De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten
Chapter 3
Men is toen, in dat groote buitenland, die boerschheid, onbeschaafdheid en lachwekkende logheid, die men, door die verkeerde voorstellingen, gedwongen werd te zien, voor _den geest van Holland en zijn bewoners_ gaan houden. En dit heeft een juist begrip omtrent en kennis van het ware Holland in de wereld niet bevorderd.
En toch--dit alles had voor een deel vermeden kunnen worden, zoo er een goed standaardwerk over onze nationale kleederdrachten bestaan had. Maar tot nog toe hebben onze nationale kleederdrachten, ofschoon zij evenzeer een levende uiting van den geest der vaderen zijn, nog niet die aandacht der officieele en wetenschappelijke wereld tot zich getrokken, die zij om zooveel redenen werkelijk verdienden.
Hier blijft thans nog de collectie aangekleede poppen te vermelden, die in de verschillende musea in den lande de herinnering aan die nationale drachten levendig zullen houden, als die drachten zelf dan niet meer door de bevolking zullen worden gedragen, en .... als die poppen en hun kleedij tegen dien tijd niet door de mot en andere oorzaken zullen zijn vergaan.
Reeds in 1898 werd door Mr. J. E. van Someren Brand, toenmaals Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, een verzameling van ongeveer honderd verschillende nationale costumes tezamen gebracht, die in hooge mate merkwaardig is. Deze belangrijke collectie, die tot September 1916 in het Rijks Museum te Amsterdam te zien was en waar zij, om zooveel redenen, op de _eenige_ haar _toekomende_ plaats was, is sinds dien, jammer genoeg, naar het openlucht Museum te Arnhem "uitgewezen."
Behalve deze collectie zijn minder omvangrijke verzamelingen van meer plaatselijke costumes, op poppen gemonteerd, in de musea van Middelburg, Leeuwarden, Hindeloopen en andere steden opgesteld.
En behalve deze poppen, worden in menige familie enkele ouderwetsche drachten in hun geheel of in gedeelten als kostbare--maar doode--herinneringen aan het voorgeslacht bewaard. Vooral is dit het geval in Friesland, waar echter nu en dan den gewestelijken geest weer levend wordt, zoodat bij bijzondere feestelijkheden deze costumes nog wel voor den dag komen, om te getuigen, dat het gevoel van eigenheid nu en dan nog wakker kan worden.
Maar behalve deze hier in 't kort opgesomde beschrijvingen en plaatjesachtige verbeeldingen, deze prent-briefkaarten en poppen in nationaal costume en die enkele, in oude kasten en stoffige doozen bewaarde kleedingstukken, is van de nationale drachten in ons land niets over, dan wat er in de verschillende streken nog gedragen wordt, heele, halve, veranderde en onjuiste kleeding, die zoo is, omdat ze zoo is, waar moeielijk eenige juiste en wetenschappelijke critiek op gegeven kan worden en die de eenige reëele bron is voor onze kennis van dit bijzondere monument van echt Hollandsche geschiedenis en kunst.
Een korte inventariseering, van dat, wat heden (1916) nog van die nationale volks-kleedij in werkelijkheid over is, beoogt _dit_ boekje.
F. WAT WERD EN WORDT ER VOOR DE INSTANDHOUDING, DE BELANGEN EN DE KENNIS VAN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN GEDAAN.
Ten laatste moge hier nog een korte beschouwing volgen over wat er voor onze zoo beroemde Nederlandsche volksdrachten gedaan werd.
In de meeste landen waar eveneens zoo'n belangrijk monument uit het verleden, als wij in onze nationale drachten hebben, is overgebleven, en dat bovendien een monument is, in zich zelf zoo merkwaardig, en dat zóóveel tot de waardeering van ons Hollandsche land, vooral bij den vreemdeling, heeft bijgedragen, wordt van overheidswege alles in het werk gesteld om die volkseigenheid te bestudeeren, te doen voortduren, en ze op allerlei wijze te beschermen.
In Nederland evenwel, de liberale leuze getrouw van "laisser faire, laisser aller", een land, waar tengevolge van die idee kunst geen regeeringszaak is en dus niet beschermd wordt, werd en wordt "officieel" nog _niets_ voor die nationale kleedij gedaan. Alle pogingen in deze ten goede, gingen en gaan uit van _particulieren_.
