De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten
Chapter 8
In Ermelo en Putten is de dracht weer anders. Men draagt er bijna geen oorijzer meer. Ook geen bonte-muts over de witte ondermuts, de krop-lap is soms wit, de doek effen (niet bont) de boezelaar zonder "stuk". Meer westelijk van Putten is van die hierboven omschreven (Geldersch-Friesche) dracht niets meer te zien en ging ze over in een ander type, dat van het Utrechtsche en van het Gooi. Bunschoten en Spakenburg vormen weer een klasse op zich zelf.
In Nijkerk, het oude en merkwaardige stadje, ziet men niets dan mutsen, de beroemde _cornet-muts_, met de lange achterstrook en de vele kleine plooitjes die het hoofd omgeven. Dit is de Zondagsche muts, die soms nog "verfraaid" wordt door een breed (licht blauw) zijden overlint, dat om den bol en van achter om het achterhoofd gaat, en dat onder de kin wordt vastgestrikt.
De rest van de kleeding is "ouderwetsch" en stadsch.
Bovendien wordt in Nijkerk nog een daagsche plooi-muts gedragen, van voren met drie strookjes over elkaar, van achter met een zonderling geplooide strook.
Deze muts draagt den naam van "_drie strookjes_". Soms draagt men onder deze muts een zwarte ondermuts, maar meestal zet men ze, direct, op het bijeen gebonden haar.
B. DE ACHTERHOEK.
In den Achterhoek, in het Graafschap Zutphen en in de Lijmers (het land rond Zevenaar), is niet veel van een nationale kleederdracht overgebleven. Wat er nog van te zien is, bestaat uit de neepjes-muts die de vrouwen dragen, van denzelfden vorm als in Overijsel (zie bl. 70 en 71) (Zwolle) welk ouderwetsch kleedingstuk zoogenaamd gemoderniseerd wordt door het kapothoedje, (dat in Friesland "de kiep" heet), het smakelooze onding van strikken, bloemen en gitten (alles in het zwart) dat over die muts gedragen wordt.
De kleeding der mannen heeft niets opmerkelijks meer.
C. DE BETUWE, EN HET LAND TUSSCHEN MAAS EN WAAL.
In de Betuwe zelf is de nationale dracht eveneens zoo goed als verdwenen, althans in het land van Tiel en in de Neder-Betuwe is er niets van over.
In _het land van Maas en Waal_ echter, in de Bommeler-Waard en in het land van Nijmegen sluit zich het weinige wat er nog van de nationale dracht over is aan bij de eigenaardige hoofd-tooi die in Noord-Brabant, en speciaal in de Meijerei van den Bosch, nog veel voorkomt. (Zie bl. 78 en 80).
De mannen-dracht in die streken heeft niets wat deze van de gewone boersche stads-kleeding onderscheidt, maar de vrouwen dragen de groote, breede, witte mutsen met breede lange linten, en een soort verstedelijkt niet-oud, niet-moderne costume, waarbij men vele malen een soort pelerine of cape-vorm ziet toegepast, die in het Noordelijker deel van Nederland onbekend is, maar in het land van Maas en Waal, in het land van 's Hertogenbosch, en vooral Zuidelijker (in België) een merkwaardig cachet aan de bevolking geeft.
Deze capes of pelerines worden alleen door de vrouwen gedragen. Ze doen denken aan een ouderwetschen mode-vorm en zijn van zwarte stof gemaakt en gegarneerd met plooien en belegsels. Ze zijn half lang, maar somtijds ook tot den grond rijkend, met een capuchon over het hoofd. Van dit laatste type ziet men somtijds nog oudere vormen in 's Hertogenbosch.
De witte muts nu, die men in het land tusschen de Maas en de Waal draagt heet _knipmuts_. Ze bestaat uit tule-kant, aan de voorzijde geplooid met behulp van fijn koperdraad, hetwelk met een blauwe stof omwonden is. Dit is het "_Karekas_".
Bij zware rouw bestaat de muts geheel uit neteldoek, bij lichten rouw uit tule.
De meer gegoeden dragen over deze knipmuts een krans van gemaakte bloemen, aan de uiteinden voorzien van breede zijden linten. Deze bloemen en linten te samen heeten "_de poffer_", en ze geven het uiterlijk van de draagster een zeer bijzonder cachet omdat de heele hoofdtooi daardoor zeer breed wordt. (Zie bl. 78).
