De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten
Chapter 5
Op Terschelling echter bleef een oude dracht gehandhaafd, die nog zeer merkwaardig is, al bestaat ze bijna uitsluitend uit een hoofdbedekking van eigenaardigen vorm, met afhangende stroken. (Zie bl. 14.) Die kap noemt men _zwarte kap_, daaronder draagt men een witte, genaamd: "_het mutske_". De verdere kleedij bestaat er uit een lijf met schoot in ouderwetschen vorm, in allerlei kleur, jak genaamd. Daaronder komt de rok van merinos (vroeger thibet). Het voorschoot noemt men _scheldoek_. (Zie Hindeloopen).
Deze dracht, die hoofdzakelijk merkwaardig is om haar geheel, wordt thans nog alleen door de vrouwen van middelbaren leeftijd gedragen; de jeugd doet dit niet meer.
Vroeger droeg men op dit eiland een zilveren oorijzer, met gouden voor- en zij-naalden.
F. DE MEEREN EN POLDERS.
In de drooggelegde Meeren en Polders van Noord-Holland, wordt geen nationaal costume gedragen. Toen na de drooglegging van de Haarlemmermeer verschillende families uit alle deelen van Nederland zich daar kwamen vestigen, droegen zij de kleedij van hun geboortestreek. Thans zijn die--zoo verscheidene--costumes geheel verdwenen.
G. DE GROOTE STEDEN.
In Haarlem en Amsterdam is het nationale costume geheel verdwenen. Dat neemt niet weg dat zelfs onder den rook van Amsterdam, aan de Amstelveenschen Weg, onder Sloten, en aan den overkant van het IJ, de Hollandsche hul toch nog vrij veel door de oorspronkelijke boerenbevolking gedragen wordt. Het eenige, wat werkelijk oud is, wat in de stad, in deze overbleef, nu zelfs ook de ouderwetsche bakers niet meer bestaan, is het zoo beroemde costume van de Amsterdamsche burgerweezen. Maar ook die dracht, hoe schilderachtig, hoe verfijnd en hoe gracieus ook, zal misschien spoedig verdwijnen, daarmede nog meer Amsterdam's eigen cachet ontnemend.
En niet ten onrechte is die dracht zeer bekend, want ze behoort tot de mooiste die uit het verleden tot ons kwam. (Zie bl. 16, 17.)
Het costume voor de kinderen, de jongere meisjes, en de volwassenen (17 jaar) is verschillend, hoofdzakelijk door de kap, die bij de ouderen van doorzichtige tule of kant is, en het oorijzer (van zilver) te zien geeft. Verder hebben de ouderen een omslagdoek, waarvan de eigenaardige plooiïng en wijze van dragen, bijna volkomen overeenkomst heeft met de doek van de Zeeuwsche drachten.
Als zoodanig kenmerkt dit costume zich dan ook als bij uitstek van Hollandsch maaksel.
Tot voor kort droegen de meisjes merkwaardige kapjes en omslagdoeken, die thans door meer moderne, maar minder fraaie capes vervangen zijn. De kleinere meisjes dragen witte schorten, waarvan het model in de laatste tijden ook verandering onderging. Die eigen-gereide vervormingen zijn erger voor een nationale dracht, dan de totale afschaffing. Daar komt bij, dat de meisjes zelf in de laatste jaren, in de week, deze dracht niet met de noodige zorg dragen, en zich daardoor minder aantrekkelijk voordoen dan ze zouden hebben kunnen zijn. Zij ook hebben meegewerkt deze dracht in discrediet te brengen. De hoogst onredelijke critiek van buitenstaanders over het "gevangenis-pak van deze arme kinderen" heeft het andere gedaan. Tegen domheid vechten zelfs de goden te vergeefs.
Mocht dit zoo bijzonder aantrekkelijke costume echter uit Amsterdam's straten verdwijnen, dan zullen zij veel missen, die nooit, op een mooie Zondagmorgen, dat rijtje rood-wit-zwarte meisjes in hun uiterst aesthetische kleedij, dat typische poortje in dit stukje Oud-Amsterdam hebben zien uitschreiden.