De verzameling poppen, die tot September 1916 in het Rijks Museum op zijn eigenlijke plaats was, werd door particulier initiatief, door particulier geld bijeengebracht. Ook was het zoo met de verzamelingen in de provinciën, waar zich particulieren, vereenigingen of genootschappen te werk stelden. En deze laatsten hebben zeer goed werk gedaan. Maar de regeering deed niets. Ook dat moge een van de vele factoren zijn, dat de nationale drachten in Nederland, om 't zoo te zeggen, aan zich zelf overgelaten, zoodanig vervormd, veranderd en "gehavend" werden, en per slot geheel zullen verdwijnen, omdat het dragen er van niet van hooger hand werd aangemoedigd, of op een of andere wijze beloond. De pogingen die in dezen van privé-personen en vereenigingen uitgaan, kunnen echter nooit dat gezag en die overtuigende ernst hebben, die een lands-bestuur aan zijn verordeningen of wenschen geven kan. En al deed en doet de vereeniging Nehilennia in Middelburg ook nog zoo haar best (in een streek trouwens waar 't nog niet zoo heel erg noodig is) deze en dergelijke vereenigingen zullen toch niet bij machte zijn met goed gevolg tegen de wassende wansmaak en vooroordeelen van de zoogenaamde stads-beschaving te strijden.
Een van de beste middelen in deze echter, wordt wel door die Zeeuwsche vereeniging toegepast. Zij speculeert op de ijdelheid van de dragers (meer speciaal van de draagsters) van het nationaal costume. Geen beter middel had zij kunnen bedenken, dan eenige personen in nationale dracht, en daarna diezelfde personen (eenige kinderen) in stads-kleedij te laten photographeeren, Het onderscheid is zóó sterk, dat het de meest van smaak ontbloote mensch treffen moet. Het is, om 't zoo te noemen, een afschrikwekkend voorbeeld. Zoo aardig en zoo geheel met een eigen cachet als die kinderen er uit zien in hun nationale dracht, zoo leelijk, zoo on-eigen, zoo onbeschaafd zien zij er uit in het "stadsch". Waarlijk, de boerschheid komt in die kinderen dan eerst werkelijk uit als ze zoogenaamd "beschaafd", dat is: op zijn stadsch, gekleed zijn, terwijl ze er in hun nationale dracht er heel wat minder boerachtig, minder onbeschaafd uitzien. Met het veranderen van kleeding wordt dus door de boerenbevolking juist het tegenovergestelde bereikt van wat zij bedoelt.
En dàt is het wat van overheidswege aan den volke had moeten en kunnen gedemonstreerd worden, dat het niet vernederend of verachtelijk is om de nationale kleedij te dragen, dat ze niet leelijk, niet onbeschaafd is en niet "achterlijk" maakt, maar dat juist het on-oordeelkundig en smakeloos dragen van de moderne stads-kleedij de dragers en draagsters belachelijk en leelijk maakt. Indien dit aan het volk gedemonstreerd was geworden, zou dit aanschouwelijk onderricht van zeer veel invloed op de nationale drachten gebleken zijn.
Want, vooral bij de vrouwen is de indruk, die zij in hun costuum maken, toch nog maar altijd de hoofdzaak. En die ijdelheidsfactor komt de nationale dracht ten goede. Vooral de mooiste, natuurlijkste en meest rationeele drachten, zooals de Friesche en de Zeeuwsche. Zoolang de vrouwen zelf zullen blijven inzien dat die kappen en mutsen van kant, die gouden sieraden, die keurig geplooide doeken en kleurige beuken, die korte mouwen en lage-halsjes-dracht haar goed kleedt, flatteert; .... en zoolang er mannen zullen zijn, die deze schoonheid zullen opmerken .... en het de vrouwen zullen zeggen .... zal de nationale dracht in eere blijven.
Het bewijs wordt immers reeds door de praktijk geleverd. Geen dame die in Middelburg of Goes gaat logeeren verzuimt het zich in de "zoo flatteerende" Zeeuwsche dracht te doen photographeeren. En, indien een Friesch meisje al de fijnheid en de ingeboren aristocratische allure van haar ras op het voordeeligst wil doen uitkomen .... dan zet ze een oorijzer op, met een fijne kap en de diamanten speld op het voorhoofd, dan doet ze kleurigzijden jurken aan, het prachtige kanten schortje voor, en witte kousen met lage schoentjes aan.
De nationale dracht vindt op die wijze een beschermster in zich zelf en in "_de vrouw_."
