De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten

Chapter 4

Chapter 43,686 wordsPublic domain

Ongetwijfeld is de Volendammer-dracht het meest van alle Nederlandsche drachten in het buitenland bekend. (Zie bl. 8-9-10-11.) De Volendammer-dracht is als het type van den Hollander en de Hollandsche idee geworden, natuurlijk zeer ten onrechte. Maar de buitengewone gezonde stoerheid die uit de kleedij spreekt, en vooral ook uit zijn dragers, de levens-volheid bij de vrouwen, de quasi ironische ongeneerdheid bij de mannen, hebben misschien in het buitenland tot die generaliseering aanleiding gegeven.

Hoe het zei, de Volendammer-dracht is heel wat "menschelijker" dan die van Marken.

En bestaat hier geen, of geen merkbaar verschil tusschen de dracht der kinderen en die van de volwassenen?

De vrouw is gekleed in lang withemd met korte mouwen. Daarover komt de wollen half lange borstrok. Daarover het "_rompje_", zonder mouwen, even over de taille rijkend, van voren sluitend met haak en oogen.

Een corset draagt de Volendamsche niet, en, omdat ze tot een stevig, gezond ras behoord, blijft haar figuur, de vorm van taille, buste en heupen normaal, ondanks de (dikwijls) te dikke rokken-tooi.

Over het rompje komt de _kra-lap_ of _krop-lap_. Deze bestaat uit twee vierkante lappen, met een uitsnijding voor den hals, over de schouders aan een kant met haak en oogen vastgezet, van onder, door banden aan de punten, om het lijf vastgebonden.

Deze krop-lap is van gebloemde stof, meest katoen. De ornamentjes zijn echter zeer klein, meestal kleine bloemetjes op een witten ondergrond.

Over deze krop-lap komt het _kletje_, een kort jakje van donkerblauwe stof, met half lange mouwen, vierkante uitsnijding aan den hals (waardoor vóór en achter de krop-lap te zien komt) en van voren sluitend.

's Zondags wordt het effect nog verhoogd door een _dunnen doek_ van (witte of gebloemde) tule, die tusschen het kletje en de krop-lap gestoken wordt. (Zie bl. 11.)

Over het hemd komt de onderbroek, daarover de gestreepte rok (van gestreept katoen), daarover de donkerblauwe baaiënrok, dan de dikke wollen _streep-rok_, dan de bovenrok. (Zie bl. 8, 9.)

Deze laatste is 's Zondags van witte, zeer dikke baai, met vertikale strepen in fel rood en groen versierd. (Zie bl. 9.)

Alle rokken gaan rechts dicht.

Over dit alles komt de boezelaar van dezelfde stof als het kletje, met een rand van boven, van geruit-geweven katoenen stof, welke zondags van zijde is en allerlei kleurige versieringen heeft.

Ook dit schort wordt mooi in de plooi gestreken, zooals bij de Marker vrouwen.

De rokken van de Volendamsche zijn niet zoo kort als die van de Marker vrouw. Zij loopt in huis (over de matten) op haar donker-blauwe kousen, op straat (zondags) op muilen van leer, door de week op klompen.

De hoofdbedekking bestaat uit het _hulletje_, van witte kant, dat over een zwarte onderkap is getrokken. De haren zijn geheel afgeknipt als bij een jongen. Van achter komt, in den nek, een opkrullend randje haar onder de muts uit.

Soms draagt de Volendamsche dan nog om den hals een wollen das met (blauwe) blokken geweven.

Ook de hals-snoer van bloedkoralen met gouden slot, dat van voren sluit, wordt niet vergeten.

Het Volendamsche vrouwen en meisjes costume is in de week eenvoudiger. Dan wordt, in de plaats van het kletje, een gestreept wollen jakje gedragen, meestal grijs-paarsch of blauw van kleur, met kleine ornamentjes. De boezelaar is dan dikwijls wit .... dit laatste is reeds een verbastering van de ware dracht.

Het mannen-costume van de Volendamsche visschers (zoowel als van de eendenfokkers en kaasboeren) bestaat uit een rood baai hemd met mouwen, tot de knieën rijkend. Van voren heeft dit hemd een boordje, genaamd "het befje", waarin twee gouden knoopen worden gedragen.

Daarover een gestreept baaitje tot de heupen. Daarover de "_gezondheid_", een soort buikgordel, die met bretels, genaamd "_galgen_', wordt opgehouden.

Dit kleedingstuk is meestal van blauwe wol of baai.

