De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening

d. Tweemaal concentratiekamp Buchenwald

Chapter 135,308 wordsPublic domain

De door de Lunterse kring gesignaleerde "maatregelen van hogerhand" tegen de Joden kwamen voor menigeen onverwacht. Men had kennis genomen van Seyss-lnquarts toespraak bij zijn ambtsaanvaarding en geloofd in de fraaie beloften ("Het tot nu toe geldende Nederlandse recht blijft van kracht"), maar niet goed geluisterd naar de daarop volgende beperking: "voor zover het verenigbaar is met de bezetting". Toen eind augustus 1940 de instructie afkwam dat Joden niet meer mochten worden aangesteld in overheidsdienst noch, indien al in dienst, bevorderd, gingen de hoogste nog aanwezige Nederlandse gezagsdragers - de secretarissen-generaal - hiermee akkoord (6 september), zij het na enig protest. Daarop werd aan de betreffende ambtenaren doorgegeven dat voortaan bij sollicitatiegesprekken de vraag naar het al of niet Jood-zijn gesteld moest worden. Een week later kreeg het hoofd van de sociale jeugddienst van het departement van sociale zaken, de 48-jarige N.H. de Graaf, deze opdracht van zijn secretaris- generaal. Hij weigerde, nam ontslag en las de volgende verklaring op maandag 16 september aan zijn medewerkers voor:

<40>

Foto 5. N.H. de Graaf

Het is mij een behoefte u, als mijn medewerkers, met een kort woord duidelijk te maken, wat het motief is geweest, waarom ik op 12 sept. jl. bij de waarnemende Secretaris-Generaal mijn ontslag heb ingediend. Het is mij n.l. op die dag duidelijk geworden, dat ook in ons land de z.g. ariër-paragraaf binnenkort zal worden ingevoerd. Hierdoor zal het dus noodzakelijk worden, bij aanstelling van personeel na te gaan, of de persoon in kwestie niet van Joodse afkomst is. Het is daarom dat ik mij genoodzaakt heb gezien, hoe lief mij mijn werkkring ook is, mijn ontslag in te dienen, daar ik voor mijn geweten als belijdend Christen en als Nederlander deze vraag aan wie dan ook nooit zal willen stellen. Iedere voorkeur van één mens boven een ander uit hoofde van zijn behoren tot een bepaald ras of volk, is in strijd met de diepste gronden van het geloof in Jezus Christus, in wie God, de almachtige Schepper van hemel en aarde, zich aan alle mensen op deze wereld wil openbaren, en voor wie ieder mens volkomen gelijk staat. Maar bovendien is een achterstelling van het Joodse volk in het bijzonder in strijd met de inhoud van Gods Woord en Zijn Evangelie, omdat het Gods wonderbare en ondoorgrondelijke wijsheid behaagd heeft, uit het volk der Joden de verlossing aan alle volkeren en rassen te schenken door Jezus Christus, naar het vlees een zoon van dit volk. Iedere verwerping van dit volk is daarmede een verwerping van Hem.

<41>

Het zal u duidelijk zijn dat, waar dit mijn diepste overtuiging uitmaakt, ik voor God en mijn geweten nooit kan medewerken aan de toepassing van bovengenoemde maatregel. Dat ik ook als Nederlander meen zo te moeten handelen, vindt zijn oorzaak in mijn overtuiging, dat het Evangelie, zeker sedert onze vrijheidsstrijd onder Willem de Zwijger, onlosmakelijk met ons volk verweven is, zodat deze houding t.o.v. het Joodse volk ook bij anders georiënteerde Nederlanders gemeengoed is geworden. Ten slotte mag ik er nog op wijzen, dat ik in geloof er mij van bewust ben, dat boven strijd en oorlog uit ieder mens persoonlijk en alle volkeren en rassen gelijkelijk door dit Evangelie van Christus worden aangesproken en dat ik daarin dus geen vriend of vijand onderscheid, of het Nederlander, Duitser, jood of wie ook is. Want allen hebben als waarlijk enig levensbrood Gods erbarmen en vergeving in Jezus Christus evenzeer nodig; ieder mens wie hij ook is; evenals ikzelf slechts uit die genade waarlijk leven en sterven kan. Boven alle stormen in deze wereld en in onze mensenharten uit, verwacht ik daarom de verlossing alleen van Hem die gezegd heeft: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde, en zie, Ik ben met ulieden alle dagen tot de voleinding der wereld". Wat mijn toekomst zal zijn weet ik evenmin als één uwer dit voor zich kan weten, doch bezorgd behoeft niemand daarover te zijn, omdat, terwijl ik weet, dat er in mij geen kracht is, ik alle kracht verwachten mag van Hem die een mens, ook in de grootste nood, nooit verlaat. Ik wil daarom eindigen met u voor te lezen Psalm 23, waarin nu reeds zoveel eeuwen geleden door de Joodse ziener dit onverwoestbare Godsvertrouwen wordt uitgesproken. "De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden: Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel, Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om zijns naams wil. Al ging ik ook in een dal der schaduwen des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij: Uw stok en Uw staf die vertroosten mij. Gij richt een tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegen-partijders. Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen alle de dagen mijns levens, en ik zal in het huis des Heren blijven in lengte van dagen." [2.7]