Maar wat haar het meest ten nadeel komt, is dat ze kunstmatig in het leven wordt gehouden ten bate van het vreemdelingenverkeer. Dan verlaagt ze zich in haar dragers en draagsters tot bedelende comedianten.
En, omdat dit door buitenlanders reeds zeer duidelijk is opgemerkt, heeft dit soort propaganda van de nationale kleedij, die nationale drachten zelf, haar dragers en ook heel Nederland, in het buitenland zeer veel kwaad gedaan. Er zou van overheidswege tegen geageerd moeten worden.
Want met de gebruikelijke onkunde omtrent de Nederlandsche geschiedenis en aardrijkskunde, die in het buitenland zelfs onder de meest ontwikkelde standen heerscht, heeft deze verkeerde "reclame" tot de meest onwelwillende uitleggingen aanleiding gegeven.
Zoo werd mij in Amerika's hoofdstad, Washington D. C., door een dame, een kunst-kritieken-schrijfster, verweten, dat het Nederlandsche volk het bedel-eiland Marken, tot een schande voor heel de Hollandsche natie "_in stand hield_". Volgens haar was dat eiland, met huizen, bewoners en kleedij en al, _opzettelijk_ gemaakt om het den vreemdelingen lastig te maken met bedelarijen. Men moge, in Nederland, zeggen dat die dame niet zeer goed op de hoogte was, maar dat verhelpt de zaak niet. Dat exploiteeren van de nationale kleederdracht als _vreemdelingen trekkende curiositeit_ kan niet anders dan tot misbruiken, en tot de daarbij behoorende misvattingen bij den vreemdeling, leiden. En op die wijze zouden de nationale kleederdrachten een middel worden om Nederland in het buitenland, evenals Italië, den naam te bezorgen, dat het zijn oude monumenten alléén exploiteert als middel om "te bedelen".
Maar er is iets anders. Dat wat het meest voor de nationale kleederdrachten noodig was, nog steeds het meest noodig is, zoowel voor tijdgenooten, landgenooten, en vreemdelingen, voor heden en vooral voor de toekomst, dat is een volledige afbeelding en beschrijving van die drachten. En het blijkt, dat een particulier zich daar niet toe zetten kan, tenzij hij een klein fortuin en een belangrijk aantal jaren en zeer veel moeiten aan deze inventariseering ten koste legt. Waar de regeering, de gemeenschap in dezen niet het initiatief neemt en royaal (dat is de eenige goede en mogelijke manier) dit werk zelf ter hand neemt of aan een persoon opdraagt, daar zullen de nationale drachten tevergeefs op den rijken, maar tegelijk kundigen dolenden ridder wachten, die zijn geld, tijd en inzicht geven wil om de schoonheid van deze stervende princes .... zooals men met een beetje goeden wil de nationale kleederdrachten van Nederland metaphorisch noemen kan, in woord en beeld aan het nageslacht over te dragen....
Of zal die officieele en particuliere belangstelling en dat initiatief .... echt Hollandsch, ook weer zoo lang op zich laten wachten, totdat het te boek stellen van al die gegevens ..... niet meer mogelijk zal zijn!....
III. DE BESCHRIJVING VAN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN IN DE VERSCHILLENDE PROVINCIËN.
NOORD-HOLLAND.
Noord-Holland heeft drie centra van nationale kleedij, die geheel van elkaar gescheiden zijn. Dit zijn: Marken en Volendam, West-Friesland, en het Gooi.
In het overige deel van deze provincie--en vooral in Amsterdam en omgeving, is de dracht zoo goed als geheel verdwenen ofschoon men hier en daar oude vrouwtjes ziet met een kanten-muts, die meestal de zeer eenvoudige _Hollandsche hul_ is, om enkele weeshuisdrachten niet te vergeten. Langs de kust van de Noordzee en op de eilanden is ook niet veel opmerkelijks, behalve op Terschelling.
A. MARKEN.
Van al de nationale kleederdrachten in Nederland, zijn die van Marken het meest merkwaardig, omdat ze het meest zonderling zijn. Zij vormen een type op zich zelf, die van al de andere drachten zeer afwijkt, zooals ook de Hindelooper dracht in Friesland. Maar ze zijn door de groote verscheidenheid van costumeeringen voor mannen, vrouwen en kinderen, de meest ingewikkelde kleedij, die men bijna kan denken.
