De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 7

Chapter 73,348 wordsPublic domain

Of de friesche geslachtsnaam Sonnega ook tot de versletene vadersnamen behoort, meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude kunnen zijn, dat Sonnega oorspronkelik en voluit Sonninga ware, even als Hillega en Mennega (zie bl. 61) oorspronkelik en voluit Hillinga en Menninga zijn. Te meer nog, wijl Sonningha de naam van een thans uitgestorven friesch geslacht geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan den naam van het dorp Sonnega, in Stellingwerf (Friesland), waaruit het geslacht Sonnega wellicht afkomstig is. Dit ga als uitgang van friesche plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreep ga van den frieschen patronymikalen uitgang inga. Het eerstgenoemde ga is eigenlik in het Friesch gea en beteekent dorp; Sonnega = Sonnedorp (Sonneghem = Sonning-heim is een dorp in Vlaanderen); St. Nicolaasga = St. Nicolaas'dorp; Oudega = Ouddorp, enz.

Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde, versletene patronymika, tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle formen ontstaan zijn, zy hier nog vermeld dat de oudst bekende der friesche vadersnamen, nog heden de geslachtsnaam (Van) Cammingha, reeds in oorkonden van de 13de eeu als Canga, Kanga werd geschreven. [27] Terwijl in een geschrift van het jaar 1495 een der leden van dit overoude, ja alleroudste friesche geslacht zynen naam als Kamga boekstaaft [28].

§ 28. Even als de Drenten hunnen eigenen form van patronymika als geslachtsnamen hebben (zie § 13), zoo hebben zy ook eenen eigenaardigen form van versletene vadersnamen, die slechts in hun land inheemsch is. De geslachtsnamen Haange, Luinge (men spreekt natuurlik Luunge, ook wel Luunje), Schaange, Smeenge, Steenge en Hofsteenge vertoonen dien byzonderen form. Haange is eene samentrekking van den vollen form Haninge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaam Hano, die by Förstemann vermeld wordt, en die aan den engelschen geslachtsnaam Haning, en aan de friesche geslachtsnamen Hanema en Hania eveneens ten grondslag ligt. Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de geslachtsnamen Haantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk verspreide patronymika, afkomstig.--Luinge is samengetrokken van Ludinge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaam Lude, Lode, Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentsche Ludinge en Luinge is volkomen het zelfde als het friesche † Ludinga en † Lunia--zie § 29. Luinge en Lunia worden dan ook beiden wel als Luunje uitgesproken. Oudtijds bestond in Groningerland een geslacht † Luinga; deze naam staat in form midden tusschen het friesche Ludinga en het drentsche Luinge in. Verhollandscht tot Luidinga is dit overoude patronymikon nog een hedendaagsche geslachtsnaam, even als Luding en Ludink.--Schaange is voluit Schadinge, van den frieschen mansnaam Scato. De geslachtsnaam Schaink (Skadink) is de twentsche tegenhanger van den drentschen naam Schaange.--Smeenge is Smedinge; over dezen naam zal in § 31 gehandeld worden.--Steenge is voluit Stedinge, dat, evenals de friesche geslachtsnamen Stada, Stadema, Stades, Stedma en Stedes, en de plaatsnaam Stedum (Steda-heim, woonplaats van Stede), dorp in Fivelgo, van den mansnaam Stede, Stade, by Förstemann als Stad voorkomende, ontleend is. Of zoo men deze afleiding niet wil gelden laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaam Steenge ontleend zy aan den naam van het aan Drente palende stellingwerfsch-friesche gehucht Steginga of Steggenga, by 't dorp Oosterwolde, welke naam in de friso-saksische gouspraak van Stellingwerf en Drente ook Steenga of Steenge wordt genoemd.--De oorsprong van den geslachtsnaam Hofsteenge is my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn door iemand »die niet als zijne buren op een klein erfjen, maar op eene aanzienlijke hofstede woonde", gelijk Leendertz (Navorscher, dl. XXVIII, bl. 620) meent, is mogelik, maar komt my toch niet waarschijnlik voor. Liever wil ik hier aan een patronymikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig, of de beide laatstgenoemde namen Steenge en Hofsteenge wel tot deze groep van geslachtsnamen moeten gerekend worden, en of zy misschien niet tot de geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, behooren.