Zijn vrouw vertelde later: "Het was natuurlijk wel een probleem, zo opeens zonder betrekking, maar we dachten: er zal wel een oplossing komen. Je doet die dingen vanuit je geloof." De Graafs toespraak werd op grote schaal verspreid. Hijzelf werd kort daarop gevangen genomen en als gijzelaar opgesloten in het concentratiekamp Buchenwald, waar hij tot maart 1943 zou verblijven.

<42>

Omstreeks diezelfde tijd publiceerde dr. J. Eykman, een lid van de Lunterse kring, een tot brochure omgewerkte preek, ook al had hij die preek gemaakt in angst en beven. De brochure werd uitgegeven onder de titel Wij bouwen verder, maar op welken grondslag? (Verg. 1 Corinthiërs 3: l1). De "afgoderij van bloed en ras" werd scherp afgewezen: "Voor iedereen die ooit één woord in de bijbel gelezen heeft, is het duidelijk dat God het Joodse volk en het Joodse ras als een zegen in de wereld gewild heeft." De verkoop van deze brochure werd begin september verboden, maar toen waren er al 13.000 van verspreid. Ook dr. Eykman werd als gijzelaar naar Buchenwald gevoerd.

e. Het eerste protest

Terug naar het Convent van Kerken. De notulen van 30 september 1940 vermelden: "Onderwerp antisemitisme zal voorbereid worden door een nota van ds. Buskes, waarbij gevoegd zal worden afschrift van een advies door prof. Aalders uitgebracht aan de Synode der Herv. Kerk". Inderdaad is het onderwerp op de volgende vergadering besproken. Het advies-Aalders, opgesteld naar aanleiding van de bovengenoemde brief van de Lunterse kring aan de Synode, begon als volgt:

"De kerk heeft in eerste aanleg niet te doen met het antisemitisme, d.w.z. met het Semitische ras in het algemeen, maar met de aantasting van personen of groepen, die, als Joden, tot dit ras behoren. En ook hier moet de kerk, krachtens haar theologische visie, in de eerste plaats niet het oog hebben op de Joden in het algemeen, maar op de Joden, welke tot de kerk behoren, de christenen onder de Joden dus." [2.8]

Het memorandum van ds. Buskes had de volgende inhoud:

"De kwestie van het antisemitisme werd door mij aan de orde gesteld, omdat zij naar mijn overtuiging de verhouding van kerk en overheid raakt. De Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken heeft in opdracht van de Commissaris-generaal voor Bestuur en justitie aan de colleges van Gedeputeerde Staten der verschillende provincies brieven gestuurd inzake de benoeming of bevordering van Joden in openbare dienst (30 september en 3 oktober 1940). Uit deze brieven blijkt, dat voortaan onderscheid zal worden gemaakt tussen de Joodse en niet-Joodse Nederlandse burgers.

<43>

De Rijkscommissaris heeft toegezegd, in overeenstemming met het Landoorlog- regelement (1907) de in ons land geldende wetten te zullen eerbiedigen, behoudens volstrekte verhindering. De nieuwe verordeningen hebben met militaire belangen niet te maken. Zij zijn een uiting van het antisemitisme, dat behoort tot de wezenlijke bestanddelen van het Nationaal-Socialisme. Als zodanig betekenen deze verordeningen een principiële inbreuk op de vigerende wetgeving welke de onderscheiding van Joodse en niet-Joodse Nederlandse burgers niet kent.

