De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten
Chapter 2
De moderne jeugd is zoogenaamd "te verstandig", en na dit geslacht zal in het volgende wellicht alle herinnering aan de nationale kleedij in Nederland verloren zijn, met uitzondering van een paar streken, waar thans nog de oude dracht algemeen en in zijn geheel gedragen wordt. Maar die streken worden hoe langer hoe kleiner. Want een andere oorzaak van het veranderen, en daardoor verdwijnen van de nationale kleedij, is de kostbaarheid van die dracht. En ook vereischen de meeste van die costumes zeer veel kennis om ze te vervaardigen, ze zijn lastig in het dragen, en kostbaar in onderhoud, vooral de kanten mutsen en kappen, die meestal door speciale strijksters moeten behandeld worden.
Ook dit zijn ongemakken, die de moderne jeugd gaarne ontgaan wil, vooral omdat de nieuwerwetsche kleeding zooveel eenvoudiger en losser in het dragen is en geheel gereed in winkels kan worden gekocht. Maar daar staat tegenover, dat vele van die oude drachten zoozeer flatteeren. En .... welke vrouw zou dat niet zien .... en waardeeren, en haar veel moeiten doen vergeten. Zoo die ijdelheid dan--voor zoover de vrouwencostumes betreft--voor een deel oorzaak zou kunnen zijn, dat enkele van die oude drachten langer zouden kunnen blijven voortbestaan, niet aldus met de mannendracht. Daar geeft het practische den doorslag, ofschoon hier en daar nog een klein gevoel voor de geboorteplaats en een koppig vasthouden aan oude gebruiken tot de instandhouding van de plaatselijke dracht zal blijven medewerken.
Over het algemeen moet echter vastgesteld worden, dat de nationale Nederlandsche kleedij langzaam maar zeker verdwijnt, en dat vooral dit nu levende geslacht (1870-1920), de grootste veranderingen op dit gebied mee maakt.
B. WAAR WORDEN DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN GEDRAGEN?
In ieder van de elf Nederlandsche provinciën wordt de nationale dracht op zeer verschillende wijze in stand gehouden.
In enkele streken komt ze thans (1916) nog veelvuldig voor en wordt ze in haar geheel, in onder- en bovenkleeding, zoowel door de mannen als de vrouwen en de kinderen in eere gehouden.
In andere gedeelten van ons land, en dat is wel het grootste deel, vindt men er nog slechts de gedeeltelijke overblijfselen van. Die gedeeltelijke dracht bepaalt zich dan hoofdzakelijk tot de vrouwen-kleeding, waarbij alleen de kap en het oorijzer en eenige bijzondere gouden en bloedkoralen lijfsieraden behouden bleven.
Het verdere gedeelte van de kleeding dier vrouwen is dan een soort stadsdracht, waarin zekere vormen en versieringswijzen van de oude drachten zijn overgebleven, maar in heel andere stoffen, heel andere (meestal effen) kleuren zijn uitgevoerd, een en ander vervormd door den invloed van modedrachten van bijna een generatie terug. Dit "halve" nationale kleed heeft dus in ieder geval een bijzonder cachet, maar zij is de bij uitstek smakelooze, boersche en onbeschaafde en is de ergste vijand van de volledige nationale dracht geworden, omdat ze zoo voor ieder in het oog vallend dualistisch verkeerd, daardoor zoo leelijk en daarom zoo belachelijk is.
En in het overige deel van Nederland zijn zelfs alle sporen van de ouderwetsche dracht verloren gegaan. Dit is vooral zoo in de groote steden en centra van industrie, en dan voornamelijk onder de bevolking die van deze industrie leeft. De boeren hebben in die streken soms nog hun eigen dracht--geheel of gedeeltelijk--behouden.
Een merkwaardig voorbeeld van dien verderfelijken invloed van de industrie op onze nationale kleederdrachten ziet men in Vlissingen, dat geheel gemoderniseerd is, terwijl op het overige gedeelte van het onvolprezen schoone Walcheren, tot zelfs onder de poorten van Vlissingen zelf, de inheemsche dracht in zoo bijzondere eer wordt gehouden.
Zoo men de streken waar de nationale kleedij veel, minder of in 't geheel niet meer gedragen wordt, op de kaart van Nederland aanteekent, dan zal het opvallen, hoe de volledige kleedij alléén nog maar voorkomt in twee scherp afgescheiden centra (zie bl. 1).