§ 29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne geslachtsnamen zijn vooral die welke op ia eindigen, zeer byzonder. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen, Sinia b. v., Runia en Tania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch zijn ook dit goed germaansche, echt friesche namen. Want het zijn samengetrokkene, verfloeide, versletene formen van de patronymika, op inga eindigende. Zoo is Bothnia oorspronkelik en voluit Bothinga, Bottinga; Sinia is eigenlik Sininga; Tania is Tanninga, enz.

Deze zonderlinge afslyting van inga tot ia, van Sininga tot Sinia, vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere, zachte uitspraak der friesche g. Eene eigenaardige uitspraak die nog zoo veel te flauer wordt, wanneer eene n de g voorafgaat, en daar door de letterverbinding ng geboren wordt, die eigenlik als eene byzondere, op zich zelve staande letter aan te merken is, zoo als in den patronymikalen uitgang inga het geval is. Vele woorden, die in andere germaansche talen met eene g beginnen, hebben in de friesche taal tot eerste letter eene j. Zoo is het nederlandsche woord geven, hoogduitsch geben, engelsch to give, deensch give, zweedsch gifva, in het Friesch jaen, Oud-friesch jeva; zoo is het nederlandsche gave, gift, in het Friesch jefthe; het nederl. gister, hoogduitsch gestern, is in 't Fr. jister of jüster, en 't nederl. garen, hoogd. garn, in 't Fr. jern (men spreekt uit als jen); in beide laatstgenoemde woorden overeenstemmende met het Engelsch, dat de g ook tot j verzacht heeft, in yesterday en yarn. In den hedendaagschen naam van het dorp Dongjum by Franeker, oudtijds Dodinga-heim of de woonplaats der Dodinga's, der Dodingen, der nakomelingschap van Dodo of Doede--heeft, in de schrijftaal, de oorspronkelike g van het patronymikon Dodinga eene j naast zich gekregen. In de spreektaal echter is de g volkomen door j vervangen, want de Friesen spreken dezen dorpsnaam als Donjum, Doinjum of Dünjum uit; de juiste uitspraak is met nederlandsche klanken moeielik af te beelden. Even zoo is het met den naam van het dorp Dedgum (Deddingum, Deddinga-heim, van den mansnaam Deddo), die steeds als Dedjum uitgesproken wordt; en met den dorpsnaam Pingjum (Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaam Pinne, Penne), dien de Friesen als Peinjum, zelfs als Peium uitspreken. De hedendaagsche dorpsnaam Anjum schreef men oudtijds voluit, als Aninghem (Aninga-heim). Het duidelikste voorbeeld om den overgang van inga tot ia, van Sininga tot Sinia aan te toonen, levert het woord penning(a) op, dat in het Friesch als penje, peinje (pennia) uitgesproken wordt, en in het Engelsch tot penny versleten is. Daarentegen heeft dit zelfde volle en oorspronkelike woord penning in het hedendaagsche Hoogduitsch eene n verloren, en is tot pfennig versleten, even als b. v. de geslachtsnaam Huding tot Hudig (zie bl. 61).

Maar bewyzen te over, dat de friesche g wel als j wordt uitgesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op de g van inga toe, dan luidt b. v. Sininga als Sininja. En neemt men dan hier by in aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op den eersten lettergreep valt, en dat de laatste lettergreep slechts eenen halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan is de overgang van Sininja tot Sinia waarlik niet groot. Integendeel, zeer gemakkelik, geleidelik en als van zelven floeiende. En even zoo leidde 't oorspronkelike Bottinga, door d' uitspraak Bottinja tot Botnia of Bothnia, en Tanninga, door Tanninja, tot Tania.

Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen op ia eindigende, ontstaan zijn uit die welke op inga uitgaan, blijkt ook hieruit, dat de naam van 't oude geslacht † Gratinga, Grætinga of Grettinga (alle drie spellingen komen voor), dat op de nog bestaande Grettinga-state te Almenum (Barradeel, Friesland) gezeten was, en waarvan de buurt Gratinga- of Grettinga-buren, by Harlingen, haren naam ontleend heeft, in oude oorkonden zoo wel Gratinga als Gretnia genoemd wordt. En even zoo wisselen by één en het zelfde geslacht de namen Hottinga en Hotnia, Uninga en Unia, Wyninga en Wyngia en Wynia elkanderen af, in oude geschriften. En eveneens blijkt dit ook hieruit, dat het geslacht Burmania in eene oorkonde van den jare 1300, [29] als Burmanninga vermeld wordt. [30]

[ERROR: Contains unhandled entity &metbrev;] In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen op a en ia (mula = mond, biwaria = bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die samengetrokkene namen Sinia (- &metbrev; -), enz., ook juist zóo uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen verloren. Sedert de 16de eeu spreekt men niet meer mula, maar mule (mûle, met hoogduitsche u, ten naaste by als nederlandsch moele dus); en niet meer biwaria, maar biwarje. En juist zóo is ook de uitspraak der geslachtsnamen, die op ia eindigen, veranderd en verloopen. Men spreekt tegenwoordig niet meer voluit Sinia, maar Siinje (Sînje, Synje, - &metbrev;); niet meer Tania, maar Tanje; niet meer Runia, maar Rûnje (ongeveer Roenje) en Rüünje. Heden ten dage is dit de algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijkt uit menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in 't Oorkondenboek van 't leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542, den geslachtsnaam Donia geschreven als Donye, en in een stuk van het jaar 1562, als Doenye.--Hania staat in het laatstgenoemde stuk als Hanye gespeld. Wyngia, in eene oorkonde van 1558, als Wyngie.--† Ringia, in 1566, als Ryngie; † Fernia, in 1595, als Fernij.--Unia eindelik, in een geschrift van 1547 [31], als Oenye.

Toch begint deze oude, maar niet oudste uitspraak, die in d' eigenaardige uitspraak der friesche taal in 't algemeen gegrondvest is, heden ten dage, in den mond van sommige Friesen weêr te wyken voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onderwyzers vooral, die, met de friesche taal volkomen onbekend--dwaas genoeg!--den mond van friesche kinders gewelddadig naar hunne hollandsche uitspraak dwingen, zijn hiervan de oorzaak. En zoo hoort men tegenwoordig de namen Sinia, Tania, Runia wel weêr juist zóó uitspreken als zy geschreven worden. Maar de meeste Friesen, sliucht end riucht, blyven voor en na Siinje, Tanje, Rûnje uitspreken.

Tot een ander, tegenovergesteld uiterste zijn die lieden vervallen, welke deze geslachtsnamen op ia, het eerst zóó geschreven hebben, als men ze uitspreekt; die dus niet slechts Fiinje spraken, zoo als het trouens ook goed was en is, maar die ook Fynje schreven. Ten gevolge van deze slordige, in de vorige eeu meest opgekomene schrijfwyze, vertoonen sommige oud-friesche patronymika op ia, als hedendaagsche geslachtsnamen dien leeliken schrijfform op ja en je eindigende. Rynja, Synje, Bruinje, Veenje, in plaats van Rinia, Sinia, Brunia, Fenia. En Fynje, verbasterd van Finia, is in Holland nog weêr meer verbasterd in spelling en uitspraak beide; te weten als Fijnje, gesproken Feinje! Een gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der Friesen! Maar dwazer nog als deze verbastering is van het friesche Fininga = Finia tot een hollandsch Fijnje = Feinje, ergerliker nog heeft men gehandeld door van den geslachtsnaam Tania, Tanje den schijnbaar-franschen naam Tanjé te maken. Pieter Tania of Tanje, te Bolswart geboren in 1706, was een beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zich in Holland, en droeg daar den naam van Tanjé! Wat een domheid, en wat een kleingeestige elendigheid, om zóó de Franschen na te apen! Zie § 165.

