De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten
Chapter 6
Maar het verschil zit in de muts. (Zie bl. 40, 41.) Die kap is anders dan de Zuid-Bevelandsche en anders dan de Walcherensche. Ze is niet zoo groot als de eerste, en grooter dan de laatste, maar van achter is ze anders geplooid dan een van deze kappen, ook om den hals zit ze anders. Ze is echter buitengewoon fraai van model, zelfs voor de kinderen, die haar niet van kant, maar van battist of neteldoek dragen. (Zie bl. 42.)
Wat de kleedij van de Walcherensche boeren betreft, deze is, zooals die van de andere deelen van Zeeland nog wel eigenaardig, maar, op een paar blinkende Zeeuwsche knoopen na, en een beetje eigenaardige snit, niet veel anders dan alle boeren-drachten. Het merkwaardige ligt meer in den drager dan in zijn costume, en, door het bijzondere uiterlijk--den niet te omschrijven wereld-wijzen kop van den Zeeuwschen boer--verkrijgt zijn heele verschijning iets zeer aparts, dat toch maar voor een zeer klein deel door het costume veroorzaakt wordt.
B. ZUID-BEVELAND.
Het Zuid-Bevelandsche costume is het rijkste van alle Zeeuwsche drachten, ofschoon het Axelsche (uit Zeeuwsch-Vlaanderen) het meest eigenaardige en bijzondere is. Het Walcherensche is ongetwijfeld het meest natuurlijke en menschelijkste.
Zeer opmerkelijk is het nogal belangrijke onderscheid dat er tusschen de Roomsche en Protestantsche drachten op het eiland bestaat, (zie bl. 44, 45), welk onderscheid het meest uit de kleedij van de vrouwen spreekt. En in hoofdzaak ligt het verschil in de muts.
De Protestanten dragen een ronde muts, d.w.z. eene waarvan de groote vleugels links en rechts van het hoofd regelmatig rond ombuigen, en zich van achter in den hals vereenigen. Daardoor moet het slot van de halsketting van voren gedragen worden.
De Roomsche vrouwen hebben daarentegen een muts, die meer vierkant van model is, althans van achter op zeer bijzondere wijze in rechthoekigen vorm bijeen is gebracht. De zij-kanten langs het hoofd vallen niet naar achter, maar in naar onder recht (vierkant) afgewerkte vleugels naar voren, zoodat den nek vrij komt en aldaar het gouden slot van de halsketting gedragen wordt. (Zie bl. 46, 47.)
Bovendien is de _beuk_, "_hèt_" beroemde Zeeuwsche kleedingstuk, bij de Roomschen rondom den hals versierd met een randje kant en kralen. De Protestanten hebben dat niet, de beuk is niet versierd. (Vergelijk bl. 46, 47, 48 met bl. 50, 51.) Een Zuid-Bevelandsch costume kan alsdus worden omschreven. (Zie bl. 43 tot en met 51.)
Over het algemeen draagt men drie rokken. De rok heet op z'n zeeuwsch "_keus_", zoodat er gesproken wordt van een _lief-keus_, (lijf-rok), dat is een rok waaraan een lijfje vast is, en van een _rand-keus_, een rok waaraan, van onder, een rand bevestigd is.
Die rokken zijn 's winters en 's zomers verschillend van stof en van kleur.
Over die rokken komt een dof-blinkend zwart _schort_, van zijde of satinet.
De rokken sluiten aan den zij-kant, met haken en oogen, de plooiïngen vallen aan den zij-kant en van achter. Van voren zijn geen plooien.
Over het bovenlijf een wit katoenen hemd, daarover een _hemd-rok_ met korten mouwen, van voren sluitend.
Daarover dragen de Protestantsche vrouwen een corset, de Roomsche daarentegen niet. De Protestantsche dragen bovendien een broek, de Roomsche vrouwen niet.
Over dit hemd-rok komt de _beuk_.
