De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis
Part 50
Vele andere verlatynschte en vergriekschte namen zijn niet van aardrijkskundigen oorsprong, maar het zijn verformingen van nederlandsche vadersnamen. Ook van dezen zijn de meesten reeds behandeld op bl. 52 en 149 van dit werk. Het zijn Arntzenius, Bolsius, Borgesius, [290] enz. De vergriekschingen, in den form van grieksche tweede-naamvallen, waren vooral onder de oude friesche geleerden in zwang. Dien ten gevolge treffen wy eene kleine groep van zulke grieksche patronymika, aan friesche mansvóórnamen ontleend, heden ten dage ook nog hooftsakelik in de friesche gewesten aan. Het zijn: Gatsonides, Hajonides, Hilarides, Ynzonides, Mensonides, Nolledes, Oneides, enz. Verder in andere nederlandsche gewesten nog: Antonides, Hermanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, Paulides en Simonides.--Eenvoudige vadersnamen, in latynschen form, komen ook nog geenszins zeldzaam als geslachtsnamen voor, zoo wel aan byzonder-friesche mansvóórnamen ontleend (Idsardi, Wiardi, Taconis), als aan algemeen-nederlandsche (Arnoldi, Conradi, Wilhelmy). Velen van deze namen vindt men op bl. 150 vermeld en verklaard.
De geslachtsnaam Malcomesius weet ik anders niet te verklaren als door aan te nemen dat het eene verlatynsching zy van een (engelsch?) patronymikon--Malcomes--van den oud-schotschen mansvóórnaam Malcom, eigenlik Malcolm ontleend. Deze naam (Malcomesius) wordt onder anderen nog heden door een herformd predikant gedragen. Men zie over het voorkomen van schotsche namen in de Nederlanden, bl. 535.
Sommige geslachtsnamen bestaan slechts uit eenen latynschen uitgang gevoegd achter den eenen of anderen nederlandschen geslachtsnaam, die eenvoudig het eene of andere algemeen-nederlandsche woord is, dat dan ook in zynen oorspronkeliken form nog wel als geslachtsnaam voorkomt. Zulke namen zijn Bekius (Beek); Bredius (Breed en Breet--zie bl. 339), Cnopius (Knoop), Glasius (Glas en Glasz), Hondius (Hond, De Hondt--zie bl. 377) en Hazewindus, Koppius (Kops? zie bl. 131), Lossius (Los) enz. [291]
Friso en Gruno zijn twee latyn-formige namen, als geslachtsnamen dienst doende. Het kunnen verlatynschingen zijn van twee oud-germaansche mansvóórnamen, of ook kunnen het deze zelfde namen zijn in hunnen eigenen oud-germaanschen form, die van den latynschen niet afwijkt; zie bl. 71 en bl. 20. Het kunnen ook namen zijn, aangenomen als die van de vermeende oude hooftlingen, aanvoerders, stichters, de fabelachtige stamvaders der Friesen en Groningers. In Friesland en Groningerland zijn deze geslachtsnamen dan ook inheemsch.
De geslachtsnamen, samengesteld met de latynsche voorzetsels a en ab, kunnen in zekeren zin ook al tot de latyn-formige namen worden gerekend. Men vindt ze opgenoemd en verklaard in § 90. A Speculo (zie bl. 362) behoort er ook toe.