Door hunnen versletenen toestand getuigen de patronymikale geslachtsnamen die op ia eindigen, van hoogen ouderdom. En zeer oud zijn zy in der daad. De Bothnia's, de Burmania's, de Donia's, de Unia's behooren tot de oudste friesche geslachten, of liever en beter gezeid: hunne namen behooren tot de eersten, tot de oudsten, die in de friesche geschiedenis genoemd worden.

In den tegenwoordigen tijd komen geslachtsnamen op ia, ja en je eindigende, als oorspronkelik inheemsche namen nog slechts in Friesland, en wel meest tusschen Fli en Lauers, dat is in de nederlandsche provincie Friesland voor. In de middeleeuen echter waren deze versletene patronymika ook wel in andere friesche gewesten in gebruik; b. v. † Mormannia, tusschen Lauers en Eems (Groningerland); † Boycmonia, Onnia of Onja, † Tongia, tusschen Eems en Weser (Oost-Friesland), enz. Ja, ook by de Friesen aan de Weser, by de Rustringer-, Ostringer-, Wranger- en Stedinger-Friesen waren ze in zwang. En nog heden ten dage treft men onder hunne afstammelingen, de Friesen in Jeverland, Butjadingerland (Oldenburg), enz. geslachtsnamen aan als Dorrie, Hamje, Hemmie en Hemje, Hennye, Hobbie, ook, in den tweeden naamval als Bunnies en Bunjes (tevens ook de volle form Bunnings) en Jellies. Het lijdt geen twyfel dat deze namen slechts verbasteringen zijn van de volle formen Dorria of Dorringa, Hammia of Hamminga, enz. En in der daad komen deze volle formen Hamminga, Hemminga en Jellinga nog in het nederlandsche Friesland heden ten dage als maagschapsnamen voor. Even als Hammingh, Hamming en Hammink, Hemming en Hemmink, Dorring, Henning en Hobbing in andere nederlandsche gewesten. En allen zijn dit echte patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen afgeleid.

Ook in plaatsnamen vindt men in de oud-friesche gouen aan de Weser deze oud-friesche patronymika in versletenen form terug; b. v. in Jelliestede, dat is: Jellia-stede, de stede of woonplaats der Jellinga's, der Jellingen, der afstammelingen van zekeren ouden Fries Jelle. Eene sate by 't dorp Grootkerk (Hohenkirchen) in Wrangerland (Oldenburg) heet alzoo.

Van de vele oud-friesche patronymika op ia eindigende, zijn de volgenden nog als hedendaagsche geslachtsnamen in leven. De oorspronkelike, volle formen der patronymika, die ook grootendeels, zoo niet allen, eveneens nog als friesche geslachtsnamen bestaan, zijn er by gevoegd tot vergelyking: Bothnia (Bottinga); Brunia en Bruinje (Bruininga); Burmania, Van Burmania en Burmanje (Burmanninga) [32] enz. Al deze patronymika zijn ook weêr van oud-germaansche mansvóórnamen ontleend, waarvan eenigen nog heden by de Friesen als zoodanig in gebruik zijn; b. v. Botho of Botte, Bruno of Bruin, Dodo of Doede, Sine, enz. Over Groenia, Groeninga, afgeleid van Gruno, zie men bl. 29. Over Tania, Tanninga, van Tanno, bl. 39. Over Venia en Veenje, Feninga, van Fene, bl. 57 en 61. En over Hania, Hanje, Haninga, bl. 65.