Dit zoo beroemde en belangrijke kleedingstuk bestaat uit twee bijna vierkante lappen, ongeveer 35 bij 45 cm. groot. Ze zijn aan den eenen kant aaneen gehecht, met een uitschulping, om den hals door te laten. Die twee vierkante stukken bedekken dus, de eene de borst, de andere den rug, ze worden vastgehouden, op de eene schouder met haakjes en oogen, van onder met banden.
De "beuk" is een kleedingstuk dat in bijna alle Nederlandsche nationale drachten een voorname rol speelt. In Zeeland heet het de "_beuk_", maar in de andere deelen van Nederland waar het voorkomt, Volendam, Spakenburg, op de Veluwe, Staphorst enz., enz., heet ditzelfde kleedingstuk de _krap-lap_ of _kra-lap_ of _krop-lap_. De vorm wijzigt zich soms zeer, (zooals te Spakenburg), maar de idee en de bedoeling blijft steeds dezelfde.
Deze beuk wordt van gebloemd katoen of zijde gemaakt, ieder jaar van een andere stof, naar "de mode" en de nieuwe smaak, dat aangeeft, en deze wordt op den Paaschdag vertoont. Paaschen is de mode-datum .... en .... niet alléén in Zeeland.
De rijkdom van menig zeeuwsch meisje wordt ook naar het aantal verschillende beuken en doeken die zij heeft, afgemeten, (afgezien nog van de _kap_, de "_stukken_" en de halsketting.) Maar menige zeeuwsche schoone heeft kasten vol beuken en doeken, (soms 30 stuks en meer) waarvan erbij zijn van zeer groote kostbaarheid, omdat de duurste zijde er voor gebruikt wordt.
De kleur van deze beuken is niet te bepalen. Alle kleuren worden gebruikt, en bij de Roomschen wordt het effect nog verhoogd door de kanten en kraaltjes om den hals. (Zie bl. 46, 47, 48.)
De _doek_ is een vierkante lap (doek), van ongeveer 1.50 meter lengte en een 1 meter breedte, die diagonaals-gewijze gevouwen wordt, zeer zorgvuldig wordt geplooid, welke plooien door spelden in bedwang gehouden worden. Deze doek wordt om de schouders omgeslagen, van voren over elkaar gelegd, en in de taille wordt ze (met spelden) vastgemaakt. Deze doek is van allerlei stof en kleur, dikwijls zelfs van fluweel, soms van zijde, door de week ook wel van katoen. (Zie bl. 46, 47, 48, 49, 50, 51.)
Aan de voeten draagt men lage schoenen van leer.
De hoofdbedekking is zeer ingewikkeld. Het haar wordt meestal kort geknipt, behalve van voren om "_de krul_" te maken, de haarkrul die van voren onder de muts uit, te zien komt. De kinderen dragen ponny, genaamd: "_de bles_". (Zie bl. 43.) Over het haar gaat de _gouden beugel_ van zeer bijzonderen vorm, die in twee vierkante _bladen_ eindigt, die van voren met lijn-ornament zijn begraveerd, van achter glad. Die heele versiering heet "_de stukken_" en ze is altijd geheel van goud. Daarover komt de _tip-muts_, een wit mutsje met een plooi-kantje ringsom, een bol, en met een bandje op het hoofd gehouden. Van voren een klein kantje.
Over deze tip-muts dragen de Roomsche vrouwen een _blauw-zijden-mutsje_, dat alleen den bol van het hoofd bedekt. (Zie bl. 48.)
De Protestantsche hebben dit niet. Daar is dit mutsje wit, of, in den rouw, zwart.
Daarover komt dan de boven-muts, bij Roomschen zoowel als bij Protestanten. De vorm is het best op de photographie te zien. (Zie bl. 46, 51.)
De mutsen der Roomschen worden ietwat met _blauwsel_ gestreken, die van de Protestantschen zijn wit. De eersten strijken en maken hun mutsen niet zelf, dat doet de "_mutsen-opdoenster_". De laatsten strijken de mutsen zelf.
