De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 51
[24] Donga (Dodinga); Enga en Engga (Enninga, Ennenga, zie bl. 57); Fenega (Feninga, zie bl. 58); Follega (Follinga); Hillega (Hillinga); Hudig (Huding); Immig (Imming, zie bl. 19 en 32); Mennega (Menninga, zie bl. 54); Minnigh (Minning, slechts een andere form als Menninga, maar van den zelfden mansnaam afgeleid); Radix (Radiks, Radinks, Radink, zie bl. 37); Ridderikhof (Ridderinkhof, zie § 22); Schallig (Schalling); Suerickx (Surinkx, Surinks, zie bl. 48); Taank (Tadink); Weddik (Weddink) en Willige (Willinge). Laatstgenoemde naam komt ook in Drente als geslachtsnaam voor, en is met Willink, Wilma, Willes, Willen en 't engelsche Wilson afgeleid van den ouden mansvóórnaam Wille, die in Friesland nog voorkomt, vooral in de verkleinformen Wilko (Wilco) en Wiltje.
[25] Zie Oorkonden der Geschiedenis van het St. Anthony-Gasthuis te Leeuwarden, I, bl. 133.
[26] Ibid. dl. I, bl. 112.
[27] Eekhoff, Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, dl. I, bl. 40.
[28] Oorkonden der Geschied. van het St. Ant.-Gasth. te Leeuwarden, dl. I, bl. 141.
[29] Van Rijn. Oudheden en gestichten van Friesland, dl. I, bl. 262.
[30] Dat men oudtijds, zoo wel in Friesland als elders in de Nederlanden, zeer onnaukeurig, zeer onstandvastig was in de spelling der eigennamen, is overvloedig bekend. Om een enkel voorbeeld te noemen, zoo vind ik den geslachtsnaam Burmania op de volgende wyzen geschreven: in eene oorkonde van 't jaar 1433, als Burmanningha; in eene andere van 1425: Burmana (als een eenvoudige tweede-naamvalsform op a, van den mansnaam Burman); van 1502: Buyrmangye; van 1507: Bwrmanghie; in een ander stuk van 1507: Burmannie; van 1520: Burmannia; van 1524: Van Buurmanya; van 1546: a Bourmannia en van Bourmannia in 't zelfde geschrift; van 1558: van Burmanya; van 1562: van Bourmania; van 1563: van Burmannia; van 1574: van Bormannia; van 1580 en '81: Burmania; van 1582: van Buermannia. Alle deze stukken kan men vinden in de Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden. Rienk Burmania nog, die in 1482 Olderman te Leeuwarden was, schreef zynen naam: Burmanghia. En een geestelike der Roomsch-katholyke kerk, die in 1876 te 's Hertogenbosch woonde, heet Burmanje, naar de hedendaagsch friesche uitspraak.
[31] Zie Eekhoff, Geschiedk. Beschrijving van Leeuwarden. dl. I, bl. 376.
[32] Donia (Dodinga); Venia, Veenje (Feninga); Finia, Fynia, Fynja, Fynje (Fininga); Vissia (Vissinga, Fissinga); Frisia (Frisinga, Friesinga); Groenia en Groenje (Groeninga); Hania, Hanja, Van Hanja, Hainja, Hanje, Hainje (Haninga); Hunia (Huninga); Inia (Ininga); Lelia (Lelinga); Rinia en Rynja (Rininga); Runia (Runinga); Sinia, Synja (Sininga); Sminia, Van Sminia (Smidinga); Tynje (Tininga); Tania, Tanja en Tanje (Taninga of Tanninga).
