De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 8
§ 31. Tot besluit van deze verhandeling over de oude patronymika, dient hier nog eene kleine groep van zeer byzondere geslachtsnamen vermeld te worden. Deze namen, op ing, ink, inga eindigende, zijn, wat hun form aangaat, echte patronymika. Maar zy onderscheiden zich hier in van alle andere patronymika, dat zy niet van mansvóórnamen afgeleid zijn, maar van woorden, die een beroep of bedrijf of ambt aanduiden; b. v. Jagerink, Meestringa, Vogeding, van de woorden jager, meester en voged, voogd, en dus zoon van den jager, nakomeling van den meester, van den voogd beteekenen. Het ontstaan dezer namen is gemakkelik te verklaren door aan te nemen dat oudtijds deze of gene man, door zyne omgeving en tijdgenooten, in het dageliksche leven, niet by zynen naam genoemd werd, maar by den naam van het bedrijf dat hy uitoefende, of van het ambt dat hy bekleedde. Deze zaak is niet vreemd, en geschiedt nog dageliks, en is ook de oorsprong van al de hedendaagsche geslachtsnamen, als Jager, de Meester, Voogt, die op zich zelven een ambt of beroep aanduiden. Maar in deze byzondere gevallen hadden de beroepsnamen zoo volkomen de plaats der eigennamen ingenomen, dat die eigennamen geheel vergeten en in onbruik geraakt waren, zoo dat de zonen dezer mannen hunne patronymika niet ontleenden aan hun vaders vóórnamen, zoo als de regel was, maar aan hun vaders toenamen. In dit geval, aan de namen van het beroep door hunne vaders uitgeoefend. Dat de naam van eenig beroep zóó volkomen den eigennaam van den persoon die dat beroep vervulde, verdrong, als noodig was om er voor de zonen patronymika van te formen, was zeker slechts by uitzondering het geval. Van daar ook dat zulke oneigenlike patronymika als geslachtsnamen weinig voorkomen. My zijn de volgenden bekend: Beckeringh en Beckering, van becker, bäcker, bakker; Borchgrevink, van borchgreve, burggraaf; Grevinge, Greving, Greevingh, † Grevinga, van greve, graaf. [34] Dezen laatsten geslachtsnaam zou men ook nog van eenen mansvóórnaam kunnen afleiden, naar dien Grawo in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch als zoodanig vermeld wordt. Behalve de patronymika Grevinge, enz., bovengenoemd, zijn van dezen zelfden naam nog ontleend de geslachtsnamen Graafsma, Greven en Greeven, met Grevinchovius (zie bl. 52 en 74); waarschijnlik ook nog 'S Graauwen; zie § 64. In overeenstemming met den geslachtsnaam Borchgrevink, waar by aan eenen oorsprong van borchgreve, burggraaf of slotvoogd, niet getwyfeld worden kan, zoude ik by Greving, enz. liever aan het woord graaf, dan aan den mansnaam Grawo denken. Grutterink is van grutter en Maaldrink van maalder, maler, mulder of molenaar. De friesche geslachtsnaam Meestringa, van meester, kwam oudtijds ook in eenen anderen, meer saksischen form voor: zekere Johan Meisterinck toch woonde in den jare 1640 te Groningen. [35] Neirinckx en Neyrinckx en Neirynck zijn vlaamsche geslachtsnamen, waarschijnlik ontleend aan het woord neier, neyer, naeyer, naaier, dat in Vlaanderen gebruikt wordt voor het hollandsche woord kleêrmaker. Van daar ook de vlaamsche geslachtsnaam De Naeyer.--Rigterink is van richter, rechter; Ridderink, van ridder; Schildering en Schippering van schilder en schipper; Scholting, Schulting, Scholtink, Schulting zijn afgeleid van het woord scholte, schulte, schout. Dit woord was oudtijds ook wel als mansvóórnaam in gebruik, zoo dat bovengenoemde geslachtsnamen ook wel kunnen worden beschoud als echte, oorbeeldige vadersnamen. Schelte, beter skelta, is de friesche form van het Saksische scholte, schulte, van het frankische schout; en Schelte is tevens nog heden een friesche mansvóórnaam, in volle gebruik. De friesche patronymikale geslachtsnamen Scheltinga en Van Scheltinga, met het saxo-friesche Schultinga in Groningerland, en waarschijnlik ook met Schuitinga en Schuttinga, zijn tegenhangers van Scholting, Schulting, enz. [36] Weeveringh en Weverink zijn afgeleid van het woord wever.