De zonderlinge, ten deele onzinnige geslachtsnamen Sanctorum, Oculorum, Springorum, Stekelorum en Stikkelorum (zie bl. 462), mogen hier niet onvermeld blyven. En even min sommige geslachtsnamen die in form en spelling van hunnen oorspronkeliken, min of meer zuiveren latynschen form weêr zijn afgeweken, half verdietscht, misformd, versleten. Dat zijn Gualtherie, Odolphie en Hilbrandie (oorspronkelik Gualtheri, Odolphi en Hilbrandi), zie bl. 151; Althuizes, Althuises en Althuzes, verbasteringen van Althusius (zie bl. 555); Kuperus, Kuperes, Couperus en Kupaerus, van Cuperus; Kuipéri, van Cuperi (zie bl. 333); Piestoor van Pistorius; Kuckulus van Cuculus, verlatynsching van Koekoek of Cockuyt (zie bl. 382); en Horjus en Napjus. De laatstgenoemde naam zal wel eene misforming zijn van Nappius, eene eenvoudige verlatynsching van den geslachtsnaam Nap, die nog heden voorkomt, en oudtijds ook de byformen Glazenap en Drogenap had. Maar Horjus, oorspronkelik zeker Horrius, houd ik voor eene verlatynsching van het versletene patronymikon Horje, eigentlik Horria, 't welk wederom een versleten form is van den vollen oud-frieschen vadersnaam Horringa, die nog, ook in den byform Horrenga, als friesche geslachtsnaam in gebruik is, en die zyne weêrga heeft in Engelland, in de daar voorkomende patronymikale geslachtsnamen Horring en Horrington. De oud-germaansche mansvóórnaam Horro ligt ten grondslag aan deze vadersnamen, even als, door den verkleinform Horreke, Horco, aan den vlaamschen geslachtsnaam Horrekens, en aan de plaatsnamen Horsbüll en Horrstedt, beide dorpen in Noord-Friesland. Verder aan Horrem, dorp by Keulen; Horringhausen, gehucht by Altena in Westfalen; Horrington, in Somersetshire, Engelland, enz.
Sommige maagschapsnamen hebben een latynsch voorkomen, en zijn toch van zuiver nederlandschen oorsprong. Immers ieder die Latyn verstaat, zal, zoo de geslachtsnamen Radix, Aries, Omen, Venus hem onder de oogen komen, terstond denken aan de latynsche woorden radix, wortel; aries, ram; aan omen, voorteeken, en aan den bekenden naam der godin Venus. Maar geheel ten onrechte. Die namen zijn reeds, als goed nederlandsche, verklaard op bl. 37, 138 en 439. En Aries is eenvoudig een patronymikon van den in Holland vooral algemeen-gebruikeliken mansvóórnaam Arie, eene verkorting van Ariaan, dat weer eene verbastering is van den vollen oud-romeinschen naam Hadrianus.
H. TOT BESLUIT.
§ 168. De nederlandsche geslachtsnamen zijn in dit werk in verschillende groepen verdeeld geworden, naar hunnen oorsprong en naar hunne beteekenis, en al deze groepen zijn nader behandeld en verklaard. Men zoude de geslachtsnamen ook nog uit andere oogpunten kunnen beschouen en behandelen. Vermakeliker misschien, maar minder, of in het geheel niet wetenschappelik. By voorbeeld, uit het oogpunt van toevallige overeenkomsten en tegenstellingen tusschen de namen onderling, of ook tusschen de namen en de personen die de namen dragen. In dezer voege, en als eene kleine proeve van zulk eene beschouing der namen, wil ik hier nog enkele namen vermelden, en dan daarmede een einde maken aan dit werk.