Naast de stukken, die nu onder de boven-muts uitkomen en door "_de draai_" in de gouden spang die hen vasthoudt, naar links en rechts van het voorhoofd uitstaan, zijn de _cantille-spelden_ in de tip-muts gestoken. (Zie bl. 46.) Daarboven steekt men de _boven-spelden_, kleiner, massiever van vorm dan de opengewerkte cantille-spelden.
Dan komt daar nog de _bloedkoralen halsketting_ en het gouden slot bij. Men draagt vijf rijen vrij groote koralen, 's zondags zelfs zes rijen. Het slot (bij de Roomschen van achter, bij de Protestanten van voren) heeft door de week drie "oogen", 's zondags vijf. (Zie bl. 46, 47, 48 en bl. 50, 51.)
Al deze sieraden vertegenwoordigen dikwijls een heele waarde, zoodat het begrijpelijk is, dat zij, die eenmaal deze dracht hebben, ze in eere houden, zij die ze niet hebben, haar niet gemakkelijk aanschaffen. Maar de meeste Zuid-Bevelandsche vrouwen, zoowel Protestantschen als Roomschen, blijven die nationale kleedij tot nogtoe zeer getrouw, wat vooral bewezen wordt door het feit dat zij de jeugd, zelfs het kleinste kindje, dagelijks in die dracht tooien. (Zie bl. 43.) En dat zegt wat, als de jeugd er nog aan hecht de nationale dracht te dragen!... Dan is het voortbestaan van die dracht vooreerst gewaarborgd.
De bloote armen worden in den winter, zoowel op Walcheren als op Zuid-Beveland, tegen de koude beschermd door _pols-mouwen_ of _mitaines_, die de merkwaardige naam van "_Labedisten_" dragen, afkomstig van den godsdienstigen dweper Jean de la Badie, die in 1666 te Middelburg predikaties hield tegen de in zijn oogen onzedige gewoonte van de vrouwen, om de armen bloot te dragen.
Zooals gezegd, wordt de Zuid-Bevelandsche dracht reeds door de zeer jonge kinderen gedragen, ook door de jongentjes. Bij de meisjes zijn dan de schorten meestal van zoogenaamd _friesch bont_--(met blauwe ruiten geweven katoen.) (Zie bl. 43.)
In den rouw zijn alle onderdeelen van deze kleedij, ook bij de kinderen, zwart, de vorm echter blijft steeds hetzelfde.
Ook nog is een zeer bijzondere vrouwen-dracht in Zeeland opmerkelijk, die in de _oester-putten_ bij Ierseke gedragen wordt. Het costume bestaat dan, voor het bovenlijf en het hoofd geheel uit de gewone dracht, alléén de rokken zijn vervangen door een hooge, wijde, leeren broek met waterlaarzen. Aesthetisch werkt over 't algemeen deze dracht niet, maar ze ontstond uit de behoeften van het bedrijf. Ze behoort dus meer tot de beroeps-drachten dan tot de nationale kleeding.
C. ZEEUWSCH-VLAANDEREN.
In Zeeuwsch-Vlaanderen is een streek, die zich tusschen Axel, Zaamslag en Hulst uitstrekt, waar het Axelsche costume gedragen wordt. Geen meer bizarre, meer on-Hollandsche dracht dan deze, niettegenstaande haar eigenlijke constructieve deelen zeer klaarblijkelijk van zuiver Hollandsch-Zeeuwsche afkomst zijn.
Maar er zijn eenige details dermate in overdreven en geëccentueerd dat het geheel, op het eerste gezicht, zeer exotisch aandoet, en wellicht (als ik deze onderstelling wagen mag) is ontstaan onder den invloed van de madonna-beelden met hun (zie bl. 54, 55) versieringen zooals die in het nabije Vlaanderen-land in de Roomsche kerken, moge zijn opgemerkt. Zooveel is zeker, dat den indruk die deze dracht maakt, vooral als ze door kinderen en half-volwassenen gedragen wordt, die van een uitheemsch-afgodbeeld maakt, wonderlijk van vorm en kleur, maar in zeer hooge mate eigendommelijk en zeer zeker van bijzondere werking op de aesthetische verbeelding.
