De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten

Chapter 7

Chapter 73,742 wordsPublic domain

Deze buitengewoon sierlijke en rijke dracht heeft, naar men wil, vooral ook zijn oorzaak gehad in de eenzame ligging van het oude stadje Hindeloopen. De mannen waren meestentijds op hun reizen, de vrouwen bleven alleen thuis, werden eenzelvig en zochten hun afleiding en vermaak in het zoo rijk en bont mogelijk opsieren van eigen huis en kleedij.

Hoe dit zij, zij verkregen een geheel dat eenig is in zijn soort, vooral ook omdat men de waarde en de beteekenis van deze zonderlinge kleederdracht niet overzien kan zonder ze in haar eigen milieu, het kleurige Hindelooper binnenhuis, te hebben bewonderd.

Verder dient nog de aandacht gevraagd voor de bijzondere dracht van twee Leeuwarder weeshuizen, welke drachten thans ook reeds--jammer genoeg--zijn afgeschaft. (Zie bl. 64.)

GRONINGEN.

Ofschoon ook Groningen een oude geschiedenis heeft, is er, zoo goed als niets van de provinciale en nationale kleedij overgebleven. Op het feest in nationale kleederdrachten in 1913 te Amsterdam gehouden, was het mij niet mogelijk ook maar één paar (man en vrouw) in echt, heden nog gedragen Groninger kleedij te kunnen vinden.

De historische dracht, waarin toen een heer en dame verschenen, heeft ook bij-lange die beteekenis voor de Groningers niet als de Friesche dracht voor de Friezen. Het is opmerkelijk dat in een deel van ons land als Groningen, met haar zoo eigen historie, de traditie zoo volkomen verloren kon gaan.

DRENTHE.

Ook Drenthe is niet zeer rijk aan nationale drachten. Wat als zoodanig nog kan gelden is de (Friesche) kap en het oorijzer dat in zekere streken van deze provincie nog gedragen wordt (zie bl. 65).

De overige kleedij is dat bekende hybridische half ouderwetsche costume dat in heel ons land onder de platte-lands-bevolking de werkelijke nationale drachten vervangen heeft. Het is een imitatie van de stads-dracht, in vorm en versiering tot ongeveer geen enkele periode te rekenen, in kleur soms nog--als 't op zijn 's Zondags--erg "mooi" moet zijn, opvallend door persoonlijke wansmaak.

De muts en het oorijzer zijn dan het eenige overgeblevene, maar die eenige rest van die werkelijk nationale dracht wordt dan niet weinig ontsierd door de "Kiep" (zooals men het in West-Friesland noemt), een soort van vrije fantasie door middel van allerlei gitten, bloemen en strikken op het zoogenaamd capot-hoedje, dat omstreeks 1885 "le dernier cri" van de Parijsche mode (wansmaak) was.

In de veenstreken vindt men geen nationale dracht, omdat het in later tijd aangelegde kolonies zijn.

OVERIJSEL.

In Overijsel zijn de tradities beter bewaard, ofschoon in hun volheid slechts in Staphorst en op Urk. In de rest van de provincie vindt men veel de halve nationale dracht, hoofdzakelijk de muts, maar de eigenlijke nationale dracht is verdwenen, vooral hoe meer men naar het Oosten gaat.

A. HET EILAND URK.

Van zeer bijzondere belangrijkheid is de kleedij en haar dragers en draagsters op het eiland Urk. Het is niet te zeggen wat van deze het belangrijkst is, het ras van menschen dat Urk bewoont, of hun kleeding. Maar beide zijn ze in hooge mate interessant.