Bij de rijke boeren wordt de zoogenaamde "_bodem_" van de knipmuts in plaats van met bloemen gewerkte tule, uit echte kant gemaakt. Dat zijn dan de "_baan-mutsen_".
Deze mutsen die geheel wit zijn, zijn, door hun grootte en bewerkelijkheid, soms zeer kostbaar.
Onder de knipmuts wordt een ondermuts van zwart merinos gedragen, gevoerd en opgevuld met watten. Ook dat draagt er toe bij deze hoofdtooi buitengewoon breed en zwaar te doen schijnen.
De algemeene indruk heeft dan ook niet veel Hollandsch meer. Een kennelijk zuidelijker,--Belgische--smaak, heeft blijkbaar deze hoofdtooi ontworpen.... of: haar vervormd. Ze lijkt althans zeer veel op wat men in deze in Vlaanderen en het land van Brussel ziet.
NOORD-BRABANT.
De groote provincie Noord-Brabant vormt, in het zuidelijk deel van ons land een soort geographisch, anthropologisch en cultuur-historisch overgangs- en grensgebied tusschen Noord en Zuid. Het is het terrein waar de Noordelijke (Germaansche) en de Zuidelijke (Romaansche en Gallische) idealen elkaar ontmoeten en in elkaar versmelten. En dat komt zeer duidelijk in de kleederdrachten uit die in deze streek gedragen worden.
Wat er van die oude volks-eigen drachten nog over is, is niet veel meer dan de boeren-muts, zooals die door de plattelands-boerinnen gedragen wordt. Dat is juist zooals in zooveel andere streken van ons land, waar die mutsen de eenige resten van de oude drachten zijn.
Maar behalve die mutsen is--in Noord-Brabant--de overige lijfskleeding, en dan vooral van de vrouwen, meer opmerkelijk dan in eenige andere Nederlandsche provincie, al moet die lijfs-kleeding, die thans (1916) onder die boeren-bevolking nog vrij algemeen is, dan niet geheel tot de eigenlijke historische nationale volksdracht gerekend worden, en al blijkt ze meer onder de vervormde mode-navolgingen te moeten worden gerangschikt. Maar ze is er niet minder bijzonder karakteristiek om.
En dit zal voor een groot deel het gevolg zijn van het hierboven reeds genoemde feit, dat in Noord-Brabant de Noordelijke en Zuidelijke idealen in elkaar overgaan. En, dat getuigt die kleeding on-weerlegbaar. Want geheel Hollandsch is die kleeding niet, noch in haar wezen, noch in vorm, noch in kleur, en ze is ook niet geheel on-Hollandsch (Belgisch, Vlaamsch, Waalsch of Fransch) maar ze houdt het midden tusschen deze twee, en ze vertoont de kennelijke invloed van het Noordelijke zoowel als van het Zuidelijke ideaal.
Reeds bij de bespreking van de andere provinciën had ik de gelegenheid op te merken hoe groot (dikwijls) die invloed van de Godsdienst op het voortbestaan van een nationale kleeding is. De gehechtheid aan een een-maal algemeen beleden Godsdienst waarborgt, in een bepaalde streek, het voortbestaan van oude zeden en gewoonten, en daardoor het voortbestaan van de, uit die zeden voortkomende, volkskleeding.
Ook is er wel geen streek in ons land waar de bevolking zóó conservatief is en zoo gehecht aan haar oude geloof en zeden, als in Noord-Brabant, welk conservatisme op zich zelf zoo lang stand kan houden omdat er een bijna absolute eenheid van godsdienst is. Om deze toestand te helpen bestendigen, moedigt (o.a.) de Roomsche geestelijkheid de boerenbevolking aan, hun oude kleeding getrouw te blijven, om zoodoende met de kleeding, de oude zeden, en daardoor de oude godsdienst te kunnen handhaven.
En uit die wisselwerking tusschen geloof, zeden en kleeding--en uit die algemeene verspreidheid van die eene Godsdienst, moge het verklaard worden dat die oude drachten, of liever die ouderwetsche drachten nog zoo veelvuldig in deze provincie voorkomen en voortbestaan.
Maar een andere, zeer belangrijke factor, voor de verklaring van en het verkrijgen van een juister kennis en inzicht in die bijzondere--niet oude, maar ouderwetsche--drachten in deze bijzondere provincie, lijkt mij den invloed die het ras van menschen, dat Noord-Brabant bewoont, op haar eigen kleedij had. Hiervoren had ik al gelegenheid op de wisselwerking te wijzen die er--naar mijn oordeel--bestaat tusschen de drager en zijn costume, tusschen de lichaamsvorm van den mensch en zijn kleed.
