De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten
Chapter 9
Behalve dat bestaat er nog een vereenvoudigde soort van deze strakke mutsen, veel kleiner, minder omvangrijk, zonder afhangende bodem, met slechts een zeer smal strookje kant rond het gezicht, en met dunne bandjes onder de kin vastgehouden. Dat is het ouderwetsche mutsje, genaamd "_het ongelukske_", dat oudere vrouwen thans nog dragen, en dat alléén bij 't werk dienst doet. Men ziet hieruit, dat ook hier, evenals in Zeeland, in den laatsten tijd de tendenz bestaat de mutsen steeds grooter te doen worden.
Over die strakke en dubbele muts komt nu "_de kroon_", of "_de bloemkrans_" of "_de kroesel_", een dikke wrong van kleine bloemetjes in tulle uitgevoerd en met kralen opgesierd, meestal geheel wit van kleur, maar soms ook met blauwe bloemetjes en kralen verfraaid. Deze kroon ligt vlak op de muts, boven het voorhoofd, en gaat van de eene slaap naar de andere, en is vastgehecht op een (meestal) lichtblauw zijden lint dat van achter, onder de afhangende bodem, achter het hoofd is vastgezet met haak en oog.
Bij deze mutsen behooren, evenals in de Meierij, lange, groote gouden oorhangers, halskettingen van koraal, en een klein kleurig doekje, "_cache-nez_" dat met kleine puntjes links en rechts onder de kin uitstaat, naast de groote witte strikken die de strakke of dubbele muts onder de kin vasthoudt.
De verdere lijfs-kleeding is, vooral voor de boerinnen van het platte land, de ook in de Meierij bekende kapmantel, of ook nog zeer dikwijls de oude "_Kashmire-shawl_". Merkwaardig is in dit deel van Noord-Brabant de zeer kennelijke invloed van de Belgische nationale drachten, vooral in de dorpen langs de Belgische grens in het zuiden van de Baronie en in het land van Bergen-op-Zoom.
In die streken dragen de Brabantsche vrouwen twee soorten mutsen, een Hollandsche (Bredasche) en een Belgische. Deze laatste als zij over de Belgische grens (vóór den oorlog) 's Zondags ter kerke gingen. Soms echter dragen zij die muts ook als ze in Breda naar de markt gaan.
Deze "_Belgische muts_" is betrekkelijk klein, geheel van ineengeplooid wit lint, min of meer vierkant van hoofdvorm, een weinig naar de zijkanten en naar achter uitstekend, Maar op die muts zijn groote strikken van breed, gekleurd lint aangebracht, geel, rood, groen, paarsch, in alle kleuren. Twee van die lange, breede linten worden onder de kin vastgestrikt, twee hangen lang af naar achter, op den rug. Er is geen bijzondere kleur van deze linten voor bijzondere gelegenheden vastgesteld, tenzij zwart voor den rouw.
Bij deze Belgische mutsen behoort een kapmantel of pelerine van meer pompeus maaksel dan de gewone, meer kant, tulle, linten en strikken, ofschoon de hoofdvorm dezelfde is als de andere pelerines. Dit kleedingstuk is een zeer kennelijke verboerschte imitatie van de Parijsche mode van omstreeks 1880.
Behalve deze mutsen wordt in de Baronie, naar de kant van Zundert, een soort muts gedragen die veel overeenkomst heeft met de _buiten-muts_ van de Meierij. In Zevenbergen is de vorm weer anders, daar wordt de _kroon_ niet meer gedragen, of slechts zeer klein, maar vervangen door een rijk geplooid breed lint, dat ook naar achter afhangt--zoo ook in de Zevenbergsche hoek, waar de vorm zich gaandeweg meer bij de Zuid-Hollandsche mutsen-vormen aansluit.
C. HET MARK-GRAAFSCHAP VAN BERGEN OP ZOOM
Ten slotte de mutsen in het land dat aan Zeeland en Zuid-Holland grenst. De algemeene vorm is die van de Bredasche muts, maar zonder de kroon, dus eenvoudiger, smaller, platter.
Verder is in deze streek de invloed van de Belgische en Zeeuwsche drachten meer kenbaar, en vormt ze een overgangsgebied naar de eigenlijke Hollandsche drachten. Vandaar dat men slechts weinig van een eigen dracht in deze streek merkt, althans niet in de steden, De plattelandsbevolking blijft het langst de "_boerendracht_" getrouw. De meeste vrouwen dragen reeds hoeden, dat wil zeggen ouderwetsche hoofddeksels, die tot geen land en geen tijd behooren, en, zooals gewoonlijk bij dergelijke soort kleedij, zeer smakeloos zijn.
LIMBURG.
In de provincie Limburg zijn slechts weinig sporen van een eigen nationale kleedij te vinden. In den noord-westelijken hoek, in het land van de Peel en bij Mook, in Venraaij en in Weert zijn de drachten aan die van Noord-Brabant verwant.