Een onderbroek van gekleurd keper, sluitend met knoop, en bandjes onder de knie, die de zwarte kousen ophouden.

Daarover komt de bovenbroek van zwarte "_pij_", met drie zakken, en twee groote zilveren knoopen van voren, genaamd _klapstukken_.

Over dit costume draagt hij in de week het _polka-baaitje_, een kort hesje met mouwen.

's Zondags draagt de Volendammer over de gezondheid de gestreepte baai, een vest zonder mouwen, met dubbelen overslag. Om den hals een doek, genaamd _karwas_, (zie bl. 8) die tusschen de gestreepte baai wordt gestoken. Daaroverheen het "_blempje_", een jas met mouwen, dat van voren sluit. In den winter gaat daarover de _blauwbaai_, een zwart jasje met mouwen en dubbelen overslag.

De lapel is blauw, omdat dit de omgeslagen blauwe voering is. Om de kraag en de lapel is een fluweel boordje, genaamd het _katje_.

Daarbij worden 's zondags schoenen gedragen, door de week klompen.

Op het hoofd een pet of _ruige muts_, met groene lintjes van achter. (Zie fig. 8, 9.)

Al deze kleedingstukken worden door de Volendammer vrouwen gemaakt.

C. WEST-FRIESLAND.

Van de West-Friesche dracht is niets meer overgebleven, dan de kap en het oorijzer, en eenige typeerende lijfssieraden, die door de vrouwen gedragen worden, benevens een algemeene costumeering, die niet heelemaal stadsch, noch heelemaal boersch is, niet nieuwerwets, noch werkelijk antiek. Zij levert een van de beste voorbeelden hoe de nationale kleedij veranderen kan tot iets wat niet te qualificeeren is, en het werkelijk nationale nog alléén in de hoofdbedekking bestaat. (Zie bl. 12, 13.)

Deze dracht vindt men in West-Friesland, Drechterland en _de Streek_ tusschen Hoorn en Enkhuizen.

In Zaanland is niets meer van de oude drachten over, daar getuigen nog slechts de oude houten huisjes en hun bij uitstek merkwaardige groene kleur van de vroegere eigenheid van dit land.

De kap, genaamd de Noord-Hollandsche (zie pl. 12), wordt gedragen over het door een bandje bijeengebonden haar. Eerst een zwarte en dan een witte ondermuts, deze laatste van kant en met zwart lint geboord. Daarover gaat het oorijzer, een ongeveer vijf-centimeter breede strook van goud, eindigend in vierkante met filigraan bewerkte zijstukken, genaamd: "_de pooten_". Daarover komt de bovenmuts, zeer dikwijls van echte kant, van voren een breede strook, naar achter een nog breedere, zeer sterk en mooi regelmatig geplooide "_Kappekant-strook_". De bol wordt gevormd door zeer fijne blauwe tule.

Het oorijzer en de onderkap schijnen dus door de blauwe tule heen, wat een zeer rijk effect maakt. Het oorijzer wordt vastgehouden, en aan de bovenmuts gespeld door de _kapspelden_, die achter _de pooten_ zitten. Naast de pooten, op het voorhoofd, komen de _veertjes_, kromme gouden naalden, die onder de bovenmuts gestoken worden en gedeeltelijk het voorhoofd bedekken. Naast deze steekt men zwarte "_toertjes_", valsche, zwarte, kleine krulletjes.

Op het voorhoofd dragen de oudere vrouwen een _voornaald_, van goud, rijk met diamanten bezet.

Om den hals komt de ketting van zeer dikke bloedkoralen, met gouden slot van voren. Bij den hals wordt een gouden doekspeld gedragen en om den hals, naar beneden afhangend met een kruisje, de _kruize-ketting_. (Zie bl. 12, 13.)

Bovendien dragen velen een gouden horlogeketting die tot aan het middel rijkt.

Het geheele kapsel is een zeer fijne en ingewikkelde constructie van kant, naalden en veeren, rijk bezet met diamanten.

In de ooren draagt men gouden hangers _(bagge)_. Deze dracht is zeer kostbaar.

De eenvoudiger West-Friesche dracht bestaat uit de gewone _Hollandsche hul_, (zie bl. 13) die over eene zwarte ondermuts wordt gedragen. Deze muts lijkt veel op de gewone Volendamsche muts, de punten worden echter naar voren gedragen, in Volendam hangen die meer naar beneden of naar op zijde.