Het eene omvat Zeeland, en dan nog hoofdzakelijk alleen de eilanden Walcheren en Zuid-Beveland, en een deel van Staats-Vlaanderen.
Het andere strekt zich uit langs de kust van de Zuiderzee, van Staphorst (in Overijsel) in het Noorden, tot Huizen (in Noord-Holland) in het Zuiden. De eilanden Urk, Marken en Volendam (dat zoo goed als een eiland op het land is) moet men ook tot dat centrum rekenen.
Buiten deze twee zich zeer duidelijk afteekenende streken, wordt het nationale costuum in Nederland nergens meer compleet gedragen. In alle andere streken komt het gedeeltelijk voor, zelfs in de dorpen langs de Noordzee, waar voor Scheveningen, wat de vrouwenkleeding betreft, een soort uitzondering gemaakt zou kunnen worden.
De streken, waar de nationale dracht gedeeltelijk voorkomt, strekken zich om deze centra uit, ook in de groote steden zijn de drachten zoo goed als geheel verdwenen, zoo men tenminste niet de zeer enkele oudere vrouw die nog alleen een eenvoudige muts (de gewone Hollandsche hulle) draagt, of enkele weezen-costumes mee wil rekenen.
In het algemeen kan men echter zeggen dat dit gedeeltelijk costume in het grootste (westelijke) deel van de Provincie Friesland nog gedragen wordt, op enkele van de Noordzee eilanden, in Noord-Holland (in hoofdzaak West-Friesland), op het platteland in Zuid-Holland en Utrecht, de noordelijke Zeeuwsche eilanden, langs der Gelderschen IJsel in den achterhoek van Gelderland, in het land tusschen Maas en Waal en in het noordelijk en westelijk deel van Noord-Brabant. In Groningen, een groot deel van Drenthe en Overijsel, in zuid-oostelijk Noord-Brabant en in Limburg is echter de dracht geheel verdwenen, bijna ieder spoor is er van uitgewischt.
De overgangs-periode van heele op gedeeltelijke dracht, die het geslacht dat thans (1916) ongeveer vijftig jaar is, heeft meegemaakt, wordt door de jeugd uit dezen tijd (1916) overgeslagen. Zelfs in centra waar de drachten om veel redenen nog in zeer groote eere zijn, beginnen enkele jongeren direct met algeheelen afstand van het nationale costume te doen en kleeden zich, niet alleen "op zijn stadsch" maar zelfs naar de laatste buitenlandsche mode, nu deze nieuwere vormen en opvattingen zooveel spoediger tot de landelijke bevolking doordringen dan dit een geslacht geleden gebeurde.
En, waar deze volledige verandering van costumeering, zoo zonder overgangsproces, plaats grijpt, is het begrijpelijk dat voor de nationale drachten het grootste gevaar dreigt om in betrekkelijk zeer korten tijd volkomen te verdwijnen.
C. OVER DEN INVLOED VAN DEN GODSDIENST, RAS, RANG, STAND EN BEROEP OP DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN.
De invloed van den godsdienst op de nationale drachten is een zeer bijzondere. Niet alleen dat de vorm van het costume ook zelfs naar den godsdienst verschillend wordt, zooals dit zeer sterk is op Zuid-Beveland, maar het blijkt dat de godsdienst ook van invloed is op het behoud onzer nationale drachten. Over het algemeen heb ik opgemerkt dat in meer orthodoxe streken--zoowel protestantsche als roomsch-katholieke--de drachten langer bewaard blijven dan in minder godsdienstige, zoodat dus de godsdienstige factor als eene ten goede voor de drachten moet worden aangemerkt.
De invloed van het Ras laat zich ook in den vorm van de costumes nawijzen zooals ik dat reeds hier en daar in dezen text doe. Hierover hebben ook Dr. Jos. Schrijnen, in zijn hoogst belangrijk boek over "Nederlandsche volkskunde", Prof. J. H. Gallee in zijn werk over "Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners", en Prof. L. Bolk in zijn verhandeling over "De bevolking van Nederland in haar anthropologische samenstelling", hun zienswijzen en de resultaten van hun studiën neergelegd.
De rang en stand in de maatschappij heeft in zooverre ook haar invloed op de nationale drachten doen gelden, dat de costumeering rijker en fraaier werd, naarmate de drager in betere sociale omstandigheden verkeerde. Op den vorm van de dracht had dit slechts weinig invloed, men was niet gewend bijzondere kenteekenen, om de standen te onderscheiden, te dragen.