[33] Corty (Korting, Kortenga, van Kort, Cord, eene bekende samentrekking van Koenraad, Conrad, Konert); Donny (Donga = Dodinga, van Dodo, Doede; of van den mansvóórnaam Donne, die aan den geslachtsnaam Dons oorsprong gaf, en aan den naam van Donningen, een dorp by Clerf in Luxemburg); Emmery (Emmering, van Emmert, Emhart); Ferry († Fernia = Ferringa, van Ferre, ook Fere, zie bl. 30); Grévy (Grevinge, Grevingh, † Grevinga, zie bl. 76, ook Grevinchovius, zie bl. 52); Gerry (Gerring, van Gerre, Ger; ook de geslachtsnamen Gersma en Gersonius komen hier van); Hardy (Harding, Harting, Herdingh, van Hart); Henny (Henning, Hennye in Noordwest-Duitschland; zie bl. 70, van Henne); Hovy (Hoving, Hovinge, Hovingh, Hovinga, zie bl. 50, van Hove, Houe); Rembry, (Remberdink, Remmerding, voluit Remberchting, van Rembert, Rembrecht, Rembercht, Renbercht, Reginbercht); Remy (Remminga); Warny (Warninck); Werry en (half-hoogduitsch) Wehry (Wering, Weringa); Schaly (Schalinga), zie bl. 73.
[34] Maaldrink, Meestringa, Meyering, Meyerink, Meyeringh, Neirinckx, Neyrinckx, Neirynck, Ridderink, Rigterink, Schildering en Schilderink, Schippering, Scholting, Schulting, Scholtink, Schultink, Smeding, Smedink, Smedinga, Vissering, Vischering, Vogeding, Weeveringh en Weverink.
[35] Zie Drenthsche Volksalmanak voor 't jaar 1842, Koevorden, bl. 159.
[36] Over het woord skelta, schulte, scholte, schout, en over de eveneens luidende mansvóórnamen, met de geslachtsnamen daarvan afgeleid, zie men mijn opstel: »Schelte, Scholte, Schulte, Schout, Schuit", in De Navorscher, Dl. XXXII, bl. 386.
[37] Zie Taylor, Words and Places, bl. 492 en 499.
[38] Muysson, Hemmingson, Neeteson, Nicolson, Pierson, Robertson, Sanderson, Stevenson, Tamson, Waleson, Wouterson.
[39] Hubregtse, Jansse en Janse, Jooste, Jorisse, Karelse en Carelse, Leendertse, Lievense, Matthysse, Pieterse, Theunisse, Robberse (van Robber, Robbert of Robert, Rodbert, Hrodbercht).
[40] Constantse, Davidse, Ferdinandusse, Gideonse, Gilyamse, Jobse, Jonasse, Willeboordse.
[41] Duyvensz, Evertsz, Hilbertsz, Klaasesz, Koensz, Laurensz, Woutersz.
[42] Halbesz, Igesz, Lolkesz, Meinesz, Mellesz, Nannesz, Oeblesz, Oomsz, Poppesz, Rinsesz, Ruurdsz, Roukesz, Seebesz, Sibblesz, Sybesz, Sickesz.
[43] Feitz, Leendertz, Lootz, Reitz.
[44] Dirks, Egberts, Engelberts, Folkerts, Gerberts, Gerrits met Geerts, Gheeraerdts en Geeraerts, Hendriks en Heins, Huberts, Koerts en Coenders, Koops, Lodewijks, Roelofs, Rutgers, Sybouts en Sibolts, Stoffels, Wouters.
[45] Gerolts, Gerrebrands, Godschalks (en Gosschalk in enkelen form), Helmers, Herrewijns, Hildebrands, Remmers, Roelants, Volkmaars, Wigbolts (en in versletenen form Wiebolts), Wyemars en Wiemers, Willebrands.
[46] Doedes, Douwes, Ealzes, Feddes, Rengers, Rinkes, Sierds, Sjerps, Sipkes.
[47] Derx, Farx, Franx, Fredrix, Haex, Hendrickx, Hendrykx, Marx.
[48] Dl. I, bl. 36--van 't jaar 1462.
[49] Dl. I, bl. 240--van 't jaar 1530.
[50] Dl. I, bl. 313--van 't jaar 1542.
[51] Dl. I, bl. 316--van 't jaar 1542.
