De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Part 47

Chapter 473,483 wordsPublic domain

Vooral ook in Noord-Friesland (de westkust van Sleeswijk met de eilanden die daar voor liggen, met eene oude, nog heden friesch-sprekende friesche bevolking)--vooral ook in Noord-Friesland treffen wy onder de ingezetene bevolking eenige oorbeeldig-nederlandsche maagschapsnamen aan; b. v. Decker, De Vries, Hagendeveld (een woord, in het zeventiende-eeusche Hollandsch van byzondere beteekenis), Dirks, Claassen, Cornelissen, Hendricks, Volkerts, Teunis, Sparboom, Peper, Dertiens, Haverkar, Groot, Prott (Proot in Holland en Vlaanderen, zie bl. 478), enz. Deze namen zijn by de Noord-Friesen in gebruik gekomen en genomen gedurende de jaren van 16- en 17-honderd, toen de nederlandsche infloed zoo groot was in deze gouen, toen de Noord-Friesen een goed deel formden van de bemanning der nederlandsche oorlogs-, koopvaardy- en visschersvloot, en de nederlandsche taal, door nederlandsche bybels, psalmboeken, gezang- en liederen-boeken, almanakken en rekenboeken, werken over stuurmanskunst, reisbeschryvingen (van Bontekoe), de gedichten van Vader Cats, Brandt's »Leven van De Ruiter", en dergelyke werken, die onder deze Friesen in aller handen waren, althans by de mannen vry algemeen bekend was en beoefend werd. De noord-friesche zeelieden hielden toen zelfs hunne dagboeken, de kooplieden hunne rekenboeken in het Nederlandsch. Onder de hedendaagsche Noord-Friesen zijn friesche vadersnamen van byzonder friesche mansvóórnamen ontleend, ook zeer algemeen als geslachtsnamen in gebruik. Zie hier eenigen als voorbeeld: Aggens, Boysen, Ebbens, Edsen, Engels, Ercks, Godbersen, Hayens, Harens, Harkens, Hemsen, Japiks (zie bl. 88), Ingwersen, Rickers, Rickwardtsen, Sibbers, Volquardsen, enz.

§ 161. De Nederlanders, van ouds een zeevarend en handeldryvend volk, hebben zich als 't ware over de geheele wereld verspreid, vooral in handelsteden en zeeplaatsen; en ook hebben zy, hier en daar, in oost en west, veelvuldig volkplantingen gesticht. Voor zoo verre deze volkplantingen nog heden nederlandsche bezittingen zijn, in Oost- en West-Indie, hebben zy natuurlik steeds een nau en druk verkeer met het moederland onderhouden, en maakt de europesche bevolking in die landen, eigenlik slechts een gedeelte uit van het nederlandsche volk in het moederland. De maagschapsnamen der Nederlanders in onze oost- en west-indische bezittingen leveren dan ook, uit den aard der zake, niets eigenaardigs op, niets, dat hen onderscheidt van de geslachtsnamen, in 't algemeen aan ons volk in ons eigen land eigen. Hoogstens formen de zonderlinge, omgekeerde maagschapsnamen, in Oost-Indie inheemsch (zie bl. 463), eene kleine byzondere groep van nederlandsch-indische namen.

