De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening

c. Over synodes en deputaatschappen

Chapter 114,056 wordsPublic domain

De Hervormde geschiedschrijver H.C. Touw schrijft Synode, met een hoofdletter; de Gereformeerde Th. Delleman daarentegen schrijft synode zonder hoofdletter. Dat is niet toevallig. De inrichting van de diverse kerkgenootschappen vertoont op bepaalde punten onderling verschillen, bij voorbeeld wat betreft de taak van de synode. De besluitvorming komt op verschillende wijzen tot stand.

<24>

In het volgende vertellen we iets over de structuur van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Het meervoud (kerken!) is veelbetekenend: men hecht veel waarde aan de zelfstandigheid van iedere plaatselijke kerk (of: gemeente). Op 1 januari 1940 waren er, volgens het jaarboek van 1940, 788 (plaatselijke) kerken met 811 dienstdoende predikanten en 652.826 leden, waarvan 331.615 belijdende leden. Er waren dus 321.211 doopleden, toen voornamelijk kinderen. De toename over 1939 bedroeg 7.687 leden.

Vooral in de grotere plaatsen beschikte een gemeente vaak over meer dan een kerkgebouw, en meer dan een predikant. Iedere gemeente werd bestuurd door de kerkenraad: ouderlingen, diakenen en de predikant(en), allen gekozen door (toen nog alleen de mannelijke) belijdende leden. De kerkenraad stuurde afgevaardigden (een predikant en een ouderling) naar de classis: een regionaal verband van kerken dat eens in de drie maanden vergaderde. Deze classis vaardigde vertegenwoordigers af naar de particuliere (of: provinciale) synode die eens per jaar een dag vergaderde en dan afgevaardigden naar de generale (of: nationale) synode koos. Deze vergaderde eens in de drie jaar (tenzij er "enige dringende nood was om de tijd korter te nemen") enkele dagen en werd dan ontbonden. Zo was er een synode in 1933 en daarna weer een in 1936. Er waren 12 provinciale synodes: Limburg en Noord Brabant deden samen, maar Zuid-Holland en Friesland hadden elk twee particuliere synodes. Iedere provinciale synode mocht 4 leden afvaardigen naar de generale synode: 2 predikanten en 2 ouderlingen. De generale synode bestond dus uit 24 predikanten en 24 ouderlingen, plus, als prae-adviseurs, de theologische hoogleraren. Synode-leden waren meestal van rijpere leeftijd. Er waren geen vrouwen bij: zij hadden toen noch het actieve, noch het passieve kiesrecht, d.w.z. ze mochten niet kiezen en niet gekozen worden. Voor iedere synode koos men een vergaderplaats in weer een andere provincie. Als een synode bijeenkwam, begon men met een moderamen (bestuur) te kiezen, bestaande uit vier personen. Men vergaderde een aantal dagen, tijdens welke de nodige besluiten werden genomen. Dan werd de synode gesloten en ging iedereen naar huis. De synode was dus allerminst een permanent instituut.

<25>

De synode die in 1936 te Amsterdam bijeenkwam, vergaderde in totaal 16 dagen, werd toen voorlopig gesloten en kwam in 1938 nog twee dagen bijeen. In die tijd was er binnen de Gereformeerde Kerken een strijd ontbrand over bepaalde punten van de geloofsleer. Om die reden werd de volgende synode, die van Sneek, in 1939 niet definitief gesloten, maar waren er voortgezette synodevergaderingen: 6 dagen in 1940, 12 dagen in 1941 en 19 dagen in 1942. In 1944 zouden de leergeschillen tot een scheuring in de kerken leiden. Maar in ieder geval kon men van de nood (de leergeschillen) een deugd maken: door oorlog en bezetting dienden zich onverwachte maar dringende problemen aan en men had nu de gelegenheid om deze te behandelen. Het moderamen van de synode was gemachtigd om, na de sluiting van de synode, toe te zien op de uitvoering van de genomen beslissingen. Het werd daarin bijgestaan door deputaatschappen. Hierboven kwamen we het deputaatschap voor de zending onder de Joden al tegen. Een ander deputaatschap was dat voor "correspondentie met de Hoge overheid". De taak van deze commissie was voor de tweede wereldoorlog nauwelijks meer dan een ceremoniële: men stuurde namens de kerken bij voorkomende gelegenheden een condoleantie- of felicitatie-telegram aan leden van het koninklijke huis. Voorzitter van dit deputaatschap was de hoogleraar dr. H.H. Kuyper. Zijn "secundus" (vervanger) was mr. dr. J. Donner, oud-minister van justitie en lid van de Hoge Raad. Ook was hij de vader van de latere schaakmeester J.H. Donner.

d. Het lidmaatschap van de NSB.