Opmerkelijk is, dat zich deze dracht in al zijn verscheidenheid tot op onzen tijd zoo volledig heeft kunnen handhaven, en dat op een eiland, dat zoo zeer van de zee te lijden heeft, uit slechts een paar buurtjes van houten huisjes bestaat, in zijn geheel even over de duizend inwoners telt, en dat--'t ergst van al--zoo dicht bij een groot modern wereld-centrum--als Amsterdam is,--ligt, en dat zooveel door vreemdelingen wordt bezocht.
Alle drachten die op Marken voorkomen, hier te bespreken, is onmogelijk. De voornaamste zijn deze:
1. De zuigeling (zie bl. 6) (van beide geslachten) wordt op bijzondere wijze in hemdjes, jakjes, mutsjes en wollen dekens, als een stijve pop ingebakerd. De kleuren van deze kleedij zijn zeer levendig, meest allen met rood tot hoofdkleur. De stoffen zijn van geweven of gedrukte katoen (sits of cretonne) en de versieringen bestaan uit kant, (echte of machinale-linnen kant) of uit borduringen in kruissteek.
De mutsen, die deze jonge kinderen worden opgezet, bestaan uit drie of vier witte en gekleurde kapjes overelkaar, met een bandje onder de kin vastgehouden.
2. De jongens en meisjes tot zes jaren, zijn hetzelfde gekleed, in kleurige rokjes, die naar onder wijd uitstaan. Beide dragen mutsen van gebloemde stof (meest rood) over witte ondermutsen. Het eenige verschil in de dracht van jongens of meisjes, en waardoor men hen van elkaar kan onderscheiden, is de vorm van het kleurige overmutsje, dat bij den jongen meer een rond kalotje is en van boven, op de kruin, met een rozet is versierd. De mutsen der meisjes zijn uit drie stukken, één middenbaan met twee zijpanden, en missen de kruin-versiering.
Overigens hebben de jongens zoowel als de meisjes beide gekrulde haarvlechten langs de slapen en in den nek.
3. De meisjes-dracht blijft aldus tot hun zesde jaar. Dan krijgen zij een corset of "_rijglijf_", (zooals het op Marken heet) een zeer dik en stijf kleedingstuk van meestal bruine baai, rijk geborduurd met bloemen in sterke kleuren (zie bl. 7). Dit rijglijf sluit, met een lange witte feter van achter. Het is zoo stijf, (door de vele balijnen) dat de meisjes-figuren (zie bl. 8) er die eigenaardige houterige, stijve vorm door krijgen, die ook de figuren van de volwassen vrouwen op Marken kenmerkt.
4. De jongens krijgen op hun zesde jaar een broek, (zie bl. 5) in plaats van hun rokken. Die broek is van donker blauwe of bruine baai, in dezelfde wijde vorm als die van de volwassen mannen. Het bovenlijf van den jongen is echter nog ongeveer gekleed als van het meisje, en hij draagt nog het mutsje met de lange krullen.
5. Op zevenjarige leeftijd krijgt de jongen volkomen mannenkleeren aan, bestaande uit een baaitje van blauwe stof, halsdoekje, twee knoopen in de kraag, en een pet of hoedje op.
6. De jonge meisjes krijgen op hun zestiende jaar de kleeren van volwassen vrouwen.
De volledige beschrijving van een dagelijksch Marker vrouwencostuum volgt hier: (zie bl. 2, 3, 4, 5.)
Zij draagt, over het bloote lijf, een linnen (ongebleekt katoenen) hemd met lange mouwen. Aan den hals is een staande boord, die met kruissteek in zwarte wol, met geometrische figuren is versierd. Een dergelijken rand siert ook het eind van de mouwen, om de polsen. Dit halskraagje heet "_beffie_". (Zie bl. 1.)
Deze ornamenten blijven steeds bij het Marker costume te zien, zelfs ook als de vrouw geheel aangekleed is. (Zie bl. 1, 2.)
Over het hemd komt de onderbroek met bandjes, van wit katoen, met dikke (blauwe) wollen kousen, die onder de knie worden opgebonden. Over het hemd gaat een mouw-vest van wit katoen, even over de taille reikend, zonder boord, van voren sluitend, met mouwen van gestreept (rood en wit) katoen. Dit mouwvest heet "_mouwen_".