Deze dracht wordt in die streek nog zeer veel gedragen. De mannen-dracht is tot de gebruikelijke zwarte boeren-kleedij teruggebracht, maar die der vrouwen en kinderen is des te rijker. De algemeene constructie van dit costume komt overeen met het Zuid-Bevelandsche, dat is, het bestaat uit eenige rokken, (keuzen) waarvan de onderste twee van baai zijn, dan één van _moiré_, en daarover een van zwart satijn of fransch _merinos_.
Het bovenlijf is gekleed in het mouw-lijfje, waarvan de korte, even boven de ellebogen eindigende mouwen, geboord zijn met kant.
Dan volgt de bekende beuk en de doek.
De bijzonderheid bij deze dracht ligt hoofdzakelijk in de zeer rijke _koralen-versiering_ aan den hals, die op de beuk, zoowel van voren als van achter is aangebracht. (Zie bl. 54, 55, 56.) Bovendien is de doek, die steeds van gebloemde, gekleurde zijde is, op zeer eigenaardige wijze met groote punten op de schouders opgeplooid. Deze punten, die naast het hoofd naar boven steken, worden in de doek gehouden door stijfpapieren opvulsels. Daarbij komt, dat de boezelaar eveneens van kleurige gebloemde zijde is, en bovendien van voren in de taille een groote strik van breede zijden linten, rijk met kleurige bloemen versierd, gedragen wordt. (Zie bl. 54, 56.)
Voeg daarbij de koralen ketting met gouden slot (van voren) en eenige gouden kettingen en broches (spelden) waarvan de voornaamste de groote zijden strik in de taille vasthecht. Het geheel krijgt daardoor dat zeer rijke, kleurige en zonderlinge uiterlijk wat de Axelsche dracht van alle andere nederlandsche drachten onderscheidt, zoowel door vorm als door kleur. (Zie bl. 54, 55, 56.) Opmerkelijk is, dat de hoofdbedekking bij zooveel rijkdom van de lichaams-kleeding, zeer eenvoudig is. Niets dan een witte onder-muts en een kanten over (trek) muts, en lange gouden spelden en krullen, alles vrij nauw aan het hoofd aansluitend.
De tegenstelling in deze met het Zuid-Bevelandsche costume is zeer groot, waar de aandacht vooral getrokken wordt door de groote kanten kappen, zij het dan ook dat de afmeting van die kappen in de laatste kwart eeuw aanmerkelijk is toegenomen. Het Axelsche costume wordt in dit deel van Zeeuwsch-Vlaanderen slechts door de Protestanten gedragen; de Roomschen gaan in gewone burger-dracht, d.w.z. niet in nationaal costume.
In het westelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen, vindt men nog een merkwaardige rest van een oude dracht, te Breskens, tegenover Vlissingen. Daar bestaat het costume (van de vrouwen) in een soort _cornet-muts_ met ornament van bijzonderen aard (roset-vorming). De rest van het costume is een ouderwetsch _jak_, dat tot aan de knieën rijkt, over een zeer wijd geplooide rok en schort. Dit _jak_, rok en schort zijn (meest) allen van dezelfde kleur--bruin, grijs of zwart--en van een (meest) glimmende stof (zijden, satijn, satinet) of van katoen.
Het geheel van dit costume maakt meer een ouderwetsche (Overijselsche) indruk, uit de periode 1830-60, dan van een werkelijk nationale Zeeuwsche dracht.
In de nabije en oud-tijds zoo belangrijke vestingstad Sluis zijn wel een paar zeer mooie oude gebouwen uit de vervlogen glorie-tijd overgebleven, maar van een nationale kleedij is er geen spoor.