Van belang voor de inperking van invloed en aanhang van de NSB. is geweest, dat drie Nederlandse kerkgenootschappen zich uitgesproken hebben over de nationaal-socialistische beginselen, deze veroordeelden en daaruit de consequenties trokken voor de leden van hun kerk die toegetreden waren tot de NSB.

<26>

Allereerst de Rooms-katholieke Kerk. De bisschoppen waarschuwden in een herderlijk schrijven van 2 februari 1934 alle Katholieken om, "in het belang van de Kerk en in het belang van ons gehele volk, niet mee te doen aan de fascistische en nationaal-socialistische stromingen".

"Wie ondanks dit Ons waarschuwend woord menen hun eigen inzichten te moeten doordrijven, mogen weten, dat zij een zware verantwoordelijkheid op zich laden en dat zij zich tegenover God en hun geweten hebben te verantwoorden over hun kortzichtige roekeloosheid." [1.9]

Een uitdrukkelijke veroordeling volgde op 6 mei 1936. De bisschoppen verklaarden dat "allen die aan deze partij (de NSB.) belangrijke steun verlenen, niet tot de H.H. Sacramenten kunnen worden toegelaten." [1.10]

Wanneer de synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland vergaderde, kwamen de vragen op de agenda die door de "mindere" vergaderingen gesteld waren. Al in 1933 had de classis Amersfoort aan de synode gevraagd, "hoe te handelen met de leden der gemeente, die zich aansluiten bij, en propaganda voeren voor de nationaal-socialistische beweging." [1.11] Men is er toen niet diep op ingegaan, maar in 1936 kwamen diverse provinciale synodes en klassikale (regionale) kerkvergaderingen met dezelfde vraag. Het was een jaar na de verkiezingsoverwinning van de NSB. Enkele kerkleden waren al door hun kerkenraad vermaand, en soms zelfs onder censuur gesteld (de censuur is de kerkelijke tucht waarbij de betrokkene van het Avondmaal afgehouden kan worden en leidde, na lang vermaan en met uitdrukkelijke toestemming van de classis, uiteindelijk tot een geschrapt worden als kerklid). Zo werd de bekende NSB.-er E.J. Roskam door de kerkenraad van Amsterdam-Zuid vermaand vanwege zijn artikel in "Volk en Vaderland", waarin hij de Gereformeerde Kerken aanviel. Hij' verklaarde daarop, dat hij zijn artikel, "alhoewel daar vele waarheden in voorkomen die ik moet handhaven, niet had mogen schrijven en daarom ook terugneem, omdat daar een oordeel gegeven wordt over onze Gereformeerde Kerken, dat mij' niet toekomt te vellen en op die plaats te publiceren." [1.12]

<27>

foto 3. Prof dr. K Schilder (1890-1952

Ook de vooraanstaande NSB.-er C. van Geelkerken werd door de raad van de Gereformeerde kerk te Utrecht vermaand. Hij, Roskam en ook Mussert zelf schreven daarop protestbrieven naar de synode. Delleman drukte Musserts brief volledig af. [1.13] De synode benoemde uit haar leden een commissie met als adviseurs de hoogleraren H.H. Kuyper en K. Schilder. Kuyper stelde voor dat de commissie zich incompetent zou verklaren en geen uitspraak zou doen. Dat voorstel werd verworpen. Het rapport, dat eerst door de commissie en daarna door de synode aanvaard werd, was gebaseerd op een concept van Schilder. [1.1414] Deze schreef kort daarop ter toelichting een brochure: Geen duimbreed! Na een paar dagen was er al een herdruk nodig. In het rapport worden vijf bezwaren tegen de NSB. ingebracht waaronder "het streven naar de machtsstaat" en "het exclusief nationalistisch karakter": En al moge ze (de NSB.) de "rassenvergoding" verwerpen, de manier, waarop zij zelfs tot in haar program toe (artikel 2) de eenheid van de "Dietse stam" op de voorgrond zet, toont, dat ze zich ook in dit opzicht niet onbesmet heeft gehouden; aldus het rapport."[1.15]

