De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 6

Chapter 63,579 wordsPublic domain

§ 22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen omvat oude vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen noemen wy: Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius. [20]--Grevinchovius is verlatynscht van Grevinkhof, een geslachtsnaam tot de voorgaande groep behoorende. Over Hachtingius zie men bl. 34; over Hallungius bl. 36 en 42. Hundlingius heeft den oud-germaanschen mansvóórnaam Hundo, Hunt, Hont tot oorsprong, en wel in verkleinform als Hundle, Hondelyn. Van Hundle, Hondele zijn ook nog de geslachtsnamen Hondelink, Hündling en Hondela, de twee laatsten in Oost-Friesland voorkomende, afgeleid. En van den mansnaam Hunt in zynen oorspronkeliken form: de geslachtsnamen Hondinga in Groningerland (Hondinga-sate is te Pieterburen in Hunsego), misschien ook het verlatynschte Hondius in Holland, Hunting in Friesland en Engelland, met Hunding en Huntington eveneens in Engelland. En van de zeer talryke plaatsnamen van dezen ouden mansnaam afgeleid, noemen we slechts Hondeghem (Hondinga-heim), een dorp in Fransch-Vlaanderen; Hunting, een dorp in Lotharingen; Huntingdon in Engelland; Hündlingen, een dorp in den Elsasz, enz.

§ 23. In de oude friesche taal gaan vele woorden, die in de andere nederlandsche talen en tongvallen, 't zij dan saksische of frankische, op eene toonlooze e eindigen, of ook zonder openen uitgang zijn, op eene a uit. Zoo luidt ook de uitgang ing (inge, ink) der vadersnamen, die overigens aan alle nederlandsche gouspraken, ja aan alle andere germaansche talen eigen is, in het Friesch als inga. En deze a is ook geheel het eenige wat de friesche patronymika onderscheidt van andere vadersnamen, in de andere nederlandsche gewesten voorkomende. Even als dezen zijn de friesche patronymika louter van mansvóórnamen, natuurlik meest van friesche mansvóórnamen afgeleid. Even als dezen komen ze ook heden ten dage voor in verschillende spellingen, en op verschillende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche vadersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9de eeu vinden wy het geslacht Cammingha, nog heden bestaande, vermeld. Intusschen zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder.

De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaagsche geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de geheele hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest uitsluitend beperkt, zijn zy echter geenszins. Even als de andere friesche op a eindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en andere formen) komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken tusschen Lauers en Eems en Weser, in het hedendaagsche Groningerland en Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her even zoo inheemsch en volkseigen als bewesten Lauers. In laatstgenoemde landstreek (het nederlandsche Friesland) zijn ze niet gelijkmatig over het geheele land verspreid. In Oostergo en Westergo komen zy veel talryker voor dan in de Zevenwouden.

Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen, die allen den zuiveren ouden form op inga eindigende, vertoonen: Abbinga, Benninga, Bottinga [21]. Deze namen komen, met zeer vele anderen soortgelyken, nog heden als geslachtsnamen in de friesche landstreken van Nederland voor, en zijn ook allen ontleend aan mansvóórnamen, die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. B. v. aan Abbe, Benno (Binne) (zie bl. 28), Botte, Gau (meest in verkleinform als Gauke, Gouke voorkomende), Ubbo of Obbe, enz.