Smeding, Smedink en Smedinga zijn patronymikale formen van het woord smid, en beteekenen dus: zoon van den smid. De i van het nederlandsche woord smid gaat, by samenstellingen en in den meervoudsform, in eene e over: smedery, smeden. Zoo is ook het patronymikon van smid Smeding en niet Smidding. Het woord smid op zich zelven luidt trouens ook in menige vlaamsche en brabantsche gouspraak als smet; van daar de geslachtsnamen De Smedt en De Smet in de zuidelike Nederlanden. Afgaande op de verbazende talrijkheid der geslachtsnamen Smid, Smit, Smits, De Smedt, Smets, Schmitt, Schmidt, Schmitz, Smith, Smithson, enz. by Nederlanders, Duitschers en Engelschen, zijn smeden zeker van alle handwerkslieden het menigvuldigst naar hun bedrijf genoemd geworden. En was dit oudtijds reeds het geval, ook nog heden spreekt men zulk eenen man veelal als smid aan, en wordt hy, vooral in dorpen en kleine steden, steeds zóó genoemd, zoodat menigeen die dageliks met den smid omgaat, 's mans eigen naam niet kent. Van daar dat ook het woord smid, smith zelf by de oude Germanen wel als een mansvóórnaam gebruikt werd. In Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vinden wy eenen man vermeld die in de 9de eeu leefde, en Smido heette. Talrijk zijn de patronymikale geslachtsnamen, die van het woord smid, of van den mansvóórnaam Smido geformd zijn. In alle formen komen ze voor. Behalve de volledige formen Smeding en Smedinga, bestaan er de geslachtsnamen Schmeding en Schmedding, die beiden aan hoogduitschen infloed deze byzondere schrijfwyze danken. Ook Schmeink, waar de d uitgesleten is; zoo spreekt men in Holland het werkwoord smeden ook als smeeën (sme-je) uit. Eindelik ook Smeengh, nog meer samengetrokken. Even als in de friesche taal het werkwoord smeien bestaat tegenover het nederlandsche werkwoord smeden, zoo bestaat in Friesland ook de geslachtsnaam Smeyenga, nevens het oorspronkelike Smedinga. Uit dezen vollen form verfloeid en samengetrokken zijn de friesche geslachtsnamen † Smenga en Smynga, op de wyze als in § 27 is vermeld, en Sminia en Van Sminia, op de manier als in § 29 medegedeeld is. De Saksische namen Smeenk en Smink, even als de naam Smeengh, zijn uit de volle formen Smedink en Smidink samengetrokken; en Smeenks is een tweede-naamvalsform daar van; zie § 18. Het woord of de naam smid, smede is in verkleinform smedeke; van daar de geslachtsnaam Smeeking, die uit Smedeking, het patronymikon van Smedeke is samengetrokken. Pseudo-patronymika, eveneens hedendaagsche geslachtsnamen, van smede zijn nog: Smeda, Schmeda en Smedema, drie friesche formen, benevens Smedes en Schmedes. Al deze geslachtsnamen zijn in de noordelike en oostelike gewesten van Nederland inheemsch; tevens in de aangrenzende noord-westelike gouen van Duitschland. Ook de geslachtsnaam Goldschmeding, van hoogduitschen oorsprong, komt in Nederland (te Amsterdam) voor. Hy is afgeleid van het woord goldschmid, goudsmit, en strekt nog tot een byzonder bewijs dat smid wel degelik het woord is, waar van het patronymikon Smeding is ontleend.
