De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 48

Chapter 483,406 wordsPublic domain

Ten slotte mogen hier nog drie maagschapsnamen worden vermeld, alle drie aan israëlitische geslachten eigen, en die zeker, door hunne beteekenis, juist aan Israëliten al weinig voegen. Die namen zijn Menist, de naam van eene protestantsch-christelike secte, de Mennisten of Doopsgezinden (zie bl. 441); Santcroos, eene verbastering van den portugeeschen (?) naam Santa-Croce, het heilige kruis; en Salvador, de spaansche naam van den Verlosser.

F. VREEMDE GESLACHTSNAMEN IN DE NEDERLANDEN.

§ 164. De uitgebreide handel en zeevaart door de Nederlanders reeds sedert de middeleeuen gedreven en die hen met zoovele vreemdelingen in aanraking en verkeer bracht,--de vryheid van godsdienst die zy, in het Noorden, sedert de kerkherforming aan alle vreemdelingen gunden, welke zich onder hen vestigden--boven al ook de bloei en welvaart en rijkdom die in de 17de en 18de eeu in de noord-nederlandsche gewesten, vooral in Holland heerschten, en die zeer vele vreemdelingen, welke hier volop brood vonden, aanlokten--al deze oorzaken hebben ten gevolge gehad dat duizenden en duizenden vreemdelingen zich onder ons vestigden. Dit waren zoowel uitwykelingen uit gebrek, als uitwykelingen om des geloofs wille; zoowel gelukzoekers als kunstenaars en handwerkslieden die de weelde der ryke Nederlanders ter bevrediging harer eischen opriep, als ook arbeiders, die de nyverheid der Nederlanders noodig had. Van daar het groote aantal vreemde geslachtsnamen, uit allerlei europesche talen ontleend, dat onder de Nederlanders voorkomt. In der daad, er is in geheel Europa geen land dat zulk eene gemengde bevolking heeft als juist Nederland, gelijk uit al die vreemde geslachtsnamen, van vreemden oorsprong getuigende, duidelik blijkt. Intusschen was die toefloed van allerlei vreemdelingen in de laatste middeleeuen meest naar Vlaanderen en Brabant, en wel naar de handels- en nyverheidssteden Antwerpen, Leuven, Brussel, Gent en Brugge gericht. Eerst sedert de 16de eeu was die beweging ook naar Holland, hooftsakelik naar Amsterdam, in mindere mate ook naar 's Gravenhage, Haarlem, Leiden, enz. gewend. Dien ten gevolge bleef in de kleinere steden, vooral ook ten platten lande, en in de oostelike en noordelike Nederlanden, de stam der ingezetene bevolking zuiverder, minder, ja hoochst weinig vermengd. En dien ten gevolge treffen wy verre weg het grootste gedeelte dier buitenlandsche geslachtsnamen juist in onze groote steden aan, in Noord- zoowel als in Zuid-Nederland.

Wegens de onmiddellike nabuurschap zoude men reeds by voorbaat kunnen verwachten, dat Franschen en Duitschers onder al die vreemdelingen in Nederland het grootste aantal zouden uitmaken. En dit is in der daad het geval. Immers zijn zeker wel zeven achtste gedeelten van al die vreemde namen van franschen of van duitschen oorsprong. Vooral in de groote hollandsche, vlaamsche en brabantsche steden zijn fransche en duitsche geslachtsnamen zeer algemeen, zoo algemeen dat er niet aan te denken valt ook slechts een honderdste deel van al die namen in dit werk te kunnen behandelen, of slechts te vermelden. Wij moeten die namen dus laten blyven voor wat zy zijn, en behouden ons slechts voor in de volgende § die fransche en duitsche namen, welke in hunnen form of in hunne spelling half verdietscht zijn, nog afsonderlik te vermelden.

Andere vreemde namen echter, die ongelijk veel zeldzamer onder ons voorkomen als duitsche en fransche, wil ik hier afsonderlik vermelden. In de eerste plaats de engelschen. Engelsche geslachtsnamen zijn werkelik slechts in kleinen getale in de Nederlanden vertegenwoordigd. Dit stemt overeen met het feit dat ook slechts weinig Engelschen, in verloop van tijd, zich in de Nederlanden blyvend hebben gevestigd. Wat ook zoude hen daar toe bewegen? De Nederlanden kunnen den Engelschman weinig of niets bieden, wat hy in zijn eigen land niet even zoo goed heeft, zoo niet beter en ruimer. Zie hier eenige engelsche geslachtsnamen, die sedert langeren of korteren tijd in de Nederlanden inheemsch zijn geworden: Aitton, Campbell, Clifford, [274] enz. Nevens de engelsche komen ook byzonder-schotsche en iersche geslachtsnamen onder ons voor, welke, voor zoo verre deze namen ontleend zijn aan de keltische talen van Schotland en Ierland (en Wales), in hun voorkomen en form duidelik van de eigenlik-engelsche namen onderscheiden zijn. Ik ben niet zeker of onder de hier opgenoemde engelsche geslachtsnamen ook niet reeds een paar schotsche zijn; b. v. Campbell?--De omstandigheid dat het meerendeel der Schotten zoo wel als der (Noord-)Nederlanders de zelfde streng Calvinistische godsdienstleer belijdt, heeft eenige toenadering tusschen beide volken te weeg gebracht, en is oorzaak geweest dat zich eenige schotsche geslachten in vorige eeuen in de Nederlanden hebben nedergezet. Dezen formden zelfs in de groote steden (Amsterdam en Rotterdam) eigene kerkelike gemeenten. Hunne nakomelingen onder ons zijn nog kenbaar aan hunne eigenaardige geslachtsnamen, als: Abercrombie, Douglas (ook verhollandscht tot Doeglas), Mac-Donald of Macdonald. [275] Sommigen dezer mac-namen (eigenlik patronymika) schrijft men met den volgenden naam (den hooftnaam of vaderliken naam), in één woord vereenigd: Macdaniel, Macleod. Anderen afsonderlik: Mac-Intosh of Mac Gillavry. Zy komen ook wel afwisselend in beide formen voor. De aloude naam Mackay is in de Nederlanden zeer verspreid, en schijnt aan verschillende onderling niet verwante geslachten eigen te zijn. Hy komt althans in verschillende formen voor; als Mackay, Mackaay, Mackaey, M'Kay. Of Macalester, Maclaine en Macaré ook tot deze schotsche mac-namen behooren, dan wel of zy van anderen oorsprong zijn, kan ik niet uitmaken. Bryce, Fyan, Bryan, Kennedy, Dunlop, Doncan, Dumbar, Skene, allen ook in Nederland voorkomende, zijn meen ik ook keltisch-schotsche namen;--'t en zy misschien keltisch-iersche? Ik ken ze niet uit elkanderen. Ook Dermout schijnt my toe tot deze schotsche namen te behooren. In Schotland althans is de geslachtsnaam (eigenlik clannaam, 't welk niet naukeurig het zelfde is in beteekenis als ons woord geslachtsnaam) Mac Dermot inheemsch. Anders en kan ik Dermout niet verklaren.

Byzonder-iersche namen komen in de Nederlanden veel zeldzamer voor als byzonder-schotsche. De grootendeels streng Roomsch-Katholyke Ieren staan den (Noord-) Nederlanders dan ook verder als de Schotten. Het is dan ook juist aan de overeenkomst van godsdienst toe te schryven, dat meer Ieren zich in de zuidelike als in de noordelike gewesten hebben gevestigd. En dat de weinige iersche geslachtsnamen meer in Vlaanderen en Brabant als in Holland worden aangetroffen. Zie hier de weinigen, die my zijn voorgekomen: Obreen met de byformen Obrien, ook O'Brien geschreven, en Obrie; Ogilvie (te Batavia), O'Kelly en O'Toole, Sheridan en Sullivan. Den geslachtsnaam Carmiggelt, ongetwyfeld eene verbastering van Car-Michael, in Engelland als maagschapsnaam inheemsch, meen ik ook tot de iersche (of cornwelsche?) namen in Nederland te moeten brengen.

Deensche, noorsche en zweedsche geslachtsnamen komen nog zeldzamer als engelsche onder ons voor. Skandinaafsche namen in 't algemeen ontmoet men meest in onze zeesteden, en het zijn gewoonlik de afstammelingen van den eenen of anderen skandinavischen zeeman, die om deze of gene reden van zijn schip achter bleef, welke zulke namen voeren. Onder die namen, vooral onder de deensche, zijn er vele patronymika die in form niet verschillen van onze eigene nederlandsche geslachtsnamen; als Hansen, Jensen, Olsen, Carelsen, Christiansen, Martensen, Gulbrandsen. Dezen zijn moeielik, zoo niet onmogelik te onderscheiden van de oorspronkelik nederlandsche namen. Ook Brandt, van deenschen oorsprong, is eveneens goed-nederlandsch. De volgenden echter zijn oorbeeldig skandinaafsch: Bergström, Biörn, Carlqvist [276], enz. Den geslachtsnaam Swens acht ik eene verhollandsching te zijn, in spelling, van den in Skandinavie zeer veelvuldig voorkomenden naam Svens, een eenvoudig patronymikon van den skandinaafschen mansvóórnaam Sven, de zelfde die ook aan den patronymikalen geslachtsnaam Swensson (eigenlik Svensson) ten grondslag ligt.

Geslachtsnamen, eigen aan de volken die van slavischen stam zijn (Russen, Polen, Czechen of Bohemers, Slavoniers, enz.), komen ook al onder ons voor. En ofschoon deze slavische volken ons verre staan en vreemd zijn, zoo zijn nogtans slavische namen geenszins zoo zeldzaam onder ons, als men wel zoude verwachten. Maar Polen vooral zijn van ouds her een licht beweegbaar volk geweest, dat zich gemakkelik verplaatste. En ook staatkundige en godsdienstige partyschappen hebben duizenden Polen uit hun land verdreven en in den vreemde gevoerd. Eenigen van hen hebben hunnen weg ook tot in de Nederlanden gevonden, en hunne nakomelingen wonen nog onder ons. Czechen en Moraviers, Slavoniers en Slowenen of Wenden hebben ook steeds in grooten getale, jaar uit jaar in, hun land verlaten, en als geringe handwerkslieden, kleine kooplieden (in muizevallen en ander draadwerk, in glaswaren, enz.), ook als reizende muzikanten, Duitschland overstroomd. Velen van hen, in Duitschland tot eenigen welstand gekomen en, op hun geslachtsnaam na, verduitscht (of hunne kinderen en nakomelingen), zijn naderhand, met eigenlike Duitschers, ook naar de Nederlanden komen afzakken. Rekent men dat onder de honderd Duitschers, die zich in de Nederlanden vestigen, er slechts één is met eenen slavischen geslachtsnaam, en die van slavischen oorsprong is, dan kunnen enkel hier uit reeds die geenszins zeldzaam voorkomende slavische namen onder ons verklaard worden. In der daad zijn die namen in grooter aantal onder ons aanwezig, als engelsche of skandinaafsche namen. Hoe vreemd het ook schyne, by eenige opmerkzaamheid zal men de waarheid van dit beweren bevestigd vinden.

Ik ben met de slavische talen niet genoegzaam bekend om de poolsche, russische, czechische, slavonische namen van elkanderen te kunnen onderscheiden. De volgende geslachtsnamen, die my allen in de Nederlanden zijn voorgekomen, noem ik hier dus door elkanderen op: Andreikovits, dat is een patronymikon van Andreiko, of Andries--in verkleinform--en komt dus overeen met den nederlandschen patronymikalen geslachtsnaam Drieskens. Dan Babeliowsky, Lezinsky [277], enz.

Ofschoon de zuidelike Nederlanden onmiddellik aan het Walenland grenzen, en ofschoon Brabanders, Limburgers en Vlamingen reeds sedert eeuen met Luiker-, Namer- en Henegouer-Walen in het zelfde staatkundige verband leven, zoo heeft eene vermenging van beide volkstammen toch slechts in zeer beperkte verhouding plaats gevonden. De eigene volksaard der Walen, zoo geheel verschillende met dien der germaansche Nederlanders, zoowel als hunne byzondere romaansche volkstaal, die met de onze in geenerlei verband staat, was steeds een beletsel tot innige toenadering. Dien ten gevolge komen er onder ons dan ook slechts betrekkelik weinig byzonder-waalsche geslachtsnamen voor. Natuurliker wyze overtreffen zy echter in de zuid-nederlandsche gewesten, wat hun getal aangaat, verre die welke in het Noorden voorkomen. In de noordelike gewesten hebben zich slechts weinig Walen blyvend neêrgezet. Dat waren dan meest fabrikanten en verkoopers van stroo-hoeden (uit de waalsche plaatsen in het uiterste Zuiden van belgisch Limburg en uit Luik), van regen- en zonneschermen, van wandelstokken, van allerlei wapentuich, weêrglazen (thermometers en barometers), enz.; zie ook bl. 195. Vele Walen dragen geslachtsnamen die weinig of niet van zuiver-fransche namen onderscheiden zijn. Deze namen zijn voor den Noord-Nederlander althans moeielik van de fransche namen te onderkennen, en er zullen onder de talryke fransche namen die in Limburg, Brabant en Vlaanderen voorkomen, ongetwyfeld velen zijn, die, hoewel van waalschen oorsprong, toch als zoodanig niet herkend worden. Zie hier eenige waalsche geslachtsnamen, meest in Holland en Vlaanderen verzameld: Batkin, Clasquin, Cocural, [278] enz. Onder deze namen zijn die welke op in uitgaan, nog al merkweerdig. Het zijn namelik, wat hunnen alleroudsten oorsprong aangaat, geenszins waalsche (romaansche), maar nederlandsche (germaansche), en wel meest vlaamsche en brabantsche namen. In Raeskin, Pirkin, Clasquin, vinden wy niets anders als verwaalschingen van de oud-nederlandsche namen Raeskyn, Pierkyn, Claeskyn, dat zijn oude verkleinformen, overeenkomende met de latere formen Raesken, Pierken en Claesken, van de mansvóórnamen Raas, Pier (Pieter, Petrus) en Klaas (Nicolaas). Zoo ook zijn Batkin, Taskin, Scailquin afgeleid van de oud-nederlandsche mansvóórnamen Bate, Tasse en Skale of Schale, namen die heden ten dage in Nederland wel niet meer in gebruik zijn, maar die toch nog aangetoond kunnen worden. Aan de patronymikale geslachtsnamen Batens (te Rouveen), Baetens (te Brussel), Baaten (te Haarlem), verder aan Baetings, Baethen en Baats, aan de friesche geslachtsnamen Bates, Batema en Batma, aan 't engelsche Bateson, en aan menigen plaatsnaam--dan aan Tasma, misschien ook aan Tasman, liggen de mansnamen Bate en Tasse mede ten grondslag. Aangaande den mansvóórnaam Skale of Schale, zie men bl. 73. Ook in de vlaamsche en brabantsche gewesten komen nog wel oude, aan de ingezetene germaansche bevolking eigene geslachtsnamen voor, die dezen oud-nederlandschen verkleinform op yn vertoonen; b. v. Wilkyn, dat is Wilken, Wilke, de kleine Wille, de zelfde mansvóórnaam die ook ten grondslag ligt aan de geslachtsnamen Wilkens, Wilkes, Wilken, aan het friesche Wilkama, aan 't engelsche Wilkins en Wilkenson (allen patronymika), en aan den samengestelden geslachtsnaam Wilkeshuis. Zie ook Tilkin, kleengedaante van Tillo, Tyl, op bl. 142.

Zoo men de geslachtsnamen der spaansche en portugeesche Israëliten uitsondert, komen spaansche en portugeesche namen slechts in zeer kleinen getale onder ons voor. Het is dan ook wel eene groote zeldzaamheid als zich een Spanjaard of Portugees onder ons neêr zet. In de zuidelike Nederlanden echter leven nog afstammelingen van Spanjaarden, wier voorouders zich reeds, gedurende »den spaanschen tijd", in de 16de en 17de eeu, in Brabant en Vlaanderen hebben gevestigd. En onder dezen zijn er die nog hunne oude, ten deele oud-adellike namen dragen. Niet altijd hebben die lieden den rijkdom en hoogen rang hunner voorouders kunnen bewaren. »Onder de arbeidende klasse van Antwerpen vindt men enkele personen, die niet alleen den spaanschen type, maar ook spaansche namen behouden hebben, namen, waarvan enkelen beroemd zijn in de castiliaansche geschiedenis. Men sprak mij van eene groentenvrouw, weduwe en moeder van tien kinderen, die nog altijd den naam droeg van Armiroto, zoo men wil, naar een markies Armiroto, die tot het gevolg zou behoord hebben van den hertog van Alva. Zijne afstammelinge, onverschillig voor die hooge afkomst, rijdt nu met kool door de stad; en het volk heeft oneerbiedig haar doorluchtigen oorsprong gesmaad door eene bespottelijke verdraaiing van haar naam: men noemt haar in de wandeling »arme rotte" [279]."

De weinige spaansche en portugeesche geslachtsnamen (ik ken ze niet uit elkanderen), in de Nederlanden voorkomende, en my bekend, zijn: Armiroto, Balabrega, D'Almaras, Da Silva, De Castro, De Ruescas, De Zerezo de Tejada, Di Gazar, Diaz, Exalto, Exalto d'Almaras, Espantoso, Gonsalves, Pedro, Perez, Rodrigues en Rodriguez. Ik meen dat er onder dezen ook nog zijn, die aan oorspronkelik-israëlitische geslachten toebehooren.

Tegenover deze weinige iberische namen staat een zeldzaam groot aantal italiaansche geslachtsnamen, in de Nederlanden voorkomende. In der daad, zoo talrijk zijn die italiaansche namen onder ons dat zy, wat hun aantal aangaat, onmiddellik op de fransche en duitsche namen volgen, en de engelschen overtreffen. Sedert de laatste twee, drie eeuen hebben er zich dan ook steeds zeer veel Italianen onder ons neêrgezet. Dat waren meest kunstenaars, vooral toonkunstenaars, ook kooplieden in regen- en zonneschermen en weêrglazen, in galanteryen en dergelyke zaken, schoorsteenvegers niet te vergeten, wijnhandelaars, enz. Een groot deel daar van bleef op den duur hier. Sommigen huwden nederlandsche vrouen, maar lieten hunne italiaansche namen aan hun nageslacht, als bewijs van hunne afstamming. Een aantal dier meest bekende italiaansche geslachtsnamen, waar van ik overigens niets byzonders heb te berichten, moge hier vermeld worden: Aletrino, Arzoni, Balli, [280] enz.

§ 165. Als aanhangsel van al deze vreemde namen dienen hier nog eenige byzondere geslachtsnamen te worden vermeld, welke ik tot eene afsonderlike groep heb vereenigd. Het zijn basterdnamen, die de kenmerken van twee verschillende talen in éénen naam, in één woord vereenigd, vertoonen. Zulke bastaardnamen zijn my slechts bekend als uit het Fransch of uit het Hoogduitsch afkomstig. De naaste oorzaak van hun ontstaan is de onbekendheid met de eischen van spelling en uitspraak der vreemde namen, by de geheel vernederlandschte, en nog slechts nederlandsch verstaande afstammelingen der oorspronkelike fransche of duitsche inwykelingen, welke deze namen, in hunnen zuiver franschen of duitschen form hier mede gebracht hadden. Soms ook vertoonen zy eene poging tot vertaling of overzetting van den vreemden naam, of tot het leggen van eenen nederlandschen zin (meestal onzin), in de onbegrepene klanken van den buitenlandschen naam. De geslachtsnaam Dezentje, ook Dezentjé geschreven, en natuurlik steeds zóó uitgesproken, is een voorbeeld van zulke zonderlinge basterdnamen. Immers dit is oorspronkelik de fransche naam De Sentier (niet waar?), die de tegenhanger is van den goed-nederlandschen geslachtsnaam Van 't Padje.--Linnewiel, eene quasi-verdietsching van den oorspronkelik franschen form van dezen naam: Luneville [281], is een ander, niet minder sprekend voorbeeld. Verder Batteljee, Lorrewa [282], Franswa, Tozijn, Mienjon, Sjakes, Schoonéans (zie bl. 172), Boeljon, Minnaar, Notterdam en Noterdaem (zie bl. 441), Roselje, Portielje, Plantjé, Saljé, Holjé, in plaats van Batelier, Le Roi, François, Toussaint, Mignon, Jacques, Bouillon, Ménard (zie bl. 523), Nôtre-dame, enz. Kleine veranderingen, verdietschingen in de spelling hebben ook ondergaan de geslachtsnaam Lekluze en De le Cluyze, in plaats van L'Ecluse en Del'Ecluse.--Boeree en Boeré zijn de namen van twee haarlemsche geslachten, beiden talrijk in leden, en die als eene heele en eene halve verdietsching zijn aan te merken van het oorspronkelike Bourée, onder welken form deze naam nog heden in Frankrijk voorkomt.--In de zuidelike Nederlanden, vooral in Vlaanderen komen eenige geslachtsnamen voor, die half verdietscht zijn geworden, half zuiver-fransch gebleven zijn. Zie hier eenigen van deze zonderlinge bastaardnamen: Van der Marlière en Van der Malière, Van de Lanoitte, ook nog meer verdietscht als Van de Lanoote voorkomende, Van den Bavière, Verfaille, enz. De laatstgenoemde naam die my ook in de noordelike Nederlanden (aan de Helder) voorkwam, is eene samentrekking van Van der Faille (zie § 95.) En dit is wederom eene halve verdietsching van den oorspronkelik franschen geslachtsnaam De la Faille, die in de noordelike Nederlanden aan een talrijk geslacht eigen is. Maar Van Beaumont, Van Charante (zie bl. 222), Van Boneval, enz. kan men eigenlik niet als halve verdietschingen beschouen, naardien deze geslachtsnamen van fransche plaats- en gounamen zijn afgeleid.

Midden tusschen Fransch en Nederlandsch in staat de geslachtsnaam Meauxsoone, die in West-Vlaanderen aan de fransche grenzen inheemsch is, en die natuurlik (zie bl. 82) een patronymikon is, zoon van Meaux beteekenende. Een Franschman, Meaux geheeten, heeft denkelik, door zich in Vlaanderen te vestigen, aanleiding gegeven tot het ontstaan van dezen naam, omdat zijn vervlaamschte zoon van zijn vaders franschen naam zich, op nederlandsche wyze, eenen vlaamschen vadersnaam, als toenaam maakte.

Tegenover deze uit het Fransch verdietschte namen staan eenige geslachtsnamen, die uit het Nederlandsch half verfranscht zijn. Hooftsakelik hebben deze laatsten hun ontstaan te danken aan de zucht, die dwazelik zoo velen Nederlanders eigen is, om alles wat oorspronkelik nederlandsch is, zoo veel mogelik op eene fransche leest te schoeien, om zoo veel doenlik daaraan een fransch voorkomen te geven. Maar ook enkelen dezer verfranschte namen zijn ontstaan onder de fransche of waalsche bevolking van noordelik Frankrijk, langs de zuid-nederlandsche grenzen, en dit wel uit onverstand van de beteekenis dier oorspronkelik nederlandsche namen, uit onkunde aangaande de spelling die zy eischen. Als zulke uit onkunde, maar toch te goeder trou verfranschte nederlandsche geslachtsnamen, die meest langs de belgisch-fransche grenzen inheemsch zijn: noem ik: Grisar, oorspronkelik Grijsaard (zie bl. 438); Grispoire, oorspronkelik Grijsperre, zie bl. 343; Le Veugle, oorspronkelik De Veugel of De Vogel; Cachitère, oorspronkelik Keersgieter, Kaarsgieter, Kaarsemaker, welke naam ook als Keirsgieter en zelfs als Keerschieter nog in Vlaanderen inheemsch is; Titeca, eene verfransching van den vlaamschen naam Tijdgaat, zie bl. 456; Couquerque, eene verwaalsching van Koukerke, Koudekerke, een geslachtsnaam ontleend aan den plaatsnaam Koudekerke of Koudekerk, die aan twee dorpen eigen is, een op 't eiland Walcheren en een in Rijnland by Leiden. Verder nog De Santenaire en De Cuelenaire, dat is oorspronkelik De Santenaar (vlaamsch Santenaere) en De Keulenaar, of de man uit de rijnsche steden Xanten en Keulen herkomstig; zie bl. 203. Dan ook De Sadelair en De Sadelaire,in plaats van De Sadelaere, De Sadeleer, de zadelaar of zadelmaker, zie bl. 316; De Vinquelair, in plaats van De Vinkelaar, dat is de vinkler hoogduitsch der Finkler, zoo als in oude tyden een duitsche keizer heette: Heinrich der Finkler, 't is te zeggen: Hendrik de Vogelaar, zoo als onze geschiedschryvers hem noemen. Verder nog Denève (De Neef, zie bl. 434), Dewez en De Vèze (De Wees, zie bl. 435). Zonderlinge, half waalsche, half dietsche namen, langs de grenzen van ons taalgebied in de zuidelike gewesten inheemsch, zijn nog Le Man (De Man, zie bl. 439), en De Cocq, De Monie en De Leu, halve verdietschingen van de waalsche maagschapsnamen Le Cocq (de haan), Le Monie (dat is Le Monier, Le Meunier, de molenaar), en Le Leu (dat is Le Leup, Le Loup, de wolf.) Zoodat de thans vlaamsche geslachtsnaam De Leu volstrekt niet eene verbastering is van De Leeuw, zooals men misschien wel geneigd ware te meenen, maar van den naam van een gantsch ander dier.

De bekende en geenszins zeldzaam voorkomende vlaamsche geslachtsnaam Van de Woestyne (zie bl. 502) komt langs de vlaamsch-fransche grenzen ook als De la Woestyne en zelfs als Delawoëstine voor. Soortgelyke namen uit die zelfde streken zijn nog De la Houtte (Van den Houtte of Van den Bussche of Van den Bosch), Delbeke, Delberghe, Delbroucke, Deldaele, Deldycke, Delmeire, Delputte, enz., samengetrokken uit De la Beke (Van de Beke of Van der Beek), De le Berghe of Du Berghe (Van den Berg), De la Putte (Van de Putte), enz.