d. De Gereformeerde synode
De classis Den Haag, daartoe aangewezen door de synode, besloot een "Bidstond voor de nood der tijden" uit te schrijven, die op 14 september 1941 gehouden is. De desbetreffende oproep spreekt zorg uit "ten opzichte van de voorziening van onze stoffelijke nooddruft, vooral in voedsel en huisbrand" en noemt ook de "vele belemmeringen voor onze christelijke actie op menig terrein." Nodig is een gebed om "getrouw makende genade" en om "verder standvastig te zijn... ook op het terrein van staat en maatschappij, niet het minst ook ten aanzien van het principieel karakter van onze scholen en jeugdverenigingen." En "om staande te blijven (...), zelfs dan wanneer gehoorzaamheid aan de Here gemis van noodzakelijk levensonderhoud dreigt mee te brengen." De Joden werden in de oproep niet genoemd.
Toen de generale synode - na op 25 maart 1941 voorlopig te zijn gesloten - op 9 december van dat jaar werd voortgezet, verwelkomde de voorzitter, ds. F.C. Meijster, speciaal "de broeders die in de vorige zittingen gedwongen afwezig waren". Dan volgt: "Helaas worden weer anderen uit ons midden gemist (...); van onze deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid mr. dr. J. Donner, die voor de derde maal van zijn vrijheid is beroofd, dr. A.A.L. Rutgers en mr. J.A. de Wilde. Daarna deelde hij mee:
Waar in de gelederen van deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid zulk een bres werd geslagen, heeft het moderamen opnieuw gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om andere broeders aan te zoeken in dit zo gewichtig en hoogst verantwoordelijk deputaatschap zitting te nemen. Dat daarbij dr. J.J.C. van Dijk, onze oud-minister van defensie, bereid gevonden werd zich een benoeming te laten welgevallen, en in plaats van dr. Rutgers onze kerken in het Convent van kerken te vertegenwoordigen, stemt ons tot grote dank. [4.7]
<68>
Nadat Donner de tweede maal gevangen genomen was, werd dr. A.A.L. Rutgers de vertegenwoordiger van de Gereformeerde Kerken in het Convent. Vrij spoedig daarop werd ook hij gevangen genomen. Toen J.J.C. van Dijk toetrad tot deputaten, was hij 70 jaar oud. Hij was officier geweest, lid van de Tweede Kamer en tweemaal minister van oorlog. Na de theoloog Kuyper en de jurist Donner werd nu dus een oud-militair benoemd. Al spoedig, na de internering van prof. Paul Scholten, zou dr. van Dijk voorzitter van het Convent worden. Hij is dat gebleven totdat ook hij (1 april 1943) gevangen genomen werd. Later zou J.J. Buskes schrijven: "Zij (Donner en Van Dijk) hebben honderdvoudig goedgemaakt, wat prof. Kuyper bedorven had. Ze waren niet alleen dappere, maar ook wijze mannen." [4.8]
Uit het openingswoord van ds. Meijster blijkt verder: "Feitelijk had het moderamen alleen opdracht de synode weer bijeen te roepen voor de (theologische) "meningsverschillen". Maar nu waren er ook andere redenen: vragen "die samenhangen met de bezettingstoestand van ons vaderland".