Zooals in Zeeland (vooral Walcheren) wonen er op Urk nog ras-menschen, iets wat men van de andere streken van ons land niet zeggen kan--en 't minst van de groote steden. Maar de Urkers zijn fraai en gezond van bouw en er zijn bijzonder schoone vrouwentypen (zooals op Walcheren) en zeer krachtige mannengestalten. Hun kleeding sluit, wat de algemeene vormen aangaat, bij de gewone Hollandsche nationale drachten aan. Bij de mannen de wijde broeken en de nauw-aangesloten baaitjes, juist zooals op Volendam en Marken, ofschoon eenigszins anders van détails, maar in bedoeling hetzelfde, omdat die kleeding voor een groot deel bepaald is door de practijk van het visschersbedrijf en het leven op zee. (Zie bl. 66, 67).

Wat de vrouwen betreft bestaat de dracht uit het noodige aantal rokken van verschillende stof en kleur, de kroplap, de doek en op het hoofd de kap of hulle. In zooverre is alles, wat de constructie betreft, gewoon. Maar het onderscheid in deze dracht met die van dezelfde soort in de andere deelen van het land ligt in de wijze waarop de verschillende détails gedragen worden, en.... _wie_ ze draagt. (Zie bl. 66 en 68).

Dit laatste is, voor zoover de aesthetische werking betreft, bij iedere kleeding toch maar de hoofdzaak. Want al ligt er veel waarheid in het oude gezegde "de kleeding maakt den man", de meeste kleeding echter doet den drager zich slechts van de andere menschen onderscheiden naar afkomst, rang of positie, niet naar schoonheid of aesthetische werking. Men moet een kleeding _kunnen_ dragen. En, zoo er vrouwen zijn die de Hollandsche dracht weten te dragen, dan zijn het die van Urk.--Dat moet gezegd zijn.

Want de Urker-dracht onderscheidt zich niet door kleur of veel opschik. Ze is zeer eenvoudig, ze heeft geen on-noodige détails, maar haar werkelijk aesthetische waarde ligt in het ras dat ze draagt. De kleuren zijn meest alle donker, gebloemde zijde, donkere wol en laken, hier en daar slechts met een klein werkje.

De hoofdzaak is echter dat het natuurlijke figuur (van de vrouwen) zeer door deze dracht tot zijn recht komt, en de Urker-vrouwen alles doen om hun natuurlijke gaven in deze nog meer te doen uitkomen. Er is wisselwerking tusschen den vorm van het lichaam dat de kleeding draagt en den vorm van die kleedij zelf, geleid door het natuurlijk instinct van de draagster zelf, die ziet _hoe_ ze een costume dragen moet, om de aandacht door middel van haar costume op zichzelf te doen vallen. Nog duidelijker blijkt die wil om _zelf_ gezien te worden--en niet hun kleedij--(die ook zoozeer bij de vrouwen op Walcheren bestaat) uit de wijze waarop de Urker-vrouw haar kleine maar prachtig hulletje draagt.

De heele hoofd-versiering is zeer nauw aan het hoofd aansluitend, zoodat het gezicht--dat dikwijls zeer schoon is--duidelijk uitkomt. Opmerkelijk is daarbij het echt vrouwelijke raffinement waarmee het oorijzer gedragen wordt. De knop, waar dat nationale kleinood in eindigt, komt bij de Urker-meisjes midden op de wang, dicht bij den mond. Maar doordat in het oorijzer zekere veering zit, drukt die knop kuiltjes in de wang, om op die wijze de natuurlijke charme van het gezicht nog meer te doen uitkomen.

Men behoeft werkelijk niet naar Parijs te gaan, om zekere geheimen van het vrouwen-toilet te leeren doorgronden. Een Parisienne zou van een Urkersch visschers-meisje nog heel wat kunnen leeren.....

Om een korte opsomming te geven van de Urker kleedij van de vrouw, moge dit hier volgen:

De kap of _hulle_ bestaat uit zwarte ondermuts, daarover het oorijzer (van zilver), daarover de de hulle (overmuts), van voren met een (zelfgemaakt) kantje. Van achter versiert een vrouw in den rouw die hulle met een "_dasje_", dat is een zwart zijden strook, met een bandje en spelden vastgehouden. Van voren komt onder de hul "_de top_" uit, zoo heet het haar dat als ponny recht is afgeknipt tot even boven de oogen.