Eenige oud-nederlandsche volkplantingen echter hebben sedert korteren of langeren tijd den samenhang met het oude moederland verloren. Sommigen daar van zijn in handen der Engelschen gekomen en gebleven (Ceylon, de Kaap de goede hoop). Anderen zijn nu vry en op zich zelven, als b. v. de kern van den bond der Vereenigde staten van Noord-Amerika, New-York en naaste omgeving, in de zeventiende eeu de nederlandsche volkplanting Nieu-Amsterdam uitmakende. Of ook de afstammelingen der oud-nederlandsche volkplanters hebben nieue, vrye staten opgericht, de Oranje-Vrystaat, de Transvaal, enz. In al deze landen dragen de nakomelingen der oud-nederlandsche uitwykelingen, ten deele althans, nog hunne nederlandsche geslachtsnamen, als een bewijs van hunnen oorsprong en afkomst. In de engelsche Kaapkolonie en in de verdere vrye zuid-afrikaansche staten komen deze oud-nederlandsche geslachtsnamen vooral nog in grooten getale voor. Zie hier eenigen daar van: Van Niekerk, De Beer, Van Breda, Potgieter, Groeneveld, Swanepoel, Overbeek (zie bl. 478), Myburgh, Hofmeyr, Tesselaar, Brandt, Klopper, De Wet, Van Blommestein, Oosthuizen, Van Zijl, enz. Iets eigenaardigs leveren deze afrikaansch-nederlandsche geslachtsnamen niet op, 't en zy dan in eenigen, die, naar mijn beste weten, in Nederland zelve niet meer voorkomen; als: Uys, Bezuidenhout, Prinsloo (de oude naam van het Loo, ook wel Koningsloo genoemd, by Apeldoorn op de Veluwe), Van der Merve, Van der Hever (zie bl. 244), enz.

Duitschers en Franschen met duitsche en fransche geslachtsnamen hebben zich wel onder deze nederlandsche volkplanters in Zuid-Afrika neêrgezet, en al hunne nakomelingen hebben hunne geslachtsnamen niet zuiver kunnen bewaren. Die namen komen thans wel, in uitspraak, spelling en form verdietscht, onder de oorspronkelik nederlandsche voor; b. v. Minnaar en Mijnhart, oorspronkelik de fransche naam Ménard; Losper, oorspronkelik het duitsche Laubscher; Coetzee of Coetze, oorspronkelik het duitsche Kutze, Kutsche (?), enz.

Op Ceylon bestaan ook nog nederlandsche geslachtsnamen, eigen aan afstammelingen der oude nederlandsche volkplanters van dat eiland. Als zoodanig kwam my aldaar byzonder de geslachtsnaam Van der Spaar voor.

In New-York en in den naasten omtrek van die stad wonen nog afstammelingen van de oude nederlandsche volkplanters van Nieu-Amsterdam. Zy zijn aldaar onder den naam van »Knickerbockers" bekend, dragen nog roem op hunne afkomst, en staven hunnen oorsprong door hunne nederlandsche geslachtsnamen; b. v. Van der Bilt, De Wit, Frelinghuysen, Van Buren, Suydam, Schuyler, Op de Graeff, Van Bebber, Roosevelt, enz. Door engelschen infloed zijn sommigen dezer oud-nederlandsche geslachtsnamen ook in hun voorkomen, form of spelling verengelscht; b. v. Van Buskirk, oorspronkelik zeker Van Buskerk, zoo niet Van Buschkerk of Van Boschkerk; De Young in plaats van De Jong, enz. De namen der duizenden nederlandsche uitwykelingen die sedert de helft dezer eeu zich in Noord-Amerika en wel meest in de westelike staten der Unie hebben neêrgezet, behoeven hier niet vermeld te worden, als niets eigenaardigs opleverende.

In de verschillende europesche landen wonen hier en daar, vooral in de hoofd-, handel- en zeeplaatsen, ook nog afstammelingen van Nederlanders, welke zich daar in vroegeren of lateren tijd met der woon hebben gevestigd. Zy zijn, ten deele althans, ook nog kenbaar aan hunne nederlandsche geslachtsnamen. Toch vindt men ongelijk veel minder Nederlanders in andere europesche landen, als vreemdelingen, vooral Duitschers, Franschen, Italianen, enz. by ons. Maar, al zijn ze zeldzaam, men vindt ze overal, soms zelfs in tamelik afgelegene oorden en plaatsen. Zoo komen er nog eenige afstammelingen van Nederlanders voor, kenbaar aan hunne nederlandsche namen, in Noorwegen, en wel meest te Bergen, welke stad, reeds sedert de middeleeuen, steeds een druk handelsverkeer met Nederland onderhield. Die namen zijn Van der Ouwen, Van Erpecom, Nieuwjaar en Geelmuyden. De laatstgenoemde naam is in zoo verre byzonder, als hy in Nederland zelve niet meer schijnt voor te komen, al is hy goed-nederlandsch van oorsprong. Geelmuyden is oorspronkelik de naam van het stedeke Genemuiden in Overijssel, welke naam in de volksspreektaal meest als Geelmujen, Geelmuyen wordt uitgesproken.