Foto 6. Dr J.J. Buskes (na oorlogse foto)

Het antisemitisme is in strijd met het Evangelie van Jezus Christus, dat de kerken hebben te prediken. De kerken moeten, krachtens hun prediking van dit Evangelie, er op staan, dat aan de Joden hier te lande en in de gegeven situatie een behandeling op gelijke voet met alle andere burgers wordt verzekerd. Het antisemitisme zet de jood op zijn jood-zijn vast. Het werkt bij de jood de verharding en bij de niet-jood de verhovaardiging in de hand en staat de Evangelieprediking in de weg. Daarom staan de kerken met hun prediking van het Evangelie in dit opzicht achter de vigerende wetgeving. In het bijzonder moge ik er op wijzen, dat de verordeningen ook gelden voor het bijzonder onderwijs, dus o.m. ook voor de scholen met de bijbel, terwijl zij naar hun inhoud met het wezen van de scholen met de bijbel volstrekt in strijd zijn. Mijn voorstel is: Het Convent wende zich tot de Rijkscommissaris en make hem uit naam van de kerken hun principiële bezwaren tegen deze verordeningen bekend." [2.9]

<44>

Ook al kan men mijns inziens terecht tegen een zinsnede van deze nota bezwaar maken ("Het antisemitisme werkt bij de jood de verharding in de hand"), toch dwingt het geheel respect af. Blijkbaar is er naar aanleiding van de nota een felle discussie geweest. Ds. Buskes zou later vermelden:

Het heeft veel strijd en moeite gekost, om ten opzichte van de Joden kwestie tenslotte een waarlijk principieel geluid te laten horen. Bij velen ontbrak elk bijbels inzicht in wat de Jodenvervolging betekende. Met verontwaardiging denken wij terug aan wat een man als prof. Kuyper zowel in het IKO als in de Heraut over de Jodenkwestie ten beste gaf (De Joodse kwestie raakte de kerken niet rechtstreeks; reeds Groen van Prinsterer en Kuyper maakten onderscheid tussen Joodse en niet-Joodse burgers), met teleurstelling aan wat enkele anderen over de roeping der kerk tegenover de vervolgde Joden zeiden. Er waren ogenblikken, dat wij in dit opzicht niets, maar dan ook niets konden verwachten. [2.10]

Ten slotte besloot men tot het indienen van een request bij de Rijkscommissaris. Ook prof. Kuyper zette zijn handtekening, maar de twee Lutherse Kerken deden niet mee. In een brief gedateerd 17 oktober 1940 wordt de afwijzing als volgt gemotiveerd:

De Algemene Kerkelijke Commissie van het Hersteld Evangelisch Kerkgenootschap, op 16 juli 1940 in vergadering bijeen, kennis genomen hebbende van het voorstel ingediend bij het Convent van Kerken om namens voornoemd Convent een adres te zenden naar de Rijkscommissaris in verband met de z.g. Jodenverordening, heeft mij opgedragen U beleefd te berichten dat Zij Haar medewerking niet kan geven, omdat Zij van oordeel is dat Zij dan zou treden op het terrein van de Staat en het absoluut tegen het Lutherse principe is zich te bemoeien met Staatsaan- gelegenheden. Deze verordening toch betreft uitsluitend Rijks- en Gemeente ambtenaren en heeft niets te maken met de kerkelijke aangelegenheden. Zij is ervan overtuigd dat art. 5 van de Grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden een uitvloeisel is van de gedachten der Franse Revolutie, en dat een opkomen voor de rechten daarin vervat niet een strijden is voor de Zaak van Jezus Christus. Wanneer het om het laatste gaat zal Zij niet aarzelen om stelling te nemen en zo nodig het martelaarschap ondergaan, maar zulks is nu niet het geval." [2.11]

Men had in de betreffende commissie van deze - ongeveer 10.000 leden tellende - Kerk blijkbaar de kwestie van het al of niet meedoen met het protest besproken, onmiddellijk nadat ds. Buskes een en ander in het Convent aan de orde gesteld had. Zoals nog blijken zal, heeft deze Kerk met latere protesten tegen de Jodenvervolging wel meegedaan.

<45>

Het request - eigenlijk een protest - was gedateerd: 24 oktober 1940. Het l uidde als volgt:

Excellentie

De ondergetekenden, vertegenwoordigende de navolgende Protestantse Kerken in Nederland in zaken betreffende de verhouding dezer kerkgenootschappen tot de Hoge Overheid, te weten: 1. De Nederlandse Hervormde Kerk; 2. De Gereformeerde Kerken; 3. De Christelijke Gereformeerde Kerk; 4. De Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband; 5. De Remonstrantse Broederschap; 6. De Algemene Doopsgezinde Sociëteit, gevoelen zich gedrongen, naar aanleiding van de onlangs uitgevaardigde voorschriften, waarbij de benoeming en bevordering van ambtenaren en andere personen van Joodse bloede in Nederland wordt verboden, zich tot Uwe Excellentie te wenden. De strekking van de genomen maatregelen, waarbij gewichtige geestelijke belangen ten nauwste zijn betrokken, achten zij in strijd met de Christelijke barmhartigheid. Voorts treffen deze maatregelen de leden der Kerk zelve voorzover zij in de laatste geslachten tot het christendom zijn overgegaan en in volkomen gelijk- gerechtigheid, zoals de Heilige Schrift uitdrukkelijk verlangt (Romeinen 11: 12, Galaten 3:28), in de Kerken zijn opgenomen. Eindelijk worden de Kerken op het diepst ontroerd, omdat het hier betreft het volk, waaruit de Zaligmaker der wereld is geboren en dat het voorwerp is van de voorbede der Christenheid, opdat het zijn Heer en Koning lere erkennen. Het is om deze redenen, dat zij zich wenden tot Uwe Excellentie met het dringende verzoek te willen medewerken tot de intrekking van de bedoelde voorschriften. Zij doen daarbij een beroep op de belofte, door Uwe Excellentie in een plechtig uur geschonken, dat zij ons volkskarakter wil eerbiedigen en aan ons land geen ideologie wenst op te dringen, die ons vreemd is.

(10 handtekeningen)

<46>

H.C. Touw zou later schrijven: "De betekenis van dit eerste, gemeenschappelijke protest tegen de Jodenverdrukking, in een tijd toen een groot deel van ons volk de strekking nog niet doorzag, kan niet licht overschat worden. Voor het eerst getuigden de kerken tezamen, getuigden zij tegen het antisemitisme, getuigden zij op bijbelse gronden, en getuigden zij tijdig." Misschien was het belangrijkste van de indiening van dit request, dat men besloot om in alle kerkgebouwen mededeling aan de gemeente te doen van de indiening, met een korte samenvatting van de inhoud. Later zou de Hervormde predikant dr. H.M.J. Wagenaar, op wiens bureau (voor predikants­salarissen) de meeste stukken gestencild werden, aan L. de Jong vertellen hoe een besluit om een protest in alle plaatselijke kerken voor te lezen, uitgevoerd werd:

"Moest op zondag in alle hervormde kerken een bepaald schrijven voorgelezen worden, dan werden de gestencilde stukken als regel op woensdag gereedgemaakt en op donderdag door vertrouwde koeriers of koeriersters naar verschillende adressen in den lande gebracht. Van daaruit waarschuwde men de gedelegeerden van de classes; die lieten dan op vrijdag de stukken ophalen en droegen er zaterdag zorg voor, dat elke predikant het voor hem bestemde exemplaar ontving. Het was een distributiesysteem, buiten de post om, dat steeds feilloos functioneerde. Het element van risico dat er in stak (de stukken kwamen ook in handen van 'foute' predikanten) werd aanvaard." [2.12]

Zondag 27 oktober, aldus Touw, werd een keerpunt in de geschiedenis der kerk: "de stilte, waarin kerk en volk zovele maanden verkeerden, werd verbroken". Er waren gemeenteleden die alleen maar naar de ochtenddienst plachten te gaan, maar op die zondag ook naar de middagdienst kwamen om de afkondiging nog eens te horen.

Maar de Gereformeerde prof. H.H. Kuyper oordeelde, dat "het niet oorbaar moest worden geacht aan een verzoek publiciteit t. geven voordat het antwoord was binnengekomen" (Seyss-Inquart heeft niet geantwoord). Wel werd de tekst aan de plaatselijke kerkenraden gezonden, maar ook dat geschiedde met vertraging. Zo werd op 29 oktober in alle Hervormde kerkdiensten mededeling gedaan van het protest, maar de Gereformeerden hoorden er die zondag in hun kerkdiensten niets over, al was het protest ook namens hen ingediend.

<47>

Prof. Kuyper maakte de zaak nog erger door zijn poging een en ander uit te leggen in het weekblad de Heraut. De Duits-gezinde, Gereformeerde dr. H.W. van der Vaart Smit maakte daar direct gebruik van om "het Gereformeerde standpunt" tegen het Hervormde uit te spelen. Geen wonder, dat een en ander leidde tot scherpe kritiek op prof. Kuyper. Ongeveer twintig raden van (plaatselijke) Gereformeerde Kerken verzochten schriftelijk om opheldering, of protesteerden tegen het feit dat in de Gereformeerde Kerken niet publiekelijk mededeling van het request was gedaan. Daarop liet prof. Kuyper weten, dat zijn hardhorendheid het hem steeds bezwaarlijker maakte, de besprekingen in het Convent van Kerken te volgen en dat hij daarom zijn mede-deputaat, mr. J. Donner, verzocht had zijn plaats in het Convent in te nemen. Later zou de geschiedschrijver van de Gereformeerde Kerken, Th. Delleman, schrijven: "Helaas nam prof. Kuyper, toen het op wezenlijk verzet aankwam, een zodanig standpunt in dat hij het vertrouwen der kerken verloor. Hij zag de Duitsers vrijwel alleen als Duitsers, voor wie hij altijd veel gevoeld had, meer dan voor de Engelsen, die eens de Boeren overweldigden. Hij miskende de dodelijke ernst waarmee de Duitsers het nationaal-socialisme begonnen in te voeren en schreef artikelen in de Heraut die de Duitsers in het gevlei kwamen."