Om deze redenen zijn dus onze nederlandsche nationale drachten echte _volks-drachten_.
Anders is dit met de gelegenheids-kleedij. Niet alleen dat de vorm en de kleur van de kleeding der kinderen dikwijls van de dracht van de volwassenen onderscheiden is, maar voornamelijk wordt het onderscheid groot tusschen daagsche, feestelijke of rouw-kleedij. Dit is bij al onze nationale drachten min of meer het geval, maar--begrijpelijkerwijze--daar het sterkst, waar de drachten nog volledig door mannen en vrouwen gedragen worden, omdat ook de oude zeden, met die oude drachten, behouden bleven.
De invloed van die zeden en gebruiken, doet zich dan zeer sterk op de kleeding gelden, en komt in de verscheidenheid van die kleedij bij vele gelegenheden tot uiting.
Opmerkelijk is daarbij vooral de bijzondere fraaiheid en ingewikkeldheid van de trouw-costumes, en--hoe zou het anders kunnen--vooral van deze gelegenheids-kleeding van de vrouwen.
Overal wordt bij de costumeering van "_de bruid_" een zeer bijzondere prachtlievendheid, zoowel in kleur als in bewerking van het costume, ten toon gespreid.
Maar ook het verschil in beroep bracht verschil in kleedij, zonder dat er echter van een consequent doorgevoerde beroeps-kleeding kan gesproken worden.
Zoo is er, bijvoorbeeld op Scheveningen, verschil in de kleeding tusschen de visschers en de dorps-bewoners (die andere bezigheden hebben). Maar over het algemeen is de afwijking van het algemeene type der locale kleeding tengevolge van beroep of stand niet zeer groot. De grootste variatie wordt veroorzaakt door de _gelegenheid_ waarbij het costuum gedragen wordt.
Ten slotte zou nog een afzonderlijk hoofdstuk te wijden zijn aan de _weezen-costumes_. Ofschoon deze, als uniformen, niet tot de eigenlijke nationale kleedij gerekend kunnen worden, staat daar tegenover, dat het wezen en de vorm van vele dezer drachten toch zoo nauw bij de eigenlijke volksdrachten aansluiten, er zoo zeer uit voortkomen en er zich zoodanig mee hebben vermengd, dat deze meestal toch ook ouderwetsche costumeeringen hier noodzakelijk in het kort besproken moeten worden.
Enkele van deze costumes zijn hier in dit boekje afgebeeld en beschreven, om toch vooral ook niet deze zoo typeerende kleedij te vergeten, die door een groot deel van het publiek zoo goed gekend wordt, en die, naast de werkelijke nationale drachten, toch ook veel aardigs en eigens aan de lokale kleur van enkele Hollandsche steden hebben bijgezet. De mooie Amsterdamsche burgerweesjes, die uit Haarlem, uit Leeuwarden en zoovele andere steden, mochten in dit _bestek ook niet vergeten_ worden.
D. OVER DE BETEEKENIS VAN ONZE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN UIT EEN ETHISCH EN AESTHETISCH OOGPUNT.
Het ware zeer verkeerd onze nationale volks-kleederdrachten de maatstaf van een hooger schoonheidsbeginsel aan te leggen. Zij behooren, als een van de vele monumenten van oude geschiedenis en kunst, geheel gelijk gesteld te worden met de kleinkunst, de gebruikskunst, die uit het volk, uit zijn aard, zeden en gewoonten voortkwam, zonder in wezenlijk of direct verband met de hoogste intellectueele waarde en geestelijke idealen van dat (ons) volk te staan.
En omdat ons Nederlandsche volk zich in haar kunstuitingen, zelfs in die van haar beste perioden, steeds meer een volk van particulariseerend gevoel dan van veralgemeenende verstandelijkheid heeft betoond, moet het ook niet verwonderen dat haar volks-kunst, waaronder onze nationale kleederdrachten te rekenen zijn, nooit belangrijker wordt dan wat met wat goede maar boertige smaak, veel werk-kracht en een vroolijke maar oppervlakkige levensbeschouwing bereikt kon worden.