E. DE GESLACHTSNAMEN DER NEDERLANDSCHE ISRAËLITEN.

§ 162. De talryke byzonderheden en eigenaardigheden, waardoor de geslachtsnamen der nederlandsche Israëliten zich onderscheiden van die der andere, der germaansche Nederlanders, ook de vele namen van vreemden oorsprong die zy dragen, nopen my om hunne namen in eene afsonderlike groep samen te vatten, en ze hier afsonderlik te vermelden en te beschouen.

Oppervlakkig zoude men denken dat de Israëliten geslachtsnamen zouden dragen, aan de hebreeusche taal ontleend. Dit is echter slechts by uitzondering het geval. Hoe vele eeuen zijn er ook niet reeds verloopen, sedert de hebreeusche taal de eigenlike volksspreektaal der Joden was! Wel wordt het Hebreeusch nog steeds door hen gelezen, geschreven en beoefend, wel is het nog steeds de taal hunner openbare en byzondere godsdienstoefeningen, maar als dageliksche spreektaal is het, althans by de nederlandsche Joden, geheel buiten gebruik gekomen, al is het dat er evenwel vele hebreeusche woorden nog voorkomen in de basterdtaal die zy wel onderling gebruiken. En omdat de geslachtsnamen toch onmiddellik uit de volksspreektaal ontstaan, en slechts zelden uit de boeketaal, althans niet als deze eene verouderde is, zoo vinden wy hierin de opheldering van het zeldzaam voorkomen van hebreeusche geslachtsnamen onder de Israëliten. Een der meest voorkomende is Cohen, een naam, die aan zeer vele onderling niet verwante geslachten eigen is, en die als het oorbeeld van eenen joodschen geslachtsnaam gelden kan. Deze naam, priester beteekenende, en hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, aan leden uit den stam van Levi, uit het geslacht van Aäron eigen, komt ook nog in andere formen voor. Te weten als Cahen, Cohenno en Acohen.--Cohn en Cahn zijn hoogduitsche formen en Cohensius is een verlatynschte, allen in Nederland voorkomende. Ook Elkan is de zelfde naam, maar met het lidwoord daar voor (even als de geslachtsnaam De Priester onder de germaansche Nederlanders), en 't eenvoudige Kan met het hoogduitsch-formige Kann is, als israëlitische geslachtsnaam, ook eene verbastering van den naam Cahn, Cahen, Cohen. Nevens Elkan is my ook nog de (onzinnige) geslachtsnaam Van Elkan voorgekomen. Cohnstamm, ook van hoogduitschen oorsprong, en Caun moeten mede tot de Cohen-namen worden gerekend, en, naar ik meen, de geslachtsnaam Consenheim eveneens. Messias, Jeschurun, Jesurun en Jessurun (alle drie formen zijn my voorgekomen), Rabbi, Susan met Susanna, Suzanne, Suzan en Soesan zijn mede hebreeusche geslachtsnamen van nederlandsche Israëliten. Jesurun is een verkleinform van het woord Israël, en komt in de bybelboeken voor; b. v. Deuteronium XXXII, vs. 15, en elders. [271] Susanna komt in de bybelboeken als vrouenaam voor (Evangelie van St. Lukas VIII, vs. 3), en is als zoodanig ook onder ons in gebruik. Over de beteekenis van dezen naam zie men het tijdschrift De Navorscher, XXXIII, 283.--Vele bybelsche mansvóórnamen, by de nederlandsche Joden als geslachtsnamen in gebruik, b.v. Emmanuel, Boas, Eleazar enz. (zie bl. 179), zijn ook uit de hebreeusche taal afkomstig en kan men dus eveneens tot deze groep rekenen.