Eenige friesche geslachtsnamen op inga uitgaande, stammen van mansvóórnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te wyzen als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen waar de volgende vadersnamen van zijn afgeleid, komen of slechts in zeer versletenen form voor, of ze zijn by de Friesen in het geheel niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v. Eckringa, Folkeringa en Folkringa, Kleveringa en Cleveringa [22]. Eckringa is voluit Eckhardinga, en afgeleid van den mansnaam Ekhart, Ekkehart, Eckart, die in Duitschland nog wel in gebruik is.--Folkringa is oorspronkelik Fulkhardinga, van Fulkhart, Folkert.--Kleveringa en Cleveringa is saamgetrokken en versleten van Klefhardinga, het friesche patronymikon van den oud-germaanschen mansnaam Klefhart, Cleffehart, die weêr eene samenstelling is van den nog ouderen enkelvoudigen naam Cleffo, Claffo en van den naamstam Hart. Even als Fulkhart (Folkert) van Fulco (Folke) en Hart; Ekhart (Ekkert) van Ekke, Ecco en Hart; Rikhart (Richard, Rykaert) van Rico of Rijk en Hart. Hoe oud die naam Cleffo of Claffo reeds is, kan men in Förstemann's Namenbuch opzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. Immers Claffo, zoo heette de zesde, en Cleph ('t welk de zelfde naam is in eene andere spelling), de elfde koning van dat oud-germaansche volk. Ook de beteekenis van dezen naam leert Förstemann te zoeken in het oud-hoogduitsche woord klaphôn, in het oud-noordsche woord klappa, waar het begrip van slaan, stooten in ligt opgesloten, en waar ook het woord anaklaf, dat aanval beteekent, van afgeleid is. Die oude woorden hebben dus eene krijgshaftige beduidenis. Maar ook het hedendaagsche woord kleven, ofschoon nu slechts in eene zeer gewyzigde beteekenis in gebruik, zal er wel oorspronkelik mede samen hangen. Van den mansnaam Klefhart, Klevert zijn niet enkel de twee bovengenoemde byzonder-friesche patronymika ontleend, maar ook de vadersnamen in algemeenen form Klevering en Clevering, benevens het nog meer samengetrokkene Cleringa en Klering, alle vier nog hedendaagsche geslachtsnamen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante geslachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik stammen al deze nu verschillende geslachten van één en het zelfde oorspronkelike geslacht Klefhardinga af, en dus ook van één en den zelfden stamvader Klefhart, die dan de eerste grondvester was van de sate Cleveringa-heert te Uithuizen in Hunsego. Het schijnt dat een tak van dit oud-friesche geslacht, of misschien een enkele man er van, deelgenomen heeft aan den gemeenschappeliken uittocht van Angelen, Saksen en Friesen naar Groot-Brittanje. Wy vinden althans dit zelfde patronymikon, in den form Clavering, nog heden ten dage als de naam van een engelsch geslacht. Van Cleffo is de hedendaagsche geslachtsnaam (friesch patronymikon in nieueren form) Kleefsma ook afkomstig, en van den verkleinform Kleefke de geslachtsnaam Kleefkens. Deze zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaatsnaam Kleffens (dat is waarschijnlik eene samentrekking van Kleffingen), zoo als een gehucht heet by 't dorpke Raart in West-Dongeradeel by Dokkum. En weêr door middel van dien plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene geslacht Van Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden der vorige eeu, als landeigenaars op de sate Kleffens woonden, en toen dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsnamen, aan den mansnaam Klefhart ontleend, bekend: Cleverns, een dorp in Jeverland (Oldenburger Friesland); Klieverink, eene havesate by Oldenzaal in Twente, en Kleverskerke, een dorp op 't eiland Walcheren.

Dat de geslachtsnaam Vitringa het patronymikon is van eenen mansvóórnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en ingekrompen, maar die tevens verkeerd gespeld is, blijkt uit de letter v, waarmede deze naam begint. Die v is, als beginletter van eenig woord, in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen kunnen die letter op die plaats in het geheel niet uitspreken. Als beginletter spreken zy, en schryven dus zeer te recht ook, eene f, waar de Hollanders en andere Nederlanders eene v noemen; nederlandsch vrede = friesch frede; nederl. vel = fr. fel, enz. Maar zoo wy Vitringa al tot Fitringa maken, dan komen we geen stap nader tot oplossing van de vraag, welke mansvóórnaam ten grondslag ligt aan dezen vadersnaam. Liever verwisselen we dus die onmogelike v met eene w, en denken dat misschien een geleerde man, uit dit geslacht gesproten, drie eeuen geleden, zynen naam Witringa tot Vitringa heeft verlatynscht. Die germaansche w immers is geen latynsche letter, maar werd wel, waar men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon worden, in het Latyn wou schryven, met eene v verwisseld. En Witringa is, door vergelyking met Eckringa van Ekkehart en Folkringa van Fulkhart (zie bl. 54) te verklaren als Withardinga, het patronymikon van Withart, of als Witheringa (de e haast niet te laten hooren) het patronymikon van Wither, Witheri, oud-germaansche mansvóórnamen.