D. NOORD-BEVELAND.
Ten slotte bieden de Noord-Zeeuwsche eilanden een bijzonder type van nationale dracht in het Noord-Bevelander costume, dat ook op Tholen, Schouwen, Duiveland en de Zuid-Hollandsche eilanden nog gedragen wordt, ofschoon in eenigszins anderen vorm.
De mannen hebben op die eilanden geen eigen dracht meer, en voor de vrouwen bestaat dat alléén uit een zeer omvangrijke en lange _flodder-muts_, die over een witte _onder-muts_, soms ook zonder deze, gedragen wordt, met de bekende gouden kurke-trekkers (_krullen_) aan de slapen, en een zeer bijzondere wijze van haar-dracht over het voorhoofd. Twee kunstig gedraaide krullen komen onder de muts uit, in een vorm, die doet denken aan een slakkenhuis. Deze muts rijkt, in Noord-Beveland, op den rug, tot in de taille, en plooit direct aan de slapen breed uit. Ze is voor het grootste deel van zeer fijne tule of kant, met een breeden geornamenteerden rand.
De mutsen op de andere eilanden hebben ongeveer denzelfden vorm, maar zijn kleiner. (Zie Zuid-Holland.)
FRIESLAND.
Opmerkelijk is het, dat in Friesland, dat toch met de provinciën Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland de oude kern van het eigenlijk Holland uitmaakte, en welks volksstam van zoo overwegenden invloed op de overige bevolking van ons land was, géén of zeer weinig sporen van een eigen nationale kleedij gevonden worden, terwijl juist in de andere deelen van Nederland, de afstammelingen van diezelfde Friezen, de nationale dracht getrouw bleven. Wat hiervan de oorzaak zij, dient hier niet te worden onderzocht, slechts als een bijzonderheid te worden aangewezen. Het zij genoeg te vermelden dat juist dit volk, dat zich als geen deel van het Nederlandsche volk, zoozeer een eigen volksstam gevoeld, haar eigen kleedij in de praktijk van het hedendaagsche leven verloor, maar er tegelijk bijzonder trots op blijft zich in die kleedij te steken, zoodra zij zich als Friezen in het openbaar leven wil vertoonen.
Het eigenaardige verschijnsel doet zich hier dus voor dat de oude dracht, die wel is waar door alle standen, in hooge eere gehouden wordt..... maar in hun kasten en doozen goed wordt opgeborgen..... maar zelden wordt gedragen. In de andere provinciën bleef men het oude costume getrouw..... of ze verdween in haar geheel, zoowel uit het werkelijke leven als uit de "rommelkamers" en oude koffers. Het "moderne geslacht" hecht niet meer aan "familie-stukken."
Hoe eigenaardig deze toestand ook is, men vindt ze ook eenigszins terug in de Zaanstreek.
Maar wat er van de friesche dracht in het werkelijke leven bleef, was _niets_ dan het beroemde _oorijzer_, waarin echter, in den vorm waarin het tegenwoordig nog gedragen wordt, moeilijk het oer-type van de hoofd-versiering te erkennen is, waartoe alle oorijzer-vormen, die in dezen tijd nog in de verschillende streken van Nederland gedragen worden, waarschijnlijk terug te brengen zijn.
In het Friesch-museum te Leeuwarden zijn de verschillende verwordings-vormen van het friesche oorijzer bijeengebracht en in de catalogus, door den conservator Mr. P. C. J. A. Boeles, (uitgave Meijer en Schaafsma, Leeuwarden 1909) uitvoerig afgebeeld en omschreven.