<28>

Op 2 oktober 1936 betuigde de synode haar instemming met het rapport. Alle plaatselijke kerkenraden zouden bij de NSB. aangesloten leden dienen te "vermanen om dit lidmaatschap te beëindigen, en zo nodig de betrokkenen af te houden van het avondmaal". Aan een na de oorlog gehouden enquête deden 521 van de 782 kerkenraden mee. Slechts twee daarvan bleken de maatregel niet te hebben uitgevoerd; 519 wel, ook na 14 mei 1940. Het ging, wat deze 521 gemeenten betreft, om een totaal van 272 Gereformeerde NSB.-ers. Sommigen hunner hebben door het vermaan der kerk hun dwalingen nog tijdens de bezetting ingezien en braken met de NSB., aldus Delleman. Een klein aantal Gereformeerde NSB.-ers werd na vermaan ten slotte afgesneden (van het kerklidmaatschap vervallen verklaard), terwijl 37 zich als lid onttrokken."[1.16]

Wie, na dit alles gelezen te hebben, nu vervuld is van bewondering voor de Gereformeerde karaktervastheid, dient ook te weten dat, tegelijk met de NSB., de socialistisch-pacifistisch georiënteerde Christen-Democratische Unie (CDU.) evenzeer door de synode op de korrel genomen werd. Dat komt ons nu onbegrijpelijk voor, maar ik herinner me, uit 1936, een inleiding op de jongelingsvereniging over de CDU. waarin de spreker betoogde: "De CDU. is geen unie, is niet democratisch en evenmin christelijk". Het is een schrale troost dat de (veel kleinere) Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland (40.000 leden) in 1937 uitdrukkelijk afzagen van een veroordeling van de CDU., maar wel besloten tot het uitoefenen van de tucht over kerkleden die lid waren van de NSB." [1.17]

e. Reacties op het antisemitisme in Duitsland

Hitler werd rijkskanselier op 30 januari 1933 en na Hindenburgs overlijden (2 augustus 1934) president, en opperbevelhebber van het leger. Onmiddellijk na de machtsovername in Duitsland begonnen de antisemitische maatregelen. Joodse winkels werden geboycot, Joden in overheids­dienst ontslagen.

<29>

De toelating van Joodse kinderen en studenten tot scholen en universiteiten werd beperkt. Op 15 september 1935 werden de beruchte Neurenberger wetten uitgevaardigd. "Gemengde" huwelijken waren voortaan verboden; vrouwen onder de 45 jaar mochten niet in dienst van Joden staan. Het Duitse staatsburgerschap zou voortaan mee door de "zuiverheid" van het bloed bepaald worden. Zomer 1938 werden ongeveer 1500 Joden gevangen genomen en opgesloten in concentratie­kampen. In oktober van dat jaar werden 15.000-17.000 Joden van Poolse afkomst gedeporteerd. Toen op 7 november 1938 in Parijs een aanslag werd gepleegd op de Duitse ambassadefunctionaris Ernst vom Rath, die op 9 november aan zijn verwondingen bezweek, was deze aanslag het voorwendsel voor het ontketenen van pogroms door heel Duitsland; in de zogenaamde Kristalnacht werden duizenden winkels van Joden geplunderd en synagoges verbrand. Meer dan 26.000 Joden werden gevangen genomen, velen hunner naar een concentratiekamp gevoerd; tenminste 91 vermoord. Als reactie op deze van hogerhand gesanctioneerde terreur probeerden velen Duitsland te verlaten. Dit gelukte in 1933 naar schatting aan 37.000 Joden. In 1934 was hun aantal 23.000 en in 1935 vluchtten er 21.000. Voor 1936 en 1937 bedroegen de geschatte cijfers respectievelijk 25.000 en 23.000. Vanaf begin 1938 tot 1 oktober 1941 - toen alle emigratie verboden werd - verlieten naar schatting 170.000 Joden het Duitse "Reich". [1.18]