Om den hals de ketting van roode _granaten_, het gouden slot van _achter_.

De lijf-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een (open) onderbroek, zwarte kousen, borstrok van zwarte baai met half lange mouwen van zijde, fluweel of thibet. Deze mouwen blijven bij de volledige kleeding te zien.

Daarover komt het _middelde_, een soort corset, eenigszins gelijkend op het rijglijf wat de Marker-vrouwen dragen. Het is echter niet zoo versierd met ornamenten, maar van blauw (of rood) damast, van voren met een veter dicht geregen die door (koperen) ringen gaat. Van onder (achter) aan de taille zijn eenige "_rollen_" aangebracht, bij wijze van _queu de Paris_ om de rokken wijder te doen uitstaan. Onder het corset draagt men de borstlap van roode baai.

Het aantal rokken bestaat uit den _ondersten rok_, een _tusschenrok_, den _zevenkleurigen rok_ (rood, wit, zwart, groen, ongeveer zooals die 's Zondags te Volendam wordt gedragen) en daarover de bovenrok, 's winters van baai of duffel, zwart of licht blauw, 's zomers van thibet, laken of luster.

Dan de kroplap, van voren echter meestal versierd met een ornament in kruissteek (_het hartje_) dat soms de initialen van de draagster vertoont. Daarover de borstrok, of het _lijfje_--of "_lifien_", 's winters van zwarte wollen stof, 's zomers van thibet. Dit "_lifien_" is een jakje met korte mouwen, laag uitgesneden aan den hals, een schootje en een "_strik_" van gebloemde zijde, dat is boordsel langs den hals.

Daarover gaat "de doek" van donkerkleurige gebloemde zijde, meestal donker-rood of paarsachtig van nuance. Deze doek heeft (tegenwoordig) meestal franje.

Daarover de boezel, of schort, met een "_strik_" van gebloemde zijde, zijnde een horizontale strook van een handbreedte aan de taille. Dit boezel is van zwart thibet of zijde.

Merkwaardig is nog dat de Urksche vrouwen wanten of pols-mouwen dragen over hun van boven den elleboog bloote armen.

Het zijn niet de "labedisten" van de Zeeuwsche schoonen, maar gewone pols-bedekkingen van gebreide (zwarte) wol.

Verder bestaat het schoeisel uit zwart-leeren muilen.

Opmerkelijk is verder hoe die dracht verandert, niet van vorm maar van kleur, voor weduwen, bruiden, en voor kinderen. Voor de weduwe is ze geheel zwart, voor de bruid iets kleuriger, (en nieuwer), voor de kinderen eenvoudiger, vooral wat het schort en de rokjes aangaat. Veel wit wordt dan ook door de kinderen gedragen, ofschoon de vorm--van de dracht--ook voor de kinderen, dezelfde blijft. (Zie bl. 68).

B. STAPHORST.

De Staphorster-dracht onderscheidt zich van de andere drachten door haar bijzondere compleetheid, zoowel voor mannen, vrouwen als kinderen. Ze sluit echter, wat haar vormen aangaat, geheel bij de drachten aan die men aan de kust van de Zuiderzee vindt, vanaf Staphorst tot aan Huizen in Noord-Holland. Vooral vanaf Harderwijk tot aan Staphorst onderscheiden zich de drachten (van de vrouw) door kleine hoofd-tooi, plat-makende borst (en torso) bekleeding en zeer breed en plat makende heup-bedekking.

De kleuren zijn over 't algemeen zeer sterk, veel rood, bij de Staphorster-vrouwen ook veel blauw. Zelfs zijn de overmutsen (in Nunspeet en Oldenbroek) bont, d. w. z. van stof met kleurige ornamenten versierd.