De jongens-dracht is, half zwart, half rood, door haar snit echter weinig opmerkelijk.
Ook Haarlem heeft zijn burgerweezen, ook in een oude dracht, ook rood, zwart en wit, maar ze is niet zoo fraai als de Amsterdamsche, ze is ietwat stijver, vooral de muts en de omslag-doek van de meisjes. (Zie bl. 15.)
Behalve het Burgerweeshuis heeft Amsterdam nog een paar andere weeshuizen, de Oranje-appel, het Maagdenhuis enz., waar de dracht van de verpleegden een zekere historische oorsprong heeft, maar thans te veel ontsteld is.
UTRECHT.
In Utrecht is alléén iets van de nationale kleedij over, in de streken die aan het Gooi en Gelderland grenzen. De groote streek waar nog de nationale dracht in eere is, en die zich langs de kust van de Zuiderzee van Staphorst tot Huizen uitstrekt, gaat ook over de noord-oostelijke hoek van de provincie Utrecht. Daar vindt men dan ook in Soest en omgeving, Hoogeland, en vooral in Spakenburg en Bunschoten nog zeer belangrijke resten van de oude kleedij.
Soest en Hoogeland (zie bl. 25) sluiten zich bij Laren aan, en vormen een groep apart, waar de zoogenaamde vierkante muts (zie bl. 26) het voornaamste kenmerk van is. Overigens is de kleedij met omslagdoeken in (soms) kleurige zijden, en de gouden (kruize) kettingen ongeveer gelijk aan wat men in Laren ziet. Maar opmerkelijk en zeer bijzonder is de dracht in Spakenburg.
SPAKENBURG.
Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links door het Gooi en rechts door de zandgronden van Gelderland. In die kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai is bewaard gebleven.
In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun oude dracht vergeten, welke--wat zeer begrijpelijk is--zeer aan die van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de dracht die de mannen van Huizen dragen.
De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding als de muts aangaat.
Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt, verbonden is.
De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus omschreven worden: (Zie bl. 27, 28, 29.)
Het haar wordt opgestoken, met een zwart bandje vastgebonden, dat van boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts, die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl. 28, 29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie bl. 27 en 29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen, (zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl. 27 en 29.)
De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering, rijkend tot het middel. Daarover den _slippen-kolder_, een soort buis met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witte _onderdoek_, om den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch (rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid is. (Zie bl. 27, 28, 29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als het ware kappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl. 27.) Over die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode) bloemen versierd, gemaakt is, komt de _roode doek_, de halsdoek, die niet breed uitgedragen wordt, zooals bij de andere drachten, maar stijf om den hals zit, en even smal over de borst gaat, en in de taille wordt vastgezet. Deze doek is _altijd rood_, van friesch bont, en wordt met spelden vastgezet. Bij de bruid is die doek wit.
De onderkleeding bestaat uit een (open) broek en een onderrok van gestreept katoen, die door _de heupen_, driekante kussentjes, die in de taille ter zijde worden gelegd, om de rokken te doen uitstaan, worden opgehouden. Daarover gaan twee roode baaien rokken en een gestreepte katoenen rok. 's Zondags komt er nog, over die roode rokken, een derde bij. Daarover de zwarte plooitjes-rok, van voren glad, van achter geplooid. Door de week is deze geheel effen, zonder plooien. Ook deze rokken zijn van zelf-gebreide stof. Daarover komt de boezelaar--genaamd: de _schulk_, (zie Huizen, Staphorst enz.) van blauw katoen, met een "_stukje_" van friesch (rood) bont, het patroon 't zelfde als van de halflange mouwen. Dit schort wordt vastgemaakt met blauwe linten.
Zeer opmerkelijk is bij deze dracht, de wijze, waarop deze rokken en boezelaar van achter worden vastgemaakt en opgehouden door een koperen haak, die aan de slippen-kolder is vastgehecht. De rokken en boezelaar worden allen op die wijze in de hoogte--om 't zoo te zeggen--opgehangen, zoodat plooien en lijnen van de Bunschoten vrouwen-dracht, van achter, allen naar één punt (die haak), even boven de taille te samen komen, even onder de krap-lap.