Behalve deze dracht in het Noorden van de provincie is in de buurten van Sittard nog eenige resten van een eigen volks-dracht te herkennen.
Oude vrouwen dragen daar nog het halflange jak over een dikke, breede rok die helder violet is en van zoogenaamd "_tirtei_" is gemaakt--ze dragen drie van die rokken over elkaar van dezelfde stof maar van verschillende kleur. Die rokken zijn, aan de taille sterk "_gefronsd_" (d. w. z. geplooid) waardoor de heupen zeer breed worden. De stof van die rokken is zeer zwaar. Ze dragen daarbij geen corset, maar een onderlijfje, en daar over het jak, dat van voren dicht gaat. Ze loopen op klompen.
De mouwen van het jak zijn wijd, saamgeregen aan de polsen. Het jak is van satinet ('s zomers) en 's winters van wollen stof, en bruin van kleur. Dit jak heeft geen halsboordje.
Om de hals wordt dan een vierkante doek geknoopt, die eerst driehoekig (diagonaal) is gevouwen, op de gewone manier. Die doek, die van met sterke kleuren bedrukte wol is gemaakt, heet "_de plak_". Nog zoo'n doek van dezelfde kleur, gaat, eveneens diagonaal gevouwen, over het hoofd, en wordt onder de kin vastgeknoopt, Om de hals gaat een zwart lint waaraan een kruisje, dat op de borst hangt.
Het schort, dat deze vrouwen dragen, is 's Zondags als ze naar de Kerk gaan, zwart. Thuis en in de week is het blauw.
Deze kleeding heeft niets Hollandsch, ofschoon de omslag-doek om de hals en schouders een wijze van kleeden is, die in de Hollandsche drachten--maar ook bij zooveele andere costumes--nog al veel voorkomt. Maar de doek over het hoofd is waarschijnlijk van Duitsche oorsprong. Ook de kleurigheid van deze doeken doet, zoowel door de versierings-motieven als door de kleurcombinatie, zelfs aan russische kleedingswijzen denken.
In Zuid-Limburg, in het land tusschen Maastricht en Kerkrade en Vaals, is niets van een nationale eigen dracht te bekennen. Het is zeer de vraag of in die streken ooit een eigen Nederlandsche nationale of gewestelijke kleedij bestaan heeft, waar dit land altijd zoo direct onder invloed van Duitsche en Belgische (Waalsche) cultuur geweest is.
De bijzondere drachten van de mijnwerkers uit de buurten van Heerlen zijn slechts beroepskleedij, en kunnnen dus--ook om hun internationale gedachte--niet tot de Nederlandsche volkseigen drachten gerekend worden.
NASCHRIFT.
Ik heb den text voor dit boekje in den zomer van 1916 saamgesteld. Eerst in 1917 kon ik de proeven corrigeeren en meen thans nog de volgende bemerkingen te mogen maken. De invloed die de oorlog ook op de Nederlandsche nationale kleederdrachten thans reeds heeft zal echter pas duidelijk later overzien kunnen worden.
Het bleek mij bij de onderzoekingen die ik in deze laatste jaren deed, dat ook de grondstoffen waaruit die nationale drachten vervaardigd worden gaandeweg gaan ontbreken, omdat van deze zooveel uit het buitenland moet worden aangevoerd.
Zoo vernam ik van een mutsen-maakster in de Meierij dat de bloemen, die voor de poffers gebruikt worden, niet meer worden ingevoerd. De echte (Belgische) kant is ook niet meer te krijgen, of ze wordt te duur. Daardoor wordt de inheemsche dracht een onbereikbare luxe voor velen die nog gaarne de oude traditie getrouw zouden willen blijven. Men _moet_ wel tot de gewone stads-kleedij overgaan.
Zoo kwam mij eveneens ter oore dat in de Baronie veel boerinnen te ver van plaatsen wonen waar mutsen-opdoensters wonen. Ze kunnen hun mutsen niet meer gestreken krijgen, het loont niet meer dit vak te beoefenen.
Verscheidene geweven stoffen, zooals voor de drachten van Volendam en Marken worden schaarsch.
Ook heeft de groote watervloed die in het voorjaar van 1916 Noord-Holland, en speciaal Marken en Volendam teisterde, het aspect van de huizen veranderd, ze meer modern gemaakt, waardoor de oude dracht niet meer in overeenstemming met de nieuwere woningen is.
En er is een on-miskenbare wisselwerking tusschen de huizen waarin de menschen wonen en de vorm en kleur van hun kleedij.
Zoo verdwijnt langzaam-aan de volks-eigen dracht door allerlei oorzaken, en, in deze oorlogstijd zelfs tegen den wil der bevolking in. Thans, in deze jaren, was het den tijd de complete gegevens omtrent deze costumes te verzamelen, vóór dat misschien nog erger gevolgen van den wereldoorlog ons land treffen en er voorshands voor bestudeering van het oude geen tijd en geld en energie meer beschikbaar zal zijn, als wellicht de hernieuwing en de omvorming van het heden en het opbouwen van een ander-soortsche toekomst alle krachten van allen vergen zal.