<69>
Het blijkt dat "meermalen is getracht het moderamen te maken (...) tot een bureau van advies of interventie, maar wij (...) hebben geen enkele stap gedaan in de richting van een regerend kerkelijk college of een centraal kerkelijk gezag". De kerken zelf moeten in haar meerdere vergaderingen haar eigen zaken beslissen, aldus ds. Meijster. Uit het rapport van deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid blijkt, dat vier van hun leden gevangen genomen waren en prof. J. Ridderbos aan arrestatie ontsnapt was door onder te duiken. Het aantal deputaten was dientengevolge geslonken van 8 tot 3. Voorts werd meegedeeld dat deputaten over gewichtige zaken steeds het moderamen van de synode hebben geraadpleegd. Over alles wordt uitvoerig aan de synode gerapporteerd: Arbeidsdienst, vakbeweging, kerkelijke pers, voorbede voor de Koningin, collectenverbod, enz. Over "de Joden kwestie" wordt gezegd:
Het onrecht de Joden aangedaan en de toenemende vervolging van onze Joodse medeburgers, welke reeds vroeger aan Uw deputaten aanleiding had gegeven om daartegen met de andere protestantse kerken bij de Rijkscommissaris te protesteren en waarop ze wederom hebben gewezen in hun request bovengenoemd tot het college van secretarissen-generaal gericht, bleef voor Uw deputaten evenzeer als voor de andere afgevaardigden in het convent een voortdurende oorzaak van ergernis. Ze hebben wel overwogen om gezamenlijk ten behoeve van de Joden, inzonderheid die naar het buitenland gevoerd waren en waaronder een schrikbarende sterfte heerste, tussenbeide te komen, maar de vrees, dat juist daardoor hun lot verergerd zou worden, waarom de Joden zelf verzocht hadden, dit niet te doen, weerhield hen tot dusver. [4.9]
Niet vermeld werd, welke Joden "verzocht hadden, dit niet te doen."
Daarop kwamen gedurende 4 dagen (9 - 12 december) alle in het rapport genoemde onderwerpen aan de orde, waarna het "in zijn algemene strekking" aanvaard werd.
<70>
e. Weinig activiteit
Voorjaar 1941 hield ds. J.J. Buskes een voordracht, waarin hij het protest van de kerken tegen de Jodenvervolgingen (zie boven, in hfdst. 2) besprak en toelichtte. Zijn toespraak werd gepubliceerd in het tijdschrift "Woord en Wereld". Waarop de Duitsers de verdere verschijning van dit blad verboden en ds. Buskes op 2 juli 1941 gevangennamen. Nu zaten er dus 3 ondernemende leden van het Convent vast (Gravemeyer, Donner en Buskes). Rutgers, de vervanger van Donner, was eveneens gearresteerd. Was het daarom, dat het Convent wat ingeslapen scheen? Men leek wel geïntimideerd. Datzelfde gold voor de twee grootste deelnemende kerken. Zoals we hierboven gezien hebben, stelde de Hervormde Kerk in haar herderlijk schrijven het antisemitisme niet aan de orde en lieten de Gereformeerde Kerken na, tot gebed voor de Joden op te roepen. Wie werkt, maakt fouten. Maar hier werden dingen nagelaten. Een grote matheid leek zich gedurende deze periode te hebben uitgespreid over de kerken. Van de vergaderingen van het Convent werden, om overigens begrijpelijke redenen, na maart 1941 geen notulen meer geschreven. Die waren toch al uiterst summier geweest. Dientengevolge is het niet meer na te gaan, of men althans overwogen heeft enige stap te doen ten behoeve van de Joden, die juist in deze periode steeds meer geïsoleerd en in het nauw gedreven werden. Uit de in de oproep tot een bidstond wel genoemde onderwerpen blijkt, hoe diep de oorlog begon in te grijpen in eigen kerkelijk en persoonlijk leven. Kwam het daardoor, dat men gedurende deze periode weinig of niet toekwam aan het opkomen voor de Joden? We laten het vraagteken staan, en vermelden nog dat het september 1941 (ook de christelijke) scholen verboden werd, voortaan Joodse kinderen toe te laten; de aanwezige Joodse leerlingen moesten weggestuurd worden. De Hervormde Raad voor kerk en school adviseerde de schoolbesturen, hieraan op geen enkele manier medewerking te verlenen. Ook de grote schoolorganisaties weigerden elke medewerking. Toen dreigde de betreffende secretaris-generaal: "indien u weigert de Joodse kinderen van uw school te verwijderen zullen de ouders van die kinderen daarvoor moeten boeten. [4.10] Voorwaar, een afschuwelijk dilemma.