Nu behooren de bewoners van Noord-Brabant zeer zeker _niet_ tot de mooiste specimina van het _genus homo_ dat ons land bewoont. Het lijkt wel of de zware klei en de dorre, drooge zand- en heide-gronden die--geologisch--deze provincie vormen, de bevolking van die streken tot dat kleine, breede, schonkige, breedhoofdige ras heeft gemaakt met dat harde, verbetene en stugge uiterlijk dat den opmerker dadelijk opvalt.
Omdat de lichaamsbouw van de Noord-Brabanders zoo leelijk is, moet het niet verwonderen dat die zelfde plompheid en traagheid die uit hun ongracelijke verschijning spreekt, ook als het hoofdkenmerk van den vorm, de snit en de kleur van hun kleedij gelden moet. Want deze is grof van detail, niet oud maar ouderwetsch, zonder phantasie, zonder uiting van levenslust, maar kleinzielig van gedachte, zonder vreugde, benepen en boersch. Een dracht van oude mannetjes en oude vrouwtjes,.... maar met dat al, of liever juist daarom, zeer interessant voor den student in volkspsyche, zoo dan al minder aantrekkelijk voor den eclectischen aestheticus.
Ieder volk, ieder ras, ieder mensch heeft de kleeding die hij verdient.... en die slechts een uiting is van het eigen innigste wezen, idealen en levensopvatting. Een mooie, aesthetisch werkende kleeding kan slechts door een mooi, naar geest en lichaam _beide_ harmonisch ontwikkeld menschenras worden saamgesteld. Getuige de kleeding van de Grieken. En die kleedij kan slechts _goed_ en _waar_,--dus: aesthetisch werkend, door personen gedragen worden die niet alleen dezelfde idealen hebben als het volk (het ras) dat die kleedij samenstelde, maar die ook de lichaamsvormen hebben waarop deze kleedij is gecomponeerd.
Dan eerst is er harmonie tusschen den drager en zijn costume, dan eerst kan er werkelijke schoonheid bereikt worden omdat ze op de werkelijkheid en de waarheid berust. Als een kleedij, die op een welgebouwd lichaam gecomponeerd is door een mensch gedragen wordt wiens lichaamsbouw minder harmonisch is, dan wordt zelden een volkomen aesthetisch geheel verkregen. Soms zelfs is het belachelijk. Het is niet bij toeval dat de heerenmode in Engeland, het land van de welgebouwde mannen, wordt ontworpen. En het is niet zonder oorzaak dat de dames-modes uit Parijs komen, waar de schoongevormde Parisiennes de aesthetisch aangelegde mode-ontwerpers het best gelegenheid geven een vrouwen-kleedij te componeeren die het schoone van "_de vrouw_" doet uitkomen. Ziet maar hoe een slechtgebouwde man of een leelijke vrouw een goed Londensch of Parijsch toilet staat.... Het is al te kennelijk niet voor hen gemaakt, dus:... staat het leelijk!--
Er zal altijd een wisselwerking, dus ook een contrasteering tusschen den mensch en zijn kleedij blijven. Een mooie dracht maakt een mooi mensch mooier.... maar een leelijk mensch leelijker. Het schoone doet slechts het schoone uitkomen, recht wedervaren.
Ieder mensch kan slechts de kleedij die hemzelf, zijn eigen innerlijke en uiterlijke wezen toont, goed dragen. Al het andere is masquerade, onechtheid, leugen.
Zoo is het ook met de nationale kleederdrachten. Zoo is het met de Zeeuwsche vrouwen-kleeding, die mooi is en aesthetisch werkt, omdat ze op een welgebouwd ras is gecomponeerd. Daarom werkt de dracht van het eiland Marken wèl picturaal, artistiek, maar niet aesthetisch. Daarom is de werking van de drachten in Noord-Brabant zeer on-aesthetisch, maar ze wekt de belangstelling, de nieuwsgierigheid, door het ouderwetsche, boersche, ongewone. Die Brabantsche kleeding vraagt de aandacht, niet voor en om zich zelf, maar voor de zeden en gewoonten waar zij de uiting van zijn. En dat is het zeer bijzondere van de volkskleeding in deze provincie.