[52] Dl. I, bl. 319--van 't jaar 1542.
[53] Register van den aanbreng van 1511. Dl. 1, bl. 169.
[54] Domis, Duyvis, Galis, Heinis, Jonxis, Mienis, Stammis, Steenis, Tamisz, Tanis, Veenis, Warris.
[55] Gyssen en Giezen, Huygen, Joosten, Jorissen en Gorissen, Keessen, Kersten en Carsten, Luyken, Nolten, Onnen, Oortgysen, Otten, Rijcken, Thijssen, Wynen.
[56] Foppen, Hedden, Heeren, Hubben, Luyten, Makken, Okken, Pollen, Poppen, Rensen, Synen en Zynen, Snellen, Themmen, Uniken, Warren en Wobben.
[57] Feickens, Fockens, Foekens, Heykens, Huigens, Leeuwens, Meddens, Onnens, Rykens, Roukens, Tjabbens, Tiddens, Tonkens, Ubbens en Uilkens.
[58] Haefkens, Haentjens, Kannekens, Lollekens, Luydjens, Mintjens, Schellekens en Scheltjens, Seuntjens, Vennekens.
[59] Giltjes, Loosjes, Maatjes, Onnekes, Rinkes, Solkes, Waalkes, Zoontjes en Wulmkes, dat is de mansvoornaam Wilhelm, samengetrokken tot Willem, in verbasterde uitspraak Wullem, in schrijfwyze verkort tot Wulm, in verkleinform Wulmke, in den tweeden naamval Wulmkes.
[60] Bernarda, Bruna, Geldra, Gosliga, Hameka, Hoga, Idsarda, Jilderda, Jorna, Yska, Menalda, Popta, Reinalda, Rembada, Reverda, Ripperda, Ruurda, Sjoerda, Tjaarda, Wiarda, Wynalda, Albada, Bloema, Hora, Meina, Rommerda.
[61] Taylor, Words and Places, bl. 381.
[62] Ik mag hier niet achter wege laten te wyzen op eene verklaring van den uitgang ma achter friesche patronymikale geslachtsnamen, voorkomende in mijn geschrift Een en ander over friesche eigennamen, en die aanmerkelik afwijkt van de verklaring die ik hier aangaande deze namen geef. Nadere onderzoekingen, ten gevolge van het vinden en gebruiken van vele bronnen in oude geschriften en oorkonden, die my vroeger onbekend waren gebleven, of ook ontoegankelik waren, hebben mijn oordeel in deze zake thans volkomen gewyzigd. Ik herroep dus by dezen, wat ik in bovengenoemd opstel ter verklaring der ma-namen heb geschreven.
[63] Bennema, Beintema, Bronnema, Dekema, Epema, Epkema, Feikema, Gaikema, Gjaltema, Haitsema, Hobbema, Ykema en (Van) Ikema, Yntema, Klasema, Lieuwema, Mellema, Ottema, Piekema, Ritsema, Sipkema, Tietema, Uilkema, Wierdema.
[64] Entena, Epena, Falkena, Frankena, Imckna, Yntena, Matena (zie bl. 110), Sytena, Ubbena, Ukena, Wibena, Wymna.
[65] Zie Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden, bl. 5.
[66] Ibid. bl. 9.
[67] Ibid. bl. 13.
[68] Duursma, Engelsma, Folkertsma, Geldersma, Gerbertsma, Hendriksma, Hoitsma, Jansma, Jorritsma, Lammertsma, Meindertsma, Nammensma, Pietersma, Riemersma, Sierdsma, Sigersma, Steensma, Tjalsma, Tjebbesma, Tiemersma, Wigersma, Wierdsma.