Het oorijzer, dat in deze heele streek eenzelfde eigenaardige haak-vormige zilveren beugel is, wordt echter van Huizen naar Staphorst, oostwaarts gaande, zoo gedragen, dat de knop (krul in den vorm van een kurketrekker) bij de vrouwen van Harderwijk, Hierden, Nunspeet, Hulshorst, Elburg en Oldenbroek aan de slapen komt, steeds meer zakt, totdat ze bij de Staphorster-vrouwen geheel tot de kaak reikt. (Zie Urk.)

Ook is bij de Staphorster-vrouwen het oorijzer breeder dan bij die in Gelderland, en het ondersteunt niet meer de haarvlecht achter tegen het hoofd, maar ligt boven op de kruin, in schuine richting. Ook zijn er andere afwijkingen in de Staphorster dracht, zoodat de geheele vorm van de hoofdbedekking anders wordt.

Het Staphorster-vrouwen costume kan aldus worden beschreven: (zie bl. 72 en 73.)

Over het bloote lijf komt het katoenen hemd, zonder kraag, daarover de borstrok van "_vijfschaft_", met mouwen tot aan de ellebogen.

Dit vijfschaft of "_viefschaft_" is een wollen stof, gemaakt van het wol van de schapen, die de Staphorsters zelf teelen. Die wol wordt de door Staphorster vrouwen zelf gesponnen en in bepaalde kleuren, door werklieden in de buurt van Staphorst gekleurd, en volgens bepaalde patronen door een paar hand-wevers tot de stof geweven, waarvan de kleedij der Staphorster-vrouwen voor een groot deel gemaakt wordt. Het is in strepen geweven, zwart en donkerblauw, met rood hier en daar, in bepaalde dessins die ieder hun beteekenis hebben (_wit-streept, rood-streept,_ enz.).

Over die borstrok komt het lijfje, of de "_kraplap_" zooals die bij de andere drachten voorkomt. Deze kraplap is van wol of gebloemde zijde of katoen. Daarover de verschillende rokken (geen onderbroek), een paar van baai en de bovenste van vijfschaft.

Dan de omslagdoek van geruite (meest roode) katoen of zijde, een schort (schulk) van donkerblauw wol, dat somtijds eveneens als het vijfschaft zelf gesponnen en geweven is.

De banden van dit schort zijn altijd hel-blauw, de strik hangt met lange einden van voren neer.

Nog verdient vermelding dat de rokken opgehouden worden, en breed gemaakt, door kussentjes die aan de borst-rok bevestigd zijn, maar welke verdikkingen alleen aan de zijkanten, dus niet van achter, worden aangebracht. Daardoor heeft het figuur van de Staphorster-vrouw nog on-gracelijker voorkomen.

De doek wordt wel niet zoo stijf over de borst gesnoerd als in Kampen en in Nunspeet gewoonte is, maar het figuur wordt stelselmatig plat en breed gemaakt door die kussentjes. Ook door den eigenaardigen vorm van de muts wordt het bijzondere van de dracht nog verhoogd.

De heele hoofdtooi wordt gevormd door: een bandje dat het haar vastbindt, waarover de zwarte onder-muts met "_toet_". Die _toet_ van stijf papier geeft een soort hoorn--boven het voorhoofd. Daarover komt de muts van gebloemde zijde met zijden boordbanden die onder de kin in wijd uitstaande, stijve, lange dunne strikken worden saamgebonden. Daarover gaat het oorijzer, vastgehouden door een zwarte band.