Geslachtsnamen aan andere vreemde talen als de hebreeusche ontleend (te weten aan de spaansche en portugeesche talen), komen onder de Israëliten in Nederland zeer veelvuldig voor. Immers in het laatst der zestiende en in het begin der zeventiende eeu werden de Joden in Spanje en Portugal hevig, ja tot den dood toe vervolgd om de wille van hun geloof, dat zy niet met het Christelike verwisselen wilden. Daardoor gedwongen die landen te verlaten, weken zy in grooten getale uit, en vestigden zich grootendeels in Holland, voornamelik te Amsterdam, waar de eerste portugeesche Joden in 1593 aankwamen. De spaansche en portugeesche Joden voerden toen reeds grootendeels, zoo niet allen, vaste geslachtsnamen, en zy hebben die aloude namen, waar onder er velen zijn die tot de eervolste namen moeten gerekend worden, om de wille der edele, deugdryke, geleerde en bekwame mannen, die ze gedragen hebben, tot den dag van heden behouden. Zie hier eenigen daarvan: Lopez de Suasso, Orobio de Castro, De Leao Laguna, [272] enz.--Eene halve eeu later als deze intocht der spaansche en portugeesche Joden in ons land plaats greep, kwamen vooral ten jare 1656 eveneens duizenden van Israëliten uit de oostersche landen van Europa, uit Polen, Galicie, enz. zich in Nederland met der woon vestigen. Ook dezen waren, althans gedeeltelik, wegens geloofsvervolging en onderdrukking uit die oost-europesche landen gevlucht. Ten deele ook kwamen zy naar de ryke Nederlanden, waar toen handel en verkeer en vryheid bloeiden als nergens ter wereld, om hun fortuin te zoeken, en in den regel te vinden. Die toevloed van oost-europesche Israëliten (ook van hoogduitsche Joden welke eveneens grootendeels van oost-europeschen oorsprong zijn) duurt nog steeds voort, ook in onze dagen. De groote hoeveelheid hoogduitsche geslachtsnamen, of namen die door hunne formen hunnen hoogduitschen oorsprong verraden, onder de Israëliten voorkomende, zijn door die inwykelingen in ons land gebracht. Want ook de poolsche, galicische en andere oost-europesche Joden dragen meestal hoogduitsche geslachtsnamen, gelijk zy onderling ook veelal de hoogduitsche taal, in min of meer verbasterden form gebruiken. Geslachtsnamen als Polak (onder de Israëliten vry algemeen; zie bl. 197), Konijn (zie bl. 209), Bosnak (zie bl. 197), Krakau, Belgrado, Meseritz, geven mede getuigenis van hunnen oorsprong uit de slavische landen van oostelik Europa.

Twee formen van geslachtsnamen zijn vooral onder de hoogduitsche Israëliten zeer menigvuldig verspreid. Te weten patronymika op son, sohn eindigende, en plaatsnamen, die de plaats van herkomst van den eenen of anderen stamvader aanduiden. Die plaatsnamen als geslachtsnamen komen zoo wel op zich zelven voor, als verbogen, door achtervoeging van er (Frankfurter). Als voorbeelden van zulke byzonder-israëlitische patronymikale geslachtsnamen vermeld ik: Boasson, Davidson, Abrahamson, Jacobson, Levison en Levyssohn (zie bl. 130).

Byzonder-israëlitische geslachtsnamen die den oorbeeldig-nederlandschen patronymikaal-form op enkele s vertoonen, zijn zeldzaam. Zie hier een paar: Zadoks, Gomperts, Rubens, Israëls, Arons, Nathans.