[69] Namen als Kopinga, Klaassen, Andriessen, Tomson, enz. zijn eigenlik even zonderling samengesteld als Leefsma. Immers ook hier is een vreemde, een hebreeusche naam (Jacob), twee andere bybelsche namen (Andries, Andreas en Tom, Thomas), en een kerkelike naam (Klaas, Nicolaus), allen dus van vreemden oorsprong, verbonden met de germaansche patronymikale uitgangen inga en sen, son (zoon). Zie hier eenigen van die byzondere nederlandsche geslachtsnamen, aan bybelsche en kerkelike mansvóórnamen ontleend, en eigenlik even zonderling van samenstelling, wegens de dietsche en friesche aanhangsels.
Van den bybelschen mansvóórnaam Petrus zijn afgeleid de nederlandsche geslachtsnamen Pietringa (Peterynck vond ik in West-Vlaanderen, als een naam uit de vorige eeu), Pietersma, Pietsma, Piersma, Petersma, Pietema, Pietersen, Pieterse, Pyttersen, Pieters, Piers, Pieren, Pierson, Peterson, Peeters, Peters, Petersen, Petri, Pietjes.
Van Nicolaus: Klazinga, Klasinga, Klasenga, Klasema, Klasing, Clausing, Klaassen, Claeysseune, Claessens, Klaasen, Klasesz, Nicolzon, Nicolai, Lykles, Lyklema, Lycklama (zie § 45).
Van Andreas: Andriessma, Andriessen, Andreessen, Andriesse, Anders, Andersen, Andreæ, Drewes, Dreevsen.
Van Jacob: Kopinga, Copinga, Coops, Koops, Koopsma, Kops, Koppen, Koppe, Jacobs, Jacobson, Jacobi, Japikse, Jaapies.
Van Martinus: Martens, Maartensz, Meertens, Mertens, † Martena, Martini.
Van Thomas: Thomassma, Thomassen, Tomsen, Toms, Tomson.
Van Paulus: Paulusma, Paulsen, Pauwels, Pauwelse, Paulen, Pauli, De Pauly.
Van Caspar: Caspersma, Kaspers, Caspari.
Van Christophorus: Stoffelsma, Stoffels, Stoffers, Christoffels, Stuffers.
Van Christianus: Christiaenssens, Christiaanse, Kerstsma, Kestma, Kastma, Karsten, Carsten, Corst, Cors, Corstiaans, Kersting, Christ, Carstensen, Kersten.
Van Mattheus: Matthyssen, Thyssen, Theys, Tysma, Tiesma, Thysma, Tiesema, Tiessema, Thyssens, Matthes, Mathiessen, Matthaei.
Van Bonifacius: Fazinga, Faasma, Faassen, Fasen, Vaasen, Vase.
De zeer talryke nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan den bybelschen mansnaam Johannes ontleenen, vindt men in § 58 opgenoemd.
[70] Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden, bl. 82 en 91.
[71] Franssema, Hoolsema, Ilpsema, Jeltsema, Klootsema, Luurtsema, Roelfsema, Tietsema, Weitsema.
[72] Ten einde geen nederlandsche geslachten misschien te krenken, worde hier als voorbeeld slechts de duitsch-friesche geslachtsnaam Von Ompteda vermeld. De naam waarvan dit patronymikon is afgeleid, is, in zynen oudsten, oorspronkeliksten form Ummo, Omme, en in dien form, ook verkleind als Omke, en als Umo, Ome, Oomke, nog in Friesland in gebruik. Van daar de geslachtsnamen Ommenga, Omenga, Oomkens, Omen, Ooms, Oomsz, Ummen en Umken. Vele friesche mansvóórnamen worden in Friesland door willekeurige achtervoeging eener t verformd; van Haio maakt men Haite, van Ubo, Oebe maakt men Oebt, Oept, Upt, en zoo ook van Ummo, Omme is Umt, Omt geworden. Men ging zelfs verder, en hing er nog eene t achter; zoo kwam van Haite de form Haitet; van Oept, Upt maakte men Uptet, van Umt, Omt werd Umtet, Omtet. Nu neemt in den mond der Nederlanders de m geerne eene p of b achter zich; Middenleek werd Medemlik en Medemblik; Emuden werd Emden, Embden. Zoo ook werd Umtet en Omtet tot Umptet en Omptet. Deze naam door achtervoeging der oud-friesche a in den tweeden naamval geplaatst, geeft het patronymikon Ompteda (niet Ompteta; zoo komt van Albert en Hilwert, ofschoon deze namen beiden op t eindigen, Alberda en Alberdingk, Hilverdink, enz. met eene d). Dit oud-friesche geslacht Ompteda, oorspronkelik gezeten op 't Zand in Fivelgo, waar de Ompteda-burcht is, is zeer verspreid in de friesche gouen aan beide oevers der Eems. De afstammelingen er van schryven hunnen naam op verschillende wyzen, als Ompteda, Von Ompteda, Umpteda, Omta, Umta, en formen dien ten gevolge nu vijf verschillende maagschappen. Een soortgelyke naam is de geslachtsnaam Impteda, die tegenwoordig, door letterkeer, in den verbasterden form Impeta voorkomt, en een patronymikon is van den mansnaam Imptet, Imtet, Imte, Imt, Immo.
[73] Ter Haagha met Van Terwisscha en Van Terwisga (tor wiska is Oud-friesch voor ter weide, zur Wiese, Platduitsch tor Wische, op of aan de weide) zijn de eenigste friesche geslachtsnamen, die dit voorvoechsel ter, dat elders algemeen is, by zich hebben. Zie § 98.
[74] Serbruyns, Serclaes, Serdobbels, Sergeys, Sergeyssens, Sergeysels, Serjacobs, Serlippens, Serneels, Serniclaes, Seroyen, Serpieters, Serreyns, Serruys, Sersanders, Sersimoens, Serstaas, Serstevens, Servranckx, Serweytens, Serwouters.
[75] De Navorscher, dl. XXVIII, bladz. 28.
[76] De Navorscher, deel XXVIII, bladz. 28.
[77] Arnoldi, Augustini, Brandi, Conradi, Eberhardi, Gysberti, Hilbrandi, Jacobi, Martini, Matthaei, Meinardi, Michaëlis, Nicolai, Petri, Rudolphi, Simonis, Wilhelmy, Winoldi.
[78] Ruardi (van Ruard [Ruwaert], Ruurd), Sybrandi (van Sybrand, Sîgbrant), Taconis (van Taco), Tjallingii (van Tjallingius, Tjalling), Wiardi (van Wiard--zie bl. 115), Wybrandi (van Wybrand, Wîgbrant), Wigboldy (van Wigbold), Wigeri (van Wigerus, Wiger, Wîgher).
[79] Eyssonius, Hajenius, Heynsius, Hillenius, Jansenius, Janssonius, Matthesius, Mettenius, Nolthenius, Stratenus, Tielenius.
[80] Johannink, Johanningmeyer, Johans, Janninga, Janninge, Janning, Jannink, Janzing, Janssonius, Jansenius, Janszeune, Jansone, Janseune, Janson, Janneson, Jantzon, Janssen, Janssens, Jansse, Jansen, Jansens, Janse, Jansé--in verfranschten form, even dwaas als Tanjé op bl. 69 vermeld; zie ook § 165. Janszen, Jansze, Janzen, Janze, Jansz, Jans, Jannen, Janne, Jannesse, Janesse, Jannissen, Jannisse, Jantz, Jantzen, Jansma, Jansema, Jenning, Jennings, Jenninck, Jentink, Jens, Jensson, (misschien ook Jenny, zie § 30), Jensen, Jensma, Jensema, Jentsema (dit is een oud-friesche verkleinform Jentse, Jen-tse of Jen-ke, Jenke, in 't Hollandsch Jannetje, friesch ts == k), Jentzema, † Janthiama en † Jantiema (eveneens oud-friesche verkleinformen), Jantjes, Jennen, Jenniskens, Jennissen, Jennessen, Jeenenga, († Jenia, zie § 29), Jeens (de form Jeen komt in Friesland nog als mansvóórnaam voor), Jentjema, Jone, Joons, Hannes, Hanson, Hanssen, Hanssens, Hannessen, Hansen, Hansens, Hanse, Hansma, Hansema, Hensen, Henss, Henssens, Henskens. Dan nog de geslachtsnamen, wier oorsprong van den mansnaam Johannes in versletenen en verkorten form, of van de oud-germaansche mansnamen Hanno, Henno, in verkleinform Hanke (Hancko) en Henke (Hencko), aan twyfel onderhevig is: Hanning, Hannema, † Hankema, Hanken, Hankes, Henning, Hennye, Henny (zie § 30), Hens, Henkema, Henkes, enz. enz.