Dat zulke vadersnamen, van beroepsnamen geformd, zeer oud zijn, blijkt uit de op bl. 23 vermelde oorkonde van 1188, waarin de twentsche erven Smedinc en Spelemanninc worden opgenoemd. Is het patronymikon Smedinc, van smid, tot in onzen tijd talrijk en veelvuldig bestaan gebleven, de vadersnaam Spelemanninc, van speleman, speelman (muzikant in nieuerwetsch hollandsch), schijnt uitgestorven te zijn. Een geslachtsnaam Speelmannink is my althans nooit voorgekomen.
Of de patronymikale geslachtsnamen Boerink, Boering, (met Buerinck, Buringh, Buringa en Buiringa, en Burring in Engelland), ook tot deze groep behooren, moet ik in het midden laten. Zy kunnen immers zoo wel tot den mansvóórnaam Bure, Burre, Boere worden terug gebracht, als tot het woord boer, als naam van een bedrijf.
Over deze geslachtsnamen in patronymikalen form, en van beroepsnamen afgeleid, heb ik ook het een en ander medegedeeld in een opstel Eenige nederlandsche geslachtsnamen, voorkomende in het tijdschrift De Navorscher, dl. XXIX, bl. 207.
B. DE PATRONYMIKA, DIE NIEUE TAALFORMEN VERTOONEN.
§ 32. Behalve de oude, op ing, enz. eindigende vadersnamen, hiervoren vermeld, bestaan er ook vele patronymikale geslachtsnamen, die nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich hierin van de oude patronymika, dat zy niet het aanhangsel ing (ink, inga) achter den mansnaam dragen, maar achter dien naam de gewone, nog heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal in gebruik zijnde tweede-naamvalsformen, op s en en, vertoonen. Buitendien hebben velen van deze nieuere vadersnamen nog het woord zoon, meestal verkort als son, sen, soms ook tot eene enkele s of z versleten, achter zich. Dit geldt voor de algemeen-nederlandsche patronymika als maagschapsnamen die van nieueren oorsprong zijn. Maar de Friesen hebben buitendien nog vele geslachtsnamen, die eveneens patronymika zijn, in tweede-naamvalsformen van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene enkele a, op ma en na, op sma, sema, sna, sena uit. Bruining, Bruinink, Bruininga b. v. zijn oude patronymika; Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna, Bruinema, Bruinsma zijn nieue vadersnamen, en allen te samen, met vele andere geslachtsnamen (Brunings, Brunia, † Brunsema, Bruininkweerd, Van Bruyningen) zyn van éen en den zelfden mansvóórnaam Bruno ontleend.
Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika afgeleid van de namen van vaders, en door de zonen dier mannen als toenamen, ter onderscheiding, gedragen. In den beginne natuurlik uitsluitend door de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer vasten aard, eene meer algemeene strekking. Niet enkel de zonen, ook de kleinzonen en verdere nakomelingen van den man, wiens eigen vóórnaam tot het formen van een nieu patronymikon gebruikt was, bedienden zich daarvan als van eenen vasten toenaam, eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet slechts de zonen, ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar den naam van haren vader. Heette een man Albert, zijn zoon Hendrik noemde zich Hendrik Albertszoon, zyne dochter Brechta werd Brechtje Albertsdochter genoemd. De toenaam, het patronymikon Albertszoon, spoedig door het vele gebruik tot Albertsen versleten, of tot Alberts ingekort, kwam als een vaste toenaam, weldra als een vaste geslachtsnaam voor de kinderen en verdere nakomelingen van Hendrik Albertszoon in gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. Maar de toenaam van Brecht Albertsdochter verdween toen deze vrou zelve stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze immers noemden zich weêr naar hunnen vader, niet naar hunne moeder.