Friso, Frise, Frese, Friese, in verkleinform ook als Frieske en Vrieske, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook thans nog wel in gebruik is, hoe wel zeldzaam, en dan nog meest in Friesland. Förstemann vermeldt hem reeds in zijn Altdeutsches Namenbuch en Wassenbergh en Leendertz eveneens in hunne lijsten van friesche en nederlandsche personennamen. Behalve Frisia zijn van dezen mansvóórnaam nog de volgende patronymikale geslachtsnamen ontleend: Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Friesinga, Fresing, Friesema, Friezema, †Friesma, Vriesema, Frezema, Fresema, Fresena, Friesen, Friese en Vriese; verder nog Friso, en misschien ook, althans in sommige gevallen, Vries en Frese, benevens het verlatynschte Fresenius, dat oorspronkelik het patronymikon Fresen is.

Sinia en Synja zijn voluit Sininga, en dit is het patronymikon van den mansvóórnaam Sine, welke, in dien form en ook als Siene en Syno nog heden in Friesland in gebruik is. Waarschijnlik vertegenwoordigt deze naam Sine de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansnaam Sind. Aangaande deze byzonder-friesche uitspraak van dergelyke woorden en namen vergelyke men bl. 63. De friesche mansvóórnaam Sine, welke dan ook zynen oorsprong zy, ligt nog ten grondslag aan de geslachtsnamen Syna, Sienema, Sienes, Synen en Zijnen, allen patronymika in verschillende tweede-naamvalsformen, en allen nog heden ten dage voorkomende. De laatstgenoemde geslachtsnaam is slechts eene verhollandsching van den oorspronkelik zuiver-frieschen form Synen. Ook de plaatsnaam Syns, een gehucht by Hartwert in Wonseradeel (Friesland), is van den mansnaam Sine afgeleid. En waarschijnlik is dit ook het geval met den naam van het dorp Synghem (Sining-hem? Sininga-heim), in Oost-Vlaanderen gelegen.--Over den hoogst merkwaardigen geslachtsnaam Sminia zal in § 31 nader worden gehandeld.

Buiten Friesland, in Holland en andere nederlandsche gewesten komen eenige geslachtsnamen voor, die ik anders niet weet te verklaren dan door aan te nemen dat het zulke versletene patronymika zijn. Zy zijn dan zekerlik eigen aan oorspronkelik-friesche geslachten, die hun vaderland met der woon verlaten hebben. Deze namen zijn Balje, Havie, Pierie, Schaalje en Schaly, Schoonie, Surie en Sury, Thierie, enz. Zoo als men ziet, vertoonen deze namen ook de volle kenmerken der geheel versletene friesche ia- en ie- en jenamen. Balje zal dan zijn Ballia, Ballinga, het patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ballo, Balle, die tevens oorsprong gaf aan de geslachtsnamen † Ballama en † Ballema, Balma, Balsma en Bals, en aan de plaatsnamen Ballum, een dorp op 't eiland Ameland, en Ballingham, in Hereford, Engelland. De in spelling dwaselik verfranschte geslachtsnaam Baljé (een tegenhanger van den op bl. 69 en 70 vermelden maagschapsnaam Tanjé) is oorspronkelik eveneens dit patronymikon Balje, Ballia, Ballinga.--Havie komt ook nog in Friesland in den onversletenen form Havinga voor.--Pierie acht ik oorspronkelik te zijn Pieringa, het patronymikon van den mansvóórnaam Pier, die in Friesland en ook wel in de zuidelike gewesten in gebruik is als eene samentrekking van Pieter of Petrus, en die tevens oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Piersma en Piers in Friesland, aan Aupiers (zie § 61 en § 156) in Brabant, en aan Pierson elders voorkomende.--Surie en Sury zijn op bl. 48 reeds verklaard.--Schoonie is eene verbastering van Schonia of Schoninga; deze laatste volle form komt nog als geslachtsnaam in de friesche gewesten voor. De mansvóórnaam die aan dit patronymikon ten grondslag ligt, is de oud-germaansche naam Schone, Skauni, die door Förstemann vermeld wordt. In den tegenwoordigen tijd komt deze naam, althans in de Nederlanden, nog slechts in den vroueliken form, als Schoontje, voor. Ook oudtijds schijnt deze naam niet zeer verbreid geweest te zijn. My zijn althans, behalve Schoninga en Schoonie, geene andere hedendaagsche geslachtsnamen voorgekomen, die tot dezen mansnaam terug gebracht kunnen worden, dan Schöningh, oorspronkelik een westfaalsche geslachtsnaam, maar die ook in Holland ingevoerd is, en den vlaamschen geslachtsnaam Schoentjens. Of de naam van het oud-friesche geslacht Schunia (in beter friesche spelling Skunia), voluit Skuninga, ook van Schone, Skauni moet afgeleid worden, wil ik niet met zekerheid beweren. Deze geslachtsnaam is als zoodanig onder de hedendaagsche Friesen uitgestorven. Maar hy leeft toch nog in den naam van het gehucht Skunia-bûren, by Mirns in Gaasterland. Men verhollandscht dezen naam ook wel tot Schuinjebuurt.

