De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening

c. De Lunterse Ring

Chapter 12696 wordsPublic domain

Toch waren de zomermaanden geen verloren tijd. Eind augustus werd te Lunteren een driedaagse "clandestiene" vergadering gehouden van een dertigtal predikanten en gemeenteleden, voornamelijk uit de Hervormde Kerk en het al eerder genoemde "Hersteld Verband" (een afsplitsing, sinds 1926, van de Gereformeerde Kerken in Nederland). De deelnemers hadden, vooral door het volgen van de strijd van de "belijdende Kerk" in Duitsland, al voor mei 1940 de gevaren van het nationaal- socialisme beseft. J.J. Buskes was in Lunteren aanwezig, evenals J. Eykman, J. Koopmans, K.H. Kroon, K.H. Miskotte en G. Oorthuys. Zij allen zouden een rol in het verzet spelen. Men besloot een brief tot de door de Hervormde Synode ingestelde, uit 19 leden bestaande commissie Kerkelijk overleg te zenden; ook ging er een afschrift naar het moderamen van de Gereformeerde synode. In deze brief drong men erop aan, dat de officiële kerkelijke instanties zich "zo beslist, zo helder en zo snel mogelijk ter voorlichting van de gemeente en, hetzij' direct of indirect, ook van ons volk in zijn geheel, zouden uitspreken over "de moeiten, zorgen en verzoekingen waarin wij en onze landgenoten verkeren." Met name genoemd werden "de beginnende antisemitische propaganda, de geestelijke vrijheid, opvoeding en school, en de willekeur van de bezettende macht". Over het eerstgenoemde punt schreef men:

<38>

"Wij kwamen diep onder de indruk van het feit, dat de antisemitische propaganda al veel verder in ons volk is doorgedrongen dan velen vermoeden en dat de overeenkomstige maatregelen van hoger hand (slachtverbod, verklaring van de luchtbeschermingsdienst enz.), bovendien de daden van belediging en overlast de Joden aangedaan (de verkoop van "Sturmer" en "Misthoorn" op de openbare weg, het opblazen van de synagoge te Zandvoort enz.) voor het geweten van tallozen een ondraaglijke last zijn geworden."

Buskes was een van de ondertekenaars. Hij was het geweest, die In het Convent der Kerken verzocht had het onderwerp antisemitisme op de agenda te plaatsen. Hij wist zich nu gesteund door zijn vrienden. Ook de leden van Kerkelijk Overleg, waaronder ds. Gravemeyer, die bovendien secretaris van het Convent was, werden aangemoedigd. Niet dat de brief van de kant van Kerkelijk Overleg een positieve reactie kreeg: men nam de brief niet in behandeling, maar gaf deze door aan het moderamen (bestuur) van de Hervormde Synode. Dit liet een antwoord opstellen door een commissie onder voorzitterschap van prof. W.J. Aalders. We komen op dat antwoord nog nader terug. Toch zou de "naar boven" uitgeoefende druk niet vergeefs blijken te zijn geweest. De brief zou de Gereformeerde synode inspireren tot het herderlijke schrijven dat in maart 1941 publiekelijk 11 dwz. in de kerkdiensten - voorgelezen werd. Het was een wisselwerking: vanuit de kerken kwamen stemmen die hun leiding om een duidelijk woord vroegen, en als dat woord dan ook kwam, en vooral als het hoorbaar (vanaf de preekstoel) in de zondagse kerkdienst weerklonk, werden de gelovigen aangespoord tot een houding en daden van verzet.

Zomer 1940 begint zich dus de tweede belangrijke ontwikkeling af te tekenen. De eerste was, dat de kerken elkaar vonden in een gemeenschappelijk en permanent beraad: het Convent van Kerken. De tweede was, dat men nu ook gezamenlijk en publiek ging spreken.

<39>

In onze tijd wordt het als een gewone zaak beschouwd dat een kerk, of de Raad van Kerken in Nederland, een publieke uitspraak doet over een of andere belangrijke zaak. Bij menigeen roept het publieke spreken van de kerken zelfs een gevoel van geïrriteerdheid op, indien naar eigen smaak de uitspraak te ver dan wel niet ver genoeg gaat. In 1940 was het doen van een publieke uitspraak iets geheel nieuws. De kerken hadden op dit punt geen enkele ervaring en de Hervormde Kerk - de grootste - had een kerkorde die, zoals al in het vorige hoofdstuk vermeld, publiek getuigen formeel onmogelijk maakte. Toch is dat getuigenis er gekomen, vele malen en over in die tijd brandende kwesties. Men richtte zich daarbij tegen een hardvochtige bezetter, die meermalen zou reageren met gevangenneming van sommige bij' de opstelling van een protest betrokkenen. Het eerste publieke woord van de kerken was gericht tegen de vervolging van de Joden en het antisemitisme. Dat was ook het eerste punt op het verlanglijstje van de "Lunterse kring".