Over deze Hollandsche hul draagt men in heel West-Friesland de boeren-hoed, het _schuit-hoedje_. (Zie bl. 13.) Het is van zeer bijzonder, schuitvormig model, van zeer fijn wit stroo, heeft zondags een witte (zijden) rand, in de rouw een zwarte, door de week een rand in alle kleuren (roze).

Deze West-Friesche kap wordt weliswaar thans (1916) nog vrij veel gedragen, maar de wijze van dragen is verschillend. De oudere vrouwen laten de achterste strook meer hangen, de jongere zetten deze meer naar boven, dat staat "vlugger". Vele jonge vrouwen dragen die kap echter reeds niet meer, of alleen 's zondags.

D. HET GOOI.

Het Gooi vormt, zoowel geographisch als volks-kundig een zeer bijzonder deel van de provincie Noord-Holland.

Wat de kleederdrachten betreft, sluit het zich niet direct bij Holland, maar meer bij Gelderland en Utrecht aan, terwijl op de grens-scheiding tusschen deze verschillende streken, het meer dan bijzondere visschersdorp Spakenburg een oase op zichzelf is, die tot geen van deze gewesten te rekenen is.

Het eigenlijke Gooi echter, bestaat, voor zoover de kleederdrachten betreft, uit de drie dorpen, Laren, Blaricum en Huizen. Hilversum, dat geographisch wél tot het Gooi behoort, telt in dezen echter niet mee, omdat men er geen resten van een nationale dracht vindt. Des te belangrijker zijn de drie eerstgenoemde dorpen.

I. LAREN.

Weinig plekjes van ons land zijn in de internationale artisten-wereld zoozeer bekend, als Laren. Maar of die vermaardheid, zelfs ook maar voor een deel, te danken is aan de opmerkelijke kleederdracht en het eigene van de oorspronkelijke bevolking van dit dorp, zou te bezien staan.

Zeker is het, dat Antoon Mauve, toen hij om gezondheids-redenen dit oord van gezonde lucht noodgedwongen "ontdekte", daar niet kwam om de eigenheid van de bevolking, maar het meest door de schoonheid van het landschap werd aangetrokken. Zijn nakomelingen en navolgers zijn--meest allen--even blind voor die volkseigenheid gebleven als hun grooten meester. Vandaar dat ook in Laren zich het bijzondere verschijnsel voordeed dat, te midden van een kunstenaarskolonie, een bevolking leefde waarvan het uiterlijk iedere "_begrijpende_" kunstenaar zou hebben geïnspireerd. Voor de Laarder artisten bleven de Laarder inboorlingen echter niets dan "plekken-kleur". Het menschelijke en de diepere beteekenis, de psychologiesche redenen voor de bijzondere uiterlijke verschijning van die landelijke bevolking, is blijkbaar aan deze moderne artisten voorbijgegaan.

En toch, hoe merkwaardig is niet die Laarder inheemsche kleedij, hoe merkwaardig is niet het ras dat ze draagt, hoe opmerkelijk zijn niet de typen, en is niet heel dit volk dat zoozeer zijn eigenheid bleef bewaren, ondanks de steeds sterker wordende overstrooming van moderne-villabouw, "Sommerfrischler" en "inter-nationalistisch kunst-snobbisme" met al zijn verderfelijken en onnatuurlijken aankleve.

Dat Laarder volk heeft een zeer bijzonder Hollandsch type. Het paart de gemoedelijkheid en kracht van het Hollandsche element aan het fiere, en bijna aristocratische van het Friesche ras. Dat blijkt vooral uit de burgerlijke voornaamheid van de oudere vrouwen, met hun zielvolle gezichten, hun hooge gestalte, en de prachtige maar eenvoudige deftigheid van den vorm en de kleur van hun eigenaardige dracht, de gouden kettingen, de geplooide doeken, en het geheel bekroond door de _vierkante muts_, die het eigenaardig ras-type nog te meer accentueert.

En dat bijzondere cachet wordt nog des te meer geconserveerd, omdat slechts de Roomsche bevolking dit costume draagt. Er is dus wisselwerking tusschen levensopvatting-uit-geloof en volks-dracht, zooals dat trouwens bij alle nationale drachten in Nederland en elders duidelijk op te merken is.

De kleedij van een Laarder vrouw (zie bl. 18, 19) bestaat uit: Een hemd met heel lange mouwen, daarover borstrok van keper, daarover _romp_ of _corset_ van blauw-keper, van voren dicht, zonder eenige verdikking (met kussentjes) aan de heupen. Daarover komt de gewone krop-lap (kralap). Over de (open) broek met bandjes (onder de knie) komt de blauw baaienrok, daarover de zwarte (katoen) moiré-rok, daarover de zwarte bovenrok en het (lange) jak van dezelfde stof, beide soms van zijde, satijn of thibet, in effen zwart, blauw of bruin.

