De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening

c. Houwaart 159

Chapter 103,454 wordsPublic domain

14 WAAROM HIELP MEN Joden? a. Dominee, boer, dominee 161 b. Angst 166 c. Om zielen te redden? 167

DEEL III: NA DE OORLOG

15. VOETANGELS EN KLEMMEN 177

16. DE BEVRIJDING; EEN ENQUETE 182

17. GESCHIEDSCHRIJVERS ONDER VUUR 185

18. BEOORDELINGEN a. Over het redden van de Joden-christenen 193 b. Commentaar op de houding van de kerken in het algemeen 196

19. EEN KLEINE KAARS 200

INLEIDING

Dit boek heeft een voorgeschiedenis. Indertijd was ik (van 1958-1969) predikant van de Schotse kerk te Tiberias, Israël. Met inspanning had ik me de taal van het land, modern Hebreeuws (ook wel Ivriet genoemd), eigen gemaakt. Vaak werd ik door een kiboets uitgenodigd om op vrijdagavond (het begin van de sabbat) een lezing te houden. Op mijn inleiding placht er immer een levendige discussie te komen. In die tijd trok het toneelstuk van Rolf Hochhuth, der Stellvertreter ("de plaatsbekleder") sterk de aandacht: het stelde de houding van paus Pius XII ten opzichte van de Jodenvervolgingen tijdens de tweede wereldoorlog aan de orde. Hochhuth maakte de tongen los. Een Zwitserse predikant die toen in Israël woonde schreef: "Er was (ten tijde van de tweede wereldoorlog) een volledige en vreselijke stilte van de kant van de Kerk" (Jerusalem Post, 17 sept. 1963). Ook de toenmalige voorzitter van het Israëlische parlement, Kadish Luz, deed een soortgelijke uitspraak (zitting van het parlement, 21 april 1963). Nu kan men dergelijke uitspraken wel begrijpen, want in de loop der eeuwen hebben christenen niet zelden actief deelgenomen aan Jodenvervolgingen. Van daaruit bezien is het te begrijpen dat men meende: "Van de Kerken hadden we niets goeds te verwachten en kwam ook niets goeds tijdens Hitlers vervolgingen". Zo werd het ook telkens gesteld in de discussie na mijn lezing (over een heel ander onderwerp, toen nog) in een kiboets. Nu stond me helder voor de geest dat protesten tegen de Jodenvervolging wel degelijk geklonken hadden vanaf de kansel van de kerk in het dorp waar ik tijdens de tweede wereldoorlog woonde. Ze hadden toen grote indruk op me gemaakt. Die protesten ging ik opzoeken; dat was niet moeilijk, want het onvolprezen instituut Yad Vashem in Jeruzalem beschikt over de standaardwerken geschreven door Touw en Delleman.[0.1] Ook van de Lutherse Kerk in Denemarken vond ik een krachtig protest. Dit - samen met de belangrijkste Nederlandse protesten - heb ik toen gepubliceerd in een brochure "Hebben de Kerken gezwegen?", die verscheen in het Nederlands (1964) en in het Ivriet. De laatste ben ik gaan aanbieden aan de heer Kadish Luz die in een kiboets dichtbij Tiberias woonde.