Verheffend schoon zijn daarom onze nationale kleederdrachten niet, maar ze zijn levensvol, soms rijk, soms fijn, maar over 't algemeen meer aardig, merkwaardig en typeerend dan inspireerend. Zij behooren, gelijk zoovele opmerkelijke maar anders geen hoogere princiepen uitdrukkende meubelkunst en klein-architecteur, tot dat zelfde soort monumenten van onze groote voorgeschiedenis gerekend te worden, waarvan de overblijfselen nog voor een deel in enkele streken van ons land te vinden zijn is in oude buurtjes en grachtjes, huisjes en hoekjes. Als zoodanig hebben zij dus in het werkelijke hedendaagsche leven van ons volk geen beteekenis meer dan die van "curieuse bezienswaardigheid". Slechts in die gedeelten van ons land waar nog oude of ouderwetsche zeden en gewoonten heerschen, hebben en behouden zij echter alleszins hun reden van bestaan, en .... zijn zij nog de dragers van het levende volks-ideaal.
De schoonste van deze drachten zijn voornamelijk die welke door den Frieschen stam gedragen worden, te weten de costumes in Friesland, Urk, Volendam en in Zeeland. Bij deze alle moet een verfijning van vorm en kleurenkeus geconstateerd worden, die op iets hoogers dan het gemiddelde volks-ideaal wijst, die meer geestelijke ontwikkeling en aspiraties verraadt. Ook de meerdere voortreffelijkheid en schoonheid van dit ras boven de andere bewoners van Nederland verklaart de meerdere belangrijkheid en grooter schoonheid van deze drachten boven de andere.
Behalve de aristocratische allure die vooral het Friesche costume haar draagsters geeft, het bijzonder groot-burgerlijke van de Hindelooperdracht, de levens-volheid en natuurkracht, waarvan de Urker en Volendammer kleedij getuigt, wordt in deze het toppunt van evenwichtigheid bereikt in het Zeeuwsche costume, dat meer natuurlijk dan zoovele andere drachten (bijv. Marken, Staphorst enz.) alle voordeelen van de eigenheid van het volk, van het ras, op zijn best en het schoonst tot uiting brengt en als onderstreept.
In de Zeeuwsche drachten (vooral die van Zuid-Beveland en van Walcheren) komt den wil zich van anderen te onderscheiden, hoogere, meer intellectueele idealen uit te drukken, dieper levenskijk te hebben zoo volmaakt en zoo harmonieus tot zijn recht in een even smaakvolle als stijlvolle kleedij, die als geïnspireerd en gecomponeerd schijnt op de bijzondere lichamelijke schoonheid van dit zeeuwsch-friesche ras, dat ongetwijfeld het schoonste, en naar den bouw van het lichaam het meest algemeen-menschelijk-normale deel van het nederlandsche volk is.
Werkt den aanblik van het Nederlandsche nationale costume dan niet altijd verheffend, is het in zich zelf niet altijd even hygiënisch, lijkt het soms meer vreemd en gezocht dan origineel, soms meer bont dan kleur-rijk, soms meer merkwaardig dan mooi, het geeft in zijn groote verscheidenheid een zeer juisten blik op de Nederlandsche volkspsyche. De klein-burgerlijkheid, die een hoofdkenmerk van ons volk is, en die dikwijls tot boerschheid wordt, komt in enkele van die drachten ten zeerste uit, zooals die van Marken, Gelderland en Noord-Brabant. Aan den anderen kant echter zijn er elementen in die volks-kleedij, die zich bijna boven de groot-burgerlijkheid tot een soort regenten-aristocratie verheffen, zooals de provinciale (oude) dracht in Friesland en Zeeland, waar door verfijnden smaak in kleuren en vormen iets hoogers bereikt wordt, al wordt die meer aesthetische werking van deze drachten dan voor een groot deel veroorzaakt door de grootere rasschoonheid van de dragers, en--speciaal van de draagsters.
Wil men deze historische drachten, en wat er thans nog van over is, op deze wijze beschouwen, dan blijken ze even waardevol voor de kennis van de Nederlandsche volks-ziel als de oude meubelen, architectuur en het allergrootste deel van onze nationale schilderschool. Ze zullen altijd hun waarde aan hun oprechtheid en waarheidszin blijven ontleenen, zoowel aesthetisch als ethisch, ze zullen aldoor als een werkelijke afspiegeling van den geest en de idealen van ons volk moeten worden erkend.