Sommige geslachtsnamen staan tegenover elkanderen in eene soms zonderling schynende verhouding van tegenstelling. By voorbeeld: Van Boven en Van Beneden, Van den Begin en Van den Ende, Van den Hemel en Van de Helle, Van Hemelrijk en Van Aertrijck, Uitzinger en Insinger, Onderwater en Bovenwater, Helsloot en Donkersloot, Hameter en Spekmyder, Den Engel en Den Dievel, Zoet en Zuur, Van Aarde met Van den Hemel en Van de Helle, Hooisma en Strooisma, Oostra en Westra, enz. Deze tegenstellingen kunnen louter van toevalligen aard zijn; en ik meen dat dit by de vier eerstgenoemden dezer paren van namen dan ook in der daad het geval is. (Over Van Aertrijck zie men bl. 455). Maar by anderen dezer paren is opzet in het spel geweest. Immers de geslachtsnamen Bovenwater, Uitzinger en Strooisma zijn opzettelik bedacht, geformd, opgesteld om als tegenhangers dienst te doen van de geslachtsnamen Onderwater, Insinger en Hooisma. Deze laatste drie bestonden reeds lange eer de eerste drie voor den dag kwamen. Tamelik ongepaste en zeker weinig geestige scherts heeft, althans naar men my heeft medegedeeld, de namen Bovenwater en Uitzinger in het leven geroepen. Men schepte in den tijd dat iedereen eenen vasten geslachtsnaam moest aanveerden, onder sommige standen der maatschappy er wel eens behagen in, dwaze en ongepaste namen te bedenken, waar mede men ook wel eens een ander wilde ergeren. In dit werk is een en ander maal over deze dwaasgeformde namen gesproken. Wat ook de onmiddellike aanleiding moge geweest zijn van het ontstaan van den naam Onderwater als geslachtsnaam, dit is zeker dat de woorden onder en water, welke dezen naam samenstellen, in hunne gewone beteekenis, die zy in de nederlandsche taal hebben, moeten verstaan worden. Bovenwater is dus de wezenlike, de echte tegenstelling van Onderwater. Maar dit is geenszins het geval met de namen Uitzinger en Insinger. Laatstgenoemde naam toch bestaat niet uit het voorzetsel in en een woord singer, zinger, van het werkwoord zingen ontleend. Integendeel, deze naam is ontleend aan eenen plaatsnaam. Even als b. v. de geslachtsnaam Hamburger ontleend is aan den naam der stad Hamburg, en Ottolander aan dien van het dorp Ottoland (zie bl. 204), zoo is Insinger afgeleid van den naam van het dorp Insingen, het welk in het beiersche gewest Middel-Franken gelegen is, naby de stad Rothenburg aan de Tauber. De geslachtsnaam Uitzinger daarentegen is louter als tegenstelling van Insinger in de wereld gekomen, naar men my heeft verhaald. Intusschen, de naam Uitzinger kan ook nog anders geduid worden. By den arbeid van sommige werklieden, matrozen vooral en heiers, waar velen gesamentlik het zelfde werk verrichten, het hyschen van zeilen, het winden van 't anker, het heien van palen (eer de stoomhei dat werk overnam), enz. is het noodig dat die arbeid, dat rukken en trekken, gelijkmatig geschiede. Daarom stelt men eenen man daar by, die 'n eentonig maatgezang aanheft, en op die maat volvoeren dan die lieden gelijkmatig hun werk. Dat maatzingen noemt het nederlandsche volk bepaaldelik uitzingen, en de man die het doet, is de uitzinger. En iemand, die gewoonlik met dat uitzingen belast werd, kon al spoedig den toenaam Uitzinger van zyne makkers hebben bekomen. Later kan die by- of toenaam gereedelik in eenen vasten geslachtsnaam overgegaan zijn. Toch is my verzekerd dat niet deze eenvoudige verklaring van den geslachtsnaam Uitzinger de ware is, maar dat deze naam in der daad als een tegenhanger van Insinger ontstaan is.
Ten jare 1811, by de vaststelling der geslachtsnamen, was zeker eenvoudig man, ten platten lande in Friesland, en die tot dien tijd toe geen geslachtsnaam gevoerd had, zoo min als zijn vader en grootvader vóór hem, verlegen welken naam hy zoude aannemen. Zijn buurman droeg den naam van Hooisma, en, meenende in dien naam het nederlandsche woord hooi te hooren, zoo noemde hy zich, als eene tegenstelling, Strooisma. Hooi en stroo toch behooren by elkanderen, zoo goed als hy en zijn buurman. Intusschen, de geslachtsnaam Hooisma heeft met het woord hooi niets te maken. Hy is afgeleid van den oud-frieschen mansvóórnaam Hoie, Hoio, is een patronymikon daar van, en beteekent eenvoudig: (zoon) van