Hoe waren nu de reacties op dit alles in Nederland? Er waren augustus 1933 naar schatting ongeveer 6.000 - politieke en Joodse - vluchtelingen in ons land. Mei 1934 besliste de regering dat niet-officieel toegelaten vluchtelingen aan de grens moesten worden tegengehouden, tenzij "aannemelijk wordt gemaakt dat terugkeer naar Duitsland onmiddellijk lijfsgevaar voor de betrokkenen zal meebrengen". [1.19] Statenloze vluchtelingen moesten naar Duitsland teruggeleid worden, maar met gematigdheid en zonder "aan overijling gepaard gaande hardheden". In totaal werden door Nederland ruim 30.000 vluchtelingen opgenomen, in verhouding meer dan door andere landen, aldus L. de Jong. [1.20] Maar Joodse vluchtelingen zijn in die jaren door de Nederlandse marechaussee in opdracht van de regering Colijn wel "teruggeleid" naar Duitsland. Na de Anschluss (waarbij Duitsland Oostenrijk inlijfde; maart 1938) verscherpte de Nederlandse regering haar restrictief beleid.

<30>

Vele predikanten ondertekenden een manifest (in 1933) waarin het antisemitisme werd afgewezen. [1.21] J.J. Buskes en W. Banning behoorden tot de sprekers op een grote protestvergadering. [1.22] Op 19 sept. 1935 was opnieuw Buskes een van de sprekers op een protestvergadering in de Apollo-hal, waar 6000 mensen aanwezig waren. De toespraken werden gepubliceerd in de brochure "Vrede over Israël". Er werd een Protestants hulpcomité, opgericht, het "Comité voor zogenaamde niet-arische Christenen". In 1938 werd de naam veranderd in "Protestants Hulp-Comité, voor uitgewekenen om ras of geloof'. We noemen deze verschillende reacties slechts terloops: het ging hier immers niet om officiële kerkelijke protesten. Van Roon verschaft uitvoerige gegevens in zijn Protestants Nederland en Duitsland 1933-1941.

Voor de tweede wereldoorlog heeft bijna geen enkel kerkgenootschap in Nederland officieel en publiekelijk geprotesteerd tegen de Jodenvervolgingen. Kerken in Duitsland, Groot-Brittannië, Zweden, Frankrijk en de Verenigde Staten hebben dat wel gedaan.[1.23] Vanwaar die zwijgzaamheid in Nederland? De volgende punten dienen hier genoemd te worden. Vrij algemeen was men binnen de kerken van oordeel, dat het doen van "politieke" uitspraken niet op de weg der kerken lag. Men had immers Christelijke politieke partijen? Toentertijd werd dan ook - in tegenstelling tot nu - geen enkele publieke uitspraak over welk politiek onderwerp dan ook door de kerken gedaan. Bovendien bestond er - in tegenstelling tot nu - weinig contact tussen de kerken; er was geen gezamenlijk optreden. Vooral de RK Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland zagen geen heil in interkerkelijke samenwerking. Daar komt dan nog bij, dat men algemeen bevreesd was voor het in gevaar brengen van Nederlands neutraliteit en van onze economische belangen: de handel met Duitsland. Ook beschouwde men, ofschoon het nationaal-socialisme afwijzend, Duitsland desondanks als een bolwerk tegen het veel groter geachte gevaar: dat van het communistische Rusland. Wat de Hervormde Kerk betreft, "de kerkorde maakte het nu eenmaal de Kerk onmogelijk, te komen tot een gemeenschappelijk en openlijk getuigenis", aldus Touw. "De Synode had geen bevoegdheid kerkelijke beslissingen te nemen, maar had alleen een administratieve en financiële opdracht. De grote roeping van het belijden, getuigen en handelen der Kerk werd in de kerkelijke vergaderingen niet aan de orde gesteld, en in elk geval kon daarover geen bindende beslissing genomen worden".[1.24]