<11>

Deze ontving me vriendelijk en beloofde de brochure te zullen lezen. Niet zo lang daarna is hij overleden. Ik heb geen reactie op mijn brochure meer van hem ontvangen, had daar ook niet uitdrukkelijk om gevraagd. Intussen was mijn belangstelling gewekt en bleef ik regelmatig naar Jeruzalem gaan om meer materiaal te zoeken. Wat ik daar en elders vond, was veel meer dan verwacht. Op Yad Vashem volgde men mijn project met belangstelling en niet zelden kreeg ik krachtige hulp. Zo bestonden er belangrijke protesten van de Bulgaarse (Oosters-Orthodoxe) metropoliet; ik ken geen Bulgaars, maar een bevriende relatie bij Yad Vashem vertaalde de documenten voor me in het Ivriet, waarna ik ze vertaalde in het Engels, want in die taal wilde ik publiceren. In die tijd werden we eens geconfronteerd met een wel zeer optimistische kijk op de houding van de Nederlanders: een gefortuneerde Amerikaan wilde in Israël een bos planten ter ere van het Nederlandse volk en deszelfs heldhaftige daden, verricht ten behoeve van de Joden. Bij Yad Vashem vroeg men mijn mening en dit heeft ertoe bijgedragen dat het plan niet doorging; het zou meer eer zijn geweest dan ons volk toekwam. Eind 1969 werd het resultaat van mijn onderzoek gepubliceerd: The Grey Book.[0.2] Het is niet meer verkrijgbaar, (zie Gutenberg eText nr 14764) maar een artikel van mijn hand over hetzelfde onderwerp is opgenomen in de Encyclopaedia Judaica. [0.3] Die is te vinden in bijna iedere grotere bibliotheek.

Nu, bijna twintig jaar later, ben ik ertoe gekomen om speciaal de houding van de Nederlandse Kerken nader te onderzoeken. Ook de Rooms-Katholieke Kerk is in dit onderzoek betrokken; toch ligt er een extra accent op de Gereformeerde Kerken in Nederland. Ten eerste omdat ik van die kerken lid ben en hun houding dus van binnenuit kan beoordelen; ten tweede omdat men zich dient te beperken. Zo heb ik bijvoorbeeld de besluitvorming zoals die in de Gereformeerde Kerken plaatsvond, nauwkeuriger nagegaan dan bij de Hervormde en de Rooms-Katholieke Kerk. En dan zijn de kleinere kerken nog niet eens genoemd. Er blijft nog heel wat te onderzoeken. De naam Seyss-Inquart - in de ondertitel - staat voor alles wat er van Duitse kant aan geweld en onderdrukking is bedreven tijdens de tweede wereldoorlog, met name jegens de Joden.

<12>

Terecht hebben de kerken, toen Seyss-Inquart de verantwoordelijkheid op een ondergeschikte wilde afschuiven, verklaard dat zij "Uwe Excellentie beschouwen als de verantwoordelijke voor alles wat in ons land gedurende de bezettingsjaren geschied is en nog geschiedt".

Het eerste gedeelte bevat de protesten, en de inhoud van herderlijke brieven, die betrekking hadden op de Jodenvervolging. Alleen en passant is genoemd het (blijven) toelaten van Joodse kinderen op christelijke scholen: soms ging het verzet tegen de Duitse maatregelen hier direct van kerken uit, soms liep het via de schoolbesturen. De hoofdstukken 2 tot en met 9 geven allereerst een beschrijving van de situatie in de periode die aan de orde is. Drie aspecten worden weergegeven. Allereerst het verloop van oorlog en bezetting. Voor of na de Duitse nederlaag bij Stalingrad, dat betekende nogal wat! Daarop volgt een aantal fragmenten uit een dagboek - van mijn zuster, Maria Snoek -, die bedoelen een indruk te geven van het dagelijks leven in die tijd. Er waren immers zoveel andere dingen die een mens in beslag namen. Deze fragmenten zijn steeds in inspringende, cursieve tekst weergegeven. Ten derde wordt, uiterst summier, een overzicht van de anti-Joodse maatregelen in de betreffende periode gegeven. Kennisname van de werken van Herzberg, Presser en L. de Jong [0.4] wordt verondersteld. Hier gaat het alleen om de herinnering: "toen gebeurde er dat". In het tweede gedeelte van dit boek gaat het niet meer om het woord van het protest, maar om de daad van de hulp aan onderduikers. In het derde gedeelte komen enkele punten aan de orde ten aanzien van de houding van de kerken - en de christenen - tijdens de tweede wereldoorlog, die nu volop in discussie zijn. Geschiedenis is immers (men durft de veelgehoorde uitspraak bijna niet meer te gebruiken) een discussie zonder einde.