<71>
5. DE KATHOLIEKE KERK GAAT MEEDOEN - AUDIENTIE BIJ SEYSS-INQUART
a. De situatie (eerste helft 1942)
Op 19 januari werd. prof. Titus Brandsma gearresteerd. Op 16 februari veroverden de Japanners Singapore; op 27 febr. vond de slag in de Java-zee plaats: het grootste deel van de Nederlandse vloot ging ten onder. Op 9 maart gaf het Koninklijk Nederlands-lndische Leger zich over. 3 mei: executie van 72 OD-ers (leden van de z.g. Orde-dienst, een van de eerste illegale organisaties). Op 15 mei moesten alle officieren zich melden en werden teruggevoerd in krijgsgevangenschap. Duizend Britse bommenwerpers deden een aanval op Keulen. Duizenden mannen moesten in Duitsland gaan werken. De Amerikanen behaalden een grote overwinning (4/5 juni) in de zeeslag bij Midway. Maar in Noord-Afrika heroverde generaal Rommel Tobroek (21 juni) en eind juni begonnen de Duitsers een groot offensief in Rusland.
2 febr.: De christelijke scholen worden ernstig bedreigd. Voor a. s. zondag is er een bidstond uitgeschreven. Het gaat om de benoeming van een N.S.B.-onderwijzer, wat het schoolbestuur geweigerd heeft. 10 febr.: In Noorwegen is Quisling nu de baas; als Mussert het hier maar niet wordt. 19 april Er is vanmorgen een kort maar krachtig stuk voorgelezen van de kansel. 20 mei., (neef) Jan de Nooij uit Ede is opgepakt wegens het dragen van een Jodenster. (Hij werd op 6 juni vrijgelaten). 7juni.- We verkopen op iedere babykaart twee luiers, met afstempeling.
In januari 1942 moesten Joden uit verschillende steden hun woonplaats verlaten: ze werden gedwongen zich in Amsterdam te vestigen. In maart werden personenauto's "voor Joden verboden". Vanaf 3 mei was iedere jood verplicht om in het openbaar de Jodenster te dragen. Op 30 juni werd gedecreteerd dat Joden zich van 8 uur 's avonds tot 6 uur 's morgens binnenshuis moesten bevinden.
<73>
b. De houding van de Katholieke Kerk
Tot nu toe was de Rooms-Katholieke Kerk niet betrokken geweest bij de acties van het Convent van Kerken. Toch heeft deze Kerk zich vroegtijdig en krachtig tegen het nationaal-socialisme verzet. Zoals we al eerder memoreerden, hadden de Nederlandse bisschoppen eerst het lidmaatschap van de N.S.B. "ontraden", terwijl ze in mei 1936 verklaarden dat "allen die aan deze partij in belangrijke mate steun verlenen, niet tot de H. Sacramenten kunnen worden toegelaten." Dit betrof de leiders van de N.S.B., niet de gewone leden. Deze maatregel werd tijdens de Duitse bezetting niet ingetrokken of verzwakt. Integendeel, op 13 januari 1941 werd verordend dat ook aan gewone leden van de N.S.B. de sacramenten voortaan geweigerd moesten worden. Dit gold bovendien voor sympathiserende leden, propagandisten en contribuanten. N.S.B. - ers mochten voortaan niet meer kerkelijk trouwen; als beide ouders van een kind N.S.B.-er waren, mocht het kind niet gedoopt worden. N.S.B.-ers mochten niet meer kerkelijk begraven worden. [5.1]
Foto 12. Aartsbisschop J. de Jong (foto uit 1946 t.g.v. zijn verheffing tot kardinaal)
<74>
Een en ander was door de aartsbisschop in overleg met de andere bisschoppen vastgesteld. Op 26 januari 1941 werd de maatregel overal vanaf de kansels bekendgemaakt. Toen de bezetter het RK Werkliedenverbond ophief, werd in een Herderlijke brief (van alle kansels afgelezen op 3 augustus 1941) uitgesproken, dat nu voortaan het lidmaatschap van nationaal-socialistische mantel-organisaties niet alleen verboden was, maar ook uitsluiting van de sacramenten met zich mee zou brengen.