<31>

Twee uitzonderingen op deze regel van officieel-kerkelijke stilzwijgendheid zijn te melden. Allereerst kreeg de Commissie tot de Zaken (het dagelijks bestuur) van de Remonstrantse Broederschap een brief van de gemeente te Amersfoort waarin verzocht werd om de Jodenvervolging in Duitsland op de agenda van de komende Algemene Vergadering te plaatsen. De hoogleraar G.J. Heering stelde daarop een resolutie op:

(...) Zonder voorbij te zien aan de schuld der wereld en onze eigen schuld in deze loop van zaken, en open latende de vraag in hoever aan de houding der getroffenen of aan die van hun geestverwanten of rasgenoten een en ander verweten kan worden, op dit ogenblik kunnen wij slechts denken aan het onrecht, dat geschiedt. Onrecht tegenover de pacifisten, tegenover de socialisten en tegenover de Joden. (...) Het ergste is misschien, dat de Christelijke Kerk voor het grootste deel zozeer de dienaresse is geworden van het nationalisme, dat zij op enkele uitzonderingen na zwijgt, of instemming betuigt. [1.25]

De overgrote meerderheid van de Vergadering stemde met Heering in. "Het was een uitspraak voor intern gebruik, maar het bleef een uitspraak", aldus Van Roon.

Ten tweede werd er een motie aangenomen door de Nederlandse afdeling van de World Alliance for International Friendship through the Churches:

"De Nederlandse Afdeling van de Wereldbond tot het bevorderen van een goede verstandhouding tussen de volken door de kerken, bewust van zijn doel om de vriendschappelijke verhouding tussen de volken te bevorderen en overtuigd, dat deze ernstig geschaad wordt door de maatregelen in Duitsland genomen en uitgevoerd tegen de Joden, die mede verklaard kunnen worden als uiting van rassenhaat, verzoekt het dagelijks bestuur om zich over deze maatregelen uit te spreken en verder alles te doen wat in zijn vermogen is om in overeenstemming met de beginselen van de Wereldbond en zijn doel de spanning en de ergernis weg te nemen, die door die maatregelen in Nederland en in de gehele beschaafde wereld zijn gewekt, en om mede te werken tot het doen ontstaan van die verhouding die volgens het Christelijk geweten tussen de rassen moet bestaan." [1.26]

Men deed ook mededeling van inhoud en verzending van deze brief aan de permanente commissie van het Ned. Israëlitisch Kerkgenootschap. Het verzoek aan het bestuur van de Wereldbond had een positief resultaat.

<32>

2. HET BEGIN

a. De situatie (mei - oktober 1940)

Nederland werd door de Duitse legers onder de voet gelopen en capituleerde. Koningin Wilhelmina was met haar gezin gevlucht. De ministers waren in Londen: een Regering in ballingschap. De Oostenrijker Arthur Seyss-Inquart werd benoemd tot Rijkscommissaris over het bezette Nederland. Op 29 mei nam hij het burgerlijke bestuur over en hield ter gelegenheid daarvan een rede in de Ridderzaal, de plaats waar de Koningin op Prinsjesdag de Troonrede placht voor te lezen. De nieuwe gezagsdrager beloofde "het tot nu toe geldende Nederlandse recht in kracht te laten en het Nederlandse volk geen vreemde ideologie op te dringen". Een andere uitspraak in zijn rede:

"Wij Duitsers echter, die door dit land gaan met een blik die gescherpt is door het begrip voor de waarden van de banden des bloeds en de ontbindingen des bloeds in een volk, verheugen ons over de Nederlandse mensen. Wij verheugen ons over de kinderen, wensen dat de jongens hier moedige, krachtige, energieke mannen en de meisjes gelukkige moeders van grote gezinnen zullen worden. Wij gevoelen ons heden, en in alle omstandigheden verantwoordelijk voor het goede bloed, want bloed verplicht ook over uiterlijke feiten en ontbrekend begrip heen."