Hoio (zie bl. 63). In dezen zynen oorspronkeliken form is die mansvóórnaam Hoie heden ten dae in Friesland, en ook in de saksische gouen, waar hy oudtijds eveneens gebruikelik was, zeldzaam geworden. Maar in de verklein- en byformen Hoike, Hoitse, Hoise en Hoite is hy nog onder de Friesen in volle gebruik. Nevens Hooisma zijn nog de volgende patronymikale geslachtsnamen: Hoynk, Hooying en Hoying, Hooijenga en Hoyenga, Hooysma, verder Hoisingh, Hoitema, Hoytema en Van Hoytema, Hoitinga en Hoitenga, Hooites en Hoites, Hoits en Hoiten, Hoitsma en Hooitsma, Hoitsema, Hoitses, en vele plaatsnamen, van dezen zelfden ouden mansvóórnaam ontleend.--De eenvoudige man die zich dien geslachtsnaam Strooisma uitkoos als de weêrga van Hooisma, sloeg echter, louter luk-raak, toch nog eenen spyker op den kop. Hy kreeg toch nog eenen redeliken naam, daar een zin, eene beteekenis in ligt. Immers Strooisma en is niet zulk een onzinnige naam als b. v. Dwingersma is of Korensma, enz. Strooisma toch kan opgevat worden als slechts in tongval of in spelling te verschillen van den eveneens in Friesland inheemschen geslachtsnaam Stroosma. En dit Stroosma (Strosma ware beter geboekstaafd) is wel degelik een zinvolle naam, wel degelik een goed patronymikon, wel waarlik van eenen mansvóórnaam afgeleid. Te weten van den oud-germaanschen, ook door Förstemann vermelden naam Strodo, Strode, by afslyting Stro. Van dezen zelfden naam is ook het saksische patronymikon Stroïnk, dat nog heden in Twente als geslachtsnaam voorkomt, afgeleid. Als mede de geslachtsnaam Stroma, die oudtijds onder de groningerlandsche Friesen inheemsch was, maar heden ten dage, voor zoo verre my bekend, uitgestorven is. De saksische (twentsche) geslachtsnamen Hoynck en Stroink staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen, als de friesche namen Hooisma en Stroosma (Strooisma).
De geslachtsnaam Oostra is door een israëlitisch geslacht in Friesland aangenomen als tegenhanger van den van ouds reeds onder de Friesen voorkomenden geslachtsnaam Westra. Oostra is toevallig een goed friesche form (Eastra nogtans ware zuiverder friesch). En, omdat deze naam naukeurig overeenkomt in beteekenis met den oud-nederlandschen geslachtsnaam Van Oosten, zoo is Oostra zeker een zeer passende naam voor eenen frieschen Israëlyt, wiens voorouders immers uit het Oosten tot ons gekomen zijn.
Eene byzondere overeenkomst tusschen den eenen of anderen geslachtsnaam, en de eene of andere eigenschap van den drager van zulken naam valt ook dikwijls waar te nemen. Zoo was er in myne jeugd te Leeuwarden een wolkammer die Cammenga heette. Zoo is er een houthandelaar te Harlingen die Houtsma heet, en te Arum in Friesland een glazemaker die den naam Glazema draagt, even als een barbier en een schoenmaker te Wageningen, Scheerder en Schomaker geheeten, en een poelier te Amsterdam, die den naam Taling voert. Zoo werd voor eenige jaren (en misschien nog wel) het penningmeesters-ambt van zeker genootschap te Gent (my is ontgaan welke vereeniging het was) waargenomen door iemand die Mettepenningen (zie bl. 432) heette. En zoo draagt de hoofdbestierder van het antwerpsche nieusblad Le Précurseur den naam van Goemaere, dat is: goede tyding (zie bl. 446). Zeker een allerbeste naam voor eenen man die zulk eene betrekking vervult. Zie ook § 111. Zulke overeenkomsten zijn er velen op te merken in steden en dorpen, overal in de Nederlanden. Ook komen byzondere overeenkomsten voor tusschen de geslachtsnamen en de woonplaatsen van lieden welke die namen dragen. Een boer wonende aan de Abbegaster-rige, een gehucht by het dorp Abbega in Friesland, heet Riegstra; een andere, wonende op de Wonser-weren, een gehucht by het friesche dorp Wons, heet Weerstra. En nog een ander, die woont op de Bult, by Bellingawolde in Groningerland, draagt den geslachtsnaam Bultena, terwijl Kloosterboer de naam is van den boer die ter plaatse woont waar in de middeleeuen het klooster stond der Norbertyners, te Heiligerlee; zie bl. 125. En dat de boer die in den Scheurpolder woont, aan dien arm van de Maas, welke het Scheur heet, na by den Hoek van Holland, den geslachtsnaam draagt van Scheurwater, zal ook wel geen louter toeval zijn.