De van Ameland afkomstige Jan de Jong (geb. 1885) was in 1935 coadjutor van de aartsbisschop van Utrecht geworden, en in 1936 diens opvolger. Toen, aan het begin van de Duitse bezetting, enkelen van zijn geestelijken hem wilden bewegen een enigszins tegemoetkomende houding jegens het nieuwe bewind aan te nemen was zijn antwoord: "Wat is dat voor onzin, heren? Ik wil geen tweede Innitzer zijn..." Innitzer was de Oostenrijkse kardinaal die de nazi's zeer ver tegemoet kwam. De aartsbisschop was voorzitter van het Nederlands Episcopaat en kwam als zodanig primus inter pares (de eerste tussen gelijken). Hij kon zijn mede-bisschoppen niets opleggen, maar diende hen te raadplegen en zo nodig te overtuigen. Dat waren de bisschoppen van Breda, Haarlem, 's-Hertogenbosch en Roermond. Vooral de bisschop van Den Bosch was aanvankelijk verre van militant, aldus Aukes, de biograaf van mgr. de Jong. [5.2] Van Rooij verschaft hier verdere bijzonderheden. Ook over de manier waarop de besluitvorming plaatsvond:
Het gezamenlijke beleid van de kerkprovincie werd bepaald in ongeveer 4 maal per jaar gehouden bisschopsconferenties en via rondzendbrieven. Zij gingen uit van een consensus voor het nemen van besluiten. De Aartsbisschop had als voorzitter een zeer invloedrijke stem, maar iedere bisschop had in zijn eigen diocees een grote vrijheid van handelen. [5.3]
Het volgende verhaal, verteld door biograaf Aukes, is typerend voor de aartsbisschop en evenzeer voor zijn beproefde steun en rechterhand, dr. J. Geerdinck.
<75> In de nacht van zaterdag op zondag 3 augustus, vlak voor de bovengenoemde afkondiging, rinkelde in het aartsbisschoppelijk paleis de telefoon. De Sicherheitspolizei wilde de aartsbisschop spreken, en wel onmiddellijk. De aartsbisschop laat dr. Geerdinck meedelen, dat de heren over een half uur komen kunnen. Beiden besluiten, dat de ontmoeting in scène moet worden gezet. De aartsbisschop dost zich uit in ambtskledij; in het grote vertrek voor bijzondere audiënties branden de luchters. Als er, precies om vier uur, gebeld wordt doet dr. Geerdinck open, vraagt de mannen van Himmler zich van hun jas te ontdoen en bestijgt voor hen uit de staatsietrap. Voor de deur aangekomen, vraagt hij hun namen, klopt en geleidt de heren naar binnen. De aartsbisschop staat in zijn ambtskledij achter de tafel en zwijgt. Dr. Geerdinck kondigt aan: "Excellentie, Obersturmführer Matzker en zijn adjudant." Monseigneur buigt licht, en blijft zwijgen. Geerdinck zegt: "setzen Sie sich". Iedereen gaat zitten, en iedereen zwijgt. Ten slotte haalt de Obersturmführer een smal rolletje papier tevoorschijn en begint voor te lezen: de afkondiging morgenochtend mag niet plaatsvinden. De aartsbisschop geeft te kennen dat hij de boodschap begrepen heeft, waarop zijn bezoeker zegt: "Het is nu vier uur. Alle pastorieën kunnen per telefoon bereikt worden. De voorlezing kan zonder moeite worden afgelast". De bisschop mompelt, dat dat hem duidelijk is. Dan is het weer stil, een lange tijd. Ten slotte zegt Geerdinck: "Heren, hebt U hiermee Uw opdracht vervuld?" Ze mompelen van ja, waarop Geerdinck opstaat en de bezoekers zijn voorbeeld volgen. Het papier, vermoedelijk een telexstrook, wappert achter hen aan terwijl hij hen uitgeleide doet. Geen woord. Bij de voordeur wervelt het strookje over de grond mee naar buiten. Geen groet. De volgende zondagmorgen gaat - uiteraard - de voorlezing overal door, de woorden non possumus non loqui klinken - "Wij kunnen niet zwijgen.
c. De RK in het Interkerkelijk Overleg (I.K.0.)