Nu ben ik geen vakhistoricus en dat besef ik - al heb ik er uiteraard naar gestreefd het noodzakelijke "huiswerk" nauwgezet te verrichten. In zekere zin van de nood een deugd makend, waag ik het te doen wat een "professional" niet zou doen (maar juist "professionals" hebben me dit wel aangeraden): af en toe zal ik een persoonlijke ervaring uit die tijd vermelden. Allereerst in de hoop dat dit het geheel des te leesbaarder zal maken. Maar ook is het de bedoeling, de eigen betrokkenheid aan te geven, me in zekere zin in de kaart te laten kijken".

<13>

Geen mens kan volledig afstand nemen van het door hem te behandelen onderwerp; dat lijkt me ook niet nodig, zelfs niet gewenst. Maar wel is het nuttig om te proberen, de aard van de eigen betrokkenheid te onderkennen. Zonder enige zelfkennis in dit opzicht loopt men des te meer gevaar zich een karikatuurbeeld - in positieve dan wel negatieve zin - te vormen en dat door te geven. Terwijl het streven gericht dient te zijn op verheldering en een zo zuiver mogelijk weergeven van de feiten. Voor mij leidde de eigen betrokkenheid tot het inzicht: er was - in de houding van de kerken - misère, maar er was ook grandeur; er was grandeur, maar er was ook misère. Je mag het een niet wegstrepen tegen het ander. Omdat schrijver dezes in de oorlogsjaren pas goed de misère van de kerk ontdekte, heeft hij op het punt gestaan kerk en geloof vaarwel te zeggen. Maar het tijdens de kerkdienst voorlezen van de protesten tegen de Jodenvervolging was een factor die hem geholpen heeft, toch nog heil in de kerk te blijven zien, en te vinden.

Nog een paar praktische gegevens. De spelling van de documenten heb ik aangepast aan de tegenwoordige. Het noten-apparaat is met opzet beperkt gehouden: het dient bijna uitsluitend om aan te geven waar bepaalde gegevens vandaan kwamen. Wie daar niet in geïnteresseerd is, kan de noten ongelezen laten. De teksten van alle door de kerken gemeenschappelijk uitgevaardigde protesten zijn te vinden zowel bij Touw als bij Delleman, terwijl men de herderlijke brieven van de bisschoppen bij Stokman [0.5?] aantreft. Ik vond het daarom overbodig, de vindplaatsen nog eens via noten te vermelden. Bij auteurs van wie slechts uit één werk geciteerd wordt volsta ik - na de eerste maal in de noot zowel auteur als titel genoemd te hebben - met vermelding van auteursnaam en pagina. Van de Jong en Buskes is een enkele maal uit een tweede werk geciteerd en dit wordt dan in een noot vermeld; maar voor het overige betekent de Jong: L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (Populaire editie); Buskes betekent (tenzij anders vermeld): J.J. Buskes, Waar stond de Kerk?

<14>

Het was een voorrecht om bij het schrijven van dit boek hulp te ontvangen. Mijn waardering en dank gaan allereerst - in chronologische volgorde - uit naar prof. dr. J. van den Berg, kerkhistoricus te Leiden, en prof. dr. J.C.J. Blom, historicus te Amsterdam, die me met name bij de start waardevol advies gegeven hebben. Drs. J. Ridderbos Nic. zn. te Zwolle was zo vriendelijk het hele manuscript te willen lezen; drs. G.C. Hovingh te Biddinghuizen en drs. M.J.H.M. van Rooij te Utrecht lazen gedeelten. Hun suggesties heb ik bijna steeds ter harte genomen. Aan hen allen, maar in het bijzonder aan collega Ridderbos, ben ik veel dank verschuldigd. Het spreekt vanzelf dat de verantwoordelijkheid voor het eindresultaat op mij blijft rusten. Bovendien stel ik er prijs op, mijn dank en waardering te uiten jegens de instanties, die toestemming gaven tot raadpleging van de archieven (zie de lijst achterin). Sommige hebben daarenboven belangrijke hulp verleend door foto's te verstrekken. Met name wil ik hier noemen: de Commissie voor de Archieven van de Nederlandse Hervormde Kerk te Leidschendam, de Archiefdienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Leusden; het archief van het Aartsbisdom Utrecht; het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) te Amsterdam.