Trouens, opset is by deze overeenkomsten even dikwijls in het spel als toeval. Menigeen toch koos zich in 1811 eenen geslachtsnaam, die eene toespeling bevatte op het bedrijf dat hy uitoefende, of op de plaats waar hy woonde, gelijk herhaalde malen in dit werk, op verschillende plaatsen is aangetoond. En daar heden ten dage nog menig man de zelfde betrekking in de maatschappy vervult als zijn grootvader in het begin dezer eeu reeds deed, en eveneens nog menig kleinzoon heden ten dage op de zelfde plaats, in het zelfde huis woont als zijn voorvader reeds vóór hem, zoo vallen die overeenkomsten tusschen namen en persoonlike byzonderheden, vroeger opsettelik gemaakt, ook nog heden op te merken.
VOLLEDIGE TITELS DER WERKEN DIE IN DIT BOEK AANGEHAALD WORDEN.
Dr. Ernst Förstemann, Altdeutsches Namenbuch. Nordhausen, 1856.
T. D. Wiarda, Ueber deutsche Vornamen und Geschlechtsnamen. Berlin und Stettin, 1800.
Johan Winkler, Een en ander over friesche eigennamen. In het tijdschrift De vrije Fries, dln. XIII en XIV. Leeuwarden, 1877 en '81.
L. A. Te Winkel, Over de woorden met den uitgang ing. In A. De Jager's Archief voor nederlandsche taalkunde, dl. I. Amsterdam, 1847.
Mr. L. Ph. C. Van den Bergh, Historische beschouwing der nederlandsche eigennamen. In A. de Jager's Taalkundig magazijn, dl. IV. Deventer, 1842.
Gesta abbatum orti Sancte Marie. Gedenkschriften van de Abdy Mariengaarde in Friesland. Naar het te Brussel bewaarde handschrift uitgegeven, met Inleiding, Aanteekeningen en Register, door Æm. W. Wybrands. Leeuwarden, 1879.
Isaac Taylor, Words and Places: or, Etymological illustrations of history, ethnology and geography. London and Cambridge, 1865.
R. K. Driessen, Monumenta groningana veteris aevi inedita. Groningen, 1822-'30.
Ev. Wassenbergh, Verhandeling over de eigennaamen der Friesen. In Taalkundige bydragen tot den frieschen tongval. Leeuwarden, 1802.
Bernhard Brons Jr., Friesische Namen und Mittheilungen darüber. Emden, 1878.
Dr. Franz Stark, Die Kosenamen der Germanen. Weenen, 1868.
Karl Strackerjan, Die Jeverländischen Personennamen, mit Berücksichtigung der Ortsnamen. Jever, 1864.
Oorkonden der Geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden, uit de 15de en 16de eeuw. Door de voogden dezer stichting naar de oorspronkelijke bescheiden uitgegeven. Leeuwarden, 1876.
W. Eekhoff, Geschiedkundige beschrijving van Leeuwarden. Leeuwarden, 1846.
H. v. R. Oudheden en gestichten van Vriesland tusschen 't Vlie en de Lawers. Leiden, 1723.
Register van den aanbreng van 1511, en verdere stukken tot de floreenbelasting betrekkelijk, uitgegeven door het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde. Leeuwarden, 1880.
C. Kilianus, Etymologicum teutonicae linguae sive Dictionarium teutonico-latinum. Utrecht, 1777.
De oude Tijd. (Een tijdschrift) onder leiding van David Van der Kellen Jr. Haarlem, 1869 en '70.
De oude Tijd. Door J. Ter Gouw. Haarlem, 1871-'74.
Edw. Gailliard, Glossaire flamand. Brugge, 1879-'82.
J. van Lennep en J. Ter Gouw, De uithangteekens in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. Amsterdam, 1868.