Ook in de Evangelisch-Lutherse Kerk (rond 80.000 leden) kwam kritiek op het niet-meedoen met het protest. Het bleek nodig, een bijzondere synode bijeen te roepen. L. de Jong vermeldt:

"Daar kreeg de synodale commissie (het kerkbestuur) nog juist een meerderheid voor haar besluit, de brief aan de Reichskommissar niet mede te ondertekenen. Het was een Pyrrhus-overwinning, want toen de uitslag van die stemming bekend werd bij de gemeenten, rees er zulk een storm van protesten dat de synodale commissie het geraden achtte, afgevaardigden van alle kerkenraden in vergadering bijeen te roepen. Hier bleek duidelijk dat men wenste, dat de Evangelisch-Lutherse Kerk voortaan met de overige protestantse kerkgenootschappen één lijn zou trekken." [2.13]

De kranten mochten de indiening van het protest en de afkondiging ervan vanaf de kansels niet publiceren. Dit verbod werd evenwel overtreden door het antisemitische blad De Misthoorn, dat in een artikel getiteld Eén in Juda de afkondiging woordelijk afdrukte.

<48>

Bij ons thuis gingen we naar de diensten van de Gereformeerde Kerk en daar werd dus niets voorgelezen of bekend gemaakt. Het weekblad De Heraut lazen we niet, en ook prof. Kuypers poging tot uitleg ging ons dus voorbij. Wel hebben we - enige tijd later, neem ik aan - N.J. de Graafs toespraak bij zijn ontslag- aanvrage gelezen. Die maakte diepe indruk.

Ruim een week na de afkondiging, op 5 november, vergaderde het Convent. De notulen vermelden: "De voorzitter herinnert er aan, dat het onlangs tot de Rijkscommissaris gerichte verzoek inzake verordening 137/1940 niet van het Convent is uitgegaan en dat niet alle in het Convent vertegen­woordigde kerken daaraan hebben deelgenomen. In verband daarmede wordt het onderwerp antisemitisme (zie verslag zesde vergadering, par. 13) van het agendum afgevoerd." Het commentaar van ds. Buskes: "De Duitsers hebben ervoor gezorgd dat dit onderwerp weer op de agenda is gekomen."

<49>

3. VERSCHERPING

a. De situatie (november 1940 - maart 1941)

Op 5 november werd president Roosevelt herkozen. Op 9 december begonnen de Engelsen hun offensief in Noord-Afrika, aanvankelijk met succes. Op 25 en 26 februari (1941) vond de grote staking in Amsterdam plaats, die als "de februari-staking" de geschiedenis zou ingaan. Op 13 maart executeerden de Duitsers 15 "Geuzen" (leden van een van de eerste verzets­organisaties) en 3 februari-stakers: "de achttien doden", het bekende gedicht van Jan Campert.

3 nov.: Eieren, aardappelmeel, sago, koekjes, gebak enz. zijn nu ook op de bon evenals kaas. Er is haast niets dat zonder bon verkocht mag worden, en verschillende dingen, zoals room en levertraan, koop je alleen op gecontroleerd doktersadvies. Goede toiletzeep mag niet meer verkocht worden. Wel een eenheidszeep, maar dat is bocht en nog op de bon ook. De schoolkinderen hebben van vrijdag tot dinsdag vrij, vanwege de brandstofbesparing. 24 nov.: Erwten en bonen zijn nu ook op de bon maar ze zijn heel slecht te krijgen, evenals boter en eieren. (Dan volgt een typische vermelding die de hele oorlog door in diverse formuleringen zal worden neergeschreven. JMS.) Men voorspelt dat er met Kerstmis oproer zal komen, omdat de Moffen dan naar huis willen. Misschien zijn we dan met Nieuwjaar van het hele gezeur af. 22 dec.: De dominees worden tegenwoordig, tenminste door de jongelui, afgemeten naar de wijze waarop ze zachtkens de politiek erbij halen in de preek. Hoe meer, boe liever, al is 't gevaarlijk. 1 jan. (1941): Vandaag hebben we 1/3 van één van Wims konijnen opgegeten. Gelukkig maar dat we hem hadden, want we hebben geen kruimel gewoon vlees gehad. 7 jan.: Nu is het tot overmaat van ramp ook nog vreselijk koud en we hebben weinig kolen. Bonnen genoeg, maar er worden er haast geen geldig verklaard. 22 jan.: We stoken veel hout en cokes want kolen zijn er bijna niet meer. Gelukkig is de vorst voorbij. Toch heeft de Rijn nog dicht gezeten.