Uit deze serie blijkt in ieder geval--om hier zoo min mogelijk op historisch terrein te komen, dat het friesche oorijzer thans belangrijk breeder is dan het vroeger was, dan een van de andere oorijzers die in Nederland ooit geweest zijn. Bovendien is het friesche van goud, terwijl de (zooveel kleinere) oorijzers in de andere deelen van ons land (Scheveningen, Staphorst, Zeeland enz.) meestal van zilver zijn. Dit wijst op grooter rijkdom bij de Friezen, wat eveneens blijkt uit het nationale costume dat bij het oorijzer hoort, althans, wat er thans bijgedragen wordt door dames die zich in nationale kleedij wenschen te steken. Die costumes bestaan in hoofdzaak uit nogal wijde _jakken_ (tot de knie) en rokken, meestal in zijde van allerlei kleuren, waarover de doek (op de borst gekruist) en het schort gedragen worden. (Zie bl. 57, 58, 59.)
Deze doek en schort, zijn evenals de witte _flodder-muts_ van dikwijls zeer kostbare, sierlijke en fijne kant. (Zie bl. 59.)
De hoofd-tooi, waaruit thans echter het heele friesche nationale costume bestaat, en die nog in een groot deel van deze provincie gedragen wordt, (ofschoon steeds minderend), bestaat uit de witte tip-muts over het haar. Daarover de zwarte muts. Daarover het oorijzer en daarover de _flodder-muts_, met de twee gouden "_knoppen_" aan weerszijden van de slapen, boven het kant van de flodder-muts uitkomend.
Dat, wat men echter thans, bij gelegenheden, als het origineele friesche nationale costume wil zien aangemerkt, heeft echter veel overeenkomst met de mode-kleedij van de periode 1830-60, vermengd met achtiend' eeuwsche herinneringen. De mannen-drachten die men daarbij rekent, hebben met hun driekante steken en korte kuitbroekjes te zeer een ietwat achttiend'eeuwsch cachet. Dat neemt niet weg dat het geheel van dit niet zoo zuiver historische costume, een bijzonder aesthetischen indruk maakt. Vooral de hoofdversiering is zeer "charmant" door het bijzondere dat de vrouwen van het friesche ras eigen is, zoodat het geheel alleszins aan den eisch voldoet die een werkelijke nationale kleeding gesteld mag worden, en dat is: dat ze kenmerkend, onderscheidend, voor dàt ras en dat land zij.
HINDELOOPEN.
Een zeer bijzondere groep vormen de Hindeloopen-drachten. (Zie bl. 61, 62, 63.)
Ook deze worden thans niet meer in het werkelijke leven gedragen, ofschoon eenige personen in die dracht, in de eenige straat van het oude Hindeloopen gezien, zeer zeker geen oneigenlijke indruk maken. Alles in dat oude stille plaatsje is nog juist zoo gebleven als het in de tijden was toen die Hindelooper-dracht nog algemeen werd gedragen. Dat moet op zijn laatst, ongeveer in het begin van de negentiende eeuw, geweest zijn. Thans leven er nog ouderen van dagen, die zich herinneren hoe in hun jeugd enkele personen, uit gehechtheid aan het oude, die bijzonder schilderachtige kleedij nog dagelijks droegen. Maar 't waren toen ook reeds zeer weinigen. Thans ziet men ze in de zoovele Hindelooper binnenkamers die in het midden van de negentiende eeuw, in de Romantische periode, als "levende schilderijtjes" in elkaar zijn gezet.
Het Hindelooper costume bestaat, voor zoover de mannen betreft, uit een zeer sterk achttiend'eeuwsche lange jas met vele knoopen, korte kuitbroek, lage schoenen en op het hoofd een driesteek. (Zie bl. 62, 63.)
Belangrijker echter is de kleedij van de vrouwen en van de kinderen, vooral omdat de constructie van deze dracht, in de verschillende over elkaar gedragen lagen, en den vorm van de onderdeelen, alsook hun oud-friesche benamingen een werkelijk volledige nationale en van oudsher overgeleverde kleedings-wijze zijn.
De Hindelooper-dracht (der vrouwen) bestaat uit een wit linnen hemd (geen onderbroek) en drie onderrokken. De bovenste rok is zwart en heet "_de skoote_" en is van harde wollen stof. Over het hemd komt eerst een keurs-lijf van laken, met schouderbanden.