By Kruisinga, Musschenga, Plantinga zou men oppervlakkig eerder denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstandige naamwoorden kruis, musch en plant, dan aan mansvóórnamen. Dat echter ook deze geslachtsnamen echte patronymika zijn, aan mansnamen ontleend, lijdt by my geen twyfel, al kan ik dan die oorspronkelike mansnamen uitvinden noch aantoonen. Over Musschenga en Muischenga hebben de heer P. Leendertz Wz. en ik zelve in het tijdschrift De Navorscher, dl. XXVII, bl. 78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te berde gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden, verwijs ik den belangstellenden lezer dus dáár heen.--Dat Plantinga en Kruisinga ware oude vadersnamen zijn, blijkt my uit zoo menige andere nederlandsche geslachtsnaam, die van den zelfden mansvóórnaam afgeleid moet zijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen (oude en nieue patronymika in allerlei formen) bestaan, waaraan dit zelfde Kruse en Plant ten grondslag ligt, kan het niet missen of dit zijn in der daad mansvóórnamen geweest. Die geslachtsnamen zijn Kruizenga, slechts in spelling van Kruisinga verschillende, even als Kruisink en Kruissink. De naam Kruisinga wordt in de friesche streken van ons land natuurlik als Krusinga uitgesproken, en in de friso-saksische en Saksische als Kroesinga, eigenlik Krusinga met hoogduitsche u. Van daar dat in Drente deze geslachtsnaam in den form Kroezinga voorkomt. Verder de patronymika (in nieueren form) † Cruisema (het huis Cruisema is by Hoogkerk in het Westerkwartier van Groningerland), Kruysse en Cruyce.--Behalve Plantinga, Plantenga en Van Plantinga zijn my nog bekend de geslachtsnamen Plantema, Planting, Planten, Plantinus († Plantyn te Antwerpen), die allen van eenen mansvóórnaam Plant moeten afstammen.

§ 24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale uitgang ink in enk veranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by friesche patronymikale namen de uitgang inga wel als enga geschreven. Maar terwijl deze verwisseling van i in e elders zeer zeldzaam is, komt ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland maken de namen die op den verbasterden form enga uitgaan, in getal wel de helft uit van de namen die op den oorspronkeliken form inga eindigen. Een ander verschil dan in spelling bestaat er overigens niet tusschen deze twee namengroepen. Als voorbeeld van zulke enganamen noemen wy de volgenden: Boyenga (vergelijk Boyunga op bl. 59), Bonnenga, Douwenga [23]. Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvóórnamen die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aan Boie, Bonne, Douwe, Enno, Homme, Jette (komt meest in verkleinform voor als Jetse, eigenlik Jet-tse, friesch ts, tz = k), Libbe, Minne, Namme (ook meest in verkleinform als Nammele), Offe of Uffo en Wale.--Veenenga komt, met de geslachtsnamen Veninga, † Venia, Veenje, Feninga (de beste form), Fenenga, Fenega, Feening, Fening, Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen, van eenen ouden mansvóórnaam Fene, die waarschijnlik oorspronkelik één is met den oud-germaanschen mansnaam Fin, in Förstemann's Namenbuch vermeld.--Grimmenga komt van den mansvóórnaam Grim, die tegenwoordig in Nederland als zoodanig uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de germaansche volken in gebruik was. Grimmink en Grimminck, de saksische formen van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen, even als de enkelvoudige naam Grim ook. Grimmens, zoo heet een gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland (Oldenburger Friesland); Grimminghe is een dorp in Oost-Vlaanderen; Grimminghausen, een dorp by Herford in Westfalen, en Grimsthorpe in Lincolnshire, Engelland.--Ruidenga is denkelik eene verhollandsching van Ruudinga, en dit weêr eene verbastering van Ruurdinga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaam Ruurd (Ruwart), waarin de Friesen de tweede letter r niet uitspreken.

§ 25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, komen sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide formen voor, zoowel met inga als met enga; b. v. Bottinga en Bottenga, Dallinga en Dallenga, Fellinga en Fellenga, Havinga en Havenga, Kempinga en Kempenga, Oostinga en Oostenga. Dit is in der daad zoo veelvuldig het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee geslachten, die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam hadden, by onderlinge overeenkomst, ter onderscheiding, het ééne geslacht den éénen form, het andere geslacht den anderen form zich had toegeeigend. Het onderscheid tusschen inga en enga blijkt dan ook slechts in geschrifte. By 't spreken is het niet hoorbaar, ten zy men het dan met opzet wil laten hooren.