Het bleek mij dat deze zeer veel tijd rovende en bijzonder kostbare studiën niet langer als privaat-onderneming konden worden voortgezet, en daarom ook meende ik zelfs in deze tijden een poging te mogen wagen om de belangstelling van 's Rijks Regeering voor de Nederlandsche nationale kleederdrachten te wekken. In het begin van 1916 richtte ik een verzoek tot Z. Ex. den Minister van Binnenlandsche Zaken om het bijeenbrengen van gegevens en afbeeldingen van die drachten te willen subsidieeren.
De minister vroeg om advies bij de Koninklijke Academie van wetenschappen. Deze adviseerde gunstig. De Regeering stelde mij daarop een subsidie in uitzicht en mijn plannen als zoodanig ondervonden schijnbaar een veelzijdige sympathie.
Toch kwam van al deze goede bedoelingen en goeden wil niets terecht.
Dr. A. Pit, Directeur van het Nederlandsch Museum van Geschiedenis en Kunst te Amsterdam, onder wiens Directie de zoo fraaie verzameling van poppen in nationale kleedij uit het Rijksmuseum was uitgewezen, en die door den minister was opgedragen toezicht op mijn werk te houden, heeft de uitvoering van deze plannen, nog vóór ze begonnen waren, langs den bureaucratisch-administratieven weg onmogelijk gemaakt.
Of het later aan iemand anders dan aan mij vergund zal worden deze studiën, met steun van de Regeering te doen, wil _ik_ thans niet uitmaken. Maar het is wèl absoluut zeker dat thans een kostbaren tijd en mogelijkheden verloren gaan, die niet terug te winnen zullen zijn, zelfs niet met nog zoo veel geld .... om van den goeden wil en zekere andere voordeelen niet te spreken, die hier te niet gedaan werden.
Ik voor mij ben daarom den uitgever dankbaar--en velen zullen met mij hem dankbaar zijn--omdat hij mij in de gelegenheid stelde dit korte overzicht van het materiaal dat ik over de meest belangrijke van deze drachten verzamelde, op deze wijze te publiceeren.
Dit is lang niet alles, .... en zeer zeker niet compleet .... maar het is misschien een begin of een aanleiding om later vollediger beschrijvingen te boek te stellen. Later .... als het dan tenminste nog kan ....
Want het is thans, op elk gebied, de groote tijd waarin _alles_ veranderd, de tijd, waarin het oude verdwijnt, om in de toekomst wellicht geen enkel spoor na te laten. Zoodat ieder jaar, dat de beschrijving en afbeelding van onze Nederlandsche nationale kleederdrachten, ten pleiziere van welke groep, welk groepje of wiens persoon, omdat het niet van hen uitgaat, of om welke "_redenen_" dan ook, vertraagd of onmogelijk gemaakt wordt, _een vergrijp is tegen de Historie van Nederland, een vergrijp ook tegen een redelijke wetenschappelijkheid, tegen een werkelijke levende beoefening van een practische--en daardoor waardevolle--kunsthistorie_.
Juni 1917. Th. MOLKENBOER.
INHOUD
Voorwoord
I. Inleiding A. Over kleederdrachten in het algemeen B. Over nationale kleederdrachten C. Over de nationale kleederdrachten en de vooruitgaande beschaving
II. De Nederlandsche nationale kleederdrachten A. Algemeen overzicht B. Waar worden de Nederlandsche nationale kleederdrachten gedragen C. Over den invloed van den godsdienst, ras, rang, stand en beroep op de Nederlandsche nationale kleederdrachten D. Over de beteekenis van onze Nederlandsche nationale kleederdrachten uit een ethisch en aesthetisch oogpunt E. Litteratuur over de Nederlandsche nationale kleederdrachten F. Wat werd en wordt er voor de instandhouding, de belangen en de kennis van de Nederlandsche nationale kleederdrachten gedaan
III. De beschrijving van de Nederlandsche nationale kleederdrachten in de verschillende provinciën
Kaart van Nederland Noord-Holland A. Marken B. Volendam C. West-Friesland D. Het Gooi I. Laren II. Blaricum III. Huizen E. De Noordzee-kust en de eilanden F. De Meeren en Polders G. De groote steden Utrecht Spakenburg Zuid-Holland Scheveningen Zeeland A. Walcheren B. Zuid-Beveland C. Zeeuwsch-Vlaanderen D. Noord-Beveland Friesland Hindeloopen Groningen Drenthe Overijsel A. Het eiland Urk B. Staphorst Gelderland A. De Veluwe B. De Achterhoek C. De Betuwe, en het land tusschen Maas en Waal Noord-Brabant A. De Meierij van 's Hertogenbosch B. De Baronie van Breda C. Het Mark-Graafschap van Bergen op Zoom Limburg
Naschrift Register Inhoud