Deze kleine uitwijding over de oorzaken, die den aard van de volkskleedij in Noord-Brabant bepalen, was, tot duidelijker omschrijving van die kleedij zelf--noodzakelijk. Meer dan bij de beschrijving van de volkskleedij in andere provinciën. Want de inventariseering van die volksdrachten in Noord-Brabant zou in hoofdzaak de beschrijving van de zeden en gewoonten van die streek moeten zijn. De kleedij zelf is, als kleedij, niet zoo heel belangrijk, noch om de snit, noch om de stof, vorm of kleur. In hoofdzaak is de muts van de boerinnen het voornaamste. Die heeft nog de van ouds-her overgeleverde vormen. Maar de andere lijfs-kleedij is meer curieus dan fraai. De mannenkleeding heeft niets bijzonders.
Maar vooral de mutsen zijn zeer belangrijk, te meer daar er zooveel verschillende soorten mutsen gedragen worden. Bijna ieder dorp heeft haar eigen vorm, en de afwijkingen zijn soms zeer bijzonder. En die afwijkingen vinden meestal hun grond in plaatselijke zeden en gewoonten.
Staatkundig bestaat deze provincie uit drie deelen. Ieder van deze heeft een eigen volks-kleederdracht. Het grootste en belangrijkste deel vormt het Oostelijk deel van de Provincie, de Meierij van 's-Hertogenbosch. In het midden is de Baronie van Breda. In het Westen ligt het Markgraafschap van Bergen-op-Zoom. In ieder van deze gewesten zijn weer afzonderlijke streken aan te wijzen waar de dracht belangrijk van die van de andere streken afwijkt, maar het hoofd-type blijft, voor ieder van deze gewesten, binnen haar grenzen, hetzelfde.
A. DE MEIERIJ VAN 's-HERTOGENBOSCH
Vooral ten Zuiden en ten Oosten van 's-Hertogenbosch, en in het Land van Boxtel, Liempt, Rooy, Vechel, Osch, Rosmalen, Helvoirt en Best is de Meierij'sche dracht het meest zuiver.
Ze bestaat uit een zeer groote, wijde muts met lange strook of vleugel die zoowel naar achter als naar de zijkanten (half over de schouder) breed uitplooit.
Deze muts wordt over een zwarte ondermuts gedragen, over het haar dat afgeknipt of bijeengebonden is, al naar de persoonlijke smaak.
De groote, eigenlijke _boven-muts_, de eigenlijke Meierij'sche of oud Noord-Brabantsche muts heeft van voren, boven het voorhoofd, een aantal vertikale plooitjes, (_kneepjes_) een wijde bol over het hoofd (de kruin of bodem) en van achter de lange afhangende strook.
Gewoonlijk is deze muts van (echte) kant gemaakt, waardoor ze, ook door haar grootte, zeer kostbaar wordt. In den rouw is ze van _rouwdoek_, zoogenaamd _organdine_.
Daaroverheen gaat de _poffer_. Dat is de eigenlijke versiering van de muts, het hoogst eigenaardig samenstel van uit kant en witte stof, koralen en franjes gemaakte dikke rand van bloemen, die als een (arm-dikke) zware wrong over het voorhoofd (op de muts) wordt gelegd en met een bandje van achter om het hoofd wordt vastgehouden. Aan deze poffer zijn groote breede (witte) zijden linten bevestigd, die tot bijna in de taille naar achter afhangen, van franje zijn voorzien en deze geheele muts met de uitwaaiende strook van achter een zeer wijd en breed aanzien geven. Het hoofd van de draagster wordt er ongewoon breed en log door, te meer daar het verdere van de figuur in den regel gehuld is in een zoogenaamde _kapmantel_, een "_pelerine_" of "_omhanger_" van ouderwetschen snit, die het lijf tot aan de taille omsluit, soms zelfs tot de knieën of den grond afhangt. De groote muts met de pompeuze poffer is dan breeder dan de schouders, en het lijf lijkt smaller door de kapmantel. Deze poffers zijn dikwijls zeer verschillend van maaksel, niet alleen naar de verschillende streken van de Meierij, maar ook naar den rijkdom van de draagster, het min of meer bijzondere van de gelegenheid waarbij ze wordt gedragen, enz.
Ze is niet altijd geheel wit. Soms zijn de bloemen met blauw doorwerkt, of de breede linten licht blauw. Het is begrijpelijk dat dit een zeer dure dracht is, te meer ook daar het opmaken van deze mutsen door speciale mutsen-maaksters gedaan moet worden.
Niet altijd echter draagt de Noord-Brabantsche vrouw deze bijzondere muts. Ook wordt ze, in de Meierij slechts op het platte land gedragen. In de stad 's-Hertogenbosch ziet men slechts de zoogenaamde Bossche _dienstbodenmuts_, die van zeer eenvoudige constructie is, van voren drie rijen plooitjes boven het voorhoofd heeft, en met een lange band en strik onder de kin vastgemaakt wordt. Die tot een dikke massa saam-gebrachte plooitjes boven het voorhoofd heet "_de tuil_".
Soms draagt de vrouw uit het volk in Den Bosch ook een zwarte muts, die echter een vervorming moet heeten van het beruchte, hier reeds meermalen genoemde capot-hoedje.
Op het land, bij de boeren echter dragen de jonge meisjes tot hun tiende jaar een zwarte wollen muts, met groote, dikke wrong boven het voorhoofd. Die muts heet "_kaper_."
Na hun tiende jaar, of tegen den tijd dat de kinderen ter eerste communie gaan (vroeger ongeveer op het twaalfde jaar) krijgen de meisjes zwarte boeren mutsen, een muts met een vorm, die aan de mutsen met poffer van de volwassen vrouwen doet denken. Het zijn breede, zware, zeer rijk en overdadig versierde mutsen met breede strikken en veeren en gitten en gespen, van achter met twee afhangende breede linten. Het effect van deze mutsen is dat ze het hoofd van het kind zeer breed en zwaar doen schijnen.
In deze kindermutsen is in de Meierij zeer veel variatie.
In Vechel maakt men in den rand soms zelfs zwart-glazen belletjes, die rinkelen als de kinderen loopen. Deze kinder-mutsen worden door de jonge meisjes tot hun 20e à 23e jaar gedragen, of totdat zij verloofd zijn. Sommige van haar zetten die muts al vroeger af, om "ouder" te schijnen. Dan--als zij verloofd of getrouwd zijn--of dit willen schijnen, zetten zij de groote, witte Noord-Brabantsche muts op. Bij die muts draagt de Noord-Brabantsche vrouw nog bijzondere gouden versieringen, maar geen oorijzer.
In de ooren heeft zij bijzonder groote bellen van filigraan-goud met bloedkoraal versierd, in waaiervorm, zoodat ze _waaierbellen_ heeten.
Om den hals soms een hals-ketting van roode, zwarte of witte koralen met gouden slot (van voren). Daarover zeer dikwijls een klein halsdoekje van zeer sterke kleuren, op de wijze als het _knuppeldoekje_ van de vrouwen in Kampen (zie aldaar). De rest van de lijfskleeding is niet anders dan "ouderwetsch" te noemen. Ze hangt bijzonder smakeloos van vorm om het dikwijls grof en breed gebouwde lichaam, waarover de kapmantel of de pelerine, welke een soort vervormd overblijfsel van een ouderwetsche modedracht van 1880 is.
In Den Bosch ziet men echter nog sporadisch oudere vrouwtjes met zeer bijzonder soort kapmantels die tot op den grond afhangen, en een capuchon over het hoofd. Deze dracht, die een zeer oude is, waag ik het te vooronderstellen dat ze van oude klooster-kleedij, van monnikspij of nonnen-habijt is afgeleid. In ieder geval is de oorsprong _niet_ Hollandsch, zooals ook de halflange pelerines met franjes en kanten naar Fransche en Belgische modellen zijn nagevolgd. De smaak en het ideaal van het Noord-Brabantsche volk betoont zich ook in deze meer zuidelijk dan noordelijk.
Maar behalve deze worden thans door de boeren-bevolking, en vooral ten platten lande nog veel de ouderwetsche "_doeken_" gedragen, de "_Kashmire-shawls_" die onder het tweede Keizerrijk in Frankrijk zoozeer in de mode waren. Die dracht is thans voor die Noord-Brabantsche oude boerinnen de gewone, waarbij ze dan de van ouds-her stammende muts dragen, een hybridisch samenstel van resten van oude volks-dracht en mode-namaak, dat alles te samen den indruk maakt van een soms wel schilderachtige en typische, maar zeer achterlijke, conservatieve en on-aesthetische kleedij.
Er mag hier even worden opgemerkt dat iets wel zeer eigendommelijk, karakteristiek, en zelfs mooi van kleur combinatie, en daardoor zeer pittoresk kan zijn, maar dat het geheel dan nog zeer wel tegen de aesthetica, dat is, tegen de wetten van een objectief schoonheidsbegrip kan strijden.
Maar er zijn nog meer resten van werkelijk oude drachten in de Meierij. En daartoe behoort de "_falie_" een langwerpig vierkante doek van ongeveer drie meter lengte, bij één meter breedte, met franje aan de smalle einden. Deze, van zwarte stof gemaakte groote lap (want anders is het niet) wordt over het hoofd gedragen, zoodat de lange plooien het geheele lichaam van de vrouw inhullen. Een zeer bijzonder kleedingstuk dat ook al weer alleen zijn behoud aan de gehechtheid aan oude zeden dankt, want het wordt alleen bij rouw, kerkgang of doop gedragen.
Maar behalve deze costume-onderdeelen en de genoemde mutsen wordt in de Meierij een soort muts door de boeren-bevolking gedragen die het midden houdt tusschen de stads-(dienstboden)muts, en de groote Noord-Brabantsche muts met poffer. Dat is de "_buiten-muts_".
Dat is een muts die, even als alle mutsen uit de Meierij de tendenz vertoont van het hoofd breed te willen maken, maar het is een muts uit één stuk, met niet zoo'n lange kanten strook van achter, maar met een korter, stijve plooiïng, genaamd "_de luif_". Van voren zijn drie rijen plooitjes, op de bol; van voren naar achter loopend, aan iederen kant een "_takje_" met uit neteldoek gemaakte bloemetjes, en van achter twee breede, witte linten; onder de kin een (vaste) witte strik.
De muts heet buiten-muts omdat ze door de menschen _van buiten_ gedragen wordt, in tegenstelling met de stads-menschen.
Vervolgens worden in de Meierij (in Helvoirt) nog "_strikke-mutsen_" door kinderen gedragen, en in Eindhoven nog "_cornetten_", en zouden er nog vele details mede te deelen zijn over de "poffer" die zoo'n bijzonder cachet, zoo'n "onhollandsch", zoo'n verbeten, koppig, en vooral zoo'n boersch uiterlijk aan de Noord-Brabantsch vrouwen van het land geeft, als ze daar met hun korte breede, lijven, en groote hoofden, op groote schoenen, met groote passen langs de zonnige, zandige wegen van het met zwaar hout begroeide landschap of naast een over de dikke keien rammelende groote boerenwagen sjokken, waarvoor het zware paard langzaam voortstapt.
B. DE BARONIE VAN BREDA.
Het eerste wat van de mutsen, die door de boeren-vrouwen in de Baronie van Breda gedragen worden, in tegenstelling met die van de Meierij van Den Bosch, opvalt, is, dat de afmetingen van die Bredasche mutsen zooveel kleiner zijn. Maar toch zijn ze nog groot en wijd, in vergelijking met de mutsen die in de andere deelen van ons land worden gedragen, vooral groot en wijd en dik boven het voorhoofd. Dat wordt in Breda niet veroorzaakt door de volumineuze "_poffer_" maar door "_de kroon_", of "_de kroesel_" of "_de krans_".
De muts van de vrouwen uit de Baronie bestaat uit een rand zeer dun geplooide of strakke kant, die om het hoofd gaat en langs de ooren naar achter afbuigt tot in den nek, tot bijna op de schouders. Die effen kanten strook heeft van achter een _bodem_ of _kruin_, een naar achter afhangende, opgenomen breede lap kant-stof, tot op schouders afhangend. Het geheel wordt ingeregen met een bandje tusschen de voor-strook en de bodem (of kruin) en op die wijze op het hoofd vastgehouden. Dit is de eenvoudigste soort van het algemeene type van de muts in de Baronie. Dit is de "_strakke muts_", die van tulle of gaas is in de rouw en door de week en 's Zondags van kant. Ze wordt over een zwarte ondermuts gedragen en van voren, op het voorhoofd, hebben de vrouwen twee kleine krulletjes haar (valsch of echt) aangebracht, die even onder den rand van de muts uitkomen.
In deze eenvoudigste vorm heeft deze Baronie-muts veel overeenkomst met de groote floddermutsen die op de Zuid-Hollandschsche eilanden worden gedragen. Ze is als het ware het overgangs-type tusschen de Noord-Brabantsche, sterk-Belgische vormen en de zuiver Hollandsche vormen van Zuid-Holland en Zeeland.
Deze strakke muts wordt echter veelvuldig gevarieerd in een mooier en rijker bewerking. Dan wordt het de _dubbele muts_. De hoofdvorm blijft dezelfde. De voorste strook kant, die het gezicht omsluit, wordt echter dubbel, in twee geledingen over elkaar. In den regel zijn deze dubbele mutsen steeds van kant en doen alleen 's Zondags dienst.