De rokken zijn alle van voren plat, op zij twee platte plooien, van achter met _rimpels_. (kleine plooitjes.) Dan komt de boezelaar, die heelemaal rond het lichaam gaat, van achter tegen elkaar sluit. Ze is meestal van zijde, aan de kanten geboord met satijnlint.

's Winters en 's zomers is het costume hetzelfde. Het jak is aan den hals uitgesneden, zoodat de kroplap te zien komt, en de mouwen zijn wijd, met hooge poffen aan de schouders. Daarover gaat de _overdoek_, van zwarte of blauwe zijde, met bonte kleuren met franje, netjes geplooid, van voren en van achter vastgespeld in de taille. Om den hals komt een ketting van _vier_ rijen bloedkoraal, het gouden vierkante slot in den nek, van achter.

En dan de muts, bestaande uit zwarte ondermuts over het haar, dat niet afgeknipt is, maar plat is weggekamd. Daarover het oorijzer van zilver of goud, in hoofdvorm gelijk aan den oorijzer-vorm van Staphorst tot Nunspeet, en zóó gedragen dat de "_speld_" onder aan de wang komt, zijdelings van den mond, zooals op Urk en op Staphorst. Daarover de vierkante muts, een vergroot-soort Hollandsche hulle, waarvan echter de punten niet afhangen, maar weer naast het hoofd, naar boven, zijn opgespeld, waardoor het geheel een vierkanten vorm krijgt, het geheele hoofd als in een cubus-vorm van kant vervat schijnt, een zeer mooie en eigenaardige vorm-geving.

's Winters wordt over dit costume een schoudermantel gedragen, (_schoe-mantel_) van zwart thibet, met blauw baai gevoerd, en een naar achteruitstaande, stijve kraag, met haak en oog onder de kin, soms met linten vastgestrikt. De vorm doet aan de schoormantels van de Scheveningsche vrouwen denken. (Zie aldaar.) Dat is het typische, echte, Laarder vrouwen-costume, dat in zijn eenvoudige vormen en meestal op zwart, donker-blauw of paarsch en bruin gekleurde hoofd-tinten slechts verlevendigd wordt door de gouden (kruize) ketting, de bloedkoralen om den hals en de eigenaardige vierkante muts.

Maar dat alles verkrijgt eerst zijn ware eigendommelijkheid, door het bijzondere menschen-ras, dat deze dracht getrouw blijft, een ras dat niet uitmunt door lichamelijke schoonheid, zooals het Zeeuwsche, Urker of Friesche, maar dat vooral den indruk van burgerlijke deugdelijkheid geeft.

Er wordt in Laren nog een ander soort muts gedragen, de meer nieuwerwetsche, de zoogenaamde _ronde muts_, die niet anders is dan de Hollandsche hul, waarvan de punten een weinig meer naar boven-voren steken, en de kromming boven het voorhoofd wat ronder is dan bij de Hollandsche hul. Overigens is ze van hetzelfde type. Bij de ronde muts wordt het gewone verboerschte stads-costume gedragen.

De mannen-dracht van Laren heeft niets opmerkelijks.

II. BLARICUM.

Ook in Blaricum is de dracht tweeledig. Enkelen dragen nog het ouderwetsche jak met de kroplap, zichtbaar op de borst (zie fig. 20) en de vierkante muts, zooals in Laren. Anderen dragen de stadskleeding en de "_kap_".

Die kap is bijna van dezelfde constructie als de West-Friesche. (Zie fig. 12.)

Opmerkelijk is ook weer, dat in Blaricum slechts de Roomschen de nationale dracht nog dragen, evenals in Laren. In het nabije Huizen evenwel, dat geheel protestant is, dragen de Roomschen geen nationaal costume.

Ook in Eemnes, dat protestant is, wordt de ronde muts anders (strakker) gedragen dan in Blaricum.

De "_kap_" zit aldus in elkaar:

Over het "_gespleten haar_"--d.w.z. het haar dat met een scheiding in het midden is gekamd, komt de zwart zijden ondermuts. Daarop worden aan de voorzijde drie zwarte valsche krulletjes (aan iederen kant) gespeld, aan een elastiek dat om het hoofd gaat en de zwarte ondermuts vasthoudt. Daarover worden de (gouden) naalden--met een elastiekje--vastgezet. Dan wordt aan de overmuts (kap) het oorijzer vastgespeld aan de "boeken", tusschen de muts en de blauw zijden bol, (zie West-Friesche kap) en dit wordt in zijn geheel zoo op het hoofd gezet. Dan worden de _naalden_ achter de boeken gestoken en de _spelden_ er ingezet.