Geslachtsnamen van plaatsnamen afgeleid en op er eindigende, vertoonen by de nederlandsche Israëliten veelal de namen van duitsche en oost-europesche steden; b. v. Binger, Hamburger, Frankfurter, Eltzbacher, Bremer, Oppenheimer, enz.; zie bl. 203. En dit is ook het geval by de enkele, de onverbogene plaatsnamen die als nederlandsch-joodsche geslachtsnamen voorkomen: Wertheim, Emrik, Krakau en Cracau, Lemberg, Presburg, Konijn, Belgrado, Calisch, Lissa, Meseritz, enz.; zie bl. 209. Ook Speier, de hoogduitsche form van den naam der stad Spiers in den Paltz. Het is een meer hoog- als nederduitsch, veel min nog nederlandsch gebruik, om geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, op deze twee wyzen te formen. Het oorbeeldig-nederlandsche gebruik eischt het voorzetsel van vóór den plaatsnaam, die als geslachtsnaam dienst doet. En zoo hebben die Israëliten, welke herkomstig waren uit duitsche plaatsen, naby onze grenzen gelegen, en waar de nederduitsche taal gesproken wordt of oudtijds ook byzonder-nederlandsche formen zeer gebruikelik waren, by hun aannemen van eenen geslachtsnaam hier te lande, daartoe ook den nederlandschen form met van er voor, gebruikt. B. v. Van Emden, Van Norden, Van Leer, Van Gelder, Van Crevelt, Van Minden, Van Cleef, enz. Zie bl. 227. Byzonder zijn ook de maagschapsnamen Vrieslander, Engelander en Zeelander, allen aan joodsche geslachten eigen. Vrieslander, Engelander en Zeelander, in plaats van Fries, Engelschman en Zeeu, zijn ongebruikelike woorden. Een echte, germaansche Nederlander zal ze niet gebruiken.

§ 163. Al de vreemde, uit vreemde talen oorspronkelike namen, met al de namen die onnederlandsche formen vertoonen, en al de namen die aan vreemde plaatsnamen ontleend zijn, maken met elkanderen wel de groote helft uit, zoo niet drie-vierde-deelen, van alle geslachtsnamen die door nederlandsche Israëliten worden gedragen. Hunne overige namen zijn goed-nederlandsch van form en oorsprong. Maar niettegenstaande dat, vertoonen zy in 't algemeen genomen nog zoo veel byzonders en eigenaardigs, dat men ze uit de andere nederlandsche namen herkennen kan. In der daad, geslachtsnamen die ook evenzeer door eigenlike (germaansche) Nederlanders als door Israëliten worden gedragen, zijn betrekkelik zeldzaam. Als zulken noem ik: De Vries en De Jong, De Leeuw, De Beer, De Haan, Koster, Brouwer, Van Gelder, De Haas, enz. En deze namen (zoo men de beide eerstgenoemden en ook Van Gelder, Van Gelderen, enz. uitzondert, die zeer veelvuldig voorkomen en aan onderscheidene onderling niet verwante maagschappen eigen zijn)--deze namen zijn buitendien nog betrekkelik zeldzaam onder de Joden, al hoe algemeen ze ook onder de eigenlike Nederlanders mogen zijn. Maar vele overigens zuiver-nederlandsche geslachtsnamen zijn slechts aan israëlitische geslachten eigen, en worden ook gereedelik als joodsche namen herkend. Als zulken noem ik: Wetschryver, Loteryman, Goudstikker, Kornalynslyper, Porcelein, Citroen, Augurkie, Eitje, Ziekenoppasser, enz.