Die constructie is zeer opmerkelijk.
Zeer bijzonder is ook nog het trouw-costume, dat alle jonge meisjes in voorraad schijnen te hebben, zelfs reeds vóór dat zij verloofd zijn, en waarmede zij 's zondags naar de kerk gaan.
Het bestaat in hoofdzaak uit een jak, genaamd: het _brung-jak_, van meestal bruine stof, versierd met een motief van kleine appeltjes. Die stof heet dan ook _appeltjes-brung_.
De vorm van dat jak is zoo, dat van voren een lage uitsnijding komt, in hart-vorm, van achter vele plooien te samen komen onder twee knoopjes, die even boven de taille (tusschen de schouderbladen) zijn aangebracht.
Dit jak wordt over de gewone kleeding, met krap-lap én al, aangetrokken.
De krap-lap is dan evenwel niet stijf, en de doek, die anders altijd rood is, is bij de bruid _wit_.
Over dit jak wordt een zwart zijden schort gedragen, dat van achter opgebonden wordt, de band over de twee knoopjes (op den rug) gaande.
's Zondags draagt men ook wel dit zelfde jak van koren-blauw, ook met appeltjes, en dan soms ook een wollen scholk, met bont zijden stuk en zijden linten. Door de week echter, zijn alle vrouwen (zie bl. 28) hetzelfde gekleed, met groote, wijde, witte scholk en de roode halsdoek.
De schoenen zijn zeer breede, zwart leeren pantoffel vormige sloffen, met groote, breede zilveren gespen. Door de week, draagt men meestal klompen.
De kinderen zijn eenvoudiger gekleed, ofschoon de kleur even sterk is--meestal gestemd op rood. Zij dragen een bont rokje (gekleurd katoen) en daarover een friesch bont (meest rood) scholkje.
De hoofdbedekking bestaat uit een gebreide muts van witte of donkere wol, met witte mopjes, of uit een zwarte mutse, op de wijze zooals de kinderen op de Veluwe dragen. (Zie Hierden, Nunspeet, Staphorst.) Ze heeft dezelfde vorm, bestaat uit een nauw-sluitende muts, met een dikke rand van voren, genaamd: _de zwarte pluim_. Aan de linkerkant van het hoofd is een strikje, aan de rechterkant een _goud krapje_, een gesp of ander soortige versiering.
De bevolking van deze twee dorpen is geheel gereformeerd. Katholieken of joden zijn er niet. Ook die eenheid van godsdienst--dat conservatisme--komt het voort-bestaan van deze eigenaardige dracht ten goede, zooals overal dergelijke eenheids-godsdienst-toestanden de nationale eigendommelijkheid helpen bewaren.
Bijzonder aesthetisch is deze dracht niet. De vormen die de toch al niet al te fraaie vrouwenlichamen aannemen, zijn, zooals die van Marken, houterig en log. Maar het eigendommelijke van de dracht is des te opmerkelijker.
In de andere deelen van de provincie Utrecht, is de nationale dracht zoo goed als geheel verdwenen, tenzij dat hier en daar oudere vrouwen nog een hulle dragen. Die is dan echter meestal niet van specifiek Utrechtsche vorm.
ZUID-HOLLAND.
In de provincie Zuid-Holland, is niet veel meer van de nationale drachten overgebleven. Al wordt, door de geheele provincie, vooral in Schie en Rijnland, de Hollandsche muts nog wel gedragen, en al vindt men op de eilanden nog overblijfselen van die oude costumes, zooals ook langs de kust van de Noordzee, toch is er geen enkel centrum waar de dracht nog zoo compleet gedragen wordt als op Marken, Volendam of in het Gooi.
Te Katwijk (zie bl. 31) en Noordwijk (zie bl. 30) heeft de visschersbevolking nog een zeker cachet, vooral de vrouwen, met hun eigenaardige mutsen en gouden sieraden. Maar 't belangrijkste van wat in deze provincie gevonden wordt, ziet men in Scheveningen. (Zie bl. 32, 33.)
SCHEVENINGEN.