[81] Groninger Volksalmanak, 1838, bl. 142.
[82] Historische beschouwing der nederlandsche eigennamen, in De Jager's Taalkundig Magazijn, dl. IV, bl. 317.
[83] Oorkonden der Geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden, bl. 46.
[84] Toevallig is Oldeneel ook de naam van eene buurtschap by Zwolle. Wat die naam als plaatsnaam beteekent, weet ik niet. Maar het is waarschijnlik dat de eene of andere van de verschillende maagschappen, die den naam Oldeneel dragen, dien naam aan dat gehucht ontleenen, terwijl by anderen de oorspronkelike beteekenis »Oude Cornelis" kan zijn.
[85] Zie het toeblaadje (feuilleton) van het nieusblad Volksblad. Enschede. Jaargang 1882, no. 48, onder den titel Kwade Bette door M. J. Wuyster.
[86] Oorkonden der Geschied. van het St.-Anthony-Gasth. te Leeuwarden, dl. 1 bl. 39.
[87] Eleazar en Eliazar, Elias, Esau, Ezechiël (en Ezechiëls), Jehu, Jeremias, Jesse, Joël, Jonas, Isacq, Juda en Levy (zie bl. 130), Laban, Manasse, Nabal (en Nopol? eene andere uitspraak van dezen naam?), Nathan, Ruben (en als patronymikon Rubens), Salomon en Solomon, Samuël, enz.
[88] Clephas, Lazarus, Marcus en Markus, Mattheus en Matthaei (zie bl. 150), Nicodem, Stephanus, Thomas, enz.
[89] Germanus, Gratiaen, Gregorius met Gregory en Gregoor, Jeronimus, Ignatius, Julianus, Krispyn, Pancras, Quiryn, Rochus (met Rochusz en Rochussen), Servatius en Zervaas, Severien (met Severijns, Severijnse), Silvester, Urbanus en Uurbanus, Vincent en Valentyn. De geslachtsnaam Kiliaan kan tweederlei oorsprong hebben; hy kan de naam zijn van den heiligen Kilianus, en hy kan ook een latynsche form zijn om aan te duiden, dat de drager van dezen naam een Kieler is, iemand geboortig van, of t'huis behoorende in de stad Kiel in Holstein, of in de Kiel, een buurt by 't Hoogezand in Groningerland.
[90] Jagers, Jaegers, Jaeghers en Jegers, Houtzagers, Keersmaekers en, in wanspelling, Kerssemakers (kaarsemaker); Klerckx en Clerckx, Kosters, Costers en Custers, Kramers, Kremers en Creemers; Kuipers, Kuypers, Cuypers, Kupers, Küppers en het verlatynschte Cuperi; Koopmans, Coopmans, met de versletene formen Coomans en Comans; Lantmeeters, Leydeckers, Meesters, Messemaeckers, Rovers, Olieslagers, Pelsmaekers, Schoenmakers, Schoemaekers en het zuid-nederlandsche Schoesetters; Schrynemaekers, van het verouderde schrijn, kast als meubelstuk (in Friesland heeten de kastmakers nog schrijnwerkers); Snepvangers (snep = snip), Snyders, Snieders en Snyers, Teegelbackers, Waersegers, (waarzegger), Weevers, enz.