DEEL I: DE PROTESTEN

1. DE NEDERLANDSE KERKEN TIJDENS DE JAREN DERTIG

a. Sfeer en situatie

We hadden thuis een manufacturenzaak, in Renkum. "We", dat was mijn moeder - vader was al jaren geleden overleden - met haar drie kinderen: een dochter en twee zoons. Ik was de middelste. Het eerste uit die tijd om te memoreren waren de economische crisis en de werkeloosheid. In ons dorp hadden velen werk gevonden op de papierfabriek van Van Gelder. Honderden kregen ontslag en moesten gaan stempelen. De uitkering was gering, dus ook het aan kleding te besteden bedrag daalde. De omzet in onze zaak ging met sprongen achteruit. Menig winkelier ging failliet. Dat overkwam ons niet, maar zomer 1935 (ik was toen 15 en zojuist overgegaan naar de vierde klas van het Chr. Lyceum in Arnhem) werd besloten dat er niets anders op zat: ik moest van school af om thuis in de zaak te gaan meehelpen. We waren Gereformeerd: mijn moeder belijdend lid en de kinderen dooplid. Dus ging je 's zondags naar de kerk; de kinderen eerst alleen naar de ochtenddienst, maar vanaf hun twaalfde jaar ook 's middags. In de middagdienst werd er meestal gepreekt over de Heidelbergse Catechismus (HC), een uitleg van het Christelijk geloof, geformuleerd in de vorm van vraag en antwoord en verdeeld in 52 "zondagen". Ook op de catechisatie, waar men vanaf het twaalfde jaar heen ging, werd de HC besproken en de kinderen leerden wekelijks een "zondag" uit het hoofd. Sommige vragen ("Wat is Uw enige troost, beide in leven en sterven?"; "Wat is een waar geloof?") en hun antwoorden bleven je je levenlang bij. Aan tafel werd er door het gezinshoofd (bij ons thuis dus: mijn moeder) voor en na de maaltijd hardop gebeden; zesmaal daags. Ten minste tweemaal per dag werd er aan de etenstafel een bijbelgedeelte gelezen. De jongens waren lid van de Gereformeerde knapenvereniging. Als je 16 werd, mocht je naar de jongelingsvereniging (JV). Daar werd men voorbereid op de taak in "kerk, staat en maatschappij". Ook de meisjes hadden hun verenigingen.

<19>

foto 1. Vooroorlogs zendingsbusje met een "dankbare Javaan"

Als kind ging je naar een "school met de Bijbel". Op maandagmorgen nam je een gift mee voor de zending. Die ging in een spaarbus, versierd met het borstbeeld van een Javaan. Als de stuiver of cent in de gleuf viel, knikte hij vriendelijk. We waren ervan overtuigd dat alle Javanen niet alleen hoffelijk waren, maar ook uiterst dankbaar voor het feit dat hun het evangelie gebracht werd. Zendelingen met verlof vertelden over snel groeiende kerken in Nederlands-Indië. Thuis hing in de huiskamer een rood, blikken busje aan de muur, met het opschrift: "Voor Joden, heidenen en mohammedanen". Als wij kinderen kattenkwaad hadden uitgehaald, legde mijn moeder ons soms de straf op om van ons zakgeld een gift in het zendingsbusje te doen. Waarop mijn broer protesteerde: "Dan worden de heidenen bekeerd door onze zonden". Toen zag moeder verder van de methode af.

<20>

Als je middelbaar onderwijs mocht volgen, diende dat het liefst Christelijk onderwijs te zijn. Ik ging dus naar Arnhem, ook al was de "neutrale" HBS in Wageningen dichterbij. Je las een Christelijk dagblad - bij ons thuis: de Standaard. Men stemde op een Christelijke politieke partij; Gereformeerden werden geacht op de Anti-Revolutionaire partij van Colijn te stemmen.