Over deze "mouwen" komt het "_rijglijf_" (zie fig. 4) of het corset, althans een kleedingstuk dat de dienst doet van keurs of corset. Het is van bijzonder zware en dikke constructie, van donker blauwe baai of wol, gevoerd met witte wollen stof. Tusschen deze voering zijn van voren en van achter (niet op zij) balijnen aangebracht. De vorm is die van een keurslijf, het gaat over de schouders, heeft armsgaten, rijkt even over de taille en is van voren iets uitgesneden. Het wordt--van voren--dicht gesnoerd met een lange witte feter.
Het opmerkelijke van dit kleedingstuk, is de rijke ornamenteering met geometrische bloemen in zeer sterke kleuren.
Om de heupen worden "_rollen_" aangebracht, langwerpige kussens, die de rokken wijd-uit moeten doen staan en het figuur van de draagster moeten verbreden. (Zie bl. 2.)
Over dit rijglijf komt, van voren, de _borstlap_, een stuk vurig roode baai, vierkant, dat met spelden wordt vastgezet.
Daarover komen "_de voorpanden_", een soort bolero-vormig jakje, van voren van vuur-roode baai, terwijl het achterpand van (meest paarsche) satinet is.
Over de broek heeft de Marker vrouw eerst de onderrok aangelegd, een zeer dikke rok van ruig (bruin-rood) baai, van onder afgezet met een gelen band, van voren sluitend, met een grooten zak, rechtsch. Deze rok heet "_het ruigje_".
Over dit "ruigje" komt "_het schort_", een groote wijde donkerblauwe rok van baai, laken of serge. Het is zeer dicht-ineen geplooid van achter, van voren hangt het rechter, zoodat het, naar onder, het figuur van de draagster zeer omvangrijk maakt.
Over dit schort komt het "_boezel_", de boezelaar, van donkerblauw katoen, van boven versierd met een "_stuk_" van geweven, geruite (blauw-witte) katoen.
Over de "voorpanden" komt de "_bouw_", het sieraad van de Marker-vrouwendracht. Het bestaat uit een vierkant lapje, gebloemde sits of satinet, en wordt op de onderkleeding vastgespeld. (Zie bl. 1.)
Over de mouwen komen nog halve _overmouwen_, die van den pols tot den elleboog rijken, van (meestal) paarsche satinet, met gele boordsels.
Om den hals komt dan nog het halsdoekje, een vierkant, van in blok-versiering geweven (meestal rood) katoenen doekje, dat op bijzondere wijze wordt geplooid, en aan de punten versierd is, met zilveren en koralen kwastjes (_akertjes_).
Bij dit costume draagt de Marker vrouw in huis, of zondags, muilen (van zwart leer), in de week klompen.
Gaat zij met slecht weer (of 's winters) uit, dan heeft zij over dit costuum nog een jakje van donkerblauw baai of laken, met lange mouwen en schootje (of taille), aan den hals vierkant uitgesneden.
De hoofdbedekking is niet minder ingewikkeld.
De haren worden van achter afgeknipt, de rest wordt tot twee vlechten gedraaid, die, langs de slapen, van onder de muts uitkomen. Van voren draagt zij ponny, gelijk afgeknipt haar, dat met de vingers aldoor naar boven wordt gekruld, als een luifeltje boven de oogen. (Zie bl. 1.)
Over de haren gaat eerst een wit katoenen muts met platten bol.
Om den bol van die muts wordt een stijve band gelegd om den vorm te bewaren. Over deze ondermuts worden twee stroken van rood baai gewikkeld, en een ander lint, waarop zwarte ornamenten in kruissteek. Die drie stroken moeten ieder op hun juiste plaats gehouden worden door spelden.
Over deze onderlaag komt de overkap van fijn ballist en (van voren) een strook van kant, zóó, dat de roode baai en de zwarte ornamenten door die dunne stoffen heen schijnen.
De geheele vorm van deze muts wordt door de verschillende plooiïngen, stijve stoffen en spelden in een cilinderachtigen vorm gehouden.
Aldus is, in het kort omschreven, de gewone Marker-vrouwendracht.
De kleur is over het algemeen voor de rokken donkerblauw, het bovengedeelte van de kleeding, vanaf de heupen, vertoont niet dan zeer sterke kleuren, waarbij rood in alle nuances de hoofdkleur is.
Bij rouw verdwijnt al dat rood, het wordt paarsch bij lichte rouw of blauw, en zwart bij zware rouw. De vorm der kleeding blijft in al zijn onderdeelen evenwel dezelfde.