[91] Zie ook mijn opstel: Brabantsche en flaamsche geslachtsnamen, in De Navorscher dl. XXVIII, bl. 22, 191, 358.
[92] Hoefnagels en Houfnaeghels, Hombrouckx, Haseldonckx, Kerekhoffs, Kievits, Koevoets, Quaeyhaegs, Rijsheuvels, Roosbroeckx, Snoeks en Snoucks, Spitaels, Steenackers, Sterckx, Stroobants, Roeyaekers, Vingerhoets, Vloeberghs, Welvaarts.
[93] Zie Josef Haltrich, Sächsischer Volkswitz--Overdruk uit een tijdschrift--bl. 6.
[94] Zie De Handelingen der Apostelen, hoofdstuk VIII vers 27.
[95] Zie Edw. Gailliard, Glossaire flamand, op het woord stragier.
[96] Zie mijn opstel Land, volk en taal in West-Vlaanderen, in De Tijdspiegel, 1884, bl. 1.
[97] Bremer en Breemer, De Keulenaar, De Ceuleneer, De Ceuleneir en Ceulenaere, Clever, Hamburger, Luykenaar, Reeser en Santenaire. Beide laatstgenoemde namen, waarvan Santenaire (in Vlaanderen voorkomende) in verfranschte spelling, zijn afkomstig van rijnlandsche stedekes, naby de nederlandsche grens gelegen, van Rees namelik en van Xanten.
[98] Bregentzer (van Bregentz, stad in Oostenrijk), Dannenfelser (van Dannenfels, dorp in den Beierschen Palts, by Kirchheim-Bolanden), Darmstädter (van Darmstad in Hessen), Eltzbacher (van Eltzbach, dorp by Bischofsheim in Beieren), Kirberger (van Kirberg, vlek in Nassau, by Wiesbaden), Mansvelder, (van Mannsfeld, stad in de pruissische provincie Saksen), Oppenheimer (van Oppenheim, stadje in Rijn-Hessen), Prager (van Praag in Bohemen), Wormser (van Worms in den Rijn-Palts), Venetianer (van Venetië in Italië), enz.
[99] Abcouwer (van Abcoude, voluit Abekenwoude, maar in volksuitspraak Apkou--dorp by Amsterdam); Alphenaar (van Alfen, dorp in Rijnland, of ook in Noord-Brabant); Berkouwer (van Berkou, zoo als de volksuitspraak is van Berkwoude, een dorp in Zuid-Holland); Blesker (een friesche form; van De Blesse, een dorp in Friesland op de overijsselsche grens); Brusselaar, Brusselaere en zelfs Bruysselaere, met de patronymika Brusselaers, Brusseleers en Brusseleirs (van de stad Brussel); Dordregter en Dortsman; Hagenaar (een inwoner van 's Gravenhage); Huyser en Huizer (van Huizen, het gooische dorp, of van Huyssen, het geldersche stadje); De Hulster, D' Hulster en Den Hulster, misschien ook De Hilster (van de stad Hulst in Vlaanderen); Yperman (van de stad Iperen in Vlaanderen); Kuindersman (van het vlek de Kuinder in Overijssel); Grolman (van Groenlo of Grol in Gelderland); Lekkerkerker (van het dorp Lekkerkerk in Zuid-Holland); Lemmersman (van het vlek de Lemmer in Friesland); Lommelaar (van het dorp Lommel in Belgisch-Limburg); Mechelaire (van de stad Mechelen in Brabant); Meppelder (van de stad Meppel, in de wandeling Meppelt genoemd, in Drente); Oostwouder (van het dorp Oostwoude in Noord-Holland); Ottolander (van het dorp Ottoland in Zuid-Holland); Pekelder (van het vlek de Pekel-A in Groningerland, in de wandeling enkel de Pekel genoemd); Schager (van het vlek Schagen in West-Friesland); Toolenaar (van de stad ter Tolen in Zeeland), enz.