Schaalje is Schalia (Skalia), Schalinga (Skalinga), het patronymikon van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansvóórnaam Scal, die vroeger in Friesland als Skele (Schele) in gebruik was, gelijk uit de naamlijsten van Brons en Leendertz blijkt. In den geslachtsnaam Schaallema (Schalema, of Skalama ware beter spelling) vinden we dezen ouden mansvóórnaam terug. Misschien ook in Schalekamp. En zekerlik in Scheelings.

§ 30. In de zuidelike Nederlanden en vooral ook in noordelik en oostelik Frankrijk, maar ook wel in de andere nederlandsche gewesten, en tevens in andere germaansche landen (Engelland en Duitschland), komen geslachtsnamen voor, in grooter of kleiner aantal, die dit gemeenschappelike vertoonen, dat zy op y uitgaan. Maar ook overigens vertoonen deze namen veel gelijkformigheid, zoodat men ze tot eene groep kan samenvoegen. Die gelijkformigheid blijkt vooral uit de omstandigheid dat men deze uitgang y slechts in ing (ink, inga, ynck) behoeft om te zetten, om ware patronymika, echt-germaansche vadersnamen van oud-duitsche mansvóórnamen afgeleid, te verkrygen. Naar myne meening zijn deze ynamen dan ook anders niet als versletene ware patronymika, en wel van byzonder-frankischen form, even als de ia en jenamen versletene patronymika van byzonder-frieschen form zijn. Door den frankischen oorsprong dezer namen kan het voorkomen er van hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, gereedelik verklaard worden. Wijl een goed deel des algeheelen nederlandschen volks van frankischen oorsprong is, zoo moeten de ynamen wel degelik tot de nederlandsche geslachtsnamen gerekend worden. Zie hier eenigen van deze namen tot voorbeeld. De patronymikale geslachtsnamen waar mede zy overeenkomen, heb ik er achtergevoegd. Bonny (Bonnink, Bonninga in Friesland, Bonning in Engelland); Borry († Bornia = Borringa in Friesland) [33]. Deze byzondere overeenstemming in aanmerking genomen, komt de stelling my niet te gewaagd voor, dat ook deze geslachtsnamen tot de versletene patronymika behooren, al hoe vreemd, hoe ongermaansch hun voorkomen thans ook zy. Trouens, de sprong van 't oorspronkelike Borring tot Borry is niet grooter dan van Borringa tot Bornia, dan van Bruninga tot Bruinje. Het voorkomen dezer namen in het romaansche Frankrijk laat zich zeer gereedelik verklaren door aan te nemen dat de geslachtsnamen op y verbasteringen zijn van de volle patronymika die als toenamen gedragen werden door de germaansche Franken, Burgundiers, enz. welke een deel van het hedendaagsche Frankrijk bevolkt hebben, en er zelfs hunne namen nog aan lieten (Frankrijk, Bourgondie). In allen gevalle, al vertoonen deze namen nu een vreemd, een romaansch voorkomen, zy zijn toch zuiver germaansch van oorsprong.