In de maand juni werden de overgebleven Engelse troepen geëvacueerd uit Duinkerken. De val van Parijs werd gevolgd door de capitulatie van heel Frankrijk. Vanaf 4 juli was alleen luisteren naar de Nederlandse of Duitse radio toegestaan; in diezelfde maand sprak de Koningin voor de eerste keer over radio Oranje. Op 7 september vond de eerste grote Duitse luchtaanval op Londen plaats: de "slag om Engeland" was begonnen. Eind september werd het drie-mogendheden verdrag (Duitsland, Italië en Japan) bekendgemaakt. Vanaf 1 oktober moesten de Nederlanders zich kunnen identificeren. Eind oktober begon de aanval van Italië op Griekenland.

<34>

22 mei: morgen komen de schoenen op de bon, en binnenkort de textiel, zegt men, de suiker was al op de bon. 18 juni: ook het brood wordt nu gedistribueerd, we eten er nu een prakje bij. 14 juli: morgen worden vel en andere levensmiddelen gedistribueerd. 4 aug.: Het puntenstelsel voor de textiel zal nu in werking treden; 100 punten per half jaar. Het eerste kwartaal mogen de mensen 40 punten besteden. Lakenkatoen kost 10 punten per m2, een knot wol vijf punten. 15 juli: een half pond boter, vet of margarine in de week. Veel te weinig, maar nu krijgen we allemaal een eiken botervlootje; dan kan ieder zo dik of zo dun smeren als hij zelf wil. 16 aug.: Er zijn al lakens, overalls en molton van kunstvezel. De verkoop van wollen stoffen en van bovenkleding is tot nader order verboden. 30 aug.: Morgen is de Koningin jarig. We mogen geen enkel teken van vreugde of van rouw betonen. Ook geen rouwbanden dragen of in de etalage leggen, (Politieagent) Driessen kwam dat speciaal zeggen. De boeren mogen zelf niet meer karnen; de karnen zijn verzegeld. Nu gebruiken ze de wasmachine. 2 sept.: Gisteren hadden we een dominee die bad "voor degenen die thans over ons heersen, of ze uit de greep van de leugengeest verlost mogen worden". 25 sept.: De zeep kwam kortgeleden op de bon, en nu ook het vlees. 2 okt.: De foto's van het Koninklijk huis zijn bij de boekhandelaars en het postkantoor in beslag genomen. 6 okt.: We zijn in afwachting wat er boven ons hoofd hangt: Mussert of zelfbeschikking.

De eerste anti-joodse maatregel was de uitsluiting van Joden uit de luchtbescher- mingsdiensten. Kort daarop (eind juli) volgde het verbod op ritueel slachten. In Zandvoort werd, begin augustus, de synagoge opgeblazen. Op 30 september werd het verbod uitgevaardigd om hen die "geheel of gedeeltelijk van Joodse bloede" waren, in overheidsdienst te benoemen of, indien reeds in dienst, te bevorderen.

b. Het Convent van Kerken

Al gauw na de Nederlandse nederlaag in de meidagen en de daarop volgende bezetting door de Duitsers, vonden er op kerkelijk terrein twee ontwikkelingen plaats die van groot belang zouden blijken te zijn, allereerst voor de periode van de bezetting, maar ook voor de tijd daarna, tot op de dag van vandaag.

<35>

Allereerst vonden de kerken elkaar in een permanent verband -het Convent van Kerken, vanaf 1942 I.K.0. (Interkerkelijk Overleg) genoemd. De problemen die uit de bezetting voortvloeiden noodzaakten tot overleg en het waar mogelijk vormen van een gemeenschappelijk front.

In een brief, gedateerd 20 juni 1940, nodigde de Algemene Synodale Commissie der Nederlandse Hervormde Kerk afgevaardigden van zeven andere kerken uit tot een samenspreking: "voor elk van die (Kerkgenootschappen) één afgevaardigde en wel iemand die bevoegd zou zijn namens het Kerkgenootschap zich casu quo te wenden tot de hoge overheid." De eerste vergadering vond plaats op 25 juni. Vertegenwoordigd waren: de Nederlandse Hervormde Kerk; de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Christelijke Gereformeerde Kerk; de Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband; de Remonstrantse Broederschap; de Algemene Doopsgezinde Sociëteit; de Evangelisch Lutherse Kerk; en het Hersteld Evangelisch Luthers Kerkgenootschap