[100] Deze naam wordt vermeld in T. D. Wiarda, Ueber Deutsche Namen, bl. 126.
[101] Beerstra, van het dorp Beers, moet dus eigenlik Beersstra zijn; Beetstra, van het dorp Beets; Boonstra en Boornstra, van het dorp Olde-Boorn, door de Friesen in de wandeling Boarn, Boon genoemd; Broekstra, van het dorp Broek; Budstra, van het gehucht de Bird, gewoonlik volgens de friesche uitspraak de Bud genoemd, by Grou (deze geslachtsnaam komt dan ook te Grou voor); Dragstra, van het vlek Drachten; Gaastra (eigenlik Gaaststra), van het dorp Gaast; Groustra en Grouwstra, van het dorp Grou; Heegstra, van het dorp Heeg; Ylstra (eigenlik Ylststra), van het stadje Ylst; Joustra en Jouwstra, van het vlek de Joure; Kielstra en Kylstra, van het gehucht de Kiel by 't Hoogezand in Groningerland; Knypstra en Kniepstra, van het dorp de Knype of Nieu-Brongerga; Kootstra, van het dorp Koten; Lemstra, van het vlek de Lemmer; Nestra (Nesstra ware beter geboekstaafd), van een der drie dorpen Nes, die er in Friesland gelegen zijn; Sneekstra, van de stad Sneek; Steenstra en Stienstra, van het dorp Stiens; Teernstra, van het dorp Teerns; Teunstra, van het dorp Tirus, in friesche uitspraak Tuns of Teuns genoemd; Troelstra, van het dorp Ter Oele, in de wandeling tot Troele samengetrokken; Tzumstra, van het dorp Tzum of Tjum; Wierstra, van het dorp Wier, of van eenig ander wier, welk woord, nevens therp, in het Friesch eene hoochte of heuvel beteekent; Wynstra, van het dorp Wyns of van de buurt Wyns by Oosterend--allen friesche plaatsen. En nog velen meer, die men vinden kan in mijn werk Een en ander over friesche eigennamen.
[102] Alstorphius, van Alsdorf, zoo als wel drie dorpen in Rijn-Pruissen heeten, een by Aken, een by Trier, een by Coblentz. Essenius; de plaatsnaam Essen is in Nederland eigen aan drie gehuchten, by Barneveld in Gelderland, by Diepenveen in Overijssel, by Haren in Groningerland; en in Duitschland aan wel vijf verschillende plaatsen. Fledderus, van het drentsche dorp de Vledder; Gronovius, van het westfaalsche stadje Gronau, aan onze twentsche grenzen gelegen; Hempenius, van het dorp Hempens by Leeuwarden; Noordanus, van de stad Norden in Oost-Friesland; Parisis, van Parijs; Schotanus, van het dorp (Olde- en Nye-) Schoot, in Friesland; Sevecotius, van eene plaatsnaam Zevenkoten of Sevecote in Vlaanderen; Staphorstius, van het dorp Staphorst in Overijssel; Stavorinus, van de stad Staveren in Friesland; Tilanus, van de stad Tiel in Gelderland; Swalmius, van het dorp Swalmen by Roermond in Limburg (zie Nav.: XXXIII, 294); Buranus, van het stadje Buren in Gelderland; Verdenius, van de stad Verden in Hanover; Werumeus, van een der in de friesche gewesten talryke dorpen die Wierum of Werum heeten; Winsemius, van het friesche dorp Winsum; Colonius, van de stad Keulen, enz.
[103] Zie Navorscher, dl. XXVI, bl. 351 en 362.
[104] Zoo geven onze zeelieden, in het Engelsche-kanaal zoo wel bevaren, aan het Nau tusschen Dover en Kales (Calais), aan de vooruitstekende landpunt van Dungeness, waar de ligplaats is onzer loodskotters, en aan den Start-point der Engelschen, nog de oud-nederlandsche namen van »de Hoofden", »de Singels" en »Goudstaart."