<50>

2 febr.: De nieuwe (textiel) puntenkaart is er: 100 punten voor 7 maanden. Thee en koffie-rantsoenen zijn al weer verminderd. We krijgen nu 125 g. koffie, of 50 g. thee in de 6 weken per persoon. 16 febr: Gisteren collecteerden (de politie-agenten) Driessen en Hengeveld voor de Winterhulp. Het was een zielig gezicht. 18 maart: Oud-minister Donner moest kortgeleden bij de Gestapo komen. Ze wilden wel eens weten, wie het eigenlijk is die ons volk ophitst. Antwoord Willem de Zwijger; die heeft ons volk vrijheidsliefde ingeplant.

In de tweede helft van november (1940) werden alle Joden in overheidsdienst van hun functie ontheven. Op 10 januari (1941) werd verordend dat "alle personen van geheel of gedeeltelijk joods bloed" zich moesten aanmelden. Op 9 februari werd de eerste overval op Joden in Amsterdam gepleegd. Drie dagen later werd de Joodse Raad ingesteld. Het ontslag van Joden in overheidsdienst viel op 21 februari. De eerste grote razzia vond plaats op 22 en 23 februari: 425 Joodse jongemannen werden gevangen genomen, zwaar mishandeld en gedeporteerd naar Buchenwald en Mauthausen. Op 22 maart werd verordend, dat de Joden uit het bedrijfsleven verwijderd moesten worden.

b. Bijna te laat

Ruim een week na de voorlezing van het protest van de kerken kwam het bevel, alle Joodse ambtenaren uit hun functie te ontheffen. Al eerder (20 september) had de bezetter van alle ambtenaren ondertekening van de z.g. 'Ariër-verklaring' geëist. Dit was de eerste maatregel waardoor van niet-Joden medewerking werd geëist om de Joden te isoleren en te treffen. Toch wordt, in het eerste protest van de kerken, juist deze Duitse maatregel niet genoemd, wel andere. Is men ervoor teruggedeinsd, de gelovigen openlijk op te roepen om de 'Ariër-verklaring' niet te tekenen? Een lid van de Lunterse kring, dr. J. Koopmans, schreef een korte brochure, Bijna te laat, een van de eerste "illegale" geschriften; de eerder genoemde brochure van de hand van dr. Eykman was nog "bovengronds" verspreid. We citeren de volgende gedeelten uit Bijna te laat:

<51>

foto 7 Dr. J Koopmans (ca 1945)

Wanneer onze 'intrede in de geschiedenis' gekocht moet worden tegen de prijs van een goed geweten, dan is het duizendmaal beter, dat wij uit de 'geschiedenis' verdwijnen, dan dat wij ons geweten verkopen. (...) Wie enigermate van nabij de kerkelijke methode van werken kent, zal er de kerkelijke autoriteiten geen verwijt van maken, dat het getuigenis pas zo laat gekomen is, bijna te laat. Met het oog op het al-of-niet invullen van de formulieren, die ons geweten moeten helpen verduisteren, is ook het kerkelijk getuigenis te laat gekomen. (...) Moet ik tekenen of mag ik "uit beweegredenen van barmhartigheid en op gronden aan de Heilige Schrift ontleend" de ondertekening alleen maar weigeren? Op deze vraag kan de Kerk van Nederland mij geen antwoord geven. Daarvoor is het te laat. (...) De volgende slag wordt moeilijker. Nu komt natuurlijk het ontslag aan personen 'van Joodse bloede'. (...) Zij gaan eruit - daaromtrent moeten we ons niet de flauwste illusies maken. Zij gaan eruit en zij gaan eraan.