Daarover de witte _toet-muts_ van kant, die maar zeer zelden gewasschen wordt, omdat ze anders te spoedig versleten zou zijn. Ook deze muts wordt onder de kin bevestigd met een bandje. Door de zeer nauwe aansluiting van de hoofdtooi, en het wijde van de schouders (door de doek) het saamgenepene van de borstkas, de wijde plooien aan de heupen, de zeer korte rokken, en daaronder uit de beenen (ongeveer 15 c.M. te zien) en de (nogal) logge sloffen, met zeer breede neuzen en groote zilveren gespen, dat alles in donkerblauwe en hel-roode kleuren, met de sterkblauwe lange linten van het schort, geeft die Staphorster dracht een ietwat boersch uiterlijk, wat toch ook wel zijn zeer bijzondere eigenheid heeft. In dat boersche, ongracelijke, komt het overeen met de Marker, Bunschoter en Noord-Veluwsche drachten, die alle zeer kleur-rijk zijn maar de natuurlijke vormen van het lichaam geweld aandoen. (Zie bl. 72).

's Winters wordt over die dracht een "_buisje_" met lange mouwen gedragen, zonder schootje.

's Zondags echter heeft dit kleedingstuk een schootje en is met bont (blauw en wit geruit) gevoerd, zoogenaamd Friesch bont, dat men echter in Friesland Oost-Indisch bont noemt.

Dit langere buisje heet _kaschijn_, wat overeen komt met het Hindelooper "_kassekijntje_", een kleedingstuk van hetzelfde soort.

De kinderen hebben hetzelfde costume, maar vereenvoudigd. De stoffen zijn niet van molton, baai of laken maar meest van Friesch bont. De doek is echter steeds rood, zooals bij de volwassen menschen.

Het groote verschil ligt echter in de hoofdtooi. Kinderen beneden de zes jaar dragen nog geen oorijzer, maar een zwart kapje van voren met een dikken rand astrakan. Dit kapje heet de _nette_, het is, behalve de astrakan-strook, van zwarte stof met garneeringen. Links van het hoofd komt een strik (rozet) van zwart zijden lint, rechts een "_haak_", een soort gesp van zilver. (Zie ditzelfde kleedingstuk van de kinderen op de Veluwe waar het _poets_ of _poete_ heet en de _haak_ soms van goud is, het astrakan van "_veertjes_").

Bovendien neemt de Staphorster-vrouw, 's zondags, naar de kerk, een mooi met zilver beslagen bijbel mee, met kettingen, enz.

De mannen-dracht is zeer eenvoudig, ofschoon meer origineel dan de boeren-dracht in andere streken. Het bleef meer een echt nationaal costume, vooral door de korte jekker, genaamd _kamizool_, met twee rijen knoopen.

Opmerkelijk is ook dat het hemd steeds van boven aan den hals zichtbaar blijft, met de twee beroemde Staphorster (bolle) gouden knoopen. Kleine jongens dragen dezelfde dracht als hun volwassen dorps-genooten.

Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Staphorster-vrouw buitengewoon netjes op hare nationale kleedij is, dat deze steeds, als ze niet gedragen wordt, in altijd dezelfde en zeer mooie plooien wordt opgeborgen, aan welke plooien steeds bijzondere zorg besteed wordt.

Vergelijk in deze de netheid en nauwkeurigheid waarmede alle nationale drachten, op Marken, in Zeeland en Hindeloopen behandeld worden.

Overal worden die drachten in mooie, daarvoor speciale gemaakte doozen opgeborgen. En ... zoolang de Staphorster-vrouwen nog zóó zuinig op hun bijzondere dracht zijn, zoolang zullen ze deze nog in eere houden.

Verder blijft in de provincie Overijsel de strook, langs de IJssel en Twenthe.

In Kampen zoowel als in Zwolle is de complete nationale dracht verdwenen, maar door de vrouwen uit de volks-klassen wordt nog vrij veel de _neepjes-muts_ en de _plooi-muts_ de "_drie-plooitjes_" gedragen.