Over dit keurs-lijf komen twee "_oelofs_" (= over-lijf). Het onderste van gekleurd laken met mouwen van gebloemde zijde, het bovenste van zwarte stof. Te zamen heeten deze twee over-lijven "_het geweid_" (het gewaad).
Dit bovenste oelof (overlijf) wordt van voren met een _veter_, in de rouw groen of zwart, anders rood, rose of vleeschkleur bijeen geregen. Die veter is 8 à 10 el lang, de rygpen hangt bij getrouwden _rechts_, bij ongetrouwden _links_.
De borst wordt bedekt met een vierkant doekje, genaamd "_voorspeld-doek_", dat onder het oelof wordt gestoken.
Daaroverheen wordt het meest bijzondere Hindelooper kleedingstuk gedragen "de _wentke_", de lange getailleerde mantel of jak, met lange mouwen, van gekleurde sits, en welk kleedingstuk de eigenlijke overkleeding vormt. (Zie bl. 61, 62, 64.)
Is het wat korter van maaksel (tot aan de knieën zooals een jak) dan heet het "_kassakijntje_".
De kleur van deze wentke is zeer verschillend, men gebruikte er allerlei soort sits voor, de bekende uit Voor-Indië en Perzië aangevoerde bedrukte katoen in dikwijls zeer fantastische maar meestal zeer mooie, kleurige en rijke patronen.
Deze wentke staat van voren open als een jas, zoodat ze de met den veter dichtgeregen oelof zien laat, en ook het _schort_, dat van _Oost-Indisch bont_ weefsel is (in vierkante weefpatronen) en meestal rood is in alle nuances (in den rouw is het soms blauw).
Om den hals komt de zijden doek, ook uit geruit bont weefsel, bij elkaar gehouden door den _strijker_, een ring of speld van goud.
Deze das wordt door de getrouwde vrouwen _links_ tusschen de oelof gestoken, door de ongehuwde meisjes _rechts_ (ten teeken dat haar hart (links) nog vrij is).
Dan siert zich de Hindelooper vrouw, aan haar gordel, links met _de prak_, bestaande uit naaldenkoker, speldenkussen, schaar en haakpen (van zilver). Rechts draagt zij de kleurige koralen _beugeltasch_ met slot.
De hoofd-tooi is niet minder ingewikkeld en kleurig.
Eerst wordt het haar bijeengebonden, daarover verschillende ondermutsen gedaan met een stuk gouddraad-lint over de kruin, welk lint men de "_de blinker_" noemt.
Daarover komt het eigenaardige, kapvormige, cilindrische hoedje (als men 't zoo noemen mag) van stijf linnen, overtrokken met andere stof, gevoerd met rood baai, welk hoogst eigenaardig kleedingstuk de _foar flechter_ heet (of: _huidje_ = hoedje). Daarover komt "_de flip_" en de "_zondook_", de eigenlijke groote, vierkante, maar in bijzondere vorm geplooide en gestreken, doch van (meestal) roode bonte stof, die van voren tegen de "foar flechter" met een speld bevestigd wordt, zoodat de vleugels naar achter afhangen en den curieusen vorm aan den heelen hoofdtooi geven die eenig is onder alle nationale drachten in Nederland.
Deze "_zondook_" is bij de jongere meisjes anders van vorm dan bij de vrouwen, te meer omdat deze eersten geen "foar flechter" dragen.
Ook de wentke krijgen de meisjes eerst op hun twintigste jaar.
De bruiden (zie bl. 63) dragen bovendien over dezen reeds zoo ingewikkelden hoofdtooi--die hier slechts zeer in 't kort is beschreven--een witten sluier, het "_witmoer_" geheeten, welke van dunne tulle is en tot aan de taille van achter en aan de zijden afhangt. Bovendien komt om de foar flechter een _bruids-fristel_, een van geel, zwart en wit gevlochten wrong van ongeveer een vinger dikte.