Tegenwoordig noemt men deze eenvormigheid "de verzuiling" [1.11] en nu hebben we oog voor de negatieve kanten van het verschijnsel. Weinige zagen die toen. Sommige aspecten ervan werden als positief ervaren en ze zouden tijdens de oorlog van waarde blijken. De sterke verbondenheid met de eigen groep gaf een zeker zelfvertrouwen; de eigen organisaties leverden het raamwerk voor de opbouw van een verzetsbeweging; de eigen "nestgeur" zou een belangrijk hulpmiddel blijken te zijn bij het vaststellen wie er te vertrouwen was en wie niet. Zo belde tijdens de oorlog de K.P. (knokploeg)-leider Johannes Post eens aan bij een politie-agent in Groningen en vroeg diens medewerking voor een verzetsdaad. Post kon zich niet legitimeren en de ander wantrouwde hem: de onbekende kon immers een provocateur zijn. Het was etenstijd, en Post werd aan tafel genodigd. Hij schikte aan en zag, hoe de vrouw des huizes een bijbel klaarlegde. "Zijn jullie Gereformeerd?", vroeg Post. "Ja", was het antwoord. Waarop Johannes zei: Ik ook; ik ben ouderling in een dorp in Drenthe". De gastheer reageerde met de woorden: "Wilt U ons dan voorgaan in gebed?" Johannes bad. En de gastheer wist nu heel zeker: "deze man is een broeder (geloofsgenoot)". Na het eten werden er zaken gedaan.[1.12] Maar Duitsland was in de jaren dertig onze vijand nog niet; integendeel. Ons gezin, maar ook de familie (ooms en tantes die in de buurt woonden; mijn moeder had tien broers en zusters) was pro-Duits. Ten eerste omdat we vonden dat de Duitsers bij de vrede van Versailles, in 1919, onbillijk behandeld waren, ten tweede omdat we een hekel aan de Engelsen hadden. Die hadden immers de Boeren in Transvaal en de Oranje-Vrijstaat geknecht. De boeken van L. Penning over de heldhaftige strijd van de Boeren tegen de trouweloze Britten werden vlijtig gelezen en hadden grote invloed. Onze sympathieën en die van de overgrote meerderheid in de Gereformeerde Kerken veranderden snel en grondig na de machtsovername in Duitsland door Hitler.

<21>

Hervormde predikanten hadden, veel meer dan bij de Gereformeerden het geval was, intensieve contacten met de "Bekennende Kirche", dat deel van de Duitse kerk dat zich niet door Hitler liet gelijkschakelen. Ger van Roon heeft het belang van deze contacten voor de bewustwording in Nederland uitvoerig gedocumenteerd en overtuigend aangetoond. [1.3] Maar dat gold vooral Hervormde en in veel mindere mate Gereformeerde predikanten. Bij de Gereformeerden wogen de bezwaren tegen de theoloog Karl Barth zwaar, en juist hij speelde in de Duitse kerkstrijd een grote rol. Maar krant en radio brachten de berichten over ds. Niemöller die, omdat hij het Nationaal-Socialisme openlijk bestreed, in een concentratiekamp opgesloten werd; en er kwamen berichten over de Jodenvervolgingen. Daar kon niemand omheen.

Er woonden drie Joodse gezinnen in ons dorp, alle drie met een zaak: Manasse de drogist, zijn broer de huisschilder, en de dames Cohen die een zaak in boter, kaas en eieren hadden. Zij waren geen klant bij ons en wij niet bij hen, dus was er zelden contact. Wel was er een aantal Joodse "reizigers", vertegenwoordigers van een textiel-fabriek of -groothandel, die ons regelmatig bezochten. Met sommigen hunner werd de relatie vriendschappelijk. Of er in onze kerk ooit gepreekt werd op een manier die het antisemitisme bevorderde? Ik kan het me niet herinneren. Wel weet ik, dat bij ons thuis de Joodse zakenrelaties niet als onbetrouwbaar werden beschouwd; al waarschuwde mijn moeder ons nadrukkelijk voor de onbetrouwbaarheid van een groothandelaar in textiel die Gereformeerd was.

b. De zending onder de Joden

Er waren twee Hervormde verenigingen voor zending onder de Joden (Elim en de Nederlandse Vereniging voor Israël), maar hier ging het om particulier initiatief. De Gereformeerde zending onder de Joden evenwel was een direct-kerkelijke zaak en stond onder de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de generale (landelijke) synode. Er waren commissies (deputaatschappen) ingesteld, die verantwoordelijk waren voor een bepaalde activiteit en aan de volgende synode verantwoording moesten afleggen. Er was ook een deputaatschap voor de zending onder de Joden. Om te weten hoe men in het algemeen als Gereformeerden de Joden beschouwde, is het van belang om stil te staan bij de Gereformeerde zending onder de Joden. Dank zij Peter Treep's onderzoek hebben we daar een duidelijk overzicht van. [1.4] Het deputaatschap voor de zending onder de Joden had de supervisie over drie predikanten: Jac. van Nes te Den Haag (vanaf 1916), C. Kapteyn te Amsterdam (vanaf 1929) en R. Bakker te Rotterdam (vanaf 1935). Deze predikanten leverden elk kwartaal een schriftelijk rapport van hun werkzaamheden in bij hun deputaten. De manier waarop men werkte, riep van Joodse zijde veel weerstand op en dat zal ons nu nauwelijks verwonderen. In Den Haag waren clubs voor Joodse kinderen. In een oplaag van 30.000 (1940) werd maandelijks "De Messias-bode" gratis en ongevraagd aan Joodse adressen gezonden. Jaren later, toen we in Israël woonden, vertelde ons een vriend van Nederlandse afkomst hoe hij indertijd in Nederland enkele malen verzocht had, de Messias-bode niet meer te sturen. Dat hielp niet, totdat hij opnieuw een brief naar de redactie schreef met het verzoek voortaan twee exemplaren te sturen want, zo schreef hij, "het papier van dit geschrift is uitermate geschikt om op de w.c. gebruikt te worden". Pas toen zag men van verdere toezending af, aldus mijn vriend.

<23>

Veel huisbezoeken werden door de drie predikanten afgelegd. Slechts weinigen uit de Joodse gemeenschap lieten zich dopen. Ds. Van Nes waarschuwde de kerkeraden overigens tegen het te spoedig bedienen van de doop. Hij vond dat er in het algemeen drie tot vier jaar catechetisch onderwijs nodig was voor men tot dopen kon overgaan. [1.5] In 1929 bezocht ds. Van Nes een Joden-zendingsconferentie te Neurenberg. Hier werd hij geconfronteerd met de groei van het antisemitisme in Duitsland. Sindsdien kozen hij en zijn twee collega's ondubbelzinnig partij ertegen. Op de eerste conferentie van plaatselijke commissies voor zending onder de Joden, in 1932, nam men met algemene stemmen een aantal resoluties aan waarvan de eerste luidde:

"De conferentie brandmerkt het antisemitisme als grove zonde en zij roept alle Christenen op tot betoon van hartelijke liefde tot de Joden om Christus' wil". [1.6]

Ook de Messias-bode keerde zich fel tegen het antisemitisme, de eerste keer in een artikel van de hand van ds. Kapteyn, november 1930. Als ds. Van Nes over dit onderwerp een lezing hield, kwam men nu ook van Joodse kant luisteren. Toen hij in Aalten over het antisemitisme sprak, werd zelfs de synagogedienst een kwartiertje vervroegd, opdat men nog naar deze bijeenkomst zou kunnen gaan. [1.7] Maar toen deputaten op de synode van 1933 verslag uitbrachten, deelden zij mee: "Thans volgen de rapporten, zoals die bij deputaten ingebracht werden door de drie missionarissen, met weglating van de algemene opmerkingen waarin de missionarissen over het lijden van het Jodendom en de reactie daarop in Joodse en Christelijke kring praten." [1.8]