerde Kerken van Metslawier en Nijawier", die aan hun burgemeester schrijven:

Als antwoord op de mondeling namens U gedane mededeling betreffende het aanbrengen van het z.g. Jodenbordje aan de consistorie of leerkamer, moge het volgende dienen: a. dat de kerkenraad der Geref. Kerk en van Metslawier en van Nijawier tegen deze aanbrenging principieel bezwaar heeft - de kerk van Christus mag geen onderscheid naar ras maken - en deze dies wil voorkomen; b. in afwachting van het resultaat der besprekingen van deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid te Den Haag daarom heeft besloten voorlopig alleen toegang tot bedoelde leerkamer te verlenen aan vergaderingen van hen, die als zuiver kerkelijk of zendingscollege of jeugd onder kerkelijk toezicht staan. [5.10]

Men kreeg in Den Haag van diverse kerkenraden verzoeken om advies. Het eerste antwoord was - zowel van de Algemene Synodale Commissie van de Hervormde Kerk als van Gereformeerde deputaten - dat "op een voor christelijke doeleinden bestemd gebouw het bewuste bordje principieel niet kan worden toegelaten, omdat het is een verloochening van het Evangelie."

<84>

Werd een aan de kerk behorend gebouw ook gebruikt voor niet-kerkelijke activiteiten (waarvoor het bord bevolen werd), dan moesten die voortaan achterwege blijven, liever dan dat men het bordje plaatste. Ook concerten of sport-activiteiten moesten dan maar vervallen. In de drie noordelijke provincies, evenwel eiste de procureur-generaal te Leeuwarden, dat het bordje zou aangebracht worden ook daar waar uitsluitend zuiver kerkelijke bijeenkomsten werden gehouden. Dit gaf aanleiding tot een aantal directe conflicten. Op 9 april 1942 hadden ds. Gravemeyer en dr. Van Dijk namens het I.K.O. een onderhoud met de secretaris-generaal van justitie, Schrieke. Ze zonden hem daarna een brief (24 april) waarin zij meedeelden:

(...) De Kerk mag niet dulden, dat op haar terrein geweld wordt aangedaan aan het beginsel van de toelating van allen, die krachtens het Evangelie van Jezus Christus, toelating begeren.

Nu kan men zich afvragen of er veel Joden "toelating begeerden", laat staan of dat het geval was in een of ander Fries dorp. Maar, het ging om het principe, zou het I.K.O. stellig geantwoord hebben. Hoe dan ook, in dezelfde brief werd voorgesteld:

1) dat in of aan kerkelijke lokaliteiten de bedoelde borden niet behoeven te worden aangebracht, indien deze lokaliteiten uitsluitend worden gebruikt voor godsdienst- oefeningen (en andere) vergaderingen van zuiver godsdienstig-zedelijke strekking. 2) dat, wanneer godsdienstoefeningen worden gehouden in niet-kerkelijke lokalen, tijdens de dienst in die lokalen geen verbodsbord aanwezig behoeft te zijn; dat algemene vergaderingen, met name ook jaarvergaderingen van (...) Christelijke verenigingen in kerkgebouwen kunnen worden gehouden.

Schrieke ging daarmee akkoord en wijzigde de verordening. Een krachtige houding namen de Hervormde predikanten van Sneek en omgeving aan: begrafenis­diensten vonden vaak plaats in het plaatselijk café. Welnu, de predikanten weigerden en gingen voortaan alleen voor als de dienst in een kerkelijk gebouw gehouden werd. De café-houders protesteerden! Toen zijn er hier en daar begrafenisdiensten in een café gehouden nadat eerst het verafschuwde bordje voor die dag verwijderd was. Zoiets lijkt haast komisch, maar het was een zaak van grimmige ernst. Dat besefte de Sicherheitsdienst, die een betreffende predikant bedreigde voor 't geval hij nog eens het bordje zou laten weghalen.

<85>

De motivering van het I.K.O. bleef wat vaag: het antisemitisme werd niet genoemd, terwijl het daarom toch juist ging. De bisschoppen evenwel waren duidelijker in hun afwijzing. Van Rooij vermeldt dat Mgr. de Jong in overleg met de andere vier bisschoppen het aanbrengen van de bordjes op RK instellingen verbood, "omdat die bordjes een uiting zijn van principieel antisemitisme en daar mogen zeker onze RK instellingen niet aan mee doen." Iets later stelde de aartsbisschop zich 'permissief' op als het om sportterreinen of zwembaden ging (toen waren er nog Katholieke...), m.a.w. men behoefde ze niet te verwijderen als de politie ze had aangebracht. Maar op RK leeszalen mocht het absoluut niet en evenmin op het sociëteitsgebouw van het RK studentencorps te Nijmegen. "De Rector Magnificus was van mening dat het bordje mocht blijven hangen. Er hingen er al zo veel in Nijmegen. De burgerij zag het toch als een teken van overmacht." Mgr. de Jong was het daar niet mee eens:

Als Wij Ons niet vergissen, zijn de katholieke studentenverenigingen van Wageningen en Nijmegen de enige die nog bestaan. In deze omstandigheden zouden Wij het betreuren als alleen die beide zich aan de bepaling zouden onderwerpen. De studenten zullen het offer moeten brengen.

