De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 49

Chapter 493,534 wordsPublic domain

Sommige half-fransche maagschapsnamen zijn slechts in dezen zin verfranscht, dat het oorspronkelike voorzetsel van verwisseld geworden is met het fransche woordje de (niet te verwarren met het nederlandsche lidwoord de). Deze namen kunnen ter nauer nood verfranschingen heeten. Als voorbeelden kunnen hier genoemd worden: De Dwingelo, De Gelder en De Gheldere (Van Gelder, zie bl. 227), De Beerteghem, De Boninghe, De Boesinghe, De Busseghem, De Crombrugghe, De Rommerswaele (zie bl. 237), De Denterghem, De Kerckove, De Volckaersbeke, De Walcheren, De Wingene (zie bl. 521), enz. De zuid-nederlandsche dubbele geslachtsnaam De Schietere de Lophem is al byzonder tweeslachtig van form. Immers is het eerste woordje de het nederlandsche lidwoord, en het tweede is het fransche voorzetsel (van), 't welk tusschen de twee zuiver-nederlandsche namen Schietere en Lophem eene dwaze vertooning maakt. By sommige zuid-nederlandsche maagschapsnamen is het fransche de (van) zelfs vóór het onvertaald gelatene nederlandsche van gevoegd. Zulke namen zijn dien ten gevolge dubbel onzinnig. De van der Schueren is zulk een dwaze naam. Maar de noord-nederlandsche tegenhangers van dezen zuid-nederlandschen naam, te weten Van Verschuur en Van Verduynen, zijn ook al even onredelik van form. Immers het voorgevoegde ver is eene samentrekking van van der (zie § 95). En dies is Van Verschuur eigenlik Van van der Schuur, en Van Verduynen eigenlik Van van der Duynen, even als De van der Schueren (of De Vanderschueren, zoo als men ook wel dwazelik schrijft) eigenlik Van van der Schueren is. Ook by de byzonder-friesche namen komen zulke onzinnige formen, die aan onkunde hun ontstaan te wyten hebben, eene enkele maal voor; b. v. Van Baarda. Dit is eigenlik Van van Baard (Baard is een dorp in Friesland); zie 241.

Door plaatsing van een fransch uitspraakteeken (accent) op eene in het Nederlandsch toonlooze e, in nederlandsche geslachtsnamen voorkomende, heeft men ook al getracht aan zulke namen een fransch voorkomen te geven. Zoo bestaat er in Vlaanderen de maagschapsnaam Van Quekkeborné, die oorspronkelik natuurlik Van Quekkeborne is. Ook komt deze naam in de onverknoeide formen Van Quikkenborne en Quekkeboorne voor. Dit woord kwekkeborn heeft in het Oud-Dietsch de beteekenis van: levende bron, springbron, fontein (zie bl. 405). Als plaatsnaam, Quickborn, is hy eigen aan eenige dorpen; b. v. aan een dorp by Meldorp in Dithmarschen (Holstein), en aan nog drie andere noord-duitsche dorpen. De nederlandsche geslachtsnaam Quickborner is aan eenen dezer dorpsnamen ontleend.--Verder vinden wy de genoemde wanstaltige verfranschte misforming in de geslachtsnamen De Cupère en De Cuypère (De Cuypere, De Kuiper, zie bl. 308); De Pottère (zóó, op fransche wyze, spreekt men te Emden in Oost-Friesland de daar voorkomende oorspronkelik vlaamsche geslachtsnaam De Pottere [zie bl. 315 en bl. 521] wel, ten onrechte, uit); De Visschère en De Vissère, De Busschère, enz. Dit zijn allen zuid-nederlandsche geslachtsnamen. Maar in Noord-Nederland vindt men deze misselike verknoeiing terug. En omdat het volk in het Noorden met de schrijfwyze der fransche taal minder bekend is als in het Zuiden, zoo heeft men hier de fransche é ook wel afgebeeld door ee en zelfs wel door ée; b. v. in den geslachtsnaam Habecotee; zie bl. 267. Verder in Rogghé (Rogghe, Rogge, zie bl. 408); Schadee (de oorspronkelike form Schade komt ook voor, zie bl. 445); Klijné (Klijne, wanspelling van Kleine, zie bl. 339); Van Dunné, Stracké, nevens Stracke; Rijkée, nevens Ryke; Krythé en Crietee nevens Kryte; De Boevé nevens Boef, Stoové, zelfs Jansé (te Antwerpen), nevens Janse. Zelfs geslachtsnamen die oorspronkelik hoogduitsch zijn, gelijk hunne spelling nog aanwijst, heeft men door een uitspraakteeken op de e getracht te verfranschen; b. v. Büsché, Wehrlé, Bohné, Roehlé, Schüvé, waardoor men ware monsters van onzin verkreeg. De Boevé is oorspronkelik nederlandsch, gelijk de oe, in plaats van den franschen ou, nog aanduidt. Het is eenvoudig De Boeve, een geslachtsnaam die ook als Den Bouf en Boef voorkomt. Dat iemand niet geerne Boef heet en dus pogingen aanwendt om dien leeliken naam te verbloemen, kan ik my voorstellen. Intusschen, de hedendaagsche slechte beteekenis van dit woord ligt geenszins in de geslachtsnamen De Boeve, Den Bouf en Boef opgesloten. Dit woord had oudtijds eene andere, gunstigere beduidenis, even als zoo menig ander woord; b. v. schalk, vroeger knecht beduidende; maarschalk, vroeger peerdeknecht; ons hedendaagsch knecht en het engelsche knight, thans ridder, zijn ook oorspronkelik de zelfde woorden. In Uljée en Baljee zie ik verfranschingen van Ulje en Balje, saamgetrokkene, versletene vadersnamen, oorspronkelik Ullia, Ullinga en Ballia, Ballinga, even als ook het, thans gelukkig weêr verouderde Tanjé eene verfransching was van Tania, Tanninga.--Ullinga of Ulinga is met de geslachtsnamen Uiling, Ulens, Uhlen en Uilsma, een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ulo, die als Ule, Uiltje, Ulke, Uilke in Friesland nog in gebruik is. En Ballinga is met † Ballama en † Ballema en Balma, met Ballings, Balsma en het engelsche Balls, een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ballo. Het patronymikon Balling, van dezen mansvóórnaam, is nog heden in Friesland, zeer oneigenlik, als mansvóórnaam in gebruik. Van de verkleinformen van dezen naam, van Balke en Baltje, zijn de patronymikale geslachtsnamen Balkema, Ballekens en Baltjes ontleend.

Niet op hare plaats is de é ook in sommige zuiver nederlandsche geslachtsnamen, waar zy die plaats aan onverstand dankt. B. v. in de geslachtsnamen Enschedé, (ook de naam der twentsche stad is Enschede, zonder uitspraaksteeken, en met eene toonlooze e zoowel in de derde als in de tweede lettergreep), Ten Tusschedé (in form verwant aan Enschedé, Enschede), Van Everé (Evere is een plaatske by Brussel), Gréve, Déking, Struyvé, Van Stégeren, enz. Zoo is ook een uitspraaksteeken op de o in de geslachtsnamen Hinlópen en Dólleman geheel verkeerd, overbodig, onzinnig. Immers dit zijn toch zuiver-nederlandsche namen! Maar de ó is geen nederlandsch letterteeken. Soms staat de é ook dwazelik, in plaats van de ee, in goed nederlandsche namen, die, in taalkundig opzicht, die ee moesten vertoonen. B. v. in Damsté en Hofsté (Hofstee, Hofstede en het weêr fout gespelde Ter Hofsteede komen ook voor), in Duyvené, Hulsewé, De Vré, Zélander, die eigenlik als Damstee of Damstede--vergelijk bl. 288, Duyvenee (ee = water, zie bl. 245), Hulsewee, Zeelander (zie bl. 528), De Vree, of De Vrede (zie bl. 371), enz. moesten gespeld worden. In het geheel verfranschte De Vèze, eene verbastering van De Wees (zie bl. 435), is de è verkeerd. En is zy dit ook niet in den geslachtsnaam Vernède (Ver = Van der Nede?)? In enkele verlatynschte geslachtsnamen schrijft men ook wel steeds eene é. In zulke namen, in Sandérus, Kuipéri, Kuipéres, Hollingérus, is die é al evenmin op hare plaats als in de goed nederlandsche.

Uit het Nederlandsch verduitschte, of omgekeerd uit het Hoogduitsch half verdietsche geslachtsnamen komen veel zeldzamer voor als fransche bastaarden. In 't Hoogduitsch verbasterde en tweeslachtige namen zijn behalven de zulken die slechts een weinig in hunne spelling verhollandscht zijn, als b. v. de bag en baghnamen op bl. 280) vermeld, nog namen als Schluiter, die midden in staat tusschen de hoogduitsche en de nederlandsche formen van dezen veel voorkomenden naam (Schlüter en Sluyter, Sluiter). Verder Grünebosch, Van Lövendael, Seltenrych, Schoemacher en Schumaeker, Gudendag, Schwaanhuyser, Teschemaker, enz.

Strikt genomen komen zulke tweetalige geslachtsnamen niet zoo zeldzaam, voor. Immers de mansvóórnamen, waaraan vele geslachtsnamen ontleend zijn, stammen uit allerlei talen af, en ook de verschillende woorden die de geslachtsnamen samenstellen, zijn geenszins altijd van nederlandschen oorsprong. Zoo bestaan de geslachtsnamen Leefsma uit Hebreeusch (Levi) en Oud-Friesch (sma); Jeremiassen uit Hebreeusch (Jeremias) en Algemeen-Germaansch (sen, son, zoon), zie bl. 81; Fabersma, letterlik zoon van den smid beteekenende, uit Latyn (Faber) en Oud-Friesch (sma); Cohensius uit Hebreeusch en Latyn; Van Wotki uit Nederlandsch en Slavisch; Ynzonides uit Friesch (de mansnaam Ynse) en Grieksch, enz. In Kuipéri en Couperus vindt men zelfs de kenmerken van drie verschillende talen vereenigd. Immers de grondslag dezer namen, het woord kuiper, is Nederlandsch; de uitgangen i en us zijn latynsche formen, en de é en de ou fransche letterteekens. Zulke geslachtsnamen zijn, in taalkundig opzicht, ware wanwoorden.

Natuurlik moeten de geslachtsnamen die eene oude, soms geheel verouderde spelling vertoonen, niet gebracht worden tot de bovengenoemde namen, uit wanspellingen en misformingen bestaande. Al is het dat de hier bedoelde namen in hunne spelling nu aanmerkelik afwyken van de schrijfwyze die in deze eeu de meest gebruikelike is, zoo is er toch een tijd geweest dat de spelling die hen nu nog eigen is, de geijkte, de meest gebruikelike was. Onder deze namen in verouderde spellingen, die van oude, velen zelfs van zeer oude dagteekening zijn, en die in de zuidelike Nederlanden in grooter aantal voorkomen als in de noordelike, zijn vele belangryke en merkweerdige namen. Als voorbeelden mogen hier dienen: De Saegher, Blancquaert, Lancsweert, [283] enz.

Eene enkele maal komt het wel voor dat de drager van zulk eenen geslachtsnaam in verouderde spelling, die spelling willekeurig verandert, en aan den ouderwetschen naam eenen nieuerwetschen form geeft--veelal om het gemak voor anderen, of om eene verkeerde uitspraak te voorkomen. Zoo is my een geval bekend geworden van eenen man, die eigentlik Van Keysersweert heette, maar die zynen naam nooit anders noemde en schreef als: Van Keyzerswaard. (Ik had er dan die y ook maar aangegeven en met eene i verwisseld.) Natuurlik heeft zulk eene eigenmachtige verandering, in geijkte betrekking, geenerlei recht van bestaan. Ook is zy, naar myne bescheidene meening, tevens een teeken van wansmaak.

§ 166. Er bestaat eene kleine groep van geslachtsnamen die gemeenschappelik de eigenaardigheid vertoonen, dat zy allen op aar eindigen. Die namengroep dient nog te dezer plaatse vermeld te worden, omdat die namen van vreemden, hoogduitschen oorsprong zijn. Het zijn allen verdietschingen van hoogduitsche geslachtsnamen, die in hunnen oorspronkeliken form op er uitgaan. Het nederlandsche volk verbastert gereedelik dien hoogduitschen uitgang er tot aar, in overeenstemming met de hoogduitsche woorden op er, die in het Nederlandsch op aar uitgaan; b. v. Hoogduitsch Eigner, Nederlandsch eigenaar; Cölner en Keulenaar, enz. Mijn eigen naam Winkler werd in myne jeugd te Leeuwarden door het volk gemeenlik als Winkelaar uitgesproken. En even zoo spreekt het volk hier te Haarlem den hier voorkomenden geslachtsnaam Hübner wel als Huppenaar uit. En zoo is het ook gegaan met de hedendaagsche aarnamen. De volksuitspraak is in de schrijftaal overgegaan. De oorspronkelike hoogduitsche geslachtsnaam Ziegler b. v. (overeenkomende in beteekenis met den nederlandschen geslachtsnaam Tichelaar) is hier te lande niet letterlik vertaald (tot Tichelaar), maar in form eenigszins verdietscht tot Ziegelaar. Dikwijls komen beide formen, de oorspronkelike hoogduitsche, en de verdietschte form van één en den zelfden naam naast elkanderen in Nederland voor. Behalven by Ziegler en Ziegelaar is dit ook het geval by Schneidler en Snydelaar, Kessler en Kesselaar, Weidner en Weidenaar [284], enz. Anderen van die aarnamen zijn nog Wendelaar, Steffelaar, Eigelaar (in Duitschland Eichler), Swemmelaar (Schwemmler), Spillenaar, Heydelaar (Heydler), Enklaar, Stellenaar, Scheffelaar (Schäffler en Schöffler), Settelaar, Hoffenaar (Höffner), Bosselaar, enz. Geheel verdietscht is ook Nieuwstadelaar, oorspronkelik Neustädtler.

G. LATYNSCHE EN GRIEKSCHE GESLACHTSNAMEN.

§ 167. Reeds in de middeleeuen was het de gewoonte by de geleerden om hunne namen te verlatynschen, soms ook te vergriekschen. En deze gewoonte, by alle geletterden en geleerden van het christelike Europa in gebruik, hield niet aleen in de 16de en 17de eeu stand, maar nam, by de hooge vlucht welke de beoefening der oude letteren vooral in die eeuen nam, groote verhoudingen aan, en werd zeer algemeen toegepast. En niet het minst was dit het geval in de Nederlanden, in die eeuen juist de bakermat van zoo vele eigene, de woonplaats van zoo vele vreemde geleerden.

Op verschillende wyzen ging men by die verlatynsching en vergrieksching der eigene nederlandsche namen te werk. Sommigen vertaalden hunne namen geheel en al. Maar anderen hingen slechts eenen latynschen uitgang achter hunne nederlandsche namen, die zy overigens geheel of ten deele onveranderd lieten. Zoo vertaalde b. v. de een, die Kuyper tot toenaam of geslachtsnaam had, of die oorspronkelik zelf een kuiper was of geweest was, en die zich dat woord dus als een naam toe eigende, dien naam met Viëtor, terwijl een ander er eenvoudig Cuperus van maakte. Of de eene man die Bakker heette, verlatynschte dien naam tot Pistorius, of hy vergriekschte hem tot Artopaeus, terwijl de andere zich met een enkel latynsch steertje achter zynen naam vergenoegde, en er Backerus van maakte. Niet altijd was men even gelukkig in het veranderen van de namen; soms vertaalde men die namen, door onverstand, geheel verkeerd. De geleerde Desiderius Erasmus, iemand die zekerlik beter Latyn en Grieksch kende, als zyne moedertaal, althans als de oud-germaansche taalstammen, heette eigenlik Gerrit. En omdat zyn vader ook Gerrit heette, zoo noemde hy zich Gerrit Gerritsz., dat is Gerrit Gerritszoon, of Gerrit, de zoon van Gerrit. De naam Gerrit nu is, zoo als men weet, slechts eene byzonder-hollandsche verknoeiing van den vollen oud-germaanschen, dus ook echt nederlandschen naam Gerhard (Geraert). Het schijnt dat Gerrit Gerritsz. meende dat in dezen naam Geraart het woord geeren, begeeren opgesloten lag. Dies vertaalde hy zynen naam in het Latyn tot Desiderius, en in het Grieksch tot Erasmus, en nam deze dubbele begeerte aan in de plaats van zynen oorspronkeliken dubbelen Gerrit. Eenvoudiger lieden in die dagen, en die minder dan Gerrit Gerritsz. t'huis waren in Grieksch en Latyn, vergenoegden zich met van hunnen hollandschen Gerrit eenen quasi-latynschen Gerhardus te maken. In latere tyden, in de 17de eeu, toen de wansmaak in het verformen der nederduitsche namen hoe langer hoe grooter was geworden, kwam de dwaasheid en ydelheid der menschen, niet het minst ook der geleerden, hoe langer hoe meer, in deze zake, aan het licht. En het waren vooral de 17de eeusche herformde predikanten, in de noordelike Nederlanden, die al hun valsch vernuft uitputten en hunnen wansmaak bewezen, in het verformen, verdraaien, vergriekschen en verlatynschen hunner namen. Zelfs tot in het begin der 18de eeu hield dit dwaze gebruik by die predikanten en ingebeelde geleerden stand. Een eenvoudige Fries, die Oene heette en zich Oene Oenes moest noemen, omdat zijn vader eveneens Oene heette, noemde zich, als herformd predikant te Goinga, in Friesland, in 1712, Onias Oneïdes. Een ander, te Holwert geboren, en Johannes Fokkes geheeten, dat is Johannes, de zoon van Fokke, noemde zich, als hoogleeraar te Franeker in het midden der 17de eeu, Johannes Phocylides ab Holwarda. Marten Eelkes, dat is Marten, de zoon van Eelke, een der eerste herformde predikanten te Leeuwarden, verdraaide zynen naam, nu eens tot Martinus Helius (de zon), dan eens tot Martinus Eliacus (zonnekind), namen die zeker van ydelen eigenwaan niet vry te pleiten zijn. Zekere Ulrik was predikant te Hemelum, een friesch dorp, en noemde zich nu, in zinspeling op den naam zyner standplaats, Ulricus Uranius (hemeling). Zeker ook niet zeer nederig. Het toppunt van onzin bereikte de predikant van het kleine dorpke Huins in Friesland. Hy noemde zich Tullius, Pastor Hunnorum, alsof de ingezetenen van Huins Hunnen waren. Eenvoudiger was Berend Boues, (men vindt zynen naam ook wel deftiger gemaakt als Bernard Bouwo). Hy was eveneens een (West) Fries, en de eerste herformde predikant te Eilsum in Oost-Friesland, en noemde zich, naar dien dorpsnaam, Eilshemius, een naam die nog lange door zyne nakomelingen met eere gedragen is. Zoo deed ook Hendrik, een eenvoudige Drent, van Beilen geboortig, die in het begin der 17de eeu herformd predikant te Bloksyl en later te Franeker zijnde, zich Henricus Beylanus noemde; zie bl. 206.

Maar niet enkel de Friesen huldigden dit dwaze gebruik; het heerschte even zeer in de andere Nederlanden. Een man uit Gouda, die Cornelis Loose heette, noemde zich met de weidsche namen Cornelius Calfidius Chrysopolitanus (uit de gouden stad!). En Jacob Harmensz., een man uit Oudewater, eigende zich de namen Jacobus Arminius Veteraquinas toe. In de 17de eeu leefde in Holland ook de befaamde Jacobus Trigland, vooral bekend door zyne »Kerckelijcke Geschiedenissen". Zyne vrou heette Christina Theodora, en voerde den geslachtsnaam van Astophia. »De naam klinkt grieksch; maar ik bid u, lezer, krijg uw grieksch woordenboek niet uit de kast om te zoeken of gij daar ook een zeldzaam voorkomend woord vindt, waar gij dat Astophia mede in verband kunt brengen: uw zoeken zou vruchteloos zijn. Gij behoeft ook zoo ver niet van huis te gaan. Want de goede vrouw droeg den zeer duidelijken en verstaanbaren naam van Stoof. Dat evenwel was te eenvoudig, te hollandsch. Wat er tegen te doen? Er was meer dan één middel dat men kon aanwenden; maar de geleerde man koos het zotste dat men uitdenken kon, hij veranderde namelijk en voegde bij, voor en achter, zoodat het door de onkundige menigte voor een grieksch woord werd aangezien, maar geen woord meer was, slechts een klank, een geluid." [285]

En ook in de zuidelike, in de brabantsche gewesten, heerschte deze onzede. De bekende hellenist, een Noord-Brabander van geboorte, uit het dorp Engelen, Arnoldus Arlenius Peraxylus, heette oorspronkelik Arnout Van Aerle. Maar hy verlatynschte deze namen tot Arnoldus Arlenius, en voegde er nog den griekschen toenaam Peraxylus by, »omdat hy in een dorp over den Bosch ('s Hertogenbosch), aan de Dieze, geboren was, van de grieksche woorden per`a en z`ulon, over en hout, gelijk bosch wel eens voor hout genomen wordt." [286] De bekende woordafleidkundige Becanus, voluit Johannes Goropius Becanus genoemd, heette eigentlik enkel maar Johannes. Hy noemde zich Goropius, omdat hy geboren was in het gehucht Gorp; en Becanus naar den naam van het dorp Beek, voluit Hilvarenbeek in Noord-Brabant, waar dat gehucht Gorp onder behoort. De hedendaagsche geslachtsnamen Van Gorp en Van Gurp zijn ook aan dit brabantsche plaatske ontleend.--De beroemde taalgeleerde Cornelis Van Kiel eindelik noemde zich Cornelius Kilianus Dufflaeus, omdat hy van Duffel, een dorp by Antwerpen, geboortig was.

De oude nederlandsche geleerden waren in den regel zeer goede latinisten. Maar ook zy maakten zich wel eens aan eenen taalkundigen misslag schuldig. Zulk eene fout levert de geslachtsnaam Viëtor op, die in de friesche gewesten van Nederland en Duitschland gelykelik inheemsch is, en reeds een en ander maal in dit werk vermeld werd. Deze naam wijt zijn ontstaan aan éénen onkundige, die een latynsch lexicon uitgaf, of liever zulk een woordeboek uit het Latyn-Hoogduitsch in het Latyn-Nederduitsch omzette. Hy vond daar in de woorden Böttcher en Büttner, en vertaalde die door kuiper. Maar het woord vieo, waar viëtor rechtstreeks van afgeleid is, heeft bepaaldelik de beteekenis van vlechten. Viëtor is dus eigenlik de Vlechter. In anders nog al goede Latynsch-Hoogduitsche Lexica, b. v. die van Freund en van Klotz, vindt men nog dit woord vietor = Böttcher, Büttner, dat is kuiper. Maar in de nieuere woordeboeken staat beter, zoo als het ook zijn moet: mandemaker (dat is iemand die tynen of wilgentwygen tot manden vervlecht).

In vele gevallen zijn die latynsche en verlatynschte namen als vaste toenamen overgegaan op de zonen der mannen die zulke namen het eerst voor zich zelven bedacht en gevoerd hadden. Maar in betrekkelik weinige gevallen zijn zy in lateren tijd tot vaste geslachtsnamen by de nakomelingschap geworden, en tot onzen tijd in stand gebleven. In de noordelike Nederlanden, en wel bepaaldelik onder de Protestantsche bevolking, komen ze hooftsakelik voor--byna uitsluitend. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de omstandigheid dat het vooral de predikanten der Herformden waren, in de 16de en 17de eeu, die hunne namen zoo verlatynschten en vergriekschten, en die deze namen aan hunne kinderen nalieten. In der daad weten dan ook vele hedendaagsche Nederlanders, die eenen latynschen of latynsch-formigen, eenen griekschen of grieksch-formigen geslachtsnaam dragen, eenen predikant aan te wyzen als de stamvader van hun geslacht; of liever, als die gene onder hunne voorouders, die het eerst den hedendaagschen maagschapsnaam gevoerd heeft. De Roomsch-Katholyke geesteliken in de zuidelike Nederlanden voerden oudtijds ook wel even zeer zulke verlatynschte en vergriekschte namen, maar zy lieten geen kinderen na die zulken naam verder droegen. Byzonder talrijk zijn heden ten dage die grieksche en latynsche geslachtsnamen niet. Maar toch altijd nog talrijk genoeg om mede by te dragen tot het eigenaardige der nederlandsche geslachtsnamen in het algemeen.

Onder de hedendaagsche latynsche en grieksche maagschapsnamen zijn er van allerlei oorsprong en form. Velen er van zijn reeds op verschillende plaatsen in dit werk, waar het pas gaf, vermeld en verklaard. Naar die plaatsen (§ 22, § 55-57, § 71, § 122 en § 90) kan ik dus nu verwyzen, en my hier grootendeels bepalen tot eene eenvoudige opsomming.

Zuiver latynsche en louter latynsche zijn onder deze namen zeldzaam. Als zoodanigen noem ik: Paludanus (oorspronkelik Van de Moer? Van den Broecke? Poelstra? Broekstra?--want dat beteekent deze naam); Sartorius, Pistorius, [287] enz. Alle deze namen zijn in dit werk reeds verklaard. Talryker zijn de namen die slechts eenen latynschen form vertoonen, slechts den uitgang us of ius achter eenen nederlandschen beroeps- of waardigheidsnaam hebben; b. v. Cuperus, Cramerus, Vorstius, [288] enz. De geslachtsnamen Slaterus en Colerus zijn verlatynschingen van de oorspronkelik hoogduitsche namen Schlater en Köhler. Ook Knottnerus schijnt my eene verlatynsching van eenen oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam.

Als verlatynschte namen van aardrijkskundigen oorsprong bestaan nog: Acronius, Beilanus, Buranus, [289] enz. allen reeds op bl. 207 verklaard. De plaatsnaam waaraan de geslachtsnaam Alstorphius ontleend is, is my niet bekend; waarschijnlik is het een der drie dorpen, die Alsdorf heeten, en allen in Rijn-Pruissen (by Trier, by Coblentz en by Aken) gelegen zijn.--Van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, behalven de boven reeds genoemde naam Paludanus, nog Greidanus en Greydanus (van greide, het friesche woord voor weide, grasland), Heidanus (van heide, Van der Heide), Geesteranus, Grevinchovius, Lindenhovius, Althusius (het oorspronkelike Althuis komt ook in Nederland als geslachtsnaam voor), Neuhusius (deze twee laatsten schynen van hoogduitschen oorsprong te zyn), Nathusius, Heshusius (Heshuysen komt ook voor), enz.