De rest van de costumeering bestaat dan meestal uit het _jak_, een tot aan de knieën wijd-afhangend kleedingstuk met mouwen, op dezelfde wijze zooals dat door de vrouwen van Breskens (Zeeuwsch-Vlaanderen, Texel, enz.--zie aldaar) gedragen wordt. Daarbij behoort dan de zeer wijd geplooide rok, en het wijde boezelaar, een en ander van zwart thibet, de boezelaar ook wel van grijze, bruine of groene zijde. (Zie bl. 70.)

Om den hals draagt men daarbij een gestrikt zeer bonten (zijden) dasje, genaamd "_het knuppeldoekje_". (Zie bl. 69.)

Daarbij komt dan de _neepjes-muts_, met de gouden bellen die in de fijne plooitjes van de muts gehaakt zijn, en _niet_ in de ooren hangen.

Deze muts wordt over het zwart (satinet) ondermutsje gedragen, en heeft van achter een ongeveer 20 cm. lange afhangende reeks stijve plooien, genaamd _de strook_. De muts wordt met een bandje onder de kin vastgehouden.

Om den hals roode bloedkoralen, vijf streng, met gouden slot van voren. In den rouw zijn de koralen van git.

Uit deze onderdeelen bestaat het mooie of zondagsche costume. De algemeene indruk is die van "ouderwetschheid", zonder die van een werkelijke nationale kleedij te geven. Het is dan ook eigenlijk niet anders dan een mode-dracht die, denkelijk omstreeks 1860, de werkelijke oude en nationale dracht vervangen heeft.

Dit geldt niet alléén voor Overijsel of voor de hier besproken dracht, maar voor heel Nederland. De tweede veranderings-periode zou dan misschien omstreeks 1890 te stellen kunnen zijn, toen die mode van het jak vervangen werd door de imitatie van de stads-modes uit dien tijd.

Zoo althans lijkt het, naar wat de dracht van de plattelandsbevolking in West-Friesland, Drenthe, Overijsel, de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden en andere streken te zien geeft.

Daarbij echter is--bij veel vrouwen--de nationale kap of muts (soms met het oorijzer) bewaard gebleven. De totale afschaffing van die muts is dan de laatste phase van het verdwijnen van de allerlaatste overblijfselen van de nationale dracht.

Om na deze kleine historische bespiegeling, die ik gaarne voor beter geef, tot Overijsel terug te komen, zij opgemerkt dat deze neepjes-muts ook in de andere deelen van de provincie gedragen wordt, alsook in een deel van den achterhoek van Gelderland. (Zie bl. 71.)

Opmerkelijk voor Zwolle, Kampen en die streek, is de plooi-muts die de daagsche dracht uitmaakt. (Zie bl. 69.) Daarbij wordt dan werkelijk de nationale dracht van krop-lap en doek gedragen, welke laatste, niet zooals in Zeeland, op Urk en op andere plaatsen van ons land in de taille wordt vastgehecht, maar in de armsgaten, onder de oksels wordt gestoken, waardoor die doek een kruis hoog over de borst vormt. (Zie bl. 74 en 76.)

Deze wijze van den doek te dragen is aan alle drachten gemeen van Staphorst tot en met Harderwijk. Ze is, ofschoon misschien practisch, zeer weinig aesthetisch, want ze maakt het effect of de borstkas van boven--daar waar ze uit de natuur bij een vrouw juist bewelfd behoort te zijn--met alle geweld in elkaar geknepen wordt. Fraai is het niet, maar het is zeer "kenmerkend". (Zie bl. 74, 75 en 76.)

Die plooi-muts nu is van zeer bijzonderen vorm, van achter met een niet naar onder, maar stijf naar achter staande strook van zware plooien. Een zeer merkwaardig soort muts, eenig in haar soort, ofschoon bij Nijkerk (Gelderland, zie aldaar) een dergelijk soort muts, onder den naam van _drie-strook_ of _drie-plooi_ gedragen wordt. (Zie bl. 69).

Ook draagt de vrouw uit Kampen het oorijzer, maar dan op de wijze van de Staphorster vrouwen, d. w. z. de krul (kurketrekker) niet naast de slapen, maar onder aan de wang (kin).