Zoals blijkt uit de volkstelling van 1930 waren er in dat jaar in Nederland 2,7 miljoen Hervormden, 640.000 Gereformeerden en 270.000 leden van de andere bovengenoemde Kerkgenootschappen. [2.1] De Rooms-katholieke Kerk deed dus (nog) niet mee; ze was niet uitgenodigd. Als voorzitter trad op prof. J.R. Slotemaker de Bruïne. Al vrij spoedig daarna zou hij moeten terugtreden wegens een ziekte, waaraan hij overleden is. Daarna zijn onder anderen prof. P. Scholten, mr. J. Donner en dr. J.J.C. van Dijk voorzitter geweest; de bezettende macht zorgde voor de roulatie: telkens werd de voorzitter gevangen genomen. Als secretaris van het Convent trad ds. K.H.E. Gravemeyer (geb. 1888) op, een krachtige figuur, die op 1 april 1940 met de kleinst mogelijke meerderheid was gekozen als secretaris van de Synode van de Ned. Hervormde Kerk. Eens zei hij tegen een bezoeker: "We zijn er niet om de strijd (tussen Kerken en bezetters) te voorkomen, maar om die goed te strijden". [2.2]

<36>

foto 4. Ds K.H.E. Gravemeyer

Ds. Gravemeyer zou tot aan het einde van de bezetting (met een onderbreking van enkele maanden in 1942 wegens gijzeling door de Duitsers) secretaris van het Convent - later Interkerkelijk Overleg genoemd - blijven. Hij heeft het verzet van de kerken ten zeerste gestimuleerd. Op de eerste bijeenkomst typeerde de voorzitter die als "officieus, informatorisch en vertrouwelijk". Men zou elkaar kunnen voorlichten en inlichten en bij belangrijke zaken in eenparigheid jegens de overheid handelen, teneinde aan het optreden der Protestantse kerken in Nederland aldus meer kracht bij te zetten. De meeste bleken echter aanwezig zonder uitdrukkelijke machtiging van hun kerk. Zo was de Gereformeerde vertegenwoordiger, prof. H.H. Kuyper, wel voorzitter van "Deputaten voor de correspondentie met de hoge overheid", maar - zoals al eerder opgemerkt - dit Deputaatschap had tot nu toe weinig betekend; zo mocht men slechts antwoord geven, "als de overheid naar de mening van de kerk vroeg in een bepaalde zaak, indien de synode zich althans over die zaak had uitgesproken." Maar die zomer vergaderde de synode en verleende aan prof. Kuyper een meer uitgebreid, aan de veranderde tijdsomstandigheden aangepast mandaat: "Eindelijk wordt het moderamen (bestuur van de synode) gemachtigd om met de deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid beslissingen te nemen, wanneer er geen synode kan samenkomen." [2.3]

<37>

In het begin besprak men in het Convent onderwerpen als: vergoeding van oorlogsschade aan de kerken, zondagsarbeid, avondmaalsbrood (in verband met de distributie- moeilijkheden), enz. Maar de notulen van 30 juli vermelden: In de volgende vergadering zal over het karakter van het Convent nader gesproken worden. Verzocht wordt, dan tevens de vraag aan de orde te stellen, of er voor de Kerken aanleiding en zelfs plicht kan zijn, zich thans omtrent het antisemitisme uit te spreken." [2.4] In augustus is er geen vergadering geweest en in september is men niet aan het onderwerp antisemitisme toegekomen. De notulen zijn uiterst summier en het is niet duidelijk of men er echt niet aan toe kwam, dan wel als een poes om de hete brei heendraaide. Ds. J.J. Buskes, die de vergaderingen bijwoonde als afgevaardigde van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, zou later schrijven: "het heeft heel wat strijd en moeite gekost, om ten opzichte van de Jodenkwestie ten slotte een waarlijk principieel geluid te laten horen." [2.5] Abel Herzberg merkte op: "Ook de protestantse kerk ving aan zich te roeren. Dit laatste is niet ineens gegaan, niet overal van ganser harte, maar veelal schoorvoetend en, naar Nederlandse trant, bedachtzaam." [2.6]