En .... staan zij in dat opzicht lager, of zijn zij minder belangrijke of minder "hooge" kunst dan al het andere, wat ons van het voorgeslacht bleef? Ik betwijfel het. De beste uitingen van onzen Nederlandschen volksaard, op het gebied van welke kunst van het verleden of van het heden men het dan ook neme, zijn en blijven, voorzoover het specifiek Hollandsche wat er aan is, toch immers niets anders dan uitingen van "_boeren, burgers en buitenlui_."
En onze nationale kleederdrachten behooren werkelijk niet tot de minst-belangrijke van die uitingen van "_boeren-kunst"!_--
E. LITTERATUUR OVER DE NEDERLANDSCHE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN.
Alvorens tot een korte beschrijving van die nationale drachten, zooals zij thans (1916) zijn, over te gaan, moge hier een kort overzicht volgen van de publicaties die--voor dezen--over dit onderwerp zijn verschenen. Een blik op de goede, of goed bedoelde beschrijvingen en afbeeldingen van deze drachten, hoe zij waren en zijn, en tevens een woord over de slechte en niet goede afbeeldingen, kan hier hen, die omtrent dit onderwerp meer willen weten, een korte leiddraad geven.
Want beide soort publicaties over onze zooveel bewonderde en tegelijk zoo zeer gesmade en belachelijk gemaakte nationale drachten, moge hier eenige critiek vinden.
In 't algemeen mag gezegd, dat de goed-bedoelde, zoowel als de slechte beschrijvingen en afbeeldingen van deze costumes, ieder het hunne hebben bijgedragen om de kennis en waardeering in de war te brengen.
Enkele goede, en meer wetenschappelijke, d. w. z. meer _juiste_ beschrijvingen daargelaten, moet het meeste van wat over dit hoogst belangrijke maar uiterst omvangrijke onderwerp werd gepubliceerd, tot de romantische en lyrische proza en poëzie gerekend worden. Bijna steeds waren het slechts phantasieën die men gaf, prent-verbeeldingen, plaatjes, groepjes die wel het schilderachtige, het aardige, lieve en typeerende van het uiterlijke dezer drachten gaven, maar meer ook niet. Zoo is een van de eerste publicaties op dit gebied, de uitgave van J. le Francq van Berkhey uit 1773, meer bezingend dan beschrijvend. Behalve een zeer objectief boekje over Hindeloopen, dat in 1855 te Leeuwarden verscheen, zijn de publicaties van E. Maaskamp uit 1803 en de Karakter-schetsen, kleederdrachten, enz. in 1842 door de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten in Den Haag gepubliceerd, niet anders dan prentenboeken te noemen, waarbij den text meer lyrische ontboezemingen zijn, dan beschrijvingen.
Zoo is het ook met de lithographische platen van Valentijn Bing en Braet von Ueberfeldt, in 1857 uitgegeven, ofschoon hier een paar prenten met goede détails aan zijn toegevoegd.
De vele atlassen, die in de bibliotheek van het Rijks Museum, en in de verschillende oudheidkundige genootschappen bijeengebracht zijn, waaronder de verzameling van F. Muller (Amsterdam 1879) wel een van de voornaamste is, bevatten slechts losse platen, met geen of te weinig beschrijvenden text. De voorstellingen uit den tijd vóór dat de photographie in dienst van deze wetenschappelijke onderzoekingen werd gesteld, zijn allen te "artistiek", geven te kennelijk slechts den persoonlijken indruk van den lithograaph of teekenaar weer. De meeste van deze voorstellingen zijn dan ook geen objectieve afbeeldingen van bepaalde costumes, het zijn slechts "tafreelen": "een boer", "een dienstmeid", zonder verder te praeciseeren.
De geschiedenis van de nationale kleederdrachten, die uit _dit_ materiaal alléén zou moeten worden samengesteld, zou derhalve een zeer twijfelachtige wetenschappelijke waarde krijgen.
Later begon men echter juister beschrijvingen van de nationale drachten te geven, toen ook de photographische afbeelding bespreking van dit onderwerp in verschillende tijdschriften toeliet.
Een van de eersten die stelsel-matig in dezen te werk ging, was Mr. J. E. van Someren Brand. Reeds in 1893 verschenen opstellen van zijn hand over speciale détails van dit omvangrijke studie-vak, in Elseviers maandschrift. Bijzonder mooi geïllustreerde opstellen verschenen later in ditzelfde tijdschrift, in Buiten, en andere periodieken. Het meest complete en het meest als een wetenschappelijke verhandeling bedoelde werk, is echter de reeds hierboven genoemde standaard-uitgave van Professor J. H. Gallée, over "het Boerenhuis in Nederland en zijn bewoners."
