De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 9
De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds bestaande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen, die reeds zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen welke niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden, of waar de genitivus geheel overbodig was, of rechtstreeks tegen den geest der taal indruischte, deden zy toch zoo. Op bl. 46 is reeds op deze eigenaardige naamsforming gewezen; verder op in dit werk zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En zoo komen er, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, geslachtsnamen voor, waar nog eene geheel overtollige s, als uitgang van eenen tweeden naamval, gevoegd is achter een nieuformig patronymikon, achter eenen naam die reeds in den tweeden naamval staat. Door die opeenhooping van genitiven wordt den geest onzer taal geweld aan gedaan. Zulke namen konden dan ook slechts dáár ontstaan, waar de geest der taal zoo weinig gekend werd, zoo weinig gevoeld, dat men niet eens meer den reeds bestaanden tweeden naamval in de patronymikale namen erkende, dat men die naamsformen niet meer verstond. Adriaenssens, Aertssens, Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Christiaenssens, Diercksens en Dierckxsens, Janssens, Thijssens zijn voorbeelden van zulke dubbele vadersnamen, die onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen. Janssens b. v. beteekent: zoon van den zoon van Jan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen. Dierckxsens is ook buitendien nog een monster van wanspelling.
My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend, die ook tot deze groep behooren, maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen, wijl het aanhangsel sen tot sin geworden is. Bruinssins en Lampsins zijn deze namen. Bruinssins beteekent: zoon van den zoon van Bruno.--Lampsins komt van den mansvóórnaam Lampe, die weinig of nooit meer in gebruik is, maar die in de lijsten van nederlandsche vóórnamen van Wassenbergh en Leendertz nog voorkomt, en ook, als Lampo, in Förstemann's Namenbuch vermeld staat. Met Lampsins zijn ook de geslachtsnamen Lamping, Lampsma, Lampen, benevens Lampson in Engelland, van dezen ouden mansnaam afgeleid.
§ 35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen waar het reeds verbasterde achtervoegsel sen ook nog de n verloren heeft en se geworden is. Hollanders en Zeeuen in d' eerste plaats, maar ook wel Vlamingen en Brabanders, laten geerne, in hunne dageliksche spreektaal, de slot-n achter de woorden weg--'t is genoeg bekend. Zoo is in hun mond, b. v. van 't oorspronkelike Michielszoon, Michielszen, weldra Michielsze of Michielse geworden. En wijl ze zoo spraken, schreven ze ook alzoo. En toen deze losse toenamen eerlang vaste geslachtsnamen werden, bleef die eigenaardige schrijfwyze wel behouden. Dat dit aanhangsel se achter sommige geslachtsnamen in der daad eene verbastering, eene inkorting is van sen, zoon, blijkt ook uit het voorkomen dezer namen meest in Holland en Zeeland, waar juist deze byzondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike Nederlanden, onder de friesche en saksische bevolking dier gewesten, waar men de slot-n achter de woorden juist zoo vol en duidelik, als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet inheemsch. Van daar dat mansvóórnamen, die bepaaldelik in de friesche en saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, ook niet als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. Maar integendeel zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik in Holland en Zeeland gebruikelik zijn. Met ééne uitzondering--Jarigse, een geslachtsnaam die aan den frieschen mansvóórnaam Jarich ontleend is. Toch komt deze geslachtsnaam in Holland voor, en niet in Friesland; hy zal ook wel in Holland ontstaan zijn, als toenaam voor de zonen van eenen in Holland wonenden Fries Jarich. Echt friesche tegenhangers van dezen geslachtsnaam Jarigse zijn de geslachtsnamen † Jariga en Jarichsma met Jarigsma. De in Holland voorkomende geslachtsnaam Japikse heeft ook half en half een friesch voorkomen, in zoo verre Japik heden ten dage een meest friesche verbastering is van den naam Jacob, en men by dezen naam als van zelven aan den naam van den grooten frieschen dichter Gysbert Japicx denkt. Maar oudtijds kwam ook in Holland en andere nederlandsche gewesten de naam Jacob in den form Japik en Jappick voor, even zeer als nu nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek van het Sint-Sebastiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in West-Vlaanderen, zekeren Joos Jappick, op den jare 1716. De friesche weêrga van den naam Japikse is de geslachtsnaam Jacobsma, en een andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam 'S Jacob.
Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika op se: Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse [39]. Deze namen eischen weinig verklaring. De mansnaam Baaf, die aan den geslachtsnaam Baafse ten grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynsche Bavo, en deze naam is oorspronkelik weêr het friesche Baue (zie bl. 62). In den verkleinform Baafje komt deze naam ook nog in Holland en elders als vrouenaam voor. Faasse komt van Faas, eene verkorting van Bonifacius. Van dit zelfde Faas zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Fasinga en Fazinga en Faasma; terwijl het patronymikon Faasse nog in allerlei formen, als Faassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase, zelfs Vase, als geslachtsnaam voorkomt. Lieven, waarvan Lievense, is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen naam Liefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form van Liwijn voorkomt; zie ook bl. 82.
Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika op se eindigende, als geslachtsnamen inheemsch. Opmerkelik is het dat er onder deze zeeusche namen eenigen zijn, die afstammen van mansvóórnamen, welke tamelik ongewoon, of in Nederland weinig meer in gebruik zijn. B. v. Aalbregse, Alewijnse, Boudewijnse. [40]
De geslachtsnaam Cruyce, ofschoon in zulk eene afwykende spelling voorkomende, behoort ook tot deze namen op se, wijl hy eigenlik als Kruisse (Kruissen, Kruis'zoon) moest geschreven worden. Hy komt dan werkelik ook in den form Kruysse als geslachtsnaam voor. Over den mansnaam waarvan dit patronymikon is afgeleid, zie men bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachtsnamen Kroese en Kroeze slechts eenen anderen form van dezen zelfden naam. Intusschen kan aan laatstgenoemde namen ook een ander woord ten grondslag liggen. Te weten: kroes, krullend; zie § 126. Waarschijnlik is de geslachtsnaam Bource ook anders niet dan zulk eene zonderling verkeerde, daarenboven nog half vreemde (fransche ou in plaats van nederlandsche oe) spelling van Boerse, (Boerssen, Boers-zoon) een patronymikon, even als Boeren, Boers en Boersma, van den mansvóórnaam Boere; zie bl. 79.
§ 36. In sommige geslachtsnamen is het woord zoon, soon nog meer verkort, dan tot zen, sen of se; het is samengekrompen tot eene enkele z, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, maar in de uitspraak niet hoort. Deze geslachtsnamen, die oorspronkelik grootendeels, zoo niet allen, in Noord-Nederland inheemsch zijn, danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen, vooral oudtijds en in de eigenlik-hollandsche gewesten, om hunnen vadersnaam, in den tweeden-naamval en met die z er achter, ter onderscheiding, te voegen tusschen hunnen eigenen vóórnaam en hunnen geslachtsnaam, of achter hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde plaats twee mannen wonen, die beiden Jan De Boer heeten, maar de een is een zoon van Willem De Boer, en de vader van den anderen heette Hendrik--dan noemt de eerste zich Jan Willemsz. De Boer, en de andere Jan Hendriksz. De Boer, of Jan De Boer Willemsz. en Jan De Boer Hendriksz., voluit: Jan Willems-zoon De Boer en Jan De Boer Hendriks-zoon. Om de omslachtigheid in het noemen van die volle namen te myden, liet men ook weldra den eigenliken geslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts van Jan Willemsz. en Jan Hendriksz., welke toenamen eerlang volkomen de plaats van den oorspronkeliken geslachtsnaam innamen. Heden ten dage, nu de zaak der geslachtsnamen vast geregeld is, kunnen zulke vadersnamen niet meer in vaste geslachtsnamen overgaan. Maar het gebruik om zulke toenamen, ter onderscheiding, te voeren, is nog hier en daar in zwang, niet het minst ook by de burgers, kooplieden en boeren in de kleine steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene goede oud-nederlandsche zede.