Bijzonder opmerkelijk is bij die dracht al het goud wat erbij hoort. De kapspelden en naalden en de oorbellen zijn alle zonder diamanten, alléén van in filigraan bewerkt goud (in tegenstelling met West-Friesland). Om den hals komt de koralen ketting, bij de vierkante trek-muts een _vierkant_ slot _(pukkel-slot)_ of _(plaatjes-slot)_, met vier rijen bloedkoralen, het slot van voren. Bij de kap is het slot rond. Dan draagt men een broche (van goud), genaamd de _borst-speld_. Dan een gouden ketting, waaraan gouden kruisje, dat tot midden op de borst komt, dikwijls met een schuifje, genaamd _boot_. Dan daarbij nog een lange losse (horloge) ketting van goud, en het horloge in de ceinture, welke laatste een gesp heeft. Ook op de schoenen zijn gespen. Deze worden echter thans niet meer in Blaricum gedragen.

Het costume dat, naar den vorm, (bij de kanten kap) verboerschte stadsdracht is, heeft verschillende kleuren, varieerend tusschen blauw, bruin, geel en groen, en zwart in de rouw, altijd van effen stof.

III. HUIZEN.

Zeer bijzonder zijn de drachten in het geheel protestantsche Huizen, het visschersdorp aan de Zuiderzee. (Zie bl. 21, 22, 23.)

Het is zeer zeker een nationale dracht, die in Huizen gedragen wordt, maar het is er een die niet van ouden vorm of snit is, maar wellicht nog niet zoolang geleden oudere modellen heeft verdrongen. Daar ze echter zeer algemeen is, en zeer getrouw wordt in stand gehouden, is het een nationale dracht, den Huizers (of liever de Huizerinnen) eigen. Het eenige echte oude van dit costume is echter slechts de kap, die in wezen en vorm volkomen van alle andere Nederlandsche mutsen-vormen afwijkt.

Dus ook in Huizen is in hoofdzaak slechts het vrouwen-costume belangrijk, ofschoon de dracht der Huizer-visschers niet zoo stads-boersch is als die van de plattelands-boeren, en meer kenmerkend dan deze. De invloed van Marken, Volendam en Urk is op die mannendracht merkbaar, ze behoort tot dezelfde familie van deze visschers-kleedij. Maar de wijde broek ontbreekt tegenwoordig, ze is meer, wat de pijpen betreft, van het gewone model. Overigens is ze van den bekenden vorm met een klep, en versierd met zilveren knoopen, juist zooals de mannen op Urk die dragen. (Zie bl. 23.)

Het vrouwen-costume van Huizen kan aldus beschreven worden: (Zie bl. 22, 23): Over het hemd komt een borstrok en een lijfje, daarover een jak, in de laatste twintig jaren met zeer wijde mouwen, die poffen, boven de schouders uit, hebben. Dat jak is zeer bijzonder van vorm, met zeer fijne plooitjes in de taille, aan de armsgaten, aan de polsen, en zeer kort, even over de taille rijkend. (Zie bl. 22, 23.) Het is van effen kleur in een stof waar bloemetjes in zijn geweven, meestal bruin, bruin-paarsch of zwart. (Zie bl. 24.) De rokken bestaan uit: gestreepte onderrok, (soms twee stuks), één witte rok, een zwarte bovenrok. Alle rokken gaan links dicht; de bovenrok is van _thibet_ (of: _paramat_), van zeer dunne stof, van voren recht, van achter met zeer vele (rimpels) plooitjes. Van onder wordt er een strook van 25 cm. breedte tegengenaaid. Daarover gaat de boezelaar (_schulk_), van gewoon friesch (blauw) bont, 's zondags paarsch of andere kleur. Daarover komt een losse ceinture met losse banden, die van voren over het schulk afhangen. Die ceinture gaat met haak en oog van voren dicht. (Zie bl. 22, 23.)

Men draagt 's zondags lage verlakte schoenen, en in de week muilen of klompen.

Door de week worden de mouwen opgestroopt, zoodat de meisjes en vrouwen bloote armen hebben, 's zondags draagt men de mouwen lang.