<52>

Koopmans doet een beroep: "Laat de instanties, die nu tot ondertekenen van de verklaring verplicht of gedwongen of alleen maar gedrongen zijn, nu een duidelijke en onomwonden verklaring afleggen, dat zij tot het ontslag van personen 'van Joodse bloede' niet bereid zijn!" Hij richt zich speciaal tot de secretarissen- generaal, de burgemeesters, de bestuurders van christelijke scholen en omroepverenigingen. Ook de Maatschappij voor Geneeskunde, de Broederschap van Notarissen en de verenigingen van personeel in overheidsdienst worden aangesproken en vervolgens de Aartsbisschop, in zeer krachtige taal. De brochure besluit met de volgende woorden:

Volk van Nederland, het is bijna te laat - maar nog niet helemaal! Het is nog niet helemaal te laat om terug te keren tot het christelijk geloof en het goede geweten. Het is nog niet helemaal te laat om uit beweegredenen van barmhartigheid en op gronden aan de Heilige Schrift ontleend op te komen voor onze Joodse volksgenoten. Het is nog niet helemaal te laat om de Duitsers te laten zien, dat hun goddeloosheid niet alle dingen overwint, maar dat er érgens mensen wonen, die hun christelijk geloof en hun goede geweten niet zomaar laten roven. 0 God van Abraham, Izak en Jakob, Vader van onze Hete Jezus Christus! Kom Uw arme Christenheid te hulp en ontferm U over Nederland.

De brochure werd gedrukt te Noordwijk, in een oplaag van niet minder dan 50.000 exemplaren. 's Nachts werden ze in grote pakken naar Amsterdam vervoerd, en per post werden kleinere pakketten aan vertrouwde adressen in het hele land gezonden voor verdere verspreiding. De secretarissen-generaal en alle burgemeesters, notarissen en besturen van christelijke scholen kregen de brochure toegezonden. Op hen speciaal immers deed de auteur zijn beroep. Enkele maanden later, in april 1941, stonden een 57-jarige burgemeester en een 25-jarige chemicus terecht voor het Duitse Landesgericht, omdat ze te Deventer in november 1940 de brochure verspreid hadden. De eerste beklaagde kreeg de gelegenheid, zijn zienswijze als Christen uiteen te zetten, maar dat leverde hem geen voordeel op. Integendeel, hij werd veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf. De tweede beschuldigde kreeg één jaar; beiden met aftrek van voorarrest. In zijn requisitoir noemde de "General-Staatsanwalt" een dergelijke propaganda zeer gevaarlijk voor het Nederlandse volk, "want daarin wordt het Jodenprobleem voorgesteld als een christelijke zaak. Dat is niet juist ...." (Touw, I, 392).

<53>

c, Een brief en twee arrestaties:

In de vergadering van het Convent van Kerken op 25 februari 1941 - de dag waarop in Amsterdam de februari-staking uitbrak - besloot men een brief te sturen aan het college van secretarissen­generaal; zij immers waren, sinds het vertrek van de Nederlandse regering, de hoogste Nederlandse gezagsdragers. Dit schrijven werd verzonden op 5 maart. Ditmaal ondertekende ook de vertegenwoordiger van de Evangelisch Lutherse Kerk. De inhoud luidde als volgt:

(...) De Kerken zijn ten zeerste verontrust door de ontwikkeling der gebeurtenissen, gelijk deze zich meer en meer aftekent. De haar door God opgedragen verkondiging van Zijn Woord legt haar de dure roeping op om op te komen voor recht en gerechtigheid, voor waarheid en liefde. Zij moet ook haar stem doen horen waar in het openbare leven deze hoge waarden worden bedreigd of aangetast. Dat deze waarden ernstig gevaar lopen kan door hem, die de toestand van ons volksleven gadeslaat, moeilijk worden ontkend. Zo zijn in het beeld, dat de openbare straat meer en meer gaat vertonen, - in de behandeling welke in steeds toenemende mate aan het Joodse deel van de Nederlandse bevolking ten deel valt, - in de groeiende rechtsonzekerheid, - in de voortgaande aantasting van vrijheden welke de noodwendige voorwaarden zijn voor de vervulling van Christenplichten, even zovele duidelijke symptomen te zien van een toestand, die niet alleen een klem legt op het geweten van onze landgenoten, maar ook naar de diepste overtuiging der Kerken indruist tegen de eis van Gods Woord. Het is om die reden dat de Kerken zich genoopt gevoelen zich tot Uw College te wenden, met de dringende bede zoveel in Uw vermogen ligt te bevorderen, dat recht, waarheid en barmhartigheid ook in het huidige tijdsbestel de richtsnoeren zullen zijn voor het beleid der Overheid. Harerzijds erkennen de Kerken gaarne in ootmoed haar dure roeping het volksleven zodanig te bearbeiden en te beïnvloeden, dat daarin die geestelijke waarden metterdaad worden beleefd.