Het is alweer zeer opmerkelijk, hoe in een dorp, zoo vlak bij een groote stad, en naast een steeds grooter wordende internationale badplaatsbevolking, een andere bevolking haar oude gebruiken zóó sterk bewaren kan, als bestond die stad en dat internationale verkeer niet. Twee uitersten leven en bestaan hier naast elkaar, zonder elkaar te beïnvloeden.
En niet alleen dat de Scheveningsche dracht, vooral onder de vrouwen, zoo algemeen blijft, het is ook zoo eigenaardig dat ze weinig verandert. De grootste veranderingen zijn er een geslacht terug al in aangebracht, in de groote periode, waarin de boeren-bevolking onder den invloed van de beschaving der steden kwam.
De Scheveningsche vrouwen-dracht is aldus te omschrijven: Zij draagt vijf rokken over elkaar van verschillende kleur en stof, waarvan de bovenste van zwart thibet of merinos is. Daarover draagt zij een zwart schort, des Zondags van zijde. De bekleeding van het bovenlijf bestaat uit een jak van gewone katoenen stof, grijs van kleur, of bruin, of blauw. Daarover komt een schouderdoek, vierkant, maar dubbel gevouwen tot een groote driehoek, en alzoo omgeslagen, en vastgemaakt in de taille. Deze doek is van wol, en groen, bruin of blauw. Op het hoofd draagt men de _mop-muts_, genaamd: de "_moppes_", met oorijzer, waarin de _parel-spelden_, naar boven stekende spelden, van goud: die aan het Scheveningsche costume zoo bijzonder opmerkelijk zijn. Het oorijzer eindigd in de _stukken_, mooi bewerkte ovalen gouden sieraden, in de vorm van een broche. Aan de zijkant van de muts zijn plooien, genaamd: "_de klappen_". Deze mutsen zijn 's Zondags van kant. Als men in de rouw is zijn ze van effen battist of van "kamerdoek".
De doek wordt bij den hals, saamgehouden door een gouden broche. Om den hals komt de halsketting, met gouden slot van voren.
Over dit costume wordt 's winters de _schoor-mantel_ (schouder-mantel) gedragen, die 's Zondags van allerlei kleuren is, van binnen met witte baai is gevoerd. De kraag is zeer stijf en versierd met opgeplooid lint. In de rouw of op gewone werkdagen, is deze schoor-mantel van zwarte stof, rood gevoerd, met stijve kraag, met fluweel geboord.
Deze dracht wordt door de Protestantsche vrouwen gedragen, en alléén door de visschersbevolking.
De Roomsche vrouwen dragen om den hals, in plaats van de broche, een kruisje, en, indien het burgervrouwen zijn, dragen zij aan de muts niet de rijk bewerkte ovalen "_stukken_", maar "_boeken_", vierkante gouden plaatjes, die soms eenigszins cilindrisch omgebogen zijn.
Het mannen-costume bestaat uit een blauwe trui van wol, en een wijde broek, met een pet op.
Als herinnering aan oude tijden wordt, bij gelegenheden, de hooge hoed gedragen. (Zie bl. 33.)
De kleedij op de Z.-H. eilanden, vooral op Goeree en Overflakkee, sluit zich bij de drachten van Zeeland aan, speciaal die van Noord-Beveland. Zij geeft dezelfde lange, wijde muts te zien met de "kurketrekkers" van goud langs de slapen, die men "_krullen_" noemt. De wijde floddermutsen van deze Z.-H. eilanden, zijn echter niet zoolang en groot als die van Noord-Beveland. Bovendien zijn de gouden sieraden iets anders.
ZEELAND.
Men kan gerust zeggen, dat de Nederlander, die Zeeland nooit bezocht heeft, niet alleen het mooiste, maar ook het merkwaardigste deel van zijn land niet kent.
Daar waait in dit eilanden-domijn een heel andere wind dan in het overige deel van Nederland. Het is alsof men daar in een heel andere cultuur-staat verplaatst wordt, het is anders dan heel het overige Holland bij elkaar, het is meer algemeen menschelijk, meer natuurvol, meer inspireerend, meer tot "den mensch" sprekend dan al het andere, wat in het feitelijke Holland en in de andere provinciën het eigenlijke Hollandsche van Holland maakt.