In de loop van 1942 besloot men, om de naam "Convent van Kerken- te veranderen in Interkerkelijk Overleg" (afgekort: I.K.O.). "Convent" kon niet, zo vreesde men, de indruk wekken dat het om een organisatie van kerken ging, die eventueel door de bezetter kon worden opgeheven. "Overleg" bedoelde de indruk te geven dat het ging om niet meer dan incidenteel overleg.
<76>
Er was al af en toe contact geweest tussen Protestantse voormannen en de aartsbisschop. Prof. Slotemaker de Bruïne had hem indertijd een afschrift van het allereerste protest tegen de Jodenvervolging (zie hierboven, hfdst. 2) doen toekomen en overwogen is toen om ook vanaf de Katholieke kansels een getuigenis te doen weerklinken. De meningen onder de bisschoppen waren toen evenwel verdeeld. [5.453] Verder was er overleg geweest inzake de schoolstrijd (met mr. J. Donner), de Winterhulp en het radiobeleid. De officiële relatie zou niet lang meer op zich laten wachten.
Op 31 oktober 1941 - uitgerekend op Hervormingsdag, zei men later - bezocht de toenmalige voorzitter van het I.K.O., de Amsterdamse hoogleraar Paul Scholten, mgr. de Jong en tijdens dat bezoek werden spijkers met koppen geslagen. Het was het begin van een blijvende betrokkenheid van de Rooms-Katholieke Kerk bij het I.K.O.
<77>
Naar ik meen is het feit, dat vandaag de dag de Katholieke Kerk lid is van de Raad van Kerken in Nederland, moeilijk los te denken van de beslissing die toen genomen is.
Prof. Schotten schreef, de dag na zijn ontmoeting met mgr. de Jong, aan ds. Gravemeyer:
Gisteren had ik een belangrijk onderhoud met de Aartsbisschop waarvan ik mij haast U op de hoogte te brengen. (...) Maar wat nog belangrijker is, is het gesprek over een protest bij de Overheid in de Jodenquestie. Niet alleen voelde hij daar veel voor, maar hij verklaarde zich bereid dat in dat geval de Rooms- Katholieke Kerk met onze Kerk gezamenlijk de bedoelde audiëntie zou aanvragen. Hij zou daarvoor dan een hooggeplaatst geestelijke aanwijzen. Hij maakte evenwel tweeërlei voorbehoud. Ten eerste kan hij dit niet alleen beslissen, maar moet hij met de andere bisschoppen overleg plegen. En in de tweede plaats voelde bij meer voor een algemeen protest over alle onrecht dan voor een betreffende alleen de Joden. Ik antwoordde dat ik dit principieel wel met hem eens was, doch dat dit algemene protest ernstig zou moeten worden voorbereid en gedocumenteerd, wat nog enige tijd zou kosten, terwijl de Jodenquestie haast heeft. Dit maakte wel indruk en hij zal mij nader berichten. (...) [5.5]
De bisschoppen gingen met de voorgestelde samenwerking akkoord. Besloten werd dat de officiaal van het bisdom, mgr. F.J.E.H. van de Loo, namens de bisschoppen het contact met het Convent van Kerken zou onderhouden. Vanaf eind 1941 heeft hij de meeste vergaderingen bijgewoond en protesten werden door hem mede-ondertekend. Van Rooij beschrijft zijn functie als volgt:
Mgr. Van de Loo was officiaal van het aartsbisdom, de hoogste canonieke rechter van de RK Kerk in Nederland, die in naam en in opdracht van de Aartsbisschop de canonieke rechtsmacht uitoefende. Hij was bovendien kanunnik van het metropolitaan kapittel te Utrecht. Het kapittel heeft tot taak de Aartsbisschop te adviseren en bij te staan in het bestuur van het aartsbisdom. Een hooggeschoold jurist, zowel in canoniek als in wereldlijk recht. [5.6]