Informacie up den staet, faculteyt ende gelegentheyt van de steden ende dorpen van Hollant ende Vrieslant, gedaen in den jaere MDXIV. Uitgegeven van wege de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Leiden, 1866.
Guido Gezelle, Loquela, Rousselaere, 1881 en vervolgens.
L. L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon. Brugge, 1873.
J. Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten. Delft, 1882.
J. P. Blok, Eene hollandsche stad in de middeleeuwen. Leiden, 1883.
J. Ter Gouw, Amsterdamsche kleinigheden. Amsterdam, 1864.
Behalven dezen nog vele opstellen, van verschillenden omvang, over nederlandsche geslachtsnamen, voorkomende in de 20 laatste jaargangen van het tijdschrift De Navorscher, 1865 en vervolgens. De meesten hier van zijn door my zelven geschreven.
AANTEEKENINGEN
[1] A. F. Pott, Die Personennamen, insbesondere die Familiennamen und ihre Entstehungsarten auch unter Berücksichtigung der Ortsnamen. Leipzig, 1853.
[2] Zelfs de aanhaling van Pott's werk in de noot op bl. 22 van dit boek, heb ik niet uit eigen aanschouing; zy is overgenomen uit Taylor's Words and Places, bl. 125.
[3] Förstemann, Altdeutsches Namenbuch, dl. II. bl. 835. Förstemann, Ortsnamen, bl. 178, 204, 245. Grimm, Geschichte d. Deutsch. Spr., bl. 775. Deut. Gramm., dl. II, bl. 349-352. Kemble, Saxons in England, dl. I, bl. 56-63, en 445-480. Kemble, in Philolog. Proceedings, dl. IV, bl. 1-9. Guest, in ib., dl. I, bl. 117. Pott, Personen-namen, bl. 169, 247, 553. Chrichton, Scandinavia, dl. I, bl. 160. Zeuss, Herkunft der Baiern, bl. XII, XXIII, XXXV. Massmann, in Dorow's Denkmäler alter Sprache und Kunst, dl. I, bl. 185-187. Schott, Deut. Col., bl. 211. Max Müller, Lectures on Language, 2de series, bl. 16. Latham, Ethnol. Brit. Is. bl. 241. Latham, Eng. lang., dl. I, bl. 111. Meyer, Ortsnamen, bl. 139. Bender, Ortsnamen, bl. 103, 104. Vilmar, Ortsnamen, bl. 264, 265. Buttmann, Ortsnamen, bl. 2. Wright, Celt, Roman, Saxon, bl. 438-441. Edinburgh Review, dl. CXI, bl. 374-376. Donaldson, English Ethnography, bl. 61. Taylor, Words and places, bl. 124 en vervolgens.
[4] Eelking, Fokking, Groening, Harting, Huising, Imming, Janning, Kamping, Leffring, Menning, Nolting, Onning, Popping, Rensing, Sieberding, Teding, Uiling, Veering, Wiebeking.
[5] Zie Zwitzers' Ostfriesisches Monatsblatt, Jaargang 1882, bl. 531.
[6] Addingh, Hammingh, Herdingh, Hiddingh, Idsingh, Julsingh, Luytingh, Mensingh, Oostingh, Reiningh, Staringh, Stratingh, Tabingh, Tullingh, Weytingh, Woltringh.
[7] Zie D. Buddingh'. Het boetregt, bevattende een oudheid-, geschied- en letterkundig onderzoek naar oorsprong en naambeteekenis van het geslacht Buddingh', benevens de genealogische verspreiding van dien stamboom en zijne takken. Delft, 1863. Zie ook De Navorscher, XXXIV, 420.
[8] Elinge, Ebbinge, Eppinge, Hachtinge, Hiddinge, Hilbinge, Houwinge, Lubbinge, Lussinge, Meursinge, Santinge, Sinninge, Tabinge, Uninge, Waninge, Wanninge, Willinge, Woltinge. Buiten Drente ook Bonninge, zelfs Bonningue in Fransch-Vlaanderen, Temminge, Soninge, Ubbinge, enz.
[9] Zie Driessen, Monumenta Groningana vet. aev. ined. I, pag. 17, X.
[10] Behalve Radink zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansvóórnaam Rado ook nog de volgende geslachtsnamen afgeleid: Rattinck, Ratinckx, Radix, Reading in Engeland (?); Rahden, Raats, Raat, Raedt, Raets, Radema Raadsma, Radsma en Ratsma. En de plaatsnamen Radinghem, een dorp in Artesie (Frankrijk); Reading in Berkshire (Engeland); Raddington in Somersetshire (Engeland); Radewert, oorspronkelike naam van de dorpen Rauwert (of Raard) en Raard in Friesland; Raetshove (in het Waalsch Raccourt), stadje in het nederlandsch-sprekende gedeelte van de belgische provincie Luik; Radegast, dorp by Bleckede (Lüneburg) Hanover; Radingsdorf, dorp by Prägarten in Boven-Oostenrijk, enz.
[11] Bentinck, Bollinck, Boltinck, Bontinck, Bultinck, Daeninck, Derinck en Derink, Deuninck, Dieperinck en Dieperink, Dirckinck, Elderinck en Elderink, Essink, Goethinck, Haitinck, Hissink, Johanninck, Lamrinck, Reymerink, Ruytinck, Siegerink, Sikkink, Slabbinck, Stalinck, Teyink, Tenckinck, Teuninck, Volmerinck en Volmerink, Wiltinck en Wiltink, Wolberink.
[12] Mellink, Reerink, Roelvink, Stroink, Temmink en Temminck, Voetelink, Wassink en Waszink, Wilbrenninck, Wiltink en Weenink.
[13] Ch. Creemers, Aanteekeningen over het dorp Stramproy; Roermond, 1871, bl. 53.
[14] Ghellynck, Gyselynck, Hallynck, Hebbelinck en Hebbelynck, (Hebbelynckx komt ook voor), Hellynck en Hellinckx, Merghelynck, Kempynck, Wytynck.
[15] Bruinings, Boyungs, Eldringson, Ewings, Geerlings, Heymingson, Lammingsen, Merings, Ottings, Schellings, Sillings, Snellings, Stuvinghs, Tellings, Tjaberings, Tolings, Warrings.
[16] Bierinckx, Buelinckx, Frelinckx, Hebbelynckx, Hellinckx en Hellynckx, Honinckx, Kranincx, Noninckx, Ooninckx, Pulincx, Ruytinckx, Snellinx, Surinx, Ratinckx.
[17] Zie Ad. Duclos, Reivaart. Brugge, 1882, bl. 56.
[18] Klein-Bentinck, Olde-Bronninge, Klein-Budding, Klein-Bussink, Olde-Dubbelink, Olde-Eitinge, Ny-Hoving, Olden-Huising, Nye-Manting, Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Klein-Ubbink, Olden-Waving, Olden-Wening, Klein-Hiddink, Klein-Wiecherlink.
[19] Edixhoven (Edinkshoven), Frelinghuysen, Gussenk'lo, Hennixdael, Haslinghuis, Heusinkveld, Nunninghaven, Olminkhof, Poppinghuis, Renninghoff, Ridderikhof (Ridderinkhof), Rottinghuis, Schortinghuis, Suringbroek, (zie bl. 48), Wanninkhof, Wellinghuysen, Wiggelinkhuizen, Wittinghoff, Yserinkhuizen.
[20] Hallungius, Hundlingius, Olingius, Reddingius.
[21] Dotinga, Ebbinga, Eppinga, Feddinga, Fokkinga, Gauwinga, Hettinga, Hoitinga, Ypinga, Kempinga, Lettinga, Menninga, Nanninga, Ockinga, Ouwinga, Poppinga, Reininga, Sibinga, Sikkinga, Tamminga, Ubbinga, Wybinga.
[22] Kruisinga met Kruizenga en Kroezinga, Muischenga en Musschenga, Plantinga en Plantenga, Vitringa.
[23] Ennenga, Veenenga, Grimmenga, Hommenga, Yettenga, Cannenga, Libbenga, Minnenga, Nammenga, Offenga, Peunenga, Ruidenga, Stuivenga, Torenga, Walenga.