Dat komt door het land, den bodem, door het menschen-ras en door de kleeding, die alle drie, deze buitengewone sfeer scheppen, die niet alleen eenig is voor Nederland, maar ook in dit deel van Europa zijns gelijke niet heeft. Zeeland is nog het Natuur-land in het overigens geheel "ver-civiliseerde" Holland, het is de tuin van Nederland. En de bloem uit dien tuin is Walcheren.
A. WALCHEREN.
Welk een schoonheid. Schoonheid van land, bouwland, parken, bosschen, duinen en zee, schoonheid van oude steden, oude architectuur, schamele resten van een cultuur, zóó eigen als in geen van de andere deelen van Holland gevonden wordt, en die nog werkelijk voortleeft, ondanks de moderne tijden, ondanks dat dwars door dit eilandenrijk het wereldverkeer voortijlt. Dat is het merkwaardige van Walcheren, dat is zijn pracht, omdat het zuiver-menschelijk en natuurlijk-volmaakte wat daar te zien is, tot het gevoel van het hart, en tot het begrip van de objectieve schoonheid spreekt. En dat natuur-schoon van land en ras spiegelt zich daar in de kleedij, of omgekeerd, de bevolking componeerde zich een kleedij, waardoor zijn eigendommelijke rassenschoon zoozeer uit komt en geäccentueerd wordt.
En dat geldt niet alleen voor de vrouwen en meisjes met hun prachtige bouw, hun mooie lichaams-lijnen en fijn besneden gezichten, de donkere oogen, de prachtige armen en de mooie halzen. Maar dat geldt ook voor de mannen, die typen te zien geven vol van wereldwijsheid en menschenkennis, alsof een cultuur van geslachten oud al deze gewone boeren, die in hoofdzaak de landbouw bedrijven, hun interessante gezichten geteekend heeft.
En de kleedij is er juist op berekend om den opmerker dat alles nog meer te doen beseffen. Want zoowel de mannen- als de vrouwen-kleeding op Walcheren is hoogst eenvoudig. Moge ze vroeger rijker, kleuriger geweest zijn, zooals een paar zeer fraaie voorbeelden in het museum van Middelburg getuigen, ze was toen toch reeds wat ze nu was, niet anders dan dat wat een goede, rationeele kleeding uit haar wezen zijn moet, het middel om de persoonlijke schoonheid van het individu nog meer te doen uitkomen, te doen opmerken. En waar zou dat meer gerechtvaardigd zijn, tot mooier geheel hebben kunnen voeren dan juist op Walcheren.
De vrouwen-dracht is voor de kinderen en de volwassenen hetzelfde. Zij bestaat uit de gewone onderkleeding en een aantal rokken, waarvan de bovenste, zooals ook het van voren met een "coeurtje" uitgesneden lijfje, van zwarte stof is. Deze werd in de laatste tijden steeds dunner, zoodat de figuren van de draagsters slanker werden. Zelfs werd het corset te hulp genomen om de natuurlijke fraaie lichaamsbouw nog meer te doen uitkomen. Vroeger werd dit corset natuurlijk niet gedragen. De armen zijn bloot tot boven den elleboog. Van voren en van achter iets minder, komt de witte "beuk", het Zeeuwsche kleedingstuk par excellence, te zien.
Deze is op Walcheren meestal wit, soms met kant en plooien, welke laatste "verfraaiïngen" toevoegsels en veranderingen van den nieuweren tijd zijn. (Zie bl. 34.)
De hoofdbedekking bestaat uit een witte ondermuts en witte boven- of trekmuts, vrij eenvoudig van model, maar bijzonder gemaakt door de eigenaardige veelvuldige kleine plooitjes, en door de gouden sieraden die aan de slapen, naast en bijna voor de oogen hangen. Het haar is op zeer bijzondere wijze gekruld, zóó, dat het van voren met een zeer regelmatige wrong (of krul) onder de muts uitkomt. (Zie bl. 34, 35, 36, 37, 38.) Om den hals, die dikwijls (vooral in den zomer) vrij laag geheel bloot is, (als de beuk wat meer naar beneden is getrokken) wordt een bloedkoralen ketting gedragen van rijen kralen, met een dikwijls zeer mooi gouden slot (van oude bewerking) van voren.