Zie hier eenige geslachtsnamen, die tot deze groep behooren: Baltensz, Barendsz, Bruynsz. [41] Grootendeels zijn ze van welbekende mansvóórnamen ontleend. Balt, (Bold, Bout) en Hilbert (Hildbrecht), de wortels van Baltensz en Hilbertsz, zijn wel weinig in gebruik, maar toch zeer goede oud-nederlandsche mansvóórnamen. En even zoo is het met den wortel van Duivensz, met den mansvóórnaam Duif, die nog zeldzamer voorkomt, en die, als zoodanig, niet gevonden wordt in de naamlijsten van Wassenbergh, Brons en Leendertz. Dat hy toch in gebruik was oudtijds, kan bewezen worden. In een stuk van den jare 1582, voorkomende in de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden", dl. II, bl. 720, worden vermeld: »die erffgenaemen van Duyff Jelles in Sintte Jacobstraet" te Leeuwarden. Hier is Duyff, Duif 's mans vóórnaam; Jelles, patronymikon van den nog in volle gebruik zijnden frieschen mansnaam Jelle, de toenaam van Duif. Waarschijnlik hangt deze oude mansnaam samen met den oud-germaanschen mansnaam Dubi, die in Förstemann's Namenbuch voorkomt. Even als Duyvensz stammen ook de geslachtsnamen Duyfs en Duyvis van den mansnaam Duif af, met Duifjes en Duyfjes, in verkleinform. Waarschijnlik ook het enkele Duif, ofschoon deze naam ook kan ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel, misschien als huisnaam, of van een uithangbord afkomstig. Of de nederlandsche plaatsnamen Duiven, Duivenee, Duivendyke, Duivendrecht, Duivenvoorde, en de namen van de dorpen Duveneck by Hoya in Hanover, Duvenstedt by Hamburg, en Düverodt by Sieg in de Rijnprovincie, ook aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, moet ik in het midden laten, maar komt my toch wel waarschijnlik voor.
Een groot gedeelte van de geslachtsnamen op sz uitgaande, zijn niet van algemeen-nederlandsche, maar van byzonder-friesche mansvóórnamen geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. Zie hier eenigen daarvan: Agesz, Edesz, Gelfsz. [42]--Age, Ede (Edo), Gelf of Gerlif, Halbe, Ige (Ygo), Lolke (verkleinform van Lolle), Meine, Melle, Nanne, Oeble (Oebele (Ubolyn) verkleinform van Oebe, Ubo), Ome (komt vooral in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform als Oomke, Omke, Umke, Umco voor--van daar de geslachtsnaam Oomkens), Poppe, Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe (is vooral aan de Eems in gebruik--van daar de oorspronkelik oostfriesche geslachtsnamen, friesche patronymika, Seba, Seeba en te Amsterdam verhollandscht Zeeba), Sibble, Sibe of Sybo, Sikke of Sicco--dat zijn allen mansvóórnamen in onze friesche gewesten nog in volle gebruik.
De geslachtsnaam Amesz is het patronymikon van den ouden, by Förstemann als Amo, by Leendertz als Ame vermelden mansvóórnaam, waarvan ook de geslachtsnaam † Amama een friesch patronymikon is. Bensz komt van Benne (zie bl. 28) en Lelsz van Lelle, Lello, een friesche mansvóórnaam, die wel zelden voorkomt, maar toch zoo wel door Förstemann, als door Wassenbergh, Leendertz en Brons in hunne lijsten is opgenomen, en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorp Lellens in Fivelgo (Groningen), met Lellingen, een dorp in Luxemburg, en Lelm (Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.
Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde schrijfwyze, slechts eene enkele z achter den oorspronkeliken mansvóórnaam vertoonen, en waar van de s, het kenmerk van den tweeden naamval verloren gegaan is. Dat zijn Arentz, Baartz, Baerentz, Clootz, [43] van de mansvóórnamen Arend, Barend en Leendert, die welbekend, en Baart, Kloot, Feite, Loot en Reit, die minder bekend zijn. Baart, Baert, ook Beert, is eene verbastering van Barend, Bernart; zie bl. 81. De mansnaam Kloot is my, als zoodanig, nooit in Nederland voorgekomen. Dat hy echter moet bestaan hebben, getuigen, nevens Clootz, nog de geslachtsnamen Cloots, Kloots, Klootsema, ook Clootens, Cloetens en Cluytens; misschien ook, in versletenen form, Kloos en Klosma, allen nieue patronymika. Eveneens de oude vadersnamen Clotinck en Cloetingh, en den naam van het dorp Kloetinge, by ter Goes in Zeeland. Kan deze mansnaam Kloot samenhangen met den oud-germaanschen naam, in frankischen form, Chlodio? De nederlandsche form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is anders Lode, Lude, Luite. Deze naam Lode, Lote geeft de verklaring van den geslachtsnaam Lootz, met Loots--dit kan ook een beroepsnaam ijn, loods--, Looten, Loten, Lotinga en Lootsma.--Feite en Reit, van Feitz, Feits, Feytama, Feitema, Feites, en van Reitz, Reitinga, Reidinga, Reiding, Reidsma en Reits, zijn nog in volle gebruik als friesche mansvóórnamen.
§ 37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door die vadersnamen geformd, by welken het achtervoegsel zoon, ook in zyne verschillende afgesletene formen, volkomen verloren is gegaan, zoo dat slechts een mansvóórnaam in den tweeden naamval is overgebleven. Zulke zeer eenvoudige namen zijn b. v. Bartels, Bastiaans, Commers [44]. Het grootste deel dezer namen eischt geenen naderen uitleg. Commer, Kommer is een oud-nederlandsche mansvóórnaam die nog heden, vooral ten platten lande in Zuid-Holland wel voorkomt. Koert en Coenders zijn beide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaam Koenraad; zie bl. 74. Koop, de wortelnaam van Koops en Coops, is eene verbastering van Jacob, vooral in de friso-saksische streken van Drente en Overijssel in gebruik, en die ook aan de geslachtsnamen Kopinga, Copinga en Koopsma oorsprong gaf. Sibout of Sibolt, voluit Sîgbolt, Sîgbalt, is een schoone, volle oud-germaansche mansvóórnaam, die in Friesland en Groningen nog in gebruik is--onder den form Sibout meest in Friesland, als Sibolt meer in Groningerland. En zoo komen ook de geslachtsnamen Sybouts in het eerste, Sibolts in het laatstgenoemde gewest voor.
Onder deze groep van geslachtsnamen komen er ook velen voor, die aan schoone, volle oud-germaansche mansnamen ontleend zijn. Mansvóórnamen die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik zijn, tenzy dan in onze noordelike en noord-oostelike gewesten, onder de friesche en saksische bevolking dier gouen, maar die in de middeleeuen algemeen eigendom waren van alle germaansche volken. Deze patronymika moeten reeds vroeg, vóór 1600, tot vaste toenamen zijn geworden, en bleven later ook als vaste geslachtsnamen in gebruik, terwijl de oorspronkelike namen, waar zy van afstammen, by het nederlandsche volk als mansvóórnamen uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden, toen het germaansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke namen zijn: Arkenbouts, Bloemarts, Ganglofs. [45] De mansnaam Arkenbout is nog als Archimbald in Engelland in gebruik. Bloemaart, Bloemhart, Bluomhart, een oude, schoone naam, al wordt hy in geen der my bekende lijsten van nederlandsche namen vermeld, is in Friesland althans nog niet geheel uitgestorven. Petrus Bloemerts (dat is Bloemerts-zoon) Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784-1828 predikant te Diever, in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog de geslachtsnamen Van Bloemersma (Bloemersma-sate is te Niekerk in het Wester-kwartier van Groningerland), en Blommerde, beiden patronymika; buitendien nog Blomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in Duitschland Blumhart. Bloemhart is een samengestelde naam, van Bloem en Hart, even als Evert, Everhart van Ever en Hart; Rykert, Richard, van Rijk en Hart, enz. De enkele wortel van dezen naam Bloem was oudtijds ook als mansnaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagsche geslachtsnamen Bloeming, Bloemink in Twente, Blumink in Duitschland, Bloomington in Engelland, allen oude vadersnamen. Buitendien nog Bloema, Bloemsma, Blomsma, Bloems en Bloemen, Blommen, Blomme, allen nieue patronymika. Misschien ook het enkelvoudige Bloem, met Blom. Ik vermeld al deze geslachtsnamen hier zoo opzettelik, omdat Wassenbergh, Leendertz en Brons de mansnamen Bloem en Bloemhart niet in hunne lijsten opgenomen hebben, en Förstemann slechts den stamnaam (Blom) vermeldt. Toch blijkt uit al deze geslachtsnamen dat deze mansvóórnamen hier oudtijds niet zoo zeldzaam kunnen geweest zijn.
De mansnamen die aan de overige hier genoemde patronymika ten grondslag liggen, hebben grootendeels ook nog aan andere hedendaagsche geslachtsnamen het aanzijn gegeven. Gerolt (Gerholt, Gerout) b. v. aan † Gerrolluma, † Gerroltsma, † Van Gerolsma, † Gralda, † Graalda, † Grolda, † Groldama, Greults, Gerelts, Gehrels, Gerrelts, Gerlsma, Geerlsma. In den verbasterden form Greult is deze naam onder de Friesen nog als mansvóórnaam in volle gebruik. Van Helmer (Helimar) komt † Helmersma, Helmering en Helmar. Van Remmer (Reginmar) komt Remmersma, Remmersna, Remmers. Van Wigmar, als Wiemer by de Friesen nog in dageliksch gebruik, behalve Wyemars en Wiemers nog Wiemerink.
In Friesland in d' eerste plaats, maar ook onder de oorspronkelik friesche bevolking onzer andere noordelikste gewesten, is het oude gebruik om den vadersnaam in den tweeden naamval te plaatsen tusschen den eigenen vóórnaam en den eigenen geslachtsnaam nog in zwang gebleven tot op dezen dag. Nog in de vorige eeu heerschte dit gebruik daar algemeen. In deze eeu stierf het er in de steden eenigszins uit; thans is het er hooftsakelik tot het platte land bepaald, en ook daar neemt het reeds af. Ofschoon deze tusschengevoegde vadersnamen (Sibren Tjeerds Veldstra b. v. en Auke Sjoerds Sikkema) geene wettelike namen zijn, ofschoon de mannen die in het dageliksche leven zoo genoemd worden, in de boeken van den burgerliken stand slechts als Sybren Veldstra en Auke Sikkema vermeld staan, zoo hechten de Friesen aan deze patronymikale tusschennamen toch zoo veel weerde, dat zy volkomen de plaats innemen der eigenlike geslachtsnamen. Menigeen is in den kring zyner dageliksche omgeving slechts als Sibren Tjeerds of Auke Sjoerds bekend; en lieden, die dageliks met die mannen omgaan, weten soms in het geheel niet dat hunne geslachtsnamen Veldstra en Sikkema zijn. Zie ook bl. 14. In vorige eeuen, tot in het begin van de tegenwoordige, was dit gebruik nog veel meer in zwang, wijl de meeste Friesen uit de lagere standen toen geene geslachtsnamen hadden, en anderen hunne geslachtsnamen volkomen verwaarloosden. En dit is de oorzaak dat zoo velen van die toenamen, van die patronymika, van die friesche mansnamen in den tweeden naamval, in 1811 als geslachtsnamen aangenomen werden. Het getal dezer namen is zeer groot in alle noordelike gouen van Nederland. Slechts een twaalftal dier namen moge hier eene plaats vinden, als voorbeelden; Boeles, Bokkes, Binkes. [46] De wortels dezer geslachtsnamen Boele, Ealse, Renger, enz. zijn allen als mansvóórnamen onder de Friesen in volle gebruik, en hebben buitendien nog aan menig anderen geslachtsnaam het aanzijn gegeven. Om ons tot drie er van te bepalen: Boelema, Boelma en Boelsma, Boelen, Boele, Boels, Boelens, Van Boelens, Bulens, Boelsen en Boelings, ook nog, van verkleinformen dezes naams: Boeltjes, Boeltjens en Boelken. Van Fedde komen Feddinga, Feddema, Fedden en Feddens. Van Rinke, verkleinform van Rinne, Renno, komen Rinkema, Rinken en Rinkens, † Rinnema, Renninghoff, Renning in Engelland, Renkema en Renken, Rentjema, Rintjema, en Rintjes.
§ 38. De oude Nederlanders schreven veelal eene x in plaats van eene ks; zy spelden de woorden bliksem, fluks, hoekske als blixem, flux, hoecxken. Nog veel meer boekstaafden zy hunne eigennamen alzoo, en die oude spelling vinden wy nog in sommige hedendaagsche geslachtsnamen terug. In § 19 zijn reeds eenigen van die namen (op incx uitgaande) behandeld. Hier dienen eenige maagschapsnamen, in nieuen patronymikalen form, welke die vreemde letter behouden hebben, vermeld te worden. Het zijn mansvóórnamen die op zich zelven eene k tot eindletter hebben; b. v. Hendrik, Dirk. Sommigen dezer geslachtsnamen hebben die k nog vóór de x behouden; by anderen is die letter volkomen in de x versmolten. Als voorbeelden noemen we: Bakx, Bax, Boeckx. [47]--Bakke, waar van Bakx en Bax tweede naamvallen zijn, is een oud-germaansche mansvóórnaam die in Förstemann's Namenbuch als Bacco vermeld wordt, en waar de geslachtsnamen Baksma, Bakkes en Bakken, en, middellik, Bakhuizen en Van Bakkum ook van afkomstig zijn. Boeckx is op bl. 81 en 82 besproken. Derx is Derks, van Derk, de saksische form van Dirk; zie bl. 83. Farx is Farks, van Farke, een verkleinform van den ouden mansnaam Farre, Fare, Faro, die door Förstemann en Leendertz vermeld wordt. De friesche patronymika Faringa en † Farnia zijn van dezen mansnaam afgeleid, met de engelsche Farringdon en Farrington; en misschien ook wel Vaartjes, van den verkleinform. Hake, Haco is de oud-nederlandsche mansnaam, zoowel door Förstemann als door Leendertz in hunne naamlijsten opgenomen, waar de geslachtsnaam Haex (Haeks) van afgeleid is, met Haakma, Haaksma en Haaxma--deze laatste geslachtsnaam ook weêr met x in plaats van ks geschreven. Marx eindelik is de tweede-naamval van den mansnaam Marco, Marke, Mark (niet te verwarren met Marco, Marc, verkortingen van den bybelschen naam Marcus) een oud-germaansche naam, ook in samenstellingen (Markwart, Markolf) voorkomende. In den form Marks komt dit zelfde patronymikon ook als geslachtsnaam voor, terwijl de mansnaam Mark, Merk nog aan eenige andere geslachtsnamen oorsprong gaf, b. v. aan Markens, Merks, Merkens, enz.
Nog dient hier, wegens zyne byzondere, geheel verouderde spelling vermeld te worden de geslachtsnaam Wincqz. In eenvoudiger spelling is deze naam Winks, een tweede-naamval van den mansnaam Winke, die weêr een verkleinform is van den oud-nederlandschen mansvóórnaam Winne, Wyne of Win, Wyn, 't welk vriend beteekent in de oud-germaansche talen. Vele oude en volle mansnamen zijn met dit woord win of wyn samengesteld; b. v. Alewijn (Adelwin), Boudewijn (Boldwin, Bolduin), Liefwijn (zie bl. 82 en 88), Harrewijn, Oortwijn, enz. Als Winne en Wyne, Wynke en Winke zijn deze namen nog heden by de Friesen in gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen Winsma, Wynsma, Wyninga, Winia (zie § 29), Wynen, Wijnne, Wijnkes en Wienken. Misschien ook aan Windsma; zie bl. 63.