§ 26. Andere byformen van 't oorspronkelike inga komen by de friesche geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijfwyze als ingha, vroeger algemeen in gebruik, komt tegenwoordig nog slechts voor by drie namen. Te weten by Van Buttingha, Van Cammingha en Van Julsingha, die toevallig alle drie het voorzetsel van by zich hebben. Door hoogduitschen invloed is in Oost-Friesland het oorspronkelike inga een enkele maal in unga overgegaan; b. v. Boyunga, Hayunga, Sajunga. Maar binnen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet ontmoet. Het friesche ingha en unga komt natuurlik geheel overeen met de uitgangen ingh, inge, inghe en ung by andere patronymika; zie bl. 32-37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naamval (zie bl. 44), komen onder de friesche namen niet voor. Maar wel zijn er eenigen, die het voorzetsel van by zich hebben. Oorspronkelik behoort dit voorzetsel voor geen ééne friesche geslachtsnaam te staan. Het past er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. Aleen in zooverre als men deze namen beschoud als plaatsnamen, als namen van staten en saten, en er dan van voor plaatst, geven zy eenen drageliken zin. Immers die staten en saten, die den patronymikalen naam dragen van het geslacht, dat er eerst in eigendom op gezeten was, b. v. Hottinga-state, Wallinga-sate, Wetsinga-sate, worden in de wandeling ook wel genoemd zonder dat woord state of sate er achter, even als ook in Twente en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patronymika als namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook wel: »Ik ga naar Hottinga", of »ik woon op Wallinga", of »dou bist up Wetsinga berne" (gy zijt op Wetsinga geboren), en verstaan daar dan Hottinga-state, Wallinga-sate en Wetsinga-sate onder. En op die wyze kunnen ook de friesche geslachtsnamen met van er voor, ontstaan zijn, en door lieden aangenomen, die, ofschoon oorspronkelik geen Hottinga's of Wallinga's zijnde, op de staten of saten dier oude geslachten woonden of gewoond hadden. En waar zulke patronymika met van er voor, de hedendaagsche namen zijn van oud-adellike friesche geslachten, b. v. Van Cammingha, Van Eysinga, daar is dit van een byvoegsel van lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed, als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik past van voor geen friesche geslachtsnaam, ten zy dan voor eenen frieschen plaatsnaam (Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de bovengenoemde namen behooren tot deze groep nog de geslachtsnamen: Van Aldringa, Van Andringa, Van Hasinga, Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga, Van Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze namen ook zonder dat overtollige van, als geslachtsnamen voor: Andringa, Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon van den nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnden mansnaam Eise vooral komt in velerlei formen als geslachtsnaam voor; als Eisinga, Van Eysinga, Eisenga, Van Eisenga, Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisink en ook Eysinger; zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschapsnamen, in nieueren form: † Eyssema, Eizema en Eisma, Eissen en Eises, met het verlatynschte Eyssonius. En de plaatsnamen Eisink, een gehucht by Haren in Groningerland; Eisinghusen, een gehucht by Loppersum, en een ander by Nüttermoor, in Oost-Friesland; Eysinghem, een dorp in Zuid-Brabant; Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden, enz.

§ 27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld, vertoonen allen, in hunne uitgangen, volle formen, al zijn die formen onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte, reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in 't leven gebleven zijn. Integendeel, 't is eerder byzonder, dat het altijd maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De geslachtsnamen Heenk en Oonk b. v., ook Bonga met Van Bonga, en Sinnighe zijn zulke versletene formen. By Heenk en Oonk is eene d en eene i verloren gegaan, by Bonga de lettergreep nin, by Sinnighe en Sinnige eene n. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluit Hedink, Odink, Bonninga en Sinninghe geweest. Zie hier nog eenige andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er achter: Beddigs (Beddings); Bennigsen (Benningsen--zie bl. 28 en 44); Diegerick (Diegerink; de geslachtsnaam Deegerink is slechts een andere form hier van). [24] Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamen Banga, Tjeenk en Swynga. Oppervlakkig zoude men Banga wel houden voor eene samentrekking van Banninga, aan den mansvóórnaam Banne ontleend, die ook aan de geslachtsnamen Banning, Olden-- en Nyen-Banning (zie bl. 50), Bannema en Bans ten grondslag ligt, en even als ook Bonga uit Bonninga is saamgetrokken. Dat Banga echter niet van Banninga, niet van den mansnaam Banne komt, maar van den mansnaam Baue--dat deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelike Bauwinga of beter Bauinga, blijkt uit den form Bawnga, waar onder deze naam voorkomt in eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van 't jaar 1493 dagteekent. [25] In deze oorkonde wordt één en de zelfde man, die in een ander stuk van het jaar 1489 [26] Douwa Banga heet, Douwa Bawngha genoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor, waarin het oorspronkelike patronymikon Bauinga tot Bang versleten is; te weten de naam van het dorp Bangstede, tusschen Emden en Aurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelik Bauingastede, de stede, de woonplaats der Bauinga's, der Bauingen of Bavingen, der zonen en afstammelingen van den man die Baue of Bavo heette. Op eene oude landkaart van Oost-Friesland, van Ubbo Emmius, uit het laatst der 16de eeu, staat dit dorp nog als Bavestede of Bauestede vermeld. Dat de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaam Baue (Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn als Bavo werd geboekstaafd, is bekend. De heilige Baue is als St. Bavo de patroon van de steden Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn: † Bavinga, † Bauwenga, † Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland; Bange, saamgetrokken van Bauinge, als Banga van Bauinga; Bavink, in Engelland als Baving voorkomende, Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, Baafse, en het verlatynschte Bavius.