Dit costume, dat voor meisjes en vrouwen gelijk is, wordt niet door de kinderen gedragen.

De meisjes, tot hun vijftiende jaar, dragen jurken met korte mouwen, die van boven zeer sterk geplooid zijn. Dit noemt men _pijpmouwen_. Tot aan den hals wordt dan over de kleeding heen een wit boezelaar gedragen. (Zie bl. 21.) Over de armen, gebreide pols-mouwen.

Om den hals draagt men een slot met 5 rijen granaten-koralen. Het slot van voren. Soms komt daar nog een gekleurd zijden das bij, dat echter onder de koralen en het slot gedragen wordt. De uitstekende puntjes, van voren, zijn dan het voornaamste dat men in 't oog wil doen vallen.

De mutsen van de Huizer kinderen en vrouwen zijn het meest variëerend.

De kinderen dragen, in de week, tot hun 14 of 15de jaar een _pik-muts_, dat is een soort cornet of tip-muts, die geheel gehaakt of gebreid is van witte katoen of wol, en van achter over den nek, afhangt. Deze mutsen worden gestreken, zoodat ze eenigzins stijf staan, en in de eigenaardige golvende plooiïngen blijven behouden die men hen heeft gegeven. Het haar wordt daarbij door deze meisjes los gedragen. Ze dragen 's zondags een rond strooiën (zwart) hoedje, versierd met een pluim, die als een hane-kam over den bol van de hoed is gelegd. Van voren twee spelden of broches. (Zie bl. 21.)

Tusschen hun veertiende en achttiende jaar dragen de jonge meisjes een _plooi-muts_, bestaande uit een bol van witte kant, rings-om versierd met een rand (van een hand breedte) van plooitjeskant, die fijn geplooid is om het gezicht, in den nek in grootere plooien afhangt. Die plooitjeskant omsluit en overhuift het gezicht, wat nog erger het geval is met de _oorijzer-muts_, die de meisjes en vrouwen boven de achttien jaar dragen. (Zie bl. 24.) Het haar wordt "gespleten"--dat is met een scheiding in het midden gekamt, en bijeengebonden tot een knotje achter in den nek. Daarover gaat een zwarte ondermuts, daarover de witte over- of oorijzer-muts. Soms wordt 's Zondags een witte ondermuts gedragen, gewerkt met zwarte zijde.

Over de ondermuts komt het oorijzer, van gelijken vorm als langs de heele Zuiderzee-kust van Staphorst af tot hier (Huizen) toe gedragen wordt. De spelden komen aan de slapen--dus weer anders dan in Laren, maar zooals in Nunspeet.

De oorijzer-muts zelf is van witte tulle met randen van kant, en de lange kanten slippen worden links en rechts aan het oorijzer bij de slapen opgespeld. Vandaar dat deze muts, van voren gezien, een zeer bijzondere lijn-vorming geeft, en, van terzijde bekeken, zoo groot en vooruitstekend is, dat het gezicht van de draagster er als het ware in wegschuilt. Dit is evenwel van zeer bijzonder aesthetische werking. (Zie bl. 24.)

Opmerkelijk is nog--vooral voor de zeden en gewoonten van de Huizers, dat een bruid (zie bl. 22) een japon draagt van bruine stof, maar dat haar wijde schort van hemelsblauwe fijne wol is, met een lint van zijde, ook in die kleur. Dit blauwe schort wordt maar éénmaal gedragen, nl. bij het aanteekenen ten stadhuize. Bij het trouwen is de bruid geheel in het zwart, ook haar schort is aldus. Maar het blauwe schort blijft bewaard totdat het eerste kindje geboren is. Dan wordt het tot een doopjurk gemaakt, waarmede het kind ook nog 's Zondags ter kerke gaat, of die bij volgende doop-plechtigheden gebruikt wordt.

E. DE NOORDZEE-KUST EN DE EILANDEN.

Veel bijzonders valt er niet op te merken van de visschersdorpen langs de Noordzee-kust, behalve van Scheveningen. Ook in Zandvoort, dat een oudere plaats is, bleef een weinig van de nationale dracht over in de Hollandsche hul, waarvan echter de badgasten een soort vermoderniseerde imitatie gaan dragen, nu ze door de eigenlijke visschersbevolking afgeschaft schijnt.

De wereld verandert!!!.....

IJmuiden en Wijk aan Zee, zijn geheel moderne plaatsen. In Egmond en Bergen draagt men de West-Friesche dracht.

Op Texel is niets van de oude drachten over, zoomin als op Wieringen of op Vlieland.