De schoenen zijn lage muilen, op het land draagt men klompen.
In den winter trotseert de gezonde Zeeuwsche de barre koude, ondanks haar steeds bloote armen, (die dan echter met zwart-wollen pols-mouwen zijn bekleed) alléén met een (meest zwart) wollen omslagdoekje van betrekkelijk zeer geringe afmeting.
Op het hoofd wordt een klein wit strooien hoedje gedragen, geboord met een kleurig (meest blauw) of zwart lint, dat in zeer bijzondere plooiïng, van achter, tot een soort roset wordt. Dit lint hangt bij de vrouwen, uit het Middelburger Ambacht, langs het hoofd, naar voren, over de borst neer. Dit hoedje verdwijnt echter hoe langer hoe meer, zooals de groote platte hoeden, die men tot voor een geslacht terug nog droeg, en die reeds geheel verdwenen zijn.
De kinderen op Walcheren, dragen aan de muts lange kanten stukken, die tot op den rug afhangen.
Dat is de _kindermuts_, zooals die op heel Walcheren voorkomt. Ze is ook de dracht van de vrouwen uit het Middelburger Ambacht, dat is de streek direct om de stad Middelburg heen. Deze muts is veel eenvoudiger van vorm dan de trek-muts, die de gewone Walcherensche dracht is. Ze is niet zoo fijn geplooid--kost dus veel minder van "opdoen", maar heeft een afhangende strook van achter (zie bl. 38)--die bij de kinderen, vooral als ze klein zijn, soms tot aan het middel valt. (Zie bl. 37.)
De Middelburger-ambacht-muts wordt daarom ook door vele vrouwen uit het volk gedragen, omdat ze minder kostbaar is. (Zie bl. 38.)
Dit costume wordt op Walcheren nog zeer veel gedragen, zelfs in de steden, behalve Vlissingen, waar alle herinnering aan het oude, door de zegeningen (?) van de moderne industrie, zijn gedood.
Niets merkwaardiger dan een marktdag op Donderdag in Middelburg, voor het mooie Stadhuis of op de schilderachtige Botermarkt, waar men een gekrioel van de meest verscheidene Zeeuwsche drachten waar kan nemen. Dit is een werkelijk eenig schouwspel in dit gedeelte van Europa, omdat het niet alléén zoo bijzonder eigendommelijk is, maar tegelijk werkelijke schoonheid te zien geeft, schoonheid van menschen-ras, en buitengewone aesthetische kleedij. (Zie bl. 26.)
Vooral de kinderen zijn een lust der oogen.
Nergens ziet men kinderen met zoo mooi gevormde gestalte, zoo fijn besneden gezichtjes, zoo stijl-volle allure als op dit merkwaardige eiland. En waar men, op een of ander afgelegen dorp een school ziet uitgaan, moet het treffen, dat vele van deze kleintjes, (vooral de meisjes) een verschijnen hebben alsof het "aangekleede stadskinderen" zouden zijn, als men die qualificatie althans als een omschrijving van beschaafdheid zou willen doen gelden. Maar die "_boeren_" kindertjes van het platteland van Walcheren, hebben meer "cultuur" dan de stads-kinderen, want ze zijn natuurlijker. Bij hen is de mooie houding, de vriendelijkheid en de liefheid niet een gevolg van aangeleerdheid, maar ze zit in het ras, zooals ook hun geheel on-boersche schoonheid uit hun ras voortkomt. Het zijn gecultiveerde-natuur-menschen.
Walcheren bestaat eigenlijk uit twee deelen, die in de laatste eeuwen echter slechts één eiland vormen. Het land van Arnemuiden en Nieuwland, dat ten oosten van het kanaal van Walcheren ligt, heeft daarom ook een eigen kleederdracht. Deze lijkt in veel opzicht, wat de vorm aangaat, op de Zuid-Bevelandsche, en sluit zich bij deze aan.