In september 1942 liet het Episcopaat haar principieel afwijzende houding ten opzichte van de bordjes varen. De deportaties waren in volle gang. De bordjes kwestie was een bijzaak geworden; aldus van Rooij. [5.11]

6. MASSA-DEPORTATIES; HET TELEGRAM

a. De situatie (tweede halfjaar 1942)

Belangrijke oorlogshandelingen waarvan de afloop gunstig voor de geallieerden was, deden de hoop in de bezette gebieden op een spoedige eindoverwinning stijgen. De aanval van geallieerde commando's op de Noord-Franse plaats Dieppe toonde aan dat de Engelsen in staat waren door de Duitse verdedigingswerken langs de kust heen te komen en zich zelfs enige tijd op het continent te handhaven (19 aug.). Op 13 sept. begon de Duitse aanval op Stalingrad, maar de Russen hielden stand en begonnen (19 nov.) hun tegen-offensief. De Engelsen onder generaal Montgomery vielen aan in Noord-Afrika (23 okt.) bij El Alamein. Kort daarop (nov.) landden Amerikanen en Engelsen in Marokko en Algerië, waarop de Duitsers nu ook Zuid- Frankrijk ("Vichy") bezetten.

16 juli.: vordering van koperen melkbussen, standbeelden en kerkklokken. Alle jeugdverenigingen zijn opgeheven. Deze week zijn er overal fietsen gevorderd. De Joden worden thans massaal weggevoerd naar Polen en Silezië. Ook de kerken hebben geprotesteerd. We hebben een huisgenootje gekregen, Leen, een Rotterdammertje van 3 jaar, waarvan de ouders bij het bombardement in 1940 omgekomen zijn. (Dat was Leo.- zijn vader en moeder waren Joodse vrienden, inderdaad uit Rotterdam maar niet omgekomen. Alle drie hebben de oorlog overleefd). 15 aug.: vandaag zijn er vijf gijzelaars doodgeschoten. 29 aug.: Leen is gisteren weer naar huis gegaan. Hij stak erg af bij de dorpskinderen en had daardoor nogal veel bekijks. Bovendien was het voor zijn gezondheid niet wenselijk om veel buiten te komen, dus daar moest ook op gelet worden. (We vonden voor Leo een ander onderduik-adres). 10 sept.: de taptemelk is nu ook op de bon: 1/4 L. per pers. per dag. Er zijn uitsluitend zijden veters in de handel en papieren zakdoeken. Vergunning tot het rijden op benzine wordt haast niet gegeven; verder rijdt men op houtgas, waarvoor de vergunning gemakkelijker gegeven wordt. 16 okt.: de familie Manasse (dorpsgenoten) is gevlucht of ondergedoken. 29 nov.: een groot deel van de kuststreek zal geëvacueerd moeten worden.

<88>

Eind juni had Seyss-Inquarts naaste medewerker Schmidt openlijk bekend gemaakt, dat de Joden uit Nederland gedeporteerd zouden worden. In juli begonnen de massa- deportaties. De eerste oproepen werden op zondag 5 juli per extra bestelling via de post bezorgd. Op 14 juli werd een grote razzia op Joden in Amsterdam gehouden. De volgende dag vertrok de eerste deportatie-trein van Amsterdam naar Westerbork. Van 14-17 juli moesten 4000 Joden uit Amsterdam zich op het Centraal Station melden. Op 2 augustus werden op verschillende plaatsen in Nederland Katholieke Joden gegrepen. Die maand werden er nog meer razzia's op Joden in Amsterdam uitgevoerd. Sindsdien bleven de treinen rijden: van Amsterdam naar Westerbork, en van Westerbork naar "het Oosten": week na week, maand na maand.

b. Nog een synode-vergadering

We zullen in dit hoofdstuk de gebeurtenissen rondom het protest van de kerken tegen de Jodenvervolging uitvoerig weergeven. Daartoe beginnen we evenwel met een kijkje in een synode-vergadering die - zo vermoeden we - een direct bij het protest betrokkene, dr. J.J.C. van Dijk, geholpen heeft bij het handhaven van een besliste houding. De synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland vergaderde eind mei en begin juni; daarna zou men pas weer in september bijeenkomen. De voortzetting van de synode, die al lang afgelopen had moeten zijn, was nodig geworden tengevolge van de leergeschillen die nu hoog oplaaiden. Hoe is zoiets mogelijk, terwijl er een wereldoorlog aan de gang en je land bezet is, denk je nu (en dachten toen ook al velen).

Op dinsdag 9 juni kwam dr. Van Dijk ter synodevergadering en rapporteerde over "de werkzaamheden, door deputaten (voor de correspondentie met de Hoge Overheid) verricht". Het bordje "Verboden voor Joden" kwam ter sprake, de Arbeidsdienst enz. [6.1]

<89>

Er volgt dan: "Nadat de praeses (voorzitter) aan dr. Van Dijk de dank der synode heeft overgebracht voor zijn vele bemoeienissen en hem Gods wijsheid en bijstand bij zijn verdere gewichtige arbeid heeft toegewenst en de vergadering hem Psalm 121:4 toegezongen heeft, verlaat dr. Van Dijk de vergadering." Dat psalmvers luidde, in de berijming van toen: De Heer zal U steeds gadeslaan Opdat Hij in gevaar Uw ziel voor ramp bewaar'. De Heer, 't zij g'in of uit moogt gaan, En waar g'u heen moogt spoeden, Zal eeuwig u behoeden.

Dat was meer dan een psalmversje; het was een gebed, een zegenbede. Die werd bij bepaalde plechtige gelegenheden in de kerk gezongen en de gemeente ging daar dan bij staan. Dat is ongetwijfeld ook op deze synodevergadering gebeurd. Men wist: deze man zet zijn vrijheid - misschien zijn leven - op het spel. Dr. Van Dijk wist: 'mijn synode staat achter mij' en mijn mede-deputaten; de broeders bidden voor ons en ze steunen ons.