De geslachtsnaam De Leeuw, door Israëliten gedragen, heeft dit eigenaardige, dat hy niet aan eenen huisnaam ontleend is, zoo als by de andere Nederlanders die De Leeuw heeten, in den regel wel het geval is. Integendeel, onder de Joden is deze geslachtsnaam in gebruik gekomen als kenteeken dat de drager er van tot den stam van Juda behoort, by welken israëlitischen stam reeds van oude tyden af de leeu (de leeu van Juda) als kenteeken op de wyze van wapenteeken gold. Of ook, de geslachtsnaam Leeuw geldt als eene verbastering, eene quasi-verdietsching van den mansvóórnaam Levi. Zoo zijn ook de vele overgangsformen tusschen Leeuw en Levi te verklaren; b. v. De Leev, De Leeuw, Leeuw, Löwe, Lion, Löb, Löfson, Löbson, Levison, Levyssohn, Levisohn, Leeuwenberg, Leeuwensteen, Lewenstein, Leeuwenstein, Löwenstein, Löwenstamm en ook het friesche Leefsma. Verder Leefmans, het enkele Levi, Levie, Levy, De Levie, De Levita, enz. Tegenover Löwenstein staat ook de geslachtsnaam Aronstein, tegenover Löwenstamm ook Cohnstamm. Nevens Leeuw komt onder de nederlandsche Israëliten ook de geslachtsnaam Leeuwin voor. Zoo deze naam niet uit scherts, als een tegenhanger van Leeuw, aangenomen is, dan zal hy wel als eene ongeschikte verdietsching moeten worden beschoud van den naam Levin (eigenlik eene verkorting van Levinus, Lebuinus), die in Duitschland aan joodsche geslachten eigen is. Dit joodsch-duitsche Levin is onder de hoogduitsche Israëliten in gebruik genomen als eene »verfraaiing" van den joodschen mansvóórnaam Levi. Zoo is het onder de hedendaagsche nederlandsche Israëliten ook wel gebruikelik hunne aloude en eervolle namen Isaäc, Mozes, Levi, enz. waaraan zoo schoone herinneringen verbonden zijn, te verkersteliken, of liever te ontjoodschen, door Isidoor of Isouard, Moritz of Maurice, Lion of Louis van te maken.

Eigenaardig is het dat er onder de friesche Israëliten ook byzonder-friesche geslachtsnamen voorkomen. Deze joodsch-friesche namen, door de friesche Israëliten in navolging van de namen der ware Friesen aangenomen, zijn ten deele afsonderlik en opsettelik door hen geformd, gemaakt, bedacht; gedeeltelik ook, als reeds onder de Friesen bestaande, overgenomen. Zy deden dit als 't ware om de Friesen te behagen, even als zy ook in andere landen wel geslachtsnamen maakten en aannamen, geformd uit de taal van het volk waaronder zy wonen. Zulke friesche geslachtsnamen van israëlitische maagschappen zijn: Woudsma, Dykstra, Oostra, Woudstra, Feitsma, die ook door Friesen zelven worden gedragen en van hen zijn overgenomen. En Leefsma (zie bl. 130), Drielsma, Drilsma, Dwingersma, Van Biema, Turksma en Fryda, die afsonderlik geformd, en slechts aan Israëliten eigen zijn.

De groote massa van het Israëlitische volk in Nederland (zoo men de spaansche en portugeesche Joden onder hen uitsondert, met de groote kooplieden, de aanzienliken en ryken in 't algemeen)--de groote massa had geene eigene en vaste geslachtsnamen tot in het begin van deze eeu. Zy noemden zich met hunnen vadersnaam in den tweeden-naamval, als patronymikon; b.v. Mozes Isaacs of Izaks, Jacob Baruchs, Levi van Manasse, Josua van Abraham, enz. Deze eenvoudige, ter nauer nood voldoende onderscheiding was hun genoeg; ja, velen onder hen waren er byzonder aan gehecht als aan iets eigenaardig-joodsch. Deze laatsten verzetten zich dus in 1811 aanvankelik tegen het aannemen van eenen vasten geslachtsnaam, 't welk van hen zoo wel als van ieder ander nederlandsch staatsburger werd gevorderd. En toen hun aanvankelik verzet niet baatte, en zy zich aan de wet moesten onderwerpen, trachtten velen de zaak bespottelik te maken door allerlei zonderlinge en dwaze namen op te geven. Immers dachten zy dat dit dragen en voeren van vaste geslachtsnamen geen stand zoude houden; dat het slechts een tydelike maatregel was, door het fransche bewind genomen, maar die by de verjaging der fransche onderdrukkers, waar op zy, met alle vaderlanders, hoopten en die dan ook niet uitgebleven is, weêr zoude worden afgeschaft. Intusschen, by de herstelling van het huis van Oranje-Nassau aan het hoofd van het bewind in de nederlandsche gewesten, bleef de fransche wet in volle kracht bestaan, dus ook de geldigheid der geslachtsnamen, onder het fransche bestuur aangenomen. Vele Israëliten die dwaze en leelike geslachtsnamen vrywillig hadden aangenomen, zagen zich hier door eenigszins bedrogen, althans te leur gesteld; en velen hunner zonen en kleinzonen zullen heden ten dage nog wel verdriet hebben en ergernis van deze ongepaste geslachtsnamen. En al ligt er nu ook niets onteerends in,--zoo de kleinzoon misschien een aanzienlik of rijk man geworden is, dan is het voor hem toch gewis niet aangenaam dat zijn grootvader zich Paardebek of Vischschraper heeft laten noemen, en hy die ongeschikte namen nu ook moet voeren.

Vele Israëliten namen in 1811 geslachtsnamen aan, ontleend aan den handel dien zy dreven, aan de betrekking die zy vervulden. Maar omdat onder de Joden velen zijn die betrekkingen vervullen, ambten bekleeden, handwerken uitoefenen welke onder de Christenen niet gebruikelik zijn, of slechts bepaaldelik aan hen zelven eigen zijn,--of ook omdat er onder de Joden handel gedreven wordt, vooral kleinhandel, straatventery, die eveneens slechts hen eigen is, zoo hebben de nederlandsch-joodsche geslachtsnamen ook daardoor veel eigenaardigs. Koster, Schoolmeester, De Boer zijn nog geslachtsnamen die zoo wel door Israëliten als door andere Nederlanders worden gedragen. Maar Vleeschdrager en Vleeskruyer, Vischschraper, Kleerkoper en Loteryman, Ossedryver, Augurkiesman en Komkommerman zijn namen slechts aan Joden eigen. Tot deze groep behooren verder nog Rabbi, Onderwyzer en Voorzanger, [273] enz. Vele geslachtsnamen van nederlandsche Israëliten zijn ontleend aan de namen der waren waar in de lieden handel dreven, welke die namen in 1811 zich toeeigenden. Als voorbeelden noemen wy: Diamant, Parel, Paerl, Porcelein, Schaapwol, Citroen, Peper, Tabak, Carstanje, Komkommer, Augurkie, Eitje. De geslachtsnaam Lotery duidt ook nog een middel van bestaan aan, dat veel door Israëliten wordt waargenomen.

Als besluit van deze joodsch-nederlandsche namen mogen hier nog eenigen vermeld worden, die bepaaldelik aan spot en scherts hun ontstaan te danken--of te wyten--hebben; het zijn Paardebek, Perexempel, Hangjas, Drieduiten, Agsteribbe, Zomerplaag, Hardlooper en Dribbelaar, Natkiel en Witjas, Keessie en Lampie, Roosenik (zie bl. 458), enz.

Eigenaardige joodsch-nederlandsche namen zijn buitendien nog: Koetser, eene halve verdietsching van het hoogduitsche Kutscher; Schuttero, Cohenno en Van Mindeno. Deze laatste namen zijn eigenlik de namen Schutter, Cohen en Van Minden, die eveneens aan joodsche geslachten eigen zijn. Om welke reden men er eene o achter heeft gehangen, waardoor deze namen tamelik onzinnig, althans zeer zonderling geworden zijn, is my niet bekend. Was het om ze meer gelijkformig te maken aan de geslachtsnamen der portugeesche en spaansche Joden, waar onder er velen zijn die op eene o eindigen? De ontaalkundige geslachtsnaam De Schaap is ook eigenaardig-joodsch. Maar de schijnbaar eveneens ontaalkundige geslachtsnaam De Graan, ook aan eene israëlitische maagschap eigen, moet hiermede niet op eene lijn worden gesteld. Deze naam immers is slechts eene verbastering, eene halve verdietsching van den franschformigen naam De Gran, dat is Van Gran, ontleend aan den naam der hongaarsche stad Gran, vanwaar die maagschap herkomstig is;--niet waar?