Deze mutsen, plooi-muts zoowel als neepjes-muts, zijn van kant of (in den rouw) van fijn neteldoek. Ze worden door de draagsters zelf "opgedaan" ( = gestreken).

GELDERLAND.

In de provincie Gelderland, die het geographische midden van ons land uitmaakt, worden de nationale kleederdrachten nog in vele streken in groote eere gehouden.

Men kan deze provincie in drie deelen splitsen: A. De Veluwe. B. De Achterhoek. C. Het land tusschen Rijn en Maas.

A. DE VELUWE.

Tot de Veluwe moet, althans voorzoover de nationale kleedij betreft, niet alléén het geographische gebied van dien naam gerekend worden, maar de heele kuststrook langs de Zuiderzee vanaf Staphorst in Overijsel tot en met Huizen in het Gooi in Noord-Holland.

Al de drachten in die streek zijn van hetzelfde type, slechts weinig van elkaar afwijkend, en voorzoover de variaties betreft in elkaar overgaande.

Zoo lijkt bijvoorbeeld de dracht in Oldenbroek soms op die van Staphorst, terwijl ze zich echter ook bij die van Nunspeet aansluit. Het oorijzer wordt echter (in Oldenbroek) soms anders gedragen, meer op de wijze zooals op Staphorst, dat is, met de krul beneden aan den wang.

Het opmerkelijke van de Veluwsche drachten is echter dat de doek niet in de taille bijeen wordt gespeld, zooals dat bij de meeste Hollandsche drachten het geval is, maar onder de oksels tusschen de kroplap wordt gestoken. (Zie bl. 74, 75, 76).

Dat geeft aan de figuren die on-aesthetische platheid en houterigheid die een hoofdkenmerk is van dit minder fraaie ras, waaraan dan de klederdracht nog de laatste rest van natuurlijkheid ontneemt. Een goed en normaal gebouwd ras zou uit zichzelf reeds zoôn kleedij, die de natuur zoo ontstelt, verwerpen. De bewijzen daarvoor vindt men op Walcheren, Urk en Volendam.

De muts in Nunspeet en Oldenbroek is van een anderen vorm dan die van Staphorst, zonder de spitse punt boven het voorhoofd, over 't algemeen meer naar achter dan naar boven zich vormend, met een witte onderkap, aan de slapen uitgeschulpt, het heele hoofd omvattend, en geboord met een fijn plooi-randje. Daarover komt de bonte muts, in sterke kleuren, een soort kalotje dat een deel van de witte muts laat zien. Daarover het oorijzer, met een bandje vastgehouden en met de krul aan de slapen. Van het haar komt niets te zien, ook zelfs niet boven het voorhoofd.

De indruk van deze Nunspeter _bonte-muts_ is zeer fraai. Jammer dat ze het hoofd zoo klein en nietig maakt boven den plat-genepen romp en de wijd-uitstaande rokken. (Zie bl. 74 en 75.)

Het mannen-costume in deze streek is zoo goed als geheel "modern". Het mist alle eigene cachet, zooals de Staphorster mannen-dracht die nog heeft.

Tot voor zekeren tijd droegen de vrouwen van Hierden nog groote strooien hoeden (in den zomer) met eigenaardige linten en boor-garneersels (zooals op bl. 73 te zien is). Ook ziet men bij begrafenisplechtigheden nog merkwaardige drachten, de mannen in lange jas en hoogen hoed, zooals dat ook in Staphorst nog het geval is. (Zie bl. 73.)

Al die groote strooien hoeden die de vrouwen zoowel in Friesland als in Hierden, Staphorst en op Walcheren tot voor een generatie terug nog boven hun mutsen en oorijzers droegen zijn "uit de mode" gegaan. Zoo verandert ... en verdwijnt gaandeweg de Nationale Kleedij.