Een geheel zelfstandige serie platen en een opstel van Professor Gallée zelve, en een over de Anthropologische samenstelling van de bevolking van Nederland, van de hand van Prof. L. Bolk, is aan deze uitgave--die eigenlijk in hoofdzaak over de boerenwoningen gaat--toegevoegd.
Hoe voortreffelijk dit werk echter ook moge zijn, moet toch betreurd, dat Professor Gallée waarschijnlijk niet over de noodige bladzijden voor text en illustratie kon beschikken, om niet alleen het uiterlijk aspect van enkele onzer nationale drachten af te beelden en tè globaal te beschrijven, maar om ook de onderkleeding te hebben kunnen behandelen. Bovendien missen deze prenten, die alle naar photographie genomen zijn, de kleur. En, die kleur is een zoo belangrijke factor in die kleurvolle en kleurige volks-kleedij, dat ze, zonder deze, niet in afbeeldingen in zwart te begrijpen is.
Voor Zeeland publiceerden Dr. J. C. de Man en J. A. Frederiks in 1894 een beschrijving van de Zeeuwsche drachten. Ook verscheen een plaat in kleuren waarop alle Zeeuwsche kleederdrachten, tot een schilderachtige groep vereenigd, staan afgebeeld. Deze plaat werd uitgegeven onder leiding van Mr. J. E. van Someren Brand, den bijeenbrenger van een hoogst belangrijke collectie costumepoppen. Ofschoon deze prent, naar omstandigheden, (lithographie in kleuren naar een kleurlooze photo) zeer belangrijk is, is ze niet voldoende. Het is ondertusschen te bejammeren, dat van de andere provincies niet dergelijke prent-verbeeldingen zijn gemaakt. Deze plaat werd uitgegeven door de Uitgevers Mij. Elsevier, in 1894.
Een nog altijd niet geschreven standaardwerk over onze nationale kleederdrachten zal niet alléén de boven, maar ook de onderkleeren in al haar détails moeten beschrijven en afbeelden, niet alléén in zwart, maar ook (en vooral) in kleur. En niet alléén zal het "effect" dat deze drachten op den beschouwer maken, moeten worden weergegeven, maar vóór alles het wezen, de ware vorm, de constructie van die kleedij in schematische verbeeldingen moeten worden vastgelegd, ondersteund door photo's naar de dragers en draagsters zelf, opdat ook de wijze van dragen, de habitus der bevolking, hun uiterlijke ras-eigenaardigheden voor het nageslacht duidelijk bewaard mogen blijven.
Tot zoover over de goed-bedoelde en goede publicaties over onze nationale drachten. Thans over de slechte, de verkeerde, zelfs de leugenachtige. En tot deze laatste moeten vooral de duizende prentbriefkaarten gerekend worden die in de laatste tien jaren, in den handel zijn gebracht. Behalve dat deze prentjes slechts "kiekjes", "plaatjes" te zien geven, zijn de gekleurde uitgaven, die in deze bestaan, meestal in het buitenland vervaardigd, en daardoor in den regel hopeloos verkeerd. Ze accentueeren het bonte, boersche, onbeschaafde, door foutieve op-kleuring nog meer, zoodat deze verkeerde series veel misverstand omtrent onze nationale kleedij in de wereld gebracht hebben.
Maar niet minder zijn daar de vele reclameplaten schuld aan, en de wijze, waarop zich (vooral de Amerikaansche) reclame van een zoo dankbaar en "dutchy" (lees: mal) motief heeft meester gemaakt als de Hollandsche nationale drachten den niet begrijpenden boodt.
Die verkeerde, en dikwijls opzettelijk verkeerdelijk aangedikte voorstellingen hebben onze nationale kleederdrachten in het oog van den buitenlander (en--terugwerkend, in het oog van vele Hollanders) een zeer slechten roep bezorgd. Zelfs ging een deel van deze verkeerde gedachten op Holland en de Hollanders over.
Dit kon des te makkelijker, omdat de kennis van de algemeene aardrijkskunde, en speciaal van het kleine Nederland, in de groote landen (vooral Amerika, Engeland, Frankrijk) onder het "beschaafde publiek" niet bijzonder ontwikkeld is.