De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy zijn van lateren tijd. In de laatste middeleeuen, van de elfde eeu tot de vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende formen door het volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd, de macht, de kracht, de eigenschap om, door achtervoeging van ing, ink, inga, van mansvóórnamen patronymika te formen. De beteekenis van dit aanhangsel ging voor het volk verloren. Men verstond niet meer wat zulke namen als Huging, Ernestink, Homminga eigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke toenamen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. Overal in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier gebeurde 't eerder, dáár later. In de zuidelike Nederlanden wel het eerst; later in Holland en Gelderland; het laatst in Friesland. Ook verdwenen de echte patronymika in eenige bepaalde landstreek niet plotseling uit het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika opkwamen, en tot dat de laatste oude vadersnamen in den levenden volksmond nog geformd werden, verliep er allicht eene eeu.
Behalve de nieue patronymika, die vaste geslachtsnamen zijn geworden, zijn deze naamsformen ook buitendien nog by 't nederlandsche volk tot op dezen tijd in gebruik gebleven, in hunnen oorspronkeliken zin. Jan Smit b.v., die een zoon is van Hendrik Smit, noemt zich nog wel, ter onderscheiding van anderen, die even zoo heeten, Jan Hendriksz. Smit, of Jan Smit Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik toch langzamerhand by 't nederlandsche volk verminderd, en thans, met uitzondering van de friesche gouen, nergens meer algemeen in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden, met die hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, welke die nieuere patronymikale formen vertoonen.
§ 33. De oudste, tevens de volledigste form van nieue patronymika bestaat uit eenen mansvóórnaam in den tweeden naamval, met het woord zoon daar achter. My zijn slechts een paar hedendaagsche geslachtsnamen bekend, die dezen volledigen form in de hedendaags geldige spelling vertoonen. Het zijn Egbertszoon en Jacobszoon. Buitendien eindigt de geslachtsnaam Moederzoon eveneens in dezen form. Toch behoort deze naam niet tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder) geen mansvóórnaam is. In § 60 zal deze byzondere naam nader besproken worden.
Dat het woord zoon in vorige eeuen niet aldus, maar als zone, zoone, sone, soone, soen, soon gespeld werd, is bekend. Van daar dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy van oude, gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn, terwijl de twee of drie bovengenoemden op zoon uitgaande, juist door dien nieuen form aantoonen, dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande of in het begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die hedendaagsche maagschapsnamen, welke het woord zoon nog in zulke oude spellingen vertoonen: Baertsoen, van den mansvóórnaam Baart, Barend, Bernard, Bernhart;--Bettesone (over den mansnaam Bette zie men § 59); Boecksoone en Boucksoone. De mansvóórnaam Boek, Boeke, die aan laatstgenoemden geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlik de oud-germaansche, in Förstemann's Namenbuch vermelde naam Bucco, die als Bokke (waar van de geslachtsnamen Bokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by de Friesen in volle gebruik is. In den form Boek, Boeke vinden wy dezen mansnaam terug in de geslachtsnamen Boeckx in Vlaanderen, Boekema, † Boekma en Boeken in Friesland, allen ook patronymikale formen. Bucing en Bocing kwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen [37] voor. Dat de geslachtsnamen Beukinga, Beukema en Beuckens ook van dezen zelfden mansvóórnaam afgeleid zijn, komt my zeer waarschijnlik voor.
Claeissone komt van Claei, Claeis, 't welk de, in West-Vlaanderen volkseigene verkorting van Nicolaas is. Deze geslachtsnaam is dus de zelfde als Klaassen in Holland, Klasema in Friesland, Clausson in Neder-Duitschland, Nicholson in Engelland. Florizoone, van Floris, heeft eene s verloren, even als Florison, een andere form van dezen zelfden geslachtsnaam. Huyssoone en Huyssoon, van den mansnaam Huso (zie bl. 29 en 30). Jansone en Janssone, van Jan, zijn duidelik genoeg. Liefsoons en Lievesoons stammen van den mansvóórnaam Lieven, Lieve, Liwijn, Liefwin. Deze twee laatste geslachtsnamen zijn nog byzonder, wijl ze nog eens, ten tweeden male dus, door de achtergevoegde s, in den tweeden naamval geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus: zoon van den zoon van Lieven.--Mabesoone weet ik niet te verklaren, even min als Tierssoone en Tryssesoone.--Moyersoen is een andere, oudere form van het hier boven reeds genoemde Moederzoon.--Verheyllesone eindelik is een byzonder metronymikon en wordt in § 60 nader besproken.