De geslachtsnaam Tjeenk is moeielik te verklaren. Ik waag dien aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan is Tjeenk niet slechts een zeer oud patronymikon, maar ook een zeer byzonder, als vertoonende zoowel friesche als saksische formen. Tjeenk is dan naar myne meening, eene samentrekking van Tjedink, en dit weêr een door klankwyziging veranderde form van Tjadink, Tjading, Thiading, Thiadinga, het friesche patronymikon van den oud-frieschen mansnaam Thiad, die door de Friesen als Tjaad, Tjade wordt uitgesproken, en, onder dien form, nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze naam Tjaad, Tjade moet niet verward worden met den eveneens nog zeer gebruikeliken frieschen mansnaam Tjaard (ook wel Tjeerd), die door de Friesen ook zonder r, als Tjaad wordt uitgesproken, maar oorspronkelik een andere naam is, eene samentrekking van den samengestelden mansvóórnaam Tjadert, Thiadhart. Van dezen eerstgenoemden mansnaam Tjade is ook de geslachtsnaam Tjaden (een tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere samenvoeging van een' frieschen voornaam en een' saksischen patronymikalen form in één en den zelfden geslachtsnaam, weet ik anders niet te verklaren dan door aan te nemen dat een Fries, die het patronymikon Thiadinga, Tjadinga als toenaam voerde, zich buiten zijn vaderland onder eene saksische bevolking vestigde, waar zijn naam, door den invloed van het saksische taaleigen zyner nieue landgenooten, al spoedig de kenmerkende a als uitgang verloor en de saksische klankwyziging aannam, dus eerst Tjading, dan Tjäding, dan Tjeding werd, allengs ook nog meer den saksischen form als Tjedink vertoonde, om eindelik tot Tjeenk te verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo ver ik weet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is gissing. Die 't beter weet mag het zeggen!

De geslachtsnaam Swynga is eene samentrekking van Swyninga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaam Swyn, Swine. Men verwondere zich niet over dezen naam, noch denke dat de oude Friesen hunne zonen zwyn, varken, noemden. Swine is de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaam Swind, Suint, welke naam vlugheid beduidt. Ons hedendaagsch woord gezwind stamt met dien naam van den zelfden wortel af. Even als Swyn, Swîn, voor Swind, zoo zeggen de Friesen ook wîn voor wind, fine voor vinden, Hînljippen, voor Hindeloopen, enz.

De geslachtsnamen Hoynck en Hoyng behooren ook tot de versletene patronymika; althans zoo men deze namen met y schrijft. De eerstgenoemde behoort dan in de groep der yncknamen, die op bl. 42 besproken is, en heeft eene i verloren. Immers is de oorspronkelike mansnaam waar hy van afgeleid is, Hoi, Hoie, en moet de naam dus voluit Hoiynck geschreven worden.

Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de byzonder-hollandsche letter ij, oorspronkelik i i, dan is de naam als Hoijnck, Hoiinck (Hoi-ink) volkomen. De patronymika Hoying en Hooying, Hooyenga en Hoyenga, alle vier als geslachtsnamen voorkomende, zijn oorspronkelik met Hoynck geheel de zelfde namen. Hoynck wordt dikwijls als ééne lettergreep uitgesproken, alsof oy, oi een tweeklank ware. En zoo doet men ook by de patronymikale geslachtsnamen Stroink, Schaink en Spaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee lettergrepen samengesteld: Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa-ink; zy dienen ook zoo te worden uitgesproken. Dat men by dit Hoi en Stro (zie ook bl. 40) niet aan de woorden hooi en stroo te denken hebbe, kan men in § 168 nalezen. Ook spa van Spaink komt niet van het woord spa, spade, maar van den mansvóórnaam Spade, die in Förstemann's Namenbuch als Spatto vermeld is. Over Skade, de mansvóórnaam die aan Schaink ten grondslag ligt, zie men § 28.