Bij trouwplechtigheden is het costume van de bruid, wat de vorm betreft, wèl gelijk aan dat van de gewone vrouwendracht, maar is de kleur in hoofdzaak gestemd op wit. Wit is de feestkleur bij de Marker-vrouwendracht, en bij dat alles wordt het bijzondere van die gelegenheidsdracht nog verhoogd door de bijzondere zorg die er besteed wordt aan de plooiïngen van de (witte) boezelaar. Die plooiïngen worden bij de meeste nationale kleederdrachten bijzonder verzorgd, ook door de Marker-vrouwen. Zelfs in hun gewone daagsche dracht is de (donkerblauwe) boezel meestal zeer zorgvuldig op de strijkplank bewerkt.
7. De mannen-dracht op het eiland Marken (zie bl. 5) wijkt in zooverre van de dracht van het nabije Volendam af, dat, ofschoon het baaitje ongeveer gelijk is, de das anders is, niet de eigenaardige bonten muts van de Volendammers gedragen wordt, maar steeds de ronde vilten hoed, en dat de baaien broek niet zoo wijd (ofschoon toch nog wijd genoeg) maar niet zoo lang is. Bij de Volendammers vallen de wijde broekspijpen neer tot bij de grond. Op Marken worden de mans-broeken bij de knieën nauwer, en rijken niet verder dan even over de knie, zoodat ze de onderbeenen en de blauwe kousen doen zien.
Het opmerkelijke van deze nationale Marker-dracht is, dat ze over het algemeen niet den indruk van werkelijke schoonheid maakt, hoofdzakelijk omdat het menschelijke figuur er in zoo hooge mate in door wordt ontsteld. Die platte bovenlijven, daardoor lang lijkende armen, uitermate breede heupen, betrekkelijk korte rokken, en daar onderuit de dunne beenen..... dat alles werkt niet zeer aesthetisch, maar het is in hooge mate eigendommelijk en schilderachtig door de kleur.
Daar komt bij, dat het Marker-menschenras niet tot het fraaiste van Nederland behoort. Het schijnt, dat zij in overdaad van opvallende kleeding willen goed maken, wat de natuur hen ontzegde.
De kinderen echter zien er zeer pitoresk uit, maar 't is een zeer vreemd-aandoende, onwezenlijke schilderachtigheid, daar men aan wennen moet.
Bijzonder is het echter zeer zeker dat deze dracht in heel haar ingewikkeldheid, lastige snit, moeilijk te verwerken materiaal, en veelvuldige versiering met borduurwerk geheel door de Marker-vrouwen zelf vervaardigd wordt, voor zichzelf zoowel als voor haar kinderen.
Die bijzondere moeizaamheid, bij het maken, zal dan ook de reden zijn, dat zij het eenmaal verkregen resultaat met zooveel zorg bewaren.
In ieder Marker-huisje is een zoogenaamde "_pronkkamer_", waar in een hoek, meestal boven een laag kastje, een aantal spanen doozen, met kanten dekkleedjes bedekt, staan opgestapeld, waarin die kleeren worden bewaard. Ieder kind, ieder meisje, iedere vrouw heeft zoo'n paar van die doozen, en de huisvrouw houdt alles netjes, door dien stapel van haar rijkdom soms met koperwerk, doekjes met kant en bloemen te versieren.
Er spreekt uit die dingen bewijs genoeg, hoe zeer die nationale kleedij op Marken, zelfs heden ten dage (1916), nog uit den volkswil voortkomt.
B. VOLENDAM.
Tegenover Marken, aan de vasten wal, maar toch zelf zoo goed als een eiland, ligt Volendam, dat tot vóór vijf-en-twintig jaar weinig bekend, weinig bezocht en als afgesloten van de buitenwereld was. Opmerkelijk is dat, ofschoon zoo dicht bij Marken, alles in Volendam anders is, ook de volksdracht. Voornamelijk zal dit liggen in het verschil van godsdienst. Op Marken is men protestant, heel Volendam is roomsch-katholiek. Zelfs wordt het nationale costume in Volendam uitsluitend door de roomschen gedragen.
Op Marken treft het stijve, bijna fanatieke van het volk en zijn dracht, in Volendam is het een en al zwierige levenslust, in het volk zoowel als in zijn kleedij, zeden en gewoonten.