<54>

Wij vertrouwen, dat Gij de stem der Kerken, zoals zij in dit adres tot uiting is gebracht op de wijze die U daartoe dienstig zal voorkomen, mede zult willen doen doorklinken tot hen, die tijdens de huidige bezettingstoestand de uiteindelijke verantwoordelijkheid dragen voor de gang van zaken in ons Vaderland. Met volledig begrip voor de hoogst moeilijke taak waarvoor Uw College zich in dit tijdsgewricht gesteld ziet smeken zij God, dat Hij U Zijn licht en bijstand moge schenken.

De secretarissen-generaal hebben de brief niet beantwoord: zij beschouwden zichzelf niet verantwoordelijk. Evenmin voldeden zij aan het verzoek om de bezorgdheid der kerken over te brengen aan de bezettende macht. De Hervormde Synode zond afschriften van de brief aan alle plaatselijke kerkenraden, met de mededeling dat er geen bezwaar tegen was dat de gemeenten op de hoogte gesteld werden van de gedane stap. Afkondiging of publicatie van de brief was evenwel niet de bedoeling. Maar het nationaal-socialistische Nationale Dagblad publiceerde de volledige tekst, met als commentaar: "Bij zoveel volksvergif is de zwaarste straf te licht." Ds. Gravemeyer stelde in het Convent voor, de brief of een samenvatting daarvan van de kansels te laten voorlezen. Daar was men niet algemeen voor; wel was men voor toezending aan de kerkenraden van alle kerken. Aan ds. Gravemeyer werd verzocht, een boodschap tot de gemeenten voor te bereiden overeenkomstig de strekking van de brief. Die boodschap zou dan in de kerkdiensten worden afgelezen. Sinds december 1940 was prof. Slotemaker de Bruïne vanwege zijn ziekte uitgevallen en mr. Donner trad nu op als voorzitter. Op de vergadering van het Convent van 11 maart deelde deze mee, dat de synode van de Gereformeerde Kerken een herderlijk schrijven - waarover meer hierna - had opgesteld, dat in hun kerken op 23 maart zou worden voorgelezen. Besloten werd daarom, dat op die datum in alle bij het Convent aangesloten kerken een bidstond zou worden gehouden. Gravemeyer zond aan alle Hervormde predikanten een "oproep tot gebed", qua inhoud aansluitend op de brief aan de secretarissen-generaal. Deze oproep werd op woensdag 19 maart verzonden.

<55>

De Duitsers kregen er lucht van, dat er iets in de kerken stond te gebeuren. Waarschijnlijk heeft een predikant de stukken op woensdagavond ontvangen en aan hen doorgespeeld. De februari-staking lag nog vers in het geheugen. Op 20 maart zou Koningin Wilhelmina over radio Oranje spreken. Op die datum - donderdagochtend - werden de twee leiders van het Convent gearresteerd: secretaris Gravemeyer en voorzitter Donner. Eerst wist de een niet, dat ook de ander gevangen zat.

Foto 8. Mr. dr. J. Donner

Uit hun verhoren bleek, dat de bezettende macht de voorgenomen actie zag als vermoedelijk het sein tot een algemene opstand. Men drong er bij de arrestanten op aan, dat de afkondiging van de brief achterwege zou blijven. Ook werd het feit, dat de kerken zich tot de secretarissen-generaal gewend hadden, door de Duitsers beschouwd als een miskenning van hun gezag. Donner legde uit, dat hij niet gemachtigd was tot het besluit om voorlezing achterwege te laten, en dat overigens het herderlijk schrijven van zijn synode los stond van de brief aan de secretarissen-generaal. Hij bood aan, het stuk met zijn ondervrager door te nemen om aan te tonen dat het geen bedreiging van de openbare orde inhield. Zulks geschiedde, op zaterdag. Mr. Donner werd daarop 's avonds vrijgelaten. De volgende dag werd overal in de Gereformeerde Kerken het herderlijk schrijven voorgelezen.

<56>

Gravemeyer evenwel beloofde de Duitsers, zijn best te zullen doen om de afkondiging (van de samenvatting van de brief aan de secretarissen-generaal) te voorkomen, "om geen aanleiding te geven tot demonstraties of tegen-demonstraties". Die zaterdagavond werd aan de Hervormde dominees in de grote steden gevraagd wél de bidstond, maar niet de kanselafkondiging te laten doorgaan, om "door deze daad een overtuigend bewijs te geven dat de kerk geen politieke bijbedoelingen had." De gang van zaken leidde tot kritiek op ds. Gravemeyer. Had hij wel de bevoegdheid, persoonlijk de voorlezing van de kanselboodschap af te gelasten? Het vragen naar iemands bevoegdheid is in Protestantse kerken een goed gebruik.