Het woord zoon, soon is achter eenige geslachtsnamen ook tot son ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form waar onder deze patronymikale maagschapsnamen, en dat wel zeer veelvuldig, voorkomen. Johnson, Thomson aan den westeliken, Erikson, Björnson aan den oosteliken oever van de Noordzee. Ook in noordelik Duitschland komt deze form geenszins zeldzaam voor. In Nederland is hy oorspronkelik zeldzamer. En dan nog zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar de Nederlanden overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen ze des niet te min. Zie hier eenigen van die namen: Derkson, Hanson, Jansson met Janson en Johansson, [38] enz. De meesten van deze namen eischen weinig nadere toelichting. Derk, de oorspronkelike naam waar Derkson van is afgeleid, is de saksische (geldersche en overijsselsche) form van Dirk, Durk, Diederik, Theodorik.--Pier (waar van Pierson) is eene, vooral in Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting van Pieter, Petrus. Over Hemmingson zie men bl. 44. In dezen naam is een valsch en een echt patronymikon op elkanderen gestapeld. Letterlik beteekent deze naam: zoon van den zoon van Hemmo. Eerst toen men het patronymikon Hemming niet meer verstond, kon men er toe komen om er nog een son achter te voegen. De mansvóórnaam Tammo, Tamme, nog heden by de Friesen in volle gebruik, ligt aan den geslachtsnaam Tamson ten grondslag, even als aan Tamminga, Tammes, Tamming enz. Over den oorspronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaam Muysson ten grondslag ligt, zie men het tijdschrift De Navorscher dl. XXVI, bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80. Neeteson is waarschijnlik ontleend aan den oud-germaanschen mansnaam Nato, die in Förstemann's Namenbuch vermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam, die ook als Natto voorkomt, zijn ook de geslachtsnamen Nettinga, † Nettema, Nettes en Netten, met Nettekoven ontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam, en samengetrokken uit den volledigen form Nettinkhoven. Een gehucht by Bonn in de Duitsche Rijnprovincie heet alzoo.
Deze geslachtsnaam Neeteson komt te Antwerpen voor onder den afwykenden form Neettesonne, en dezen zelfden vreemden form vertoonen ook de geslachtsnamen Heylesonne, Leenesonne, Meiresonne.
Patronymikale maagschapsnamen op son eindigende, komen ook veelvuldig onder duitsche Israëliten als geslachtsnamen voor. En met deze lieden zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen; b. v. Abrahamson, Davidson, Benjaminson, Levison met Levisson, Salomonson, enz. Eenige namen op sohn uitgaande, zijn natuurlik ook van hoogduitsche inkomelingen afkomstig; b. v. Behrensohn, Elsensohn, Levyssohn en Leefsohn. Ook zijn de namen dezer kleine groep hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, aan israëlitische geslachten eigen.
Door hollandsche misspelling is de oorspronkelike uitgang son by eenige nederlandsche geslachtsnamen tot zon geworden. Deze dwaze spelling vinden wy in de namen Gerbenzon, Gosenzon, Hanzon, Harmenzon, Janszon, enz. Gerben, de naam die aan Gerbenzon ten grondslag ligt, is een friesche mansvoornaam, nog heden in volle gebruik. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamen Gerbens en Gerbensma.--Gosenzon beteekent: zoon van Gosen, van Gosewyn of Godeswyn, Godswin. Van dezen zelfden schoonen naam (Godswin immers beteekent Gods vriend) zijn ook de veelvuldig voorkomende geslachtsnamen Gozens, Gosens, Goossen, Goossens afgeleid.--Eenen zeer zonderlingen, pruikerig-geleerden form vertoont ook de geslachtsnaam Brouckxon, die in Vlaanderen inheemsch is, en in eenvoudig nederlandsche spelling als Broekson dient geschreven te worden. Nevens dit Brouckxon komen in de vlaamsche gewesten nog de geslachtsnamen Brouckx, Broecx en Broeckx voor, even als in de friesche gouen Broekema, Broeksma, Broeksema en Broekens, allen (zoon) van Broek, Broeke (Bruco) beteekenende. Dat dit Broeke een oude mansvóórnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande patronymikale geslachtsnamen. Hy is my echter in oude geschriften nooit voorgekomen; en evenmin vond ik hem vermeld in de bekende naamlijsten.
In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt het woord zoon als zeun, seun of seune. Een paar hedendaagsche geslachtsnamen vertoonen dien byzonderen form. Dit zijn Goudezeune en Goudeseune, Janseune en Janszeune, en Lyseseune. De mansvóórnaam Goude, die aan Goudeseune oorsprong gaf, houd ik voor den zelfden naam als Goue, die, meestal in den verkleinform Gouke, nog heden by de Friesen in volle gebruik is. De friesche geslachtsnamen Gouma, Goukema en Goukes zijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamen Dola-Goutum, meestal enkel Goutum genoemd, en Scharne-Goutum. De geslachtsnaam Gouwe (Gouwen? een tweede-naamval van Goue?), in Holland voorkomende, zal hier ook wel mede samenhangen. Over Lyse, de stamnaam van Lyseseune, zie men nader § 59.
§ 34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is het oorspronkelike achtervoegsel zoon, soon nog meer versleten en verbasterd, dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik tot zen, sen, se en zelfs tot eene enkele z of enkele s. De geslachtsnamen die deze versletene formen vertoonen, zijn veel talryker dan die welke op de vollere formen son, zon, soone, enz. uitgaan.
Zie hier eenige geslachtsnamen, waar het oorspronkelike soon of zoon tot sen of zen is verbasterd: Freerkszen, Harmszen, Janszen, Janssen, Janzen en Jansen, Klaassen en Klaaszen, Lambrechtsen, Meinertsen, Pietersen, Willemsen.--Freerk, van Freerkszen, is de oud-nederlandsche verkorting van Frederik, die tegenwoordig in Holland door den hoogduitschen form Frits verdrongen is, maar in Friesland nog dikwijls voorkomt.
By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform op s, tusschen den oorspronkeliken mansvóórnaam en het achtervoegsel sen of zen behouden gebleven, terwijl die s in andere namen niet meer geschreven wordt. By Harmszen en Janssen (Harm-s-zen, Jan-s-sen) komt zy voor; by Jansen (Jan-sen) en Pietersen (Pieter-sen) is ze verdwenen. Wijl deze s onmiddellik voorafgaat aan de s of z waarmeê de lettergreep sen, zen begint, zoo versmelten deze beide sisklanken in elkanderen, en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren, omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden.
By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op te merken. Daar is niet slechts de s van den tweeden naamval behouden gebleven, maar die tweede naamval van den mansvóórnaam vertoont nog den volledigsten form op es, die sedert eeuen reeds uit de nederlandsche schrijftaal verdwenen is. En daarachter volgt dan nog het tot sen versletene woord zoon. Die namen zijn Gerdessen en Hugessen.--Gerd (Gert, saamgetrokken van Gerhart), in ouden tweeden-naamvalsform Gerdes, met sen, zoon daarachter, maakt Gerdessen. Even zoo Hugo, Huge, in tweeden-naamval Huges, met sen er achter: Hugessen. Uit deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon by 't uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